Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2012:BW3648

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
25-04-2012
Datum publicatie
25-04-2012
Zaaknummer
2012-W006
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Wraking. Afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

beslissing

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Meervoudige wrakingskamer

zaaknummer: 2012-W006

datum: 25 april 2012

Beschikking op het wrakingsverzoek, ingediend door

[verzoekster],

wonende te [plaats],

verzoekster tot wraking, verder te noemen 'verzoekster',

tegen

mr. [A], in zijn hoedanigheid van kantonrechter, verder te noemen mr. [A].

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het proces-verbaal van de terechtzitting van 16 maart 2012 van de kantonrechter waarin

het wrakingsverzoek en de gronden daarvoor zijn vermeld;

- het schriftelijke verweer van mr. [A] van 16 maart 2012;

- de mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek.

Bij de mondelinge behandeling is verschenen:

- namens verzoekster, drs. P.J. van Zuidam, gemachtigde (verder te noemen: Van Zuidam).

Mr. [A] is niet verschenen.

2. De feiten

2.1. Het verzoek tot wraking is gericht tegen mr. [A] als kantonrechter in de

strafzaak met parketnummer 07.692140-11 tegen verzoekster als verdachte.

2.2. De strafzaak tegen verzoekster is gelijktijdig behandeld met de strafzaak tegen

medeverdachte [B] (verder te noemen: [B]). [B] is de partner van verzoekster.

2.3. Verzoekster en [B] worden verdacht van overtreding van de Leerplichtwet.

2.4. Tot 4 april 2011 stond de minderjarige dochter van verzoekster en [B]

ingeschreven als leerling van [basisschool] te [plaats]. Verzoekster en [B] hebben voormelde school verzocht hun dochter per 4 april 2011 uit te schrijven, aan welk verzoek de school heeft voldaan. Voorts hebben zij het college van B&W - overeenkomstig het bepaalde in artikel 6 van de Leerplichtwet - ervan kennis gegeven dat zij een beroep doen op artikel 5 sub b van die wet. In die kennisgeving hebben verzoekster en [B] aangegeven dat zij menen dat zij vrijgesteld zijn van de verplichting om te zorgen dat hun dochter als leerling van een school onderscheidenlijk een instelling staat ingeschreven, omdat zij tegen de inrichting van het onderwijs op alle binnen redelijke afstand van de woning gelegen scholen onderscheidenlijk instellingen waarop hun dochter geplaatst zou kunnen worden, overwegende bedenkingen hebben. Deze bedenkingen vloeien volgens verzoekster voort uit hun holistische levensbeschouwing.

2.5. Bij faxbrief van 15 februari 2012 heeft Van Zuidam de kantonrechter

bericht dat verzoekster en [B] hem hebben gemachtigd tot het verlenen van bijstand in de tegen hen lopende strafzaken. Tevens heeft hij producties toegestuurd, welke producties aan het dossier zijn toegevoegd.

2.6. Bij faxbrief van 13 maart 2012 heeft Van Zuidam wederom producties

toegestuurd, met het verzoek deze in het dossier op te nemen. Verder heeft hij een pleitnota toegestuurd met het verzoek aan de kantonrechter en de Officier van Justitie om daarvan voorafgaand aan de zitting kennis te nemen.

2.7. Ter zitting van 16 maart 2012 heeft de kantonrechter, voor zover thans van belang, beslist dat verzoekster zich niet kan laten vertegenwoordigden door Van Zuidam. Volgens mr. [A] verzet artikel 398 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) zich tegen vertegenwoordiging door een persoon die geen advocaat is, indien de verdachte ter zitting is verschenen. De kantonrechter heeft Van Zuidam verzocht op de publieke tribune plaats te nemen.

