Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2012:BW3338

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
19-04-2012
Datum publicatie
19-04-2012
Zaaknummer
196451 - KZ ZA 12-53
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Afwijzing van vordering tot opheffing van beslagen die JDS heeft gelegd ten laste van Eurocommerce, aangezien niet summierlijk is gebleken van de ondeugdelijkheid van de vorderingen waarvoor JDS beslag heeft gelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Sector civiel recht

Locatie Zwolle

zaaknummer / rolnummer: 196451 / KZ ZA 12-53

Vonnis in kort geding van 19 april 2012

in de zaak van

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

EUROCOMMERCE HOLDING B.V.,

statutair gevestigd en kantoorhoudende te Deventer,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

EUROCOMMERCE PROJECTONTWIKKELING B.V.,

statutair gevestigd en kantoorhoudende te Deventer,

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

B.V. EUROCOMMERCE III,

statutair gevestigd te Gorssel en kantoorhoudende te Deventer,

4. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

EVB BELEGGINGEN II B.V.,

statutair gevestigd en kantoorhoudende te Deventer,

5. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

JACHTSTAETE B.V.,

statutair gevestigd te Haarlem en kantoorhoudende te Apeldoorn,

eiseressen,

advocaat mr. B.J.M. van Meer te Utrecht,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

JDS VASTGOED B.V.,

gevestigd te Kring van Dorth,

gedaagde,

advocaat mr. R.H. Bekker te Amsterdam.

Eiseressen zullen hierna gezamenlijk worden aangeduid als Eurocommerce. Gedaagde zal JDS genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met de producties 1 tot en met 19

- de productie 1 van JDS

- de producties 2 tot en met 6 van JDS

- de productie 7 van JDS

- de mondelinge behandeling

- de pleitnota en de wijziging van eis van Eurocommerce

- de pleitnota van JDS

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Eurocommerce houdt zich bezig met het ontwikkelen, realiseren, verkopen, exploiteren, en beheren van grootschalige vastgoedprojecten (kantoren en bedrijfsruimten) in Nederland.

2.2. De heer [A] is in 1994 een dienstverband aangegaan met Eurocommerce Robex Groep B.V. (verder: Robex) en is uiteindelijk directeur van deze vennootschap geworden. Robex is later vernoemd tot [B] Holding B.V., enig bestuurder en aandeelhouder van Eurocommerce Holding B.V.

2.3. Eurocommerce heeft [A] in de gelegenheid gesteld om te participeren in de ontwikkeling van verschillende vastgoedprojecten. [A] heeft van deze mogelijkheid gebruik gemaakt en heeft daartoe JDS opgericht. [A] is bestuurder en enig aandeelhouder van JDS.

2.4. JDS en Robex hebben op 23 mei 2001 een (eerste) participatieovereenkomst gesloten op basis waarvan JDS voor twee procent participeerde in een project van Eurocommerce. Op 29 mei 2001 zijn JDS en Robex een samenwerkingsovereenkomst aangegaan, die laatstelijk is verlengd tot 2015.

2.5. JDS heeft na de eerste participatieovereenkomst in vele andere projecten van Eurocommerce geparticipeerd, waarbij de participatiepercentages varieerden van 2 tot 25 procent. Per participatie is een afzonderlijke participatieovereenkomst opgesteld. In totaal zijn (ongeveer) 56 participatieovereenkomsten gesloten.

2.6. De tussen partijen gesloten participatieovereenkomsten zijn nagenoeg gelijkluidend. Voor zover thans van belang is in deze overeenkomsten het volgende vastgelegd:

"(...) Winst en verlies worden in dezelfde verbinding genoten en gedragen en wel zodanig, dat binnen twee maanden na oplevering van de nieuwbouw de winst aan partijen zal worden uitgekeerd resp. het verlies zal worden aangezuiverd en wel conform de door partijen in onderling overleg op te maken slotafrekening, terwijl in geval het project niet wordt verkocht, partijen in gelijke verhouding als hiervoor bepaald delen in de exploitatie van het project. (...)"

2.7. Het was de bedoeling dat de door Eurocommerce gerealiseerde objecten, waarin door JDS is geparticipeerd, zouden worden verkocht aan derden. Eurocommerce heeft om de verkoop van de objecten te bevorderen - onder andere - huurgaranties verstrekt aan de kopers. De exploitatie van onverkochte objecten heeft Eurocommerce (grotendeels) zelf ter hand genomen.

