Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2012:BW3649

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
25-04-2012
Datum publicatie
25-04-2012
Zaaknummer
2012 / W 007
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Wraking. Afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

beslissing

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Wrakingskamer

zaaknummer / rekestnummer: 2012 / W 007

Beslissing van 25 april 2012

in de zaak van

[verzoekster],

wonende te [plaats],

verzoekster tot wraking,

advocaat mr. V.C. van de Velde te Almere,

tegen

mr. [A], in haar hoedanigheid van rechter, voorzitter van de meervoudige strafkamer,

mr. [B], in haar hoedanigheid als rechter, lid van deze kamer,

mr. [C], in haar hoedanigheid als rechter, lid van deze kamer.

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het proces-verbaal van 16 maart 2012 waarin het mondelinge wrakingsverzoek en de gronden daarvoor zijn vermeld;

- het schriftelijke reactie van mrs. [A], [B] en [C] van 27 maart 2012.

Bij de mondelinge behandeling zijn verschenen:

- verzoekster, bijgestaan door haar raadsman mr. Van der Velde voornoemd;

- mr. [A];

- mr. W.S. Ludwig, officier van justitie;

- mrs. [B] en [C] hebben laten weten niet te zullen verschijnen.

2. Het wrakingsverzoek

2.1. Het verzoek tot wraking is gericht tegen mrs. [A], [B] en [C] als rechters in de zaak met nummer 07.662741-11 tegen Vosselman als verdachte.

2.2. Verzoekster heeft blijkens het proces-verbaal van het mondelinge verzoek, zoals toegelicht bij de mondelinge behandeling, het volgende aan haar verzoek ten grondslag gelegd. Voor aanvang van de regiezitting van 16 maart 2012 heeft verzoekster een preliminair verweer gevoerd inhoudende dat de ten laste legging partieel, met betrekking tot feit 2b, vernietigd diende te worden, aangezien het onduidelijk was waartegen verzoekster zich nu exact diende te verdedigen. Na de beraadslaging in de raadkamer heeft de rechtbank uitgesproken dat zij thans niet ingaat op het preliminaire verweer. De jongste rechter heeft de raadsman medegedeeld dat het de verdediging vrij staat om dit verweer later nogmaals aan te voeren en heeft de opmerking gemaakt dat:

"in dit stadium van de zaak niet op het verzoek wordt beslist en daarom het verzoek niet wordt gehonoreerd".

Verzoekster is van mening dat de rechtbank hierdoor de schijn van partijdigheid heeft gewekt, waardoor het Openbaar Ministerie in de procedure van de zaak wordt bevoordeeld. Op een dergelijk gevoerd preliminair verweer dient direct te worden beslist en het kan op grond van artikel 238 Sv alleen ontijdig of ongegrond worden verklaard. Uit het proces-verbaal van 16 maart 2012 volgt echter dat het verweer is verworpen, zodat verzoekster van mening is dat niet op het verweer is beslist. Nu niet op het preliminaire verweer is beslist, is het OM bevoordeeld doordat deze nu alsnog de gelegenheid wordt geboden zich (opnieuw) over de tekst van de tenlastelegging te buigen en desgewenst aan te passen.

2.3. Mrs. [A], [B] en [C] hebben laten weten niet in de wraking te berusten en hebben daar een schriftelijke toelichting op gegeven. Die toelichting wordt hierna zover nodig besproken.

3. De beoordeling

3.1. Een rechter kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.

Uitgangspunt daarbij is dat de rechter uit hoofde van zijn aanstelling wordt vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet, die een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat een rechter jegens een partij bij een geding een vooringenomenheid koestert. De vrees dat dit het geval zal zijn, dient objectief gerechtvaardigd te zijn. Dat betekent dat sprake moet zijn van concrete feiten en omstandigheden waaruit objectief de vrees voor partijdigheid van de rechter kan worden afgeleid.

Daarnaast kan er onder omstandigheden reden zijn voor wraking, indien geheel afgezien van de persoonlijke opstelling van de rechter in de hoofdzaak de bij een partij bestaande vrees voor partijdigheid van die rechter objectief gerechtvaardigd is, waarbij rekening moet worden gehouden met uiterlijke schijn.

3.2. De rechtbank stelt voorop dat het proces-verbaal van de zitting van 16 maart 2012 leidend is. Uit dit proces-verbaal volgt dat de rechtbank het preliminaire verweer van verzoekster heeft afgewezen. In het proces-verbaal wordt de zinsnede 'verwerpt dan ook het verweer' gebruikt. De rechtbank is van oordeel dat voldoende duidelijk is dat het verweer niet is gehonoreerd. Temeer nu de rechtbank haar beslissing heeft gemotiveerd met de zinsnede "De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de tekst van de tenlastelegging, hetgeen door de raadsman naar voren is gebracht niet leidt tot (partiële) nietigheid van de dagvaarding".

De rechtbank zal verzoekster niet volgen in haar stelling dat de jongste rechter zou hebben gezegd dat in dit stadium van de zaak niet op het verzoek wordt beslist en daarom het verzoek niet wordt gehonoreerd, aangezien zulks niet uit het proces-verbaal volgt.

Voor zover de klachten van verzoekster zijn gericht tegen de beslissing van mrs. [A], [B] en [C] dat het preliminaire verweer is verworpen overweegt de rechtbank als volgt. Onvrede over een inhoudelijke of procedurele beslissing levert op zichzelf geen grond op voor wraking. Dat kan anders zijn indien de beslissing of motivering daarvan zo onbegrijpelijk is, dat deze een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat de rechters partijdig zijn dan wel jegens verzoekster een vooringenomenheid koesteren. Verzoekster heeft echter geen concrete feiten en omstandigheden aangevoerd waaruit zulks zou kunnen volgen. Uit het enkele feit dat in het nadeel van verzoekster is beslist kan de rechtbank dat niet afleiden. De juistheid van de beslissing kan niet door middel van een wrakingsverzoek aan de orde worden gesteld. Die vraag dient in een eventueel hoger beroep aan de orde te komen. Daarom moet het verzoek worden afgewezen.

4. De beslissing

De rechtbank

4.1. wijst het verzoek tot wraking af.

Deze beslissing is gegeven door de mrs. J.A.O.M. van Aerde, E.T.M. Schoevaars en C.A. Peterzon in tegenwoordigheid van de griffier mr. M. Weistra en in openbaar uitgesproken op 25 april 2012.

de griffier de voorzitter