2.8. Vervolgens heeft verzoekster blijkens het proces-verbaal als volgt verklaard:

'Ik heb even een black-out. Wij waren in aanvang geen holist. Door onze veranderende levensopvatting hebben wij deze keuze gemaakt. Onze dochter is van de basisschool uitgeschreven. Volgens mij zijn wij tegen de beslissing van de gemeente niet in hoger beroep bij de bestuursrechter en de Raad van State gegaan. Wraak. Ik kan mezelf niet meer verdedigen. Ik wraak. Ik weet het niet meer.'

2.9. De kantonrechter heeft verzoekster gevraagd haar wrakingsverzoek te motiveren. Na een onderbreking van de zitting heeft verzoekster haar verzoek gemotiveerd, waarna het onderzoek ter terechtzitting is geschorst.

2.10. Omdat gelijktijdige behandeling van voormelde strafzaken wenselijk werd geacht, heeft de kantonrechter de behandeling van de strafzaak tegen [B], in afwachting van de beslissing op het wrakingsverzoek, voor onbepaalde tijd geschorst.

3. Het wrakingsverzoek

3.1. Verzoekster heeft blijkens het proces-verbaal van het mondelinge verzoek, zoals toegelicht bij de mondelinge behandeling, het volgende aan haar verzoek ten grondslag gelegd:

1. door heenzending van de heer Van Zuidam is mijn recht op een eerlijk proces geschonden;

2. mr. [A] is niet goed op de hoogte van artikel 5 van de Leerplichtwet en weet niet dat vrijstellingen geen zaak zijn waarop een gemeente te beslissen heeft;

3. mr. [A] had de zitting onmiddellijk na de wraking dienen te schorsen;

4. hetgeen mr. [A] ter zitting over artikel 6 lid 2 van de Leerplichtwet heeft gezegd, heeft het vermoeden gewekt dat hij het schriftelijk ingediende verweer volstrekt wilde negeren.

3.2. Mr. [A] heeft laten weten niet in de wraking te berusten en heeft verweer gevoerd. Dat verweer wordt hierna zover nodig besproken.

4. De beoordeling

4.1. Een rechter kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.

Uitgangspunt daarbij is dat de rechter uit hoofde van zijn aanstelling wordt vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet, die een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat een rechter jegens een partij bij een geding een vooringenomenheid koestert. De vrees dat dit het geval zal zijn, dient objectief gerechtvaardigd te zijn. Dat betekent dat sprake moet zijn van concrete feiten en omstandigheden waaruit objectief de vrees voor partijdigheid van de rechter kan worden afgeleid.

Daarnaast kan er onder omstandigheden reden zijn voor wraking, indien geheel afgezien van de persoonlijke opstelling van de rechter in de hoofdzaak de bij een partij bestaande vrees voor partijdigheid van die rechter objectief gerechtvaardigd is, waarbij rekening moet worden gehouden met uiterlijke schijn.

4.2. Uit het wrakingsverzoek en de mondelinge toelichting ter zitting kan niet worden afgeleid dat er aanwijzingen zijn voor het oordeel dat mr. [A] jegens verzoekster enige vooringenomenheid koestert, althans dat zijn optreden ter zitting grond heeft gegeven voor de vrees dat het hem aan onpartijdigheid ontbreekt. Daartoe wordt het volgende overwogen.

4.3. De kern van het wrakingsverzoek wordt kennelijk gevormd door onvrede over de beslissing van mr. [A] dat verzoekster zich ter zitting niet door Van Zuidam kan laten vertegenwoordigen. Dit betreft een processuele beslissing. De juistheid of onjuistheid van deze beslissing staat, gelet op het gesloten systeem van rechtsmiddelen, niet ter beoordeling van de wrakingskamer. Verder biedt een als negatief of teleurstellend ervaren processuele beslissing op zichzelf onvoldoende grond voor wraking, tenzij die beslissing zozeer onbegrijpelijk is, dat deze een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat de vrees dat mr. [A] jegens verzoekster een vooringenomenheid koestert - objectief - gerechtvaardigd is. Daarvoor ziet de rechtbank echter geen aanknopingspunten. De kantonrechter heeft, na het horen van zowel Van Zuidam als de Officier van Justitie hieromtrent, gemotiveerd aangegeven waarom hij van oordeel is dat verzoekster zich ter zitting niet door Van Zuidam kan laten vertegenwoordigen. Volgens de kantonrechter verzet artikel 398 Sv zich daartegen. Daarbij heeft de kantonrechter tevens verwezen naar een arrest van de Hoge Raad van 25 november 1986 (NJ 1987, 419). Aldus heeft de kantonrechter zijn beslissing gemotiveerd op een wijze die naar het oordeel van de wrakingskamer niet van vooringenomenheid getuigt.

