Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2012:BW2944

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
17-04-2012
Datum publicatie
17-04-2012
Zaaknummer
Awb 12/2501
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Weigering afgifte verklaring omtrent het gedrag (VOG) ; belangen van samenleving wegen zwaarder dan de belangen die eiser heeft bij afgfte van de VOG; beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Sector Bestuursrecht

Registratienummer: Awb 11/2501

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser],

wonende te Lelystad, eiser,

en

de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 12 juli 2011 heeft verweerder de aanvraag van eiser om afgifte van een verklaring omtrent het gedrag (hierna:VOG) afgewezen.

Het daartegen gemaakte bezwaar is bij het besluit van 14 oktober 2011 ongegrond verklaard. Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.

Het beroep is ter zitting van 15 maart 2012 behandeld. Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R. Faasse.

Overwegingen

Wet- en regelgeving

1. Ingevolge artikel 28 van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens (hierna: Wjsg) is een VOG een verklaring van de minister dat uit een onderzoek met betrekking tot het gedrag van de betrokken natuurlijke persoon of rechtspersoon ingesteld, gelet op het risico voor de samenleving in verband met het doel waarvoor de afgifte is gevraagd en na afweging van het belang van betrokkene, niet is gebleken van bezwaren tegen die natuurlijke persoon of rechtspersoon.

Ingevolge artikel 35, eerste lid, van de Wjsg weigert de minister de afgifte van een VOG, indien in de justitiële documentatie met betrekking tot de aanvrager een strafbaar feit is vermeld, dat, indien herhaald, gelet op het risico voor de samenleving en de overige omstandigheden van het geval, aan een behoorlijke uitoefening van de taak of de bezigheden waarvoor de VOG wordt gevraagd, in de weg zal staan.

Ingevolge artikel 36, derde lid, van de Wjsg kan de minister, voor zover dat voor een goede oordeelsvorming noodzakelijk is, inlichtingen omtrent de betrokkene inwinnen bij het openbaar ministerie en bij instellingen die op grond van artikel 4, eerste lid, van de Reclasseringsregeling 1995 bevoegd zijn om reclasseringswerkzaamheden te verrichten.

Bij de beoordeling van het risico voor de samenleving, bedoeld in artikel 35, eerste lid, van de Wjsg, zijn de criteria gehanteerd die zijn neergelegd in de Beleidsregels VOG-NP-RP en IVB 2011 voor het beoordelen van aanvragen ter verkrijging van een VOG van natuurlijke personen en rechtspersonen (hierna: de beleidsregels).

Volgens paragraaf 3 van de beleidsregels, voor zover thans van belang, wordt bij de beoordeling van de aanvraag in beginsel gekeken naar de justitiële gegevens die zijn opgenomen in de justitiële documentatie in de voor het doel van de aanvraag relevante termijn. Bij de beoordeling van de justitiële gegevens van de aanvrager wordt een terugkijktermijn in acht genomen. Deze terugkijktermijn is in een geval als hier aan de orde in die zin beperkt, dat de beoordeling van de aanvraag in beginsel plaatsvindt aan de hand van de justitiële gegevens die ten aanzien van de aanvrager gedurende de vier jaren voorafgaand aan het moment van beoordeling voorkomen in het justitiële documentatiesysteem. Van de terugkijktermijn van vier jaren wordt, voor zover hier van belang, afgeweken, indien de aanvrager gedurende de voor zijn aanvraag relevante terugkijktermijn enige tijd een vrijheidsbeperkende straf of –maatregel heeft ondergaan.

In dat geval wordt de terugkijktermijn (telkens) vermeerderd met de feitelijke duur van de vrijheidsbeperkende straf- of maatregel. Dit totdat de terugkijktermijn bestaat uit een totaal van vier jaren waarin geen sprake is van een vrijheidsbenemende straf of maatregel.

Wanneer de aanvrager in de justitiële documentatie voorkomt, wordt de vraag of een VOG kan worden afgegeven beoordeeld aan de hand van een objectief criterium en een subjectief criterium.