2.8. JDS heeft op 13 maart 2009 een brief aan Eurocommerce gestuurd, waarin JDS de volgens haar met Eurocommerce gemaakte deelafspraken heeft weergegeven. Voor zover van belang is het volgende opgenomen:

"Rentenota over ingehouden huurgaranties

De rente over 2007 wordt 3,9% en 2008 4,1%. Wij zullen de nota corrigeren."

"Exploitatie niet verkochte panden (als vermeld in participatieovereenkomsten)

Als uitgangspunt voor de exploitatie in geval van een ontwikkeling die niet is verkocht ten tijde van de oplevering en die derhalve in exploitatie wordt genomen, wordt ter verrekening van de interne kosten van Eurocommerce 10% gehanteerd van de huur, te rekenen vanaf de oplevering. (...)"

2.9. Op 21 februari 2011 is door partijen een overzicht opgesteld, dat door eiseres sub 1 en JDS is ondertekend. In dit overzicht zijn - onder meer - de nog door JDS vol te storten participaties en de afrekeningen van Eurocommerce weergegeven. Op 1 april 2011 is door hen een addendum ondertekend met betrekking tot een nog door JDS vol te storten participatie.

2.10. Eurocommerce heeft op 11 november 2011 een brief aan JDS gestuurd met daarin een weergave van hun bespreking op 10 november 2011. Onder meer is in deze brief vermeld dat de rentevergoeding over de huurgaranties niet aan de orde is en niet aan de orde zal komen.

2.11. JDS heeft op 25 januari 2012 een verzoekschrift tot het leggen van conservatoir beslag onder derden en op onroerende zaken bij de rechtbank ingediend. JDS heeft in het verzoekschrift gesteld dat zij een zeer substantiële vordering heeft op Eurocommerce. In het verzoekschrift heeft JDS haar vorderingen op Eurocommerce als volgt weergegeven:

A. Een door Eurocommerce aan JDS te betalen bedrag van € 2.730.479,00 in verband met de onjuiste afrekening van het project Place Vendome II;

B. Een door Eurocommerce aan JDS te betalen bedrag van € 156.000,00 in verband met de onjuiste afrekening van het project Nieuwe Poort I;

C. Een door JDS aan Eurocommerce te betalen bedrag van € 8.779.666,00 in verband met participatiebijdragen die JDS op grond van de lopende Participatieovereenkomst nog aan Eurocommerce moet betalen. (Dit bedrag is dus op de vordering van JDS op Eurocommerce in mindering gebracht);

D. Een bedrag van € 10.228.027,00 dat JDS nog van Eurocommerce dient te ontvangen in verband met behaalde resultaten op verkochte panden die nog niet aan JDS zijn uitgekeerd. Dit bedrag is gebaseerd op door Eurocommerce zelf verstrekte overzichten;

E. Een bedrag van € 13.499.465,00 omdat op de exploitatie van de panden die nog niet zijn verkocht door Eurocommerce ten onrechte in mindering zijn gebracht (I) een beheerfee van 10% (terwijl de interne kosten van Eurocommerce gemaximeerd zijn en pas bij verkoop van de panden in mindering mogen worden gebracht op het resultaat). (II) externe kosten die niet overeenkomen met de werkelijk gemaakte kosten (bestaande uit de zakelijke lasten en financieringslasten) en (III) aflossingen op aan Eurocommerce verstrekte financieringen;

F. Een bedrag van € 3.402.476,00 met betrekking tot de huurgarantie voorziening, dat Eurocommerce aan JDS dient uit te keren zodat JDS dit bedrag zelf kan reserveren;

G. Een bedrag van € 3.736.073,00 aan ten onrechte door Eurocommerce niet aan JDS uitgekeerde rente van 7% over het aandeel van JDS in de verstrekte huurgaranties die in mindering zijn gebracht op het verkoopresultaat van de projecten waarin JDS op grond van de Participatieovereenkomsten heeft geparticipeerd en welke gelden niet aan JDS zijn uitgekeerd.

2.12. Het gevraagde verlof is op 26 januari 2012 verleend en JDS heeft vervolgens op 27 en 31 januari 2012 beslag gelegd op 24 onroerende zaken van Eurocommerce.