4.4. Dat verzoekster, door haar ter zitting met voormelde beslissing te confronteren, effectief de mogelijkheid is ontnomen verweer te voeren en dat daaruit objectief de vrees voor partijdigheid van mr. [A] kan worden afgeleid, zoals namens haar is bepleit, kan evenmin worden aangenomen. Van Zuidam heeft desgevraagd ter zitting erkend dat het hem reeds eerder vanwege het bepaalde in artikel 398 Sv door een kantonrechter niet is toegestaan om namens een verdachte, in diens aanwezigheid, het woord te voeren. Bij het gerechtshof is dat nog nooit toegestaan, aldus Van Zuidam. Van Zuidam kende dus het risico dat hem op enig moment door een kantonrechter zou kunnen worden verboden om namens een verdachte, in diens aanwezigheid, het woord te voeren. Hij had zich met die wetenschap hierop dan ook kunnen (en moeten) voorbereiden. Blijkens het proces-verbaal van de zitting heeft verzoekster van mr. [A] zelf de kans gekregen om zich tegen de verdenking van overtreding van de Leerplichtwet te verweren. Bij die gelegenheid had zij bijvoorbeeld de door Van Zuidam geschreven pleitnota aan de kantonrechter kunnen overhandigen met het verzoek deze als voorgedragen te beschouwen. Aldus valt niet in te zien dat verzoekster, als gevolg van de beslissing van mr. [A], in haar recht op verweer is geschaad, zodat ook daarin geen grond voor wraking kan zijn gelegen.

4.5. De omstandigheid dat mr. [A] verzoekster kennelijk het gevoel heeft gegeven dat hij onvoldoende op de hoogte is van sommige bepalingen in de Leerplichtwet, en in het bijzonder van de vrijstelling van artikel 5 van die wet, is op zichzelf evenmin een reden voor wraking. Overigens wijst de wrakingskamer erop dat in de strafzaak tegen verzoekster nog geen beslissing is genomen. Het is aan mr. [A] om, nadat hij kennis heeft genomen van alle standpunten, de wet en de jurisprudentie, een beslissing te nemen. Indien verzoekster het met die beslissing niet eens is, staat het haar vrij om daartegen (de haar eventueel ter beschikking staande) rechtsmiddelen aan te wenden.

4.6. In de klacht van verzoekster dat mr. [A] de zitting niet onmiddellijk na het wrakingsverzoek heeft geschorst, kan geen grondslag voor het wrakingsverzoek worden gevonden. Het verzoek tot wraking is immers reeds daarvoor gedaan.

4.7.

Ten slotte is de wrakingskamer niet gebleken dat mr. [A], door de wijze waarop hij zich ter zitting heeft uitgelaten, het vermoeden heeft gewekt dat hij het schriftelijk ingediende verweer niet bij zijn beoordeling zal betrekken.

4.8. De aangevoerde feiten en omstandigheden vormen derhalve geen grond voor wraking. De conclusie is dan ook dat het verzoek tot wraking van mr. [A] moet worden afgewezen.

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. wijst het verzoek tot wraking af.

Deze beslissing is gegeven door mrs. C.H. de Haan, F. Koster en L.M. Rijksen in tegenwoordigheid van de griffier mr. M.H. Krol en in het openbaar uitgesproken op 25 april 2012.

de griffier de voorzitter

Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.