Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2012:BW3135

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
28-02-2012
Datum publicatie
18-04-2012
Zaaknummer
07/650258-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Opmerking(en): - roekeloos rijgedrag - beginnend bestuurder - onder invloed van alcohol - zwaar lichamelijk letsel bij slachtoffer - promis

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE - LELYSTAD

Sector Strafrecht - Meervoudige Strafkamer

Parketnummer: 07/650258-11(P)

Uitspraak: 28 februari 2012

VONNIS IN DE STRAFZAAK VAN:

het openbaar ministerie

tegen

(verdachte),

geboren op (geboortejaar),

wonende te (adres).

ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 14 februari 2012.

Tegen de niet verschenen verdachte is verstek verleend.

Als officier van justitie was aanwezig mr. R. Verheul.

TENLASTELEGGING

De verdachte is - na wijziging tenlastelegging - ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 13 februari 2010 te Zwolle als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig,( een personenauto van het merk BMW) daarmede rijdende over de weg, de autosnelweg Rijksweg A28, komende uit de richting Hattumerbroek en rijdende in de richting Meppel, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend rijgedrag, aangezien verdachte, terwijl hij (als beginnend bestuurder)(aanmerkelijk) onder invloed van alcoholhoudende drank verkeerde,

met het door hem bestuurde motorrijtuig, aldaar ter hoogte van hectometerpaal 92,9 op de linkerrijbaan reed al dan niet met een te hoge snelheid, terwijl de rijbaan was verdeeld in twee rijstroken en een uitvoegstrook voor de afslag Zwolle-Centrum, sterk en/of abrupt naar rechts heeft gestuurd, althans rechts is gaan rijden, waardoor het voertuig in een slip is geraakt, althans hij het voertuig niet meer onder controle had, waardoor hij vervolgens met (de voorzijde van) de door hem bestuurde personenauto tegen de geleiderail aan de rechterzijde van de rijbaan is gebotst en waardoor vervolgens (vele) onderdelen van het voertuig van verdachte zijn losgeraakt, waardoor een andere personenauto, merk Mazda, die eveneens op de Rijksweg A28 reed, werd geraakt door (een deel van) de (rechter) voorwielophanging en/of een deel van een wiel, althans door (een) onderde(e)l(en) van de auto van verdachte, welk(e) onderde(e)l(en) door de ruit van het (rechter) (achter)portier van de Mazda naar binnen is/zijn gekomen/gevlogen en waardoor de zich op de achterbank van die Mazda bevindende passagier,(genaamd (benadeelde)) is geraakt, ten

gevolge waarvan (benadeelde) zwaar lichamelijk letsel werd toegebracht, te weten een(grote)scalpeerverwonding en/of een impressiefractuur van de schedel en/of een botbreuk aan de buitenzijde van de linkeroogkas, of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan, terwijl hij, verdachte, verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, eerste of tweede of derde lid van de Wegenverkeerswet 1994;

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:

hij op of omstreeks 13 februari 2010 te Zwolle als bestuurder van een voertuig (een personenauto, merk BMW), daarmee rijdende op de weg, autosnelweg Rijksweg

A28, komende uit de richting Hattumerbroek en rijdende in de richting Meppel, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, rijgedrag, aangezien verdachte met het door hem bestuurde motorrijtuig, aldaar ter hoogte

van hectometerpaal 92,9 op de linkerrijbaan reed,al dan niet met een te hoge snelheid, terwijl de rijbaan was verdeeld in twee rijstroken en een uitvoegstrook voor de afslag Zwolle-Centrum, sterk en/of abrupt naar rechts heeft gestuurd, althans rechts is gaan rijden,

waardoor het voertuig in een slip is geraakt, althans hij het voertuig niet meer onder controle had, waardoor hij vervolgens met (de voorzijde van) de door hem bestuurde personenauto tegen de geleiderail aan de rechterzijde van de rijbaan is gebotst en waardoor vervolgens (vele) onderdelen van het voertuig van verdachte zijn losgeraakt, waardoor een andere personenauto, merk Mazda, die eveneens op de Rijksweg A28 reed, werd geraakt door (een deel van) de (rechter) voorwielophanging en/of een deel van een wiel, althans door (een) onderde(e)l(en) van de auto van verdachte, welk(e) onderde(e)l(en) door de

ruit van het (rechter) (achter)portier van de Mazda naar binnen is/zijn gekomen/gevlogen, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd.

2.

hij op of omstreeks13 februari 2010 te Zwolle als bestuurder van een motorrijtuig, personenauto, dit motorrijtuig heeft bestuurd na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van verdachtes bloed bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, derde lid, aanhef en onder b van de Wegenverkeerswet 1994, 1,47 milligram, in elk geval hoger dan 0,2 milligram, alcohol per milliliter bloed bleek te zijn, terwijl voor het besturen van dat motorrijtuig een rijbewijs was vereist en sedert de datum waarop aan hem/haar

voor de eerste maal een rijbewijs was afgegeven nog geen vijf jaren waren verstreken en de eerste afgifte van het rijbewijs op of na 30 maart 2002 heeft plaatsgevonden.

VOORVRAGEN

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

BEWIJSMOTIVERING

Het standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft veroordeling van verdachte gevorderd wegens overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals onder 1 primair ten laste is gelegd en wegens overtreding van artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994 zoals onder 2 ten laste is gelegd.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank overweegt, op grond van de hierna in voetnoten vermelde bewijsmiddelen , het navolgende.

Op 13 februari 2010 heeft een verkeersongeval plaatsgevonden.

Getuige, (getuige1), heeft hier onder meer het volgende over verklaard:

“ Ik reed op 13 februari 2010 omstreeks 20:00 uur in mijn personenauto, een Mazda, over de A28 in de richting van Hoogeveen. (…) Ik keek op een gegeven moment in mijn achteruitkijkspiegel. Ik zag naast de auto die al achter mij reed, in een keer twee extra koplampen. Deze was met hoge snelheid aan komen rijden. Ik zag dat deze auto tussen mij en de auto achter mij door schoot. Ik dacht dat de bestuurder deze afslag wilde nemen, maar iet wat laat was. Ik keek weer in de achteruitkijkspiegel en zie de auto vol in de vangrails rijden. (…) Ik heb de auto tot stilstand gebracht op de vluchtstrook ter hoogte van hmp 92.2. Ik had inmiddels gekeken naar mijn moeder en ik zag bloed in haar gezicht. (…) Ik keek nog een keer in de auto en zag een wielophanging in de auto liggen. Deze lag achter mijn bestuurdersstoel. Tevens zag ik dat de beide ruiten aan de achterzijde eruit lagen. Ik vermoed dat dit onderdeel door de rechter achterportier is gegaan en mijn moeder toen heeft geraakt. (…).”

Op 13 februari 2010 heeft (getuige2) als getuige een verklaring afgelegd. Hij heeft hier onder meer het volgende over verklaard:

“Op 13 februari 2010 te 20:01 uur, reed ik als bestuurder van de personenauto over de rechter rijbaan van de autosnelweg A28 rechts in de gemeente Zwolle. Ik ging op de uitvoegstrook rijden voor afslag centrum. (…) Ik reed op dat moment iets te hard, ik denk zo tussen de 110 en 120 kilometer per uur. Ik zag in mijn linker buitenspiegel een auto met hoge snelheid op de meest linkerbaan rijden. Hij haalde links van mij een auto in en reed mij voorbij. Hij reed behoorlijk hard en zag hem voorbij mij, zijn auto behoorlijk scherp insturen richting de rechterbaan naast mij. (…) Ik zag dat hij vermoedelijk te scherp in stuurde en zag dat hij met behoorlijke snelheid de vangrail inreed waar de hectometerpaaltjes staan. (…) Ik zag voor mij een grote vonkenregen en zag dat allemaal stukken de lucht in vliegen. (…)”

Door verbalisanten is onderzoek verricht naar de feitelijke toedracht van het ongeval en de technische staat van de daarbij betrokken voertuigen. In het proces-verbaal VerkeersOngevallenAnalyse is als relaas van verbalisanten onder meer het volgende opgenomen:

“De bestuurder van de BMW had gereden op de A28, komende uit de richting van de Hattemerbroek. Nabij hectometerpaal 92,9 raakte het voertuig in een slip. Mogelijk verloor de bestuurder de controle over zijn voertuig doordat hij te abrupt naar rechts stuurde om de afrit te nemen. Het voertuig botste vervolgens met de voorzijde tegen de geleiderail aan de rechterzijde van de rijbaan. Hierdoor raakten vele onderdelen van de BMW los van het voertuig. De Mazda reed op dat moment eveneens over de A28 en bevond zich dichtbij de ongevallokatie. Het voertuig werd geraakt door meerdere rondvliegende onderdelen van de BMW. Een deel van de rechter voorwielophanging met een deel van het wiel vloog via de ruit van het rechter achterportier naar binnen waardoor de passagier achter in de Mazda gewond raakte aan haar hoofd.(…)

Vlak voor het botspunt met de rechter geleiderail zag ik op de witte kantstreep een kort zwart bandenspoor dat waarschijnlijk van het ongevalsvoertuig afkomstig was. Dit spoor duidde op een slip/drift en liep in de richting van het botspunt met de geleiderail.”

Voorts blijkt uit het proces-verbaal VerkeersOngevallenAnalyse dat voor motorvoertuigen de ter plaatse toegestane maximum snelheid 100 kilometer per uur bedroeg.

Uit de letselrapportage van de GGD IJsselland blijkt dat het slachtoffer een grote scalpeerverwonding en een kleine barst/botbreuk van de buitenzijde van de linker oogkas heeft opgelopen:

“(…)Betreft (benadeelde), (…) Aan het hoofd:

- een grote scalpeerverwonding: een grote flap huid van het voorhoofd rechts is door het ongeval van de onderliggende weefsels en schedel losgeslagen en bloedt hevig;

- op de schedel is ter plaatse een kleine impressiefractuur (indeuking van de schedel door grote kracht van buitenaf) van ± 1 cm² en enkele mm diep aanwezig;

- een kleine barst/ botbreuk van de buitenzijde van de linker oogkas. (…) Het herstel van de huid en de wondranden op zich zal binnen 3 tot 6 weken plaatsvinden, maar wel met achterblijven van een groot duidelijk zichtbaar en daardoor zeer ontsierend litteken in het gelaat. De verwonding zal leiden tot een groot blijvend zichtbaar en daardoor ontsierend litteken in het gelaat van SO. (…)”

De verdachte heeft op 13 februari 2010 bij de politie het volgende verklaard:

“Op 13 februari 2010 te 20:01 uur, reed ik als bestuurder van de auto over de snelweg A28 rechts in de gemeente Zwolle. Ik reed richting Meppel met een geschatte snelheid van ongeveer 130 kilometer per uur. (…) Ik reed in mijn BMW 328i. (…) Ik had contact gehad met mijn vrouw. Ik was te laat. Ik ben hierom te hard gaan rijden. Ik reed ongeveer 130 km/u.(…)”

Op 13 februari 2010 te 21.50 uur heeft een arts in aanwezigheid van verbalisant (verbalisant 1), door middel van een venapunctie bloed afgenomen. Verbalisant heeft dat bloedmonster gewaarmerkt en verpakt en (onder meer) voorzien van het identiteitszegel TAAA0032NL en naar het Nederlands Forensisch Instituut verzonden. Uit het deskundigenrapport van het Nederlands Forensisch Instituut is gebleken dat het alcoholgehalte in het bloed voorzien van het identiteitszegel TAAA0032NL van verdachte (verdachte), geboren op (geboortejaar), ten tijde van het onderzoek 1,47 milligram ethanol per milliliter bloed bedroeg.

Gelet op bovenvermelde bewijsmiddelen is de rechtbank van oordeel dat sprake is geweest van roekeloos rijgedrag van verdachte. Er is sprake van zeer onvoorzichtig rijgedrag waarbij welbewust en met ernstige gevolgen onaanvaardbare risico’s zijn genomen. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat verdachte als beginnend bestuurder, terwijl hij onder invloed was van veel meer dan de toegestane hoeveelheid alcohol en met een veel hogere snelheid dan plaatselijk was toegestaan, bij het uitvoegen richting de afslag sterk of abrupt naar rechts heeft gestuurd, waardoor hij zijn auto onvoldoende onder controle heeft gehad, ten gevolge waarvan de auto uiteindelijk tegen de vangrail is gebotst en tot stilstand is gekomen.

Ten gevolge van de botsing tegen de vangrail raakte de auto van verdachte zodanig beschadigd dat de onderdelen alle kanten op vlogen. Eén van de onderdelen, te weten de wielophanging met een deel van het wiel, is door de achterruit gekomen van de Mazda ten gevolge waarvan (benadeelde) zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen.

De rechtbank acht voldoende omstandigheden aanwezig om te kunnen concluderen dat verdachte aan het aldus ontstane verkeersongeval schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 heeft gehad. Het geheel aan gedragingen van verdachte en de omstandigheden waaronder die gedragingen hebben plaatsgevonden overziende, is de rechtbank van oordeel dat het daarbij gaat om schuld die moet worden gezien als roekeloosheid. Van belang hierbij is het feit dat verdachte met een beduidend hogere snelheid dan de ter plaatse toegestane maximum snelheid heeft gereden en met die snelheid met zijn auto temidden van het andere daar aanwezige verkeer een plotselinge en scherp ingestuurde beweging van de linker rijstrook op de snelweg heeft gemaakt naar de uiterst rechts gelegen uitvoegstrook. Dat er sprake is van roekeloosheid houdt voorts verband met het feit dat de rechtbank wettig en overtuigend bewezen acht dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de overtreding van artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994.

BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht derhalve wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 1 primair en 2 ten laste is gelegd, met dien verstande dat

1 primair.

Hij op 13 februari 2010 te Zwolle als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig,( een personenauto van het merk BMW) daarmede rijdende over de weg, de autosnelweg Rijksweg A28, komende uit de richting Hattumerbroek en rijdende in de richting Meppel, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos rijgedrag, aangezien verdachte, terwijl hij als beginnend bestuurder aanmerkelijk onder invloed van alcoholhoudende drank verkeerde,met het door hem bestuurde motorrijtuig, aldaar ter hoogte van hectometerpaal 92,9 op de linkerrijbaan reed met een te hoge snelheid, terwijl de rijbaan was verdeeld in twee rijstroken en een uitvoegstrook voor de afslag Zwolle-Centrum, sterk en/of abrupt naar rechts heeft gestuurd, waardoor hij het voertuig niet meer onder controle had, waardoor hij vervolgens met de voorzijde van de door hem bestuurde personenauto tegen de geleiderail aan de rechterzijde van de rijbaan is gebotst en waardoor vervolgens vele onderdelen van het voertuig van verdachte zijn losgeraakt, waardoor een andere personenauto, merk Mazda, die eveneens op de Rijksweg A28 reed, werd geraakt door een deel van de voorwielophanging en een deel van een wiel, welke onderdelen door de ruit van het rechter achterportier van de Mazda naar binnen zijn gekomen/gevlogen en waardoor de zich op de achterbank van die Mazda bevindende passagier,genaamd (benadeelde) is geraakt, ten gevolge waarvan (benadeelde) zwaar lichamelijk letsel werd toegebracht, te weten een scalpeerverwonding en een impressiefractuur van de schedel en een botbreuk aan de buitenzijde van de linkeroogkas, terwijl hij, verdachte, verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, derde lid van de Wegenverkeerswet 1994.

2.

hij op 13 februari 2010 te Zwolle als bestuurder van een motorrijtuig, personenauto, dit motorrijtuig heeft bestuurd na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van verdachtes bloed bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, derde lid, aanhef en onder b van de Wegenverkeerswet 1994, 1,47 milligram, alcohol per milliliter bloed bleek te zijn, terwijl voor het besturen van dat motorrijtuig een rijbewijs was vereist en sedert de datum waarop aan hem voor de eerste maal een rijbewijs was afgegeven nog geen vijf jaren waren verstreken en de eerste afgifte van het rijbewijs na 30 maart 2002 heeft plaatsgevonden.

Van het 1 primair, 1 subsidiair en 2 meer of anders ten laste gelegde zal de verdachte worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet wettig en overtuigend bewezen acht.

DE STRAFBAARHEID VAN HET FEIT

Het bewezene levert op:

1 primair.

Overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl de schuld bestaat in roekeloosheid en het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht en terwijl de schuldige verkeerde in de toestand, als bedoeld in artikel 8, derde lid, onder b, van deze wet, strafbaar gesteld bij artikel 175 van de Wegenverkeerswet 1994.

2.

Overtreding van artikel 8, derde lid onder b, van de Wegenverkeerswet 1994, strafbaar gesteld bij artikel 176 van de Wegenverkeerswet 1994.

Er zijn geen feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. Dit levert de genoemde strafbare feiten op.

DE STRAFBAARHEID VAN DE VERDACHTE

Er zijn ook geen feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is derhalve strafbaar.

OPLEGGING VAN STRAF EN/OF MAATREGEL

Het standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht gevorderd een werkstraf voor de duur van 240 uren te vervangen door 120 dagen hechtenis, een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van twee jaren.

Het oordeel van de rechtbank

Gelet op de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden

waaronder verdachte zich daaraan heeft schuldig gemaakt en op de persoon van verdachte,

zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht de rechtbank de

na te noemen beslissing passend.

Verdachte heeft op 13 februari 2010 roekeloos gereden door als beginnend bestuurder onder invloed van veel meer dan de toegestane hoeveelheid alcohol en met een beduidend hogere snelheid dan plaatselijk was toegestaan, sterk en/of abrupt naar rechts te sturen, waardoor een ongeval heeft plaatsgevonden en een medeweggebruikster ernstig gewond is geraakt. De rechtbank rekent het verdachte zwaar aan dat zeer onzorgvuldig heeft gehandeld en dat hij daarmee zijn verantwoordelijkheid ten opzichte van zijn medeweggebruikers op grove wijze heeft veronachtzaamd. Het ongeval heeft bovendien grote gevolgen voor het slachtoffer. Er is (onder meer) sprake van ernstig en blijvend letsel in het gelaat. De ernst van de gevolgen blijkt onder meer nog uit het feit dat het slachtoffer psychotherapie heeft ondergaan.

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte te veroordelen tot een werkstraf van 240 uur en een gevangenisstraf van 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en daarnaast een ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de tijd van 2 jaren.

De rechtbank ziet aanleiding om een hogere straf op te leggen dan door de officier van justitie gevorderd, met name gelet op de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg van Voorzitters van de Strafsectoren van de gerechtshoven en de rechtbanken (LOVS). Volgens die oriëntatiepunten is 24 maanden gevangenisstraf en 4 jaar ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen passend wanneer - zoals in het onderhavige geval - sprake is van overtreding van artikel 6 Wegenverkeerswet, roekeloos rijden, zwaar lichamelijk letsel en meer dan 1.31 milligram ethanol per milliliter bloed. Mede gezien de ernst van de verkeersfouten en de enorme gevolgen van het ongeluk voor het slachtoffer ziet de rechtbank geen reden om substantieel van dit oriëntatiepunt af te wijken.

De rechtbank houdt in strafmatigende zin – in die zin dat een gedeelte van de op te leggen straf in voorwaardelijke vorm zal worden opgelegd - rekening met het tijdsverloop van de zaak nu er sinds het ongeval twee jaren zijn verstreken. Voorts houdt de rechtbank er ten voordele van verdachte rekening mee dat hij zich, blijkens het uittreksel justitiële documentatie van 4 november 2011, voorafgaand aan het ongeval niet eerder schuldig heeft gemaakt aan een verkeersmisdrijf.

Na de datum van het ongeval is verdachte (op 13 augustus 2010 en 15 april 2011) veroordeeld door de politierechter wegens kort gezegd vermogensmisdrijven en rijden onder invloed tot een werkstraf van 26 uren en een geldboete van € 450,00, zoals blijkt uit een de verdachte betreffend uittreksel justitiële documentatie van 4 november 2011. Dat maakt dat artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is, maar dat heeft per saldo geen invloed op de in deze zaak maximaal op te leggen vrijheidstraf.

De rechtbank acht de na te melden straf passend.

De oplegging van straf of maatregel is, behalve op de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften, gegrond op de artikelen 22c, 22d, 57, 91 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde is bewezen zoals hiervoor aangegeven en levert de strafbare feiten op, zoals hiervoor vermeld. De verdachte is deswege strafbaar.

Het onder 1 primair, 1 subsidiair en 2 meer of anders ten laste gelegde is niet bewezen en de verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

De rechtbank veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden.

Van de gevangenisstraf zal een gedeelte groot 12 maanden niet worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van twee jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

De rechtbank ontzegt verdachte de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de tijd van vier jaren.

De tijd, gedurende welke het rijbewijs van de verdachte ingevolge artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994 voor het tijdstip waarop de ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen ingaat ingevorderd en ingehouden is geweest, zal op de duur van die ontzegging geheel in mindering worden gebracht.

Aldus gewezen door mr. A.M. van der Pal, voorzitter, mrs. G.A. Versteeg en F.E.J. Goffin, rechters, in tegenwoordigheid van W. van Goor als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 februari 2012.