3. Het geschil

3.1. Eurocommerce vordert dat de voorzieningenrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

I. alle gelegde beslagen van JDS op goederen van eiseressen sub 2, 3 en 5 ten behoeve van de vermeende vordering van JDS op Eurocommerce opheft;

II. JDS en gelieerde (rechts)personen verbiedt om (wederom) ten laste van Eurocommerce conservatoir beslag te leggen ter zake van het in dit geding aan de orde gekomen zijnde feitencomplex, zulks op straffe van verbeurte aan Eurocommerce van een dwangsom ad € 5.000,000,00 (zegge: vijf miljoen euro) voor ieder in weerwil van dit verbod gelegde beslag;

III. JDS veroordeelt in de kosten van deze procedure, vermeerderd met nakosten en rente.

Subsidiair vordert Eurocommerce dat het gelegde beslag op de onroerende zaken Diana en Vesta te Amsterdam-Zuidoost wordt opgeheven en meer subsidiair dat de vordering van JDS op een lager bedrag wordt begroot.

3.2. JDS voert verweer.

3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. Volgens artikel 705 lid 2 Rv dient een beslag te worden opgeheven indien summierlijk van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht blijkt. Dit brengt mee dat het op de weg ligt van degene die de opheffing vordert om voldoende aannemelijk te maken dat de door de beslaglegger gepretendeerde vordering ondeugdelijk is.

4.2. Eurocommerce heeft gesteld dat de vraag wat partijen zijn overeengekomen dient te worden beantwoord aan de hand van het zogenoemde Haviltex-criterium, omdat partijen zeer summiere overeenkomsten zijn aangegaan, zij niet alle afspraken schriftelijk hebben vastgelegd en deze door partijen verschillend worden geïnterpreteerd.

De voorzieningenrechter wijst erop dat, indien voor de uitleg van hetgeen partijen zijn overeengekomen nadere bewijslevering nodig is, daarvoor in dit kort geding geen plaats is.

4.3. Eurocommerce heeft zich verweerd tegen de door JDS gestelde vorderingen en betoogd dat JDS in totaal nog een bedrag van ongeveer € 1.700.000,00 aan Eurocommerce dient te betalen. Ter onderbouwing van haar verweer heeft Eurocommerce met name gewezen op het overzicht van 21 februari 2011 en het daarbij behorende addendum van 1 april 2011.

JDS heeft het betoog van Eurocommerce betwist en heeft gesteld dat tussen partijen al geruime tijd verdeeldheid bestaat over een groot aantal onderwerpen en dat zij hebben getracht om over alle onderwerpen overeenstemming te bereiken (een zogenoemde "package deal"). Hetgeen in het overzicht van 21 februari 2011 en het addendum is weergegeven heeft volgens JDS slechts betrekking op één van deze onderwerpen. Volgens JDS hebben partijen geen overeenstemming weten te bereiken over alle onderwerpen en is er dus geen "package deal" tot stand gekomen. Er is daardoor volgens JDS ook geen wilsovereenstemming bereikt ten aanzien van de in het overzicht en het addendum genoemde bedragen. JDS heeft er in dit verband op gewezen dat ook met betrekking tot de door Eurocommerce te betalen rente over de ingehouden huurgaranties verschil van mening bestaat. Partijen hebben volgens JDS afspraken gemaakt over een rentevergoeding. Deze afspraken zijn vastgelegd in de brief van JDS van 13 maart 2009, maar Eurocommerce is volgens JDS op deze afspraken teruggekomen, hetgeen blijkt uit de brief van Eurocommerce van 11 november 2011, waarin wordt vermeld dat rentevergoeding over de huurgaranties niet aan de orde is en niet aan de orde zal komen.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter ligt het in de rede dat ten aanzien van het door Eurocommerce ingenomen standpunt, dat partijen op een aantal punten volledige wilsovereenstemming hebben bereikt, nadere bewijslevering nodig is nu dat door JDS voldoende gemotiveerd wordt betwist. Zoals hiervoor is overwogen is daarvoor echter in dit kort geding geen plaats.

4.4. De voorzieningenrechter stelt vast dat door JDS onweersproken is gesteld dat zij op dit moment € 46.000.000,00 heeft geïnvesteerd in verschillende projecten van Eurocommerce en dat Eurocommerce al een aantal jaren geen rendement aan JDS heeft betaald, terwijl Eurocommerce in (sommige van) de jaren 2006 tot en met 2011 wel winst heeft gemaakt.

4.5. De voorzieningenrechter zal nu de door JDS gepretendeerde vorderingen op Eurocommerce en de daartegen gevoerde verweren van Eurocommerce afzonderlijk bespreken.

Afrekeningen van de projecten Place Vendome II en Nieuwe Poort I

4.6. Vaststaat dat beide projecten door Eurocommerce zijn verkocht (geweest) en dat op grond van de tussen partijen gesloten participatieovereenkomsten bij verkoop moet worden afgerekend met JDS, hetgeen niet is gebeurd.

Eurocommerce heeft aangevoerd dat zij, om de koop van het project Place Vendome II te kunnen laten doorgaan, de verplichting op zich heeft genomen om het leegstaande pand (door Eurocommerce aangeduid als Place Vendome B) te verhuren. Omdat het niet is gelukt dit pand te verhuren heeft de koper besloten de koop ongedaan te maken, is Place Vendome II teruggekeerd in handen van Eurocommerce en is de koopsom aan de koper gerestitueerd.

Ter zake van het project Nieuw Poort I heeft Eurocommerce naar voren gebracht dat het pand is verkocht en geleverd aan Aefides, waarbij een deel van de koopsom is omgezet in een lening, omdat anders de koop geen doorgang zou vinden. Aefides is volgens Eurocommerce tekort geschoten in haar verplichtingen en is uiteindelijk gefailleerd. Eurocommerce en Aefides hebben vervolgens de koopovereenkomst ontbonden en het pand is aan Eurocommerce teruggeleverd.

Nu beide koopovereenkomsten zijn ontbonden en de objecten aan Eurocommerce zijn teruggeleverd, zijn volgens Eurocommerce de vorderingen van JDS aangaande de afrekeningen van de projecten Place Vendome II en Nieuwe Poort I niet opeisbaar.

JDS heeft betoogd dat haar deelneming in de projecten uitsluitend heeft bestaan uit het beschikbaar stellen van financiën en zij heeft benadrukt dat zij niet betrokken is geweest bij de verkoop van de objecten. Volgens JDS had Eurocommerce na de verkoop van de objecten met haar moeten afrekenen, omdat zij aan haar financieringsverplichtingen heeft voldaan, waardoor zij recht heeft op een deel van de winst. Ook heeft JDS betoogd dat het besluit van Eurocommerce om de koopsom van Nieuwe Poort I in een lening om te zetten en haar beslissing om de overeenkomst te ontbinden JDS niet regarderen.

De voorzieningenrechter acht niet uitgesloten dat de bodemrechter - later oordelend -

JDS in haar standpunt zal volgen. Eurocommerce heeft derhalve niet summierlijk aannemelijk gemaakt dat de vorderingen van JDS ten aanzien van de projecten Place Vendome II en Nieuwe Poort I ondeugdelijk zijn. Daarbij is tevens is aanmerking genomen dat JDS al aanzienlijke bedragen in de projecten heeft geïnvesteerd, maar tot op heden nog niets uitgekeerd heeft gekregen.

Behaalde resultaten op verkochte panden

4.7. JDS heeft gesteld dat Eurocommerce een bedrag van € 10.228.027,00 aan behaalde resultaten op verkochte panden niet aan JDS heeft uitgekeerd.

Eurocommerce heeft, gelet op het door haar als productie 17 overgelegde overzicht, erkend dat zij een bedrag van € 13.592.337,03 met JDS dient af te rekenen. Dit bedrag is hoger dan de door JDS gepretendeerde vordering, maar volgens Eurocommerce is van dit totaalbedrag al een bedrag van € 8.934.130,00 opgenomen in het overzicht van 21 februari 2011.

Het bedrag van € 8.934.130,00 dient echter naar het oordeel van de voorzieningenrechter, anders dan door Eurocommerce gesuggereerd, niet op het aan JDS verschuldigde in mindering te worden gebracht, daar door JDS onweersproken is gesteld dat op basis van het overzicht van 21 februari 2011 nooit enige betaling, dus ook niet van het bedrag van € 8.934.130,00, heeft plaatsgevonden. Gelet hierop heeft Eurocommerce deze vordering van JDS onvoldoende gemotiveerd betwist.

Exploitatiekosten

4.8. JDS heeft gesteld dat zij een vordering van € 13.499.465,00 op Eurocommerce heeft, omdat Eurocommerce ten onrechte beheerfee, zakelijke lasten, financieringslasten en aflossingen op de exploitatieopbrengst in mindering heeft gebracht.

In zijn algemeenheid geldt dat Eurocommerce de noodzakelijke exploitatiekosten in mindering mag brengen op de exploitatieopbrengst. Eurocommerce mag daarbij echter niet volstaan met een overzicht van algemeen geformuleerde kosten, zoals het door Eurocommerce als productie 5 overgelegde overzicht, waarvan JDS heeft gesteld dat het dubbeltellingen bevat en oncontroleerbaar is. JDS heeft recht op specificatie van de kosten en een onderbouwing daarvan door middel van onderliggende facturen en betalingsbewijzen.

Eurocommerce heeft aangevoerd dat partijen een beheerfee van 10% zijn overeengekomen en heeft daarbij gewezen op de brief van JDS van 13 maart 2009. JDS heeft betoogd dat partijen weliswaar afspraken hebben gemaakt over de hoogte van de beheerfee, maar dat zij op dat punt uiteindelijk geen wilsovereenstemming hebben bereikt, omdat de door partijen beoogde "package deal" niet tot stand is gekomen. Zoals onder 4.3 is overwogen is nadere bewijslevering ten aanzien van het standpunt van Eurocommerce nodig, maar is daarvoor in dit kort geding geen plaats. Dat betekent dat thans (nog) onvoldoende aannemelijk is geworden dat partijen een beheerfee van 10% zijn overeengekomen.

Voor wat betreft de zakelijke lasten, de financieringslasten en de externe beheersvergoeding geldt dat door Eurocommerce niet is aangetoond wat de daadwerkelijk gedragen lasten zijn geweest. Nu (de omvang van) deze lasten niet aannemelijk (is) zijn geworden, kan Eurocommerce niet gevolgd worden in haar stelling dat deze in mindering mogen worden gebracht op de exploitatieopbrengst.

Voorts wordt ten aanzien van de door Eurocommerce in rekening gebrachte aflossingen overwogen dat deze niet bij het bepalen van het exploitatieresultaat mogen worden betrokken, nu niet aannemelijk is geworden dat deze aflossingen betrekking hebben op de exploitatie van de objecten. JDS heeft er in dit verband op gewezen dat de aflossingen op aan Eurocommerce verstrekte financieringen enkel leiden tot verlaging van de schulden van Eurocommerce. Eurocommerce lost volgens JDS haar financiers af met geld dat aan JDS toekomt.

Uit het voorgaande volgt dat niet summierlijk gebleken is van de ondeugdelijkheid van deze vordering van JDS. Daarbij is tevens in aanmerking genomen dat Eurocommerce, zoals zij zelf ter zitting heeft erkend, in haar productie 19 tenminste 10 miljoen euro te veel aan beheerfee bij JDS in rekening heeft gebracht.

Huurgaranties

4.9. JDS heeft betoogd dat Eurocommerce een bedrag van € 3.402.476,00 aan huurgaranties aan haar dient uit te keren, zodat JDS deze zelf kan reserveren. De voorzieningenrechter overweegt dat, wat ook zij van het door JDS gestelde recht om de huurgaranties te separeren, dit recht niet is te kwalificeren als onderdeel van de geldvordering van JDS op Eurocommerce, daar JDS geen recht heeft op betaling van dit bedrag aan haarzelf. JDS wil dit bedrag enkel veiliggesteld zien voor de kopers aan wie een huurgarantie is gegeven en voor zichzelf ingeval een huurder wordt gevonden en de huurgarantie daardoor vrijvalt. Een daartoe strekkende vordering zou JDS wellicht met succes kunnen instellen, maar deze vordering maakt geen deel uit van de geldvordering waarvoor verhaalsbeslag is gelegd. Hieruit volgt dat de ondeugdelijkheid van deze vordering van JDS voldoende aannemelijk is geworden.

Rentevergoeding over huurgaranties

4.10. Volgens JDS heeft zij een vordering van € 3.736.073,00 op Eurocommerce ter zake van niet uitgekeerde rente over het aandeel van JDS in de huurgaranties, waarbij JDS uitgaat van een rente van 7%.

Anders dan door Eurocommerce is gesteld, is niet aannemelijk geworden dat partijen overeenstemming hebben bereikt over door Eurocommerce te betalen rentevergoedingen van 3,9% over 2007 en 4,1% over 2008. Weliswaar heeft Eurocommerce betoogd dat zij met JDS afspraken heeft gemaakt over de rentevergoeding, maar voor de vaststelling van de juistheid van deze stelling is nadere bewijslevering noodzakelijk. Daarbij komt dat dit standpunt voorshands in tegenspraak lijkt te zijn met de brief van 11 november 2011 van eiseres sub 1 inhoudende dat de rentevergoeding over de huurgaranties niet aan de orde is en niet aan de orde zal komen. Dat de bodemrechter zal oordelen dat JDS een recht op rentevergoeding over de huurgaranties toekomt is bepaald niet onaannemelijk en dat die wordt bepaald op 7% valt daarbij niet uit te sluiten, nu Eurocommerce over door haarzelf gemaakte kosten een rekenrente van 7% hanteert.

Uit het voorgaande volgt dat niet summierlijk van de ondeugdelijkheid van deze vordering van JDS is gebleken.

Nog niet door JDS betaalde participatiebijdragen

4.11. JDS heeft op de hiervoor besproken posten een bedrag van € 8.779.666,00 in mindering gebracht in verband met de nog door JDS te betalen participatiebijdragen. Volgens Eurocommerce dient JDS in totaal nog € 14.029.666,00 aan participatiebijdragen te voldoen. JDS heeft echter betoogd dat de door Eurocommerce gemaakte berekening van de nog openstaande participatiebijdragen niet juist is, omdat deze berekening dubbeltellingen bevat. Daarnaast heeft JDS aangevoerd dat de berekening van Eurocommerce niet controleerbaar is, nu JDS geen inzage heeft in de projectadministratie van Eurocommerce.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat Eurocommerce niet aannemelijk heeft gemaakt dat JDS nog € 14.029.666,00 aan participatiebijdragen dient te voldoen. Het door Eurocommerce overgelegde overzicht is daartoe onvoldoende, nu dat niet met stukken is onderbouwd.

Slotsom

4.12. Eurocommerce heeft, zo volgt uit het voorgaande, de ondeugdelijkheid van de vordering van JDS onvoldoende aangetoond. Daarbij heeft JDS onmiskenbaar belang om de gelegde beslagen op de onroerende zaken van Eurocommerce te handhaven, nu Eurocommerce, naar zij zelf stelt, in zwaar weer verkeert. De primaire vorderingen van Eurocommerce zullen dan ook worden afgewezen.

4.13. Subsidiair heeft Eurocommerce de opheffing van het beslag op de panden Diana en Vesta in Amsterdam-Zuidoost gevorderd, omdat dit beslag een regeling met Bouwbedrijf Wessels Rijssen B.V., de bouwer van deze panden, in de weg staat. JDS heeft echter voor een aanzienlijk bedrag geparticipeerd in deze panden en zij heeft daardoor een gerechtvaardigd belang om het beslag te handhaven om op die manier betrokken te worden bij het vinden van een oplossing in het conflict tussen Bouwbedrijf Wessels Rijssen B.V. en Eurocommerce. Daar komt bij dat JDS dit beslag ook nodig heeft voor het verhaal van haar vorderingen. De subsidiaire vordering van Eurocommerce zal gelet op het voorgaande eveneens worden afgewezen.

4.14. Ook de meer subsidiaire vordering van Eurocommerce tot verlaging van de begroting van de vordering van JDS zal niet worden toegewezen. De begroting van een vordering heeft slechts tot doel aan te geven voor welk bedrag de beslagene zekerheid dient te stellen, wil het beslag opgeheven kunnen worden. Eurocommerce heeft niet aangeboden zekerheid te stellen voor de vordering van JDS, zodat zij geen belang heeft bij verlaging van de begroting van de vordering.

4.15. Eurocommerce c.s. zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van JDS worden begroot op:

- griffierecht € 575,00

- salaris advocaat 904,00

Totaal € 1.479,00

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1. wijst de vorderingen af,

5.2. veroordeelt Eurocommerce c.s. in de proceskosten, aan de zijde van JDS tot op heden begroot op € 1.479,00.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.H.S. Lebens-de Mug en in het openbaar uitgesproken op 19 april 2012.