Volgens paragraaf 3.2, voor zover thans van belang, betreft het objectieve criterium de vraag of de justitiële gegevens die ten aanzien van de aanvrager zijn aangetroffen, indien herhaald, gelet op het risico voor de samenleving, een belemmering vormen voor een behoorlijke uitoefening van de functie of het beoogde doel waarvoor de VOG is aangevraagd.

Dit criterium is gebaseerd op artikel 35 van de Wjsg. Het risico van de samenleving

wordt daarbij nader uitgewerkt met behulp van een algemeen screeningsprofiel en specifieke screeningsprofielen, waarbij in het voorliggende geval is gelet op het specifieke screeningsprofiel “juridische dienstverlening”.

Indien aan de hand van het objectieve criterium is vastgesteld dat het desbetreffende justitiële gegeven een risico voor de samenleving kan opleveren bij het vervullen van de betreffende functie, wordt de VOG in beginsel geweigerd.

Volgens paragraaf 3.3, voor zover thans van belang, kan op grond van het subjectieve criterium worden geoordeeld dat het belang dat betrokkene bij het verstrekken van de VOG heeft, zwaarder weegt dan het door middel van het objectieve criterium vastgestelde risico voor de samenleving. In dat geval wordt de VOG afgegeven, ook als wordt voldaan aan het objectieve criterium voor weigering.

Volgens paragraaf 3.3.1, voor zover thans van belang, ziet het subjectieve criterium op omstandigheden van het geval die ertoe kunnen leiden dat de objectieve vaststelling van een risico voor de samenleving ten aanzien van deze aanvrager niet zou moeten leiden tot een afwijzing. Relevante omstandigheden van het geval zijn onder meer de wijze waarop de strafzaak is afgedaan, het tijdsverloop en de hoeveelheid antecedenten.

Feiten en omstandigheden

2. Op 9 april 2011 is de aanvraag van eiser voor afgifte van een VOG voor een beëdiging

tot advocaat bij de rechtbank Den Haag ontvangen. Op 8 juni 2011 heeft verweerder het voornemen om de aanvraag af te wijzen bekend gemaakt. Eiser heeft op 20 juni 2011 gereageerd. Bij besluit van 12 juli 2012 is de aanvraag afgewezen. Hiertegen heeft eiser bezwaar gemaakt. Op 29 september 2011 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Vervolgens heeft verweerder bij het thans voorliggende besluit van 14 oktober 2011 de afwijzing van de aanvraag voor een VOG gehandhaafd.

Verweerder heeft daaraan ten grondslag gelegd dat in de justitiële documentatie met betrekking tot eiser een strafbaar feit is vermeld. Eiser is op 9 maart 2000 in eerste aanleg vrijgesproken van een misdrijf als bedoeld in artikel 289 van het Wetboek van Strafrecht (moord), op 22 december 2000 in hoger beroep wegens moord veroordeeld tot een gevangenisstraf van 12 jaren en, na een geslaagd herzieningsverzoek, op 9 februari 2004 in hoger beroep door een verwijzingshof wegens moord veroordeeld tot een gevangenisstraf van 12 jaren, welke veroordeling op 22 februari 2005 onherroepelijk is geworden.

Volgens verweerder vormt het gegeven dat eiser in aanraking is gekomen met justitie wegens moord, indien herhaald, een risico voor het welzijn en de veiligheid van personen waarmee eiser tijdens de uitoefening van de beoogde functie in aanraking komt, terwijl, gelet op met name de wijze waarop de strafzaak is afgedaan, het belang van de beperking van de risico’s voor de samenleving zwaarder weegt dan het belang van eiser bij de afgifte van de VOG.

Beoordeling

3.1.1. Eiser is van mening dat hij nagenoeg, en op de zittingsdatum geheel voldoet aan het in de van toepassing zijnde Beleidsregels gestelde objectieve criterium. De rechtbank verstaat dit aldus, dat eiser betoogt dat het objectieve criterium zich niet verzet tegen afgifte van de gevraagde VOG.

3.1.2. De rechtbank merkt in dit kader allereerst op, dat de rechtbank het voorliggende besluit heeft te toetsen naar de feiten en de omstandigheden ten tijde van het besluit.

Van belang zijn voorts de criteria die ten tijde van het besluit van 14 oktober 2011 door verweerder werden gehanteerd bij de beoordeling van een aanvraag om afgifte van een VOG. Gelet op de inwerkingtreding op 1 augustus 2011 zijn dit, zoals door verweerder aangenomen, de criteria die zijn neergelegd in de BeleidsregelsVOG-NP-RP en IVB 2011.

Het uitgangspunt van volledige heroverweging in bezwaar brengt immers met zich dat in beginsel bij de heroverweging getoetst moet worden aan de (wettelijke) voorschriften zoals zij op dat moment luiden, tenzij een overgangsbepaling zich daartegen verzet. Van een dergelijke overgangsbepaling is de rechtbank niet gebleken. Bovendien zijn de voorgangers van deze beleidsregels op de van belang zijnde onderdelen niet anders.

3.1.3. Ten aanzien van de voorgangers van de beleidsregels heeft de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) geoordeeld dat deze niet onredelijk zijn.

Nu de thans van toepassing zijnde beleidsregels op de van belang zijnde onderdelen niet afwijken van hun voorgangers, ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat deze beleidsregels onredelijk zijn.

3.1.4. Dat ten aanzien van eiser inmiddels kan worden gesteld dat er in totaal vier jaren zijn verstreken waarin geen sprake is van een vrijheidsbenemende straf of maatregel, behoeft, wat daar verder van zij, gelet op bovenstaande niet af te doen aan de rechtmatigheid van het voorliggende besluit.

3.1.5. Wat betreft het objectieve criterium heeft verweerder terecht getoetst of in de voor

de aanvraag van toepassing zijnde terugkijktermijn relevante justitiële gegevens zijn aangetroffen, die, op zichzelf gezien en afgezien van de persoon van de aanvrager, indien herhaald, gelet op het risico voor de samenleving, een belemmering vormen voor een behoorlijke uitoefening van de functie/taak/bezigheid waarvoor de VOG is aangevraagd.

Voor wat betreft het van belang zijnde justitiële gegeven heeft verweerder daarbij terecht, conform paragraaf 3.1.2 van de beleidsregels, als uitgangspunt genomen de datum 9 maart 2000, zijnde de datum van de rechterlijke uitspraak in eerste aanleg.

Dat verweerder, zoals door eiser is betoogd, vervolgens eerst in het bestreden besluit op bezwaar de terugkijktermijn heeft gewijzigd in 20 jaar, hetgeen volgens eiser in strijd is met het vertrouwensbeginsel en getuigt van onbehoorlijk handelen, volgt de rechtbank niet. Verweerder heeft een terugkijktermijn van vier jaar gehanteerd, zoals die is aangevangen op de datum van het besluit op bezwaar, te weten 14 oktober 2011. Bedoelde termijn is vervolgens (telkens) verlengd met de feitelijke duur van de periodes waarin eiser gedurende deze termijn is geconfronteerd met een vrijheidsbeperkende straf of maatregel, te weten de periode van 9 februari 2004 tot en met 21 april 2009 en de periode van 1 januari 2001 tot en met 30 juni 2003. Dat eiser, zoals ter zitting is opgemerkt, vanaf december 2007 in een open setting dan wel thuis heeft verbleven, maakt niet dat de periode van 9 februari 2004 tot en met 21 april 2009 door verweerder ten onrechte is aangemerkt als periode waarin eiser een vrijheidsbeperkende straf of –maatregel heeft ondergaan, nu er sprake was van de verdere tenuitvoerlegging van de vrijheidsbeneming van eiser.

Gelet op bovenstaande gegevens, in onderlinge samenhang bezien, heeft verweerder terecht vastgesteld dat het bovengenoemde justitiële gegeven, te weten de rechterlijke uitspraak in eerste aanleg op 9 maart 2000, binnen de toepasselijke terugkijktermijn valt.

3.1.6. Verweerder heeft zich naar het oordeel van de rechtbank vervolgens gelet op het screeningsprofiel in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat is voldaan aan het objectieve criterium, op de grond dat de vraag of er sprake zou zijn van een risico voor de samenleving wanneer een soortgelijk strafbaar feit zou worden gepleegd door een persoon

in de uitoefening van de functie waarvoor de VOG wordt aangevraagd, bevestigend moet worden beantwoord. Verweerder was derhalve in beginsel bevoegd de VOG te weigeren.

3.2.1. Volgens eiser zijn er voldoende aspecten aanwezig om op grond van het subjectieve criterium te kunnen besluiten tot afgifte van de gevraagde VOG. Verweerder heeft in de visie van eiser onvoldoende gemotiveerd waarom verweerder geen doorslaggevende betekenis heeft toegekend aan het belang van eiser bij het verstrekken van de VOG.

De rechtbank is evenwel van oordeel dat verweerder in redelijkheid heeft kunnen besluiten de belangen van de samenleving zwaarder te laten wegen dan de belangen die eiser heeft bij afgifte van de VOG. Verweerder heeft in dit verband het misdrijf waarvoor eiser is veroordeeld en de mate waarin dit eiser door de strafrechter is aangerekend van doorslaggevende betekenis mogen achten. Dat het om een enkel antecedent gaat, maakt het voorgaande niet anders, mede gelet op de aard van dit antecedent en de zwaarte van de opgelegde gevangenisstraf.

Dat het niet verkrijgen van een VOG voor eiser grote gevolgen heeft, hoefde voor verweerder geen aanleiding te vormen om over te gaan tot afgifte van een VOG. Dat eiser zonder een VOG het beroep van advocaat niet kan uitoefenen, is een gevolg dat inherent is aan weigering van de afgifte van een VOG en als zodanig verdisconteerd in de beleidsregels. Eisers leeftijd maakt niet dat verweerder de belangenafweging in het voordeel van eiser had moeten doen uitvallen. Dit geldt ook voor de omstandigheid dat eiser heeft aangetoond na zijn detentie in staat te zijn in maatschappelijke zin te kunnen functioneren. Verweerder heeft zich op het standpunt kunnen stellen dat er vooralsnog onvoldoende tijd is verlopen.

Van een gebrekkige motivering in de door eiser genoemde zin, is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake.

3.2.2. Volgens eiser had verweerder bij de beoordeling met betrekking tot het subjectieve criterium moeten betrekken dat de wijze waarop de strafzaak is afgedaan op zijn minst ernstige twijfels zal oproepen. Eiser brengt naar voren dat het Hof is voorgelogen middels (onder meer) een valselijk opgemaakt proces-verbaal en dat er niet per definitie sprake is geweest van een zwaar aan te rekenen straf. Eiser verwijst daarbij naar een boek van Prof. Dr. T. Derksen, waarin onder meer wordt geconcludeerd: “ met die moord heeft Louwes niets te maken”.

Dit betoog kan niet leiden tot het daarmee kennelijk beoogde doel. De vermelding van de registratie van eerdergenoemd strafbaar feit in de justitiële documentatie biedt verweerder, gelet op artikel 35, eerste lid, van de Wjsg, voldoende grondslag om een weigering, als bedoeld in deze bepaling, op te baseren.

Voorts heeft verweerder bij de beoordeling van het subjectieve criterium mogen uitgaan

van de wijze waarop de strafzaak is afgedaan, zonder te treden in de vraag of eiser terecht is veroordeeld.

4. Gelet op het voorgaande heeft verweerder de weigering tot afgifte van een VOG bij het betreden besluit terecht gehandhaafd. Het beroep is dan ook ongegrond. De rechtbank kan niet tegemoet komen aan het verzoek van eