Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2012:BW3661

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
19-04-2012
Datum publicatie
24-04-2012
Zaaknummer
Awb 11/1898
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Weigering intrekking bouwvergunning voor oprichten van een zonder biologische luchtwasser gerealiseerde vleeskalverenstal in Olst; voldoende aannemelijk gemaakt dat bouwvergunning ten gevolge van een onjuiste of onvolledige opgave is verleend; beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2013/3911

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Sector Bestuursrecht

Registratienummer: Awb 11/1898

uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen

[eisers],

wonende te Olst, eisers,

gemachtigde: mr. H.A. Wieringa, juridisch adviseur te Assen,

en

het college van burgemeester en wethouders van Olst - Wijhe,

verweerder,

[belanghebbende],

wonende te Olst, belanghebbende.

Procesverloop

Bij besluit van 25 januari 2011 heeft verweerder de aanvraag van eisers om intrekking van de bij besluit van 30 oktober 2009 aan [belanghebbende] te Olst verleende reguliere bouwvergunning voor het oprichten van een vleeskalverenstal op het perceel [perceel] te Olst, dan wel om handhavend op te treden wegens bouwen in strijd met de op 30 oktober 2009 verleende bouwvergunning, afgewezen. Bij brief van 4 maart 2011 hebben eisers hiertegen bezwaar gemaakt.

Het bezwaar is bij het besluit van 26 juli 2011, verzonden op 29 juli 2011, ongegrond verklaard. Eisers hebben tegen dit besluit bij brief van 2 september 2011 beroep ingesteld.

De rechtbank heeft […] te Olst, hierna te noemen belanghebbende, in de gelegenheid gesteld om als belanghebbende partij deel te nemen aan dit geding.

Het beroep is ter zitting van 15 februari 2012 behandeld. Eisers zijn in persoon verschenen, bijgestaan door mr. Wieringa. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door J.M. Boer en J. Rohaan. Belanghebbende is in persoon verschenen, bijgestaan door J. Immink, agrarisch adviseur te Daarle.

Overwegingen

Belanghebbende voert een rundveehouderij in het buitengebied van de gemeente Olst-Wijhe, aan de [perceel] te Olst. Op dit perceel bevinden zich meerdere stallen.

Eisers wonen aan de [….] te Olst, op een naast het bedrijf van belanghebbende gelegen perceel.

Bij besluit van 30 oktober 2009 heeft verweerder aan belanghebbende een reguliere bouwvergunning verleend voor het oprichten van een vleeskalverenstal ten behoeve van de huisvesting van 1020 vleeskalveren. Van dit bouwplan maakte een biologische luchtwasser deel uit.

Belanghebbende heeft vervolgens op 19 juli 2010 een aanvraag gedaan om verlening van een reguliere bouwvergunning ten behoeve van het plaatsen van een luchtkoker, waardoor lucht uit de stal wordt geblazen, op de vergunde vleeskalverenstal, in plaats van de biologische luchtwasser die in het oorspronkelijke bouwplan was voorzien.

Op 17 mei 2011 is door verweerder mededeling gedaan dat de aangevraagde bouwvergunning van rechtswege is verleend. Het door belanghebbende hiertegen gemaakte bezwaar is niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de termijn voor het maken van bezwaar. Tegen dit besluit is geen beroep ingesteld.

De vleeskalverenstal is zonder biologische luchtwasser gerealiseerd.

Op 1 oktober 2010 is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) in werking getreden. Bij de invoering van deze wet is een aantal andere wetten gewijzigd. Ingevolge het bepaalde in artikel 1.2, eerste lid, aanhef en onder g, van de Invoeringswet Wabo geldt een vergunning die voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Wabo is verleend krachtens artikel 40 van de Woningwet als een omgevingsvergunning voor de betrokken activiteit. Ingevolge het bepaalde in artikel 1.2, derde lid, van de Invoeringswet Wabo wordt een dergelijke vergunning die op het tijdstip van inwerkingtreding van de Wabo nog niet onherroepelijk was geworden, gelijkgesteld met een omgevingsvergunning voor de betrokken activiteit op het tijdstip waarop de betrokken beschikking onherroepelijk is geworden.

Eisers hebben verzocht om handhavend op te treden tegen de door belanghebbende gerealiseerde vleeskalverenstal.

De rechtbank stelt vast dat de huidige situatie van de vleeskalverenstal, waarbij de stal is voorzien van een luchtkoker, in overeenstemming is met de in 2011 van rechtswege verleende bouwvergunning. Van een overtreding, waartegen verweerder ten tijde van het bestreden besluit handhavend kon optreden, was dan ook geen sprake.

Verweerder heeft de weigering om handhavend op te treden tegen belanghebbende dan ook terecht gehandhaafd.

Eisers hebben voorts verzocht om intrekking van de oorspronkelijk, op 30 oktober 2009, aan belanghebbende verleende reguliere bouwvergunning, welke gelet op het voorgaande geldt als omgevingsvergunning voor de betrokken activiteit.

Artikel 5.19, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo bepaalt dat het bestuursorgaan dat bevoegd is een vergunning of ontheffing te verlenen, de vergunning of ontheffing geheel of gedeeltelijk kan intrekken, indien de vergunning of ontheffing ten gevolge van een onjuiste of onvolledige opgave is verleend.

De rechtbank stelt voorop dat voor toepassing van deze bepaling niet vereist is dat onomstotelijk vaststaat dat de vergunning of ontheffing ten gevolge van een onjuiste of onvolledige opgave is verleend. Voldoende is dat op basis van concrete feiten, bezien in onderlinge samenhang, aannemelijk is dat hiervan sprake is geweest.

Het perceel[….] te Olst valt binnen de begrenzing van het bestemmingsplan “Buitengebied (voormalige gemeente Olst)”. Blijkens de plankaart behorend bij dit bestemmingsplan heeft dit perceel de bestemming ‘agrarisch gebied met bijzondere landschappelijke kenmerken A1’. Artikel 5 van de voorschriften behorend bij dit bestemmingsplan (hierna: de planvoorschriften) is hierop van toepassing. Op grond van het bepaalde in artikel 5, derde lid, onder a, van de planvoorschriften mogen gebouwen en mestopslagplaatsen uitsluitend binnen de op de kaart aangegeven bouwvlakken worden gebouwd. Tussen partijen is niet in geschil dat de nieuwe vleeskalverenstal van belanghebbende buiten het bouwvlak was geplaatst en dat het bouwplan van belanghebbende op basis van dit bestemmingsplan niet mogelijk zou zijn geweest.

Tussen belanghebbende en verweerder heeft vervolgens overleg plaatsgevonden naar aanleiding van de wens van belanghebbende om een nieuwe stal voor 1020 vleeskalveren te realiseren. Ook eisers zijn hierbij betrokken. In het kader van dit vooroverleg is door belanghebbende aangegeven dat de nieuw te bouwen stal zal worden ingericht met een ammoniakemissie-arm stalsysteem en dat inpassing van de stal in het landschap zal plaatsvinden door uitvoering van een landschapsplan.

Bij besluit van 8 september 2009 heeft verweerder vervolgens, met toepassing van artikel 3.6 van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro), jo. artikel 5, twaalfde lid, van de planvoorschriften, de begrenzing van het agrarisch bouwvlak van het perceel […] te Olst gewijzigd. Deze wijziging heeft geleid tot een vergroting van het agrarisch bouwvlak met 1,1 ha. Ten gevolge van deze wijziging viel de locatie waarop belanghebbende de nieuwe vleeskalverenstal wilde realiseren binnen de grenzen van het bouwvlak. In de toelichting op het wijzigingsplan heeft verweerder gewezen op het ammoniakemissie-arme stalsysteem waarmee de nieuw te bouwen stal zal worden ingericht en op het ten behoeve van de ruimtelijke inpassing van de nieuwe stal ingediende landschapsplan.

Omdat eisers er op vertrouwden dat de nieuwe vleeskalverenstal zou worden gerealiseerd conform hetgeen in het vooroverleg door belanghebbende was aangegeven, hebben zij geen rechtsmiddel aangewend tegen de vaststelling van het wijzigingsplan.

Vervolgens heeft, bij besluit van 30 oktober 2009, verlening van bouwvergunning voor de nieuwe kalverenstal plaatsgevonden.

De vleeskalverenstal is als vermeld zonder biologische luchtwasser gerealiseerd. Ook heeft uitvoering van het landschapsplan niet plaatsgevonden.

Belanghebbende heeft ter zitting van de rechtbank van de rechtbank, op 15 februari 2012, verklaard dat de keuze om in plaats van een biologische luchtwasser te volstaan met een luchtkoker enkel is ingegeven door financiële motieven. Met uitvoering van het landschapsplan is geen begin gemaakt, omdat eisers rechtsmiddelen hebben aangewend tegen de gewijzigde plannen van belanghebbende.

De rechtbank overweegt dat een omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk eerst is uitgewerkt indien het bouwwerk overeenkomstig de vergunning is voltooid. Hiervan kan niet eerder sprake zijn dan nadat een bouwwerk gereed is gemeld bij de gemeente. Uit de door partijen overgelegde stukken blijkt niet dat een dergelijke gereedmelding voor de nieuw te bouwen kalverenstal inmiddels heeft plaatsgevonden. De bij besluit van 30 oktober 2009 aan belanghebbende verleende bouwvergunning, die geldt als omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk, is dan ook niet uitgewerkt. De omstandigheid dat nadien van rechtswege bouwvergunning is verleend ten behoeve van een wijziging van dit bouwplan doet hieraan niet af.

De rechtbank is, gelet op de inhoud van de stukken die zich in het dossier bevinden en de verklaringen die ter zitting door belanghebbende zijn afgelegd, van oordeel dat aannemelijk is dat belanghebbende bij zijn aanvraag om verlening van bouwvergunning, in 2009, geen volledige openheid van zaken heeft gegeven over zijn plannen dan wel over de ernst om deze plannen conform de bij de aanvraag gedane opgave te realiseren. In dit verband kent de rechtbank mede betekenis toe aan de omstandigheid dat belanghebbende reeds op 25 november 2009, minder dan één maand nadat aan hem bouwvergunning was verleend, een aanvraag tot wijziging van de aan hem verleende milieuvergunning heeft gedaan. In die aanvraag is niet langer een biologische luchtwasser voorzien. Hieruit volgt tevens dat het belanghebbende blijkbaar reeds toen niet langer ernst was om zijn bouwplannen conform de eerder gedane opgave te realiseren.

Ter zitting is namens verweerder verklaard dat verweerder er bij de vergunningverlening vanuit is gegaan dat belanghebbende de vleeskalverenstal conform de gemaakte afspraken, waaronder de afspraken die voorafgaand aan de wijziging van de begrenzing van het bouwvlak zijn gemaakt, zou nakomen. Niet aannemelijk is dat verweerder medewerking zou hebben verleend aan de plannen van belanghebbende, indien van tevoren bekend was geweest waar deze medewerking uiteindelijk toe zou leiden.

De rechtbank is, gelet op het voorgaande, van oordeel dat in voldoende mate aannemelijk is dat de bij besluit van 30 oktober 2009 verleende bouwvergunning ten gevolge van een onjuiste of onvolledige opgave is verleend. Verweerder was dan ook bevoegd om deze vergunning op grond van het bepaalde in artikel 5.19, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo in te trekken.

De omstandigheid dat intrekking van de omgevingsvergunning, ingevolge het bepaalde in artikel 5.19, derde lid, van de Wabo, eerst kan plaatsvinden nadat de betrokkene de gelegenheid is geboden om binnen een daartoe te bepalen termijn zijn handelen alsnog in overeenstemming te brengen met de verleende omgevingsvergunning, doet er niet aan af dat de gehandhaafde weigering om een dergelijk traject in gang te zetten onvoldoende is gemotiveerd en dat onvoldoende is onderzocht of intrekking thans nog mogelijk is. Dit onderzoek dient alsnog plaats te vinden.

Het bestreden dient daarom, wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, en artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht, te worden vernietigd.

Het beroep is daarom gegrond.

Verweerder dient, met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen, opnieuw op het bezwaar te beslissen.

De rechtbank ziet aanleiding om verweerder te veroordelen in de kosten die de andere partij in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Omdat dit beroep tegelijkertijd met een ander beroep van eisers (Awb 11/1898) ter zitting is behandeld en voor de behandeling ter zitting van dat beroep reeds 1 punt is toegekend, volstaat de rechtbank met toekenning van 1 punt voor het beroep, begroot op € 437,--, als kosten van verleende rechtsbijstand.

Beslissing

De rechtbank:

-verklaart het beroep gegrond;

-vernietigt het bestreden besluit;

-gelast dat verweerder, met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen, opnieuw op het bezwaar beslist;

-veroordeelt verweerder in de proceskosten, welke begroot worden op € 437,--, te betalen aan eisers;

-gelast dat verweerder aan eisers het door hen betaalde griffierecht, ten bedrage van € 152,-- , vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.J.B. Cornelissen, voorzitter, mr. A. Steinebach-de Wit en mr. S.A. van Hoof, rechters, en door de voorzitter en mr. A. van der Weij als griffier ondertekend. Uitgesproken in het openbaar op

Afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat voor een belanghebbende en het bestuursorgaan hoger beroep open. Dit dient te worden ingesteld binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak door een beroepschrift en een kopie van deze uitspraak te zenden aan de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag

U kunt ook digitaal hoger beroep instellen bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. Kijk op www.raadvanstate.nl voor meer informatie over het indienen van digitaal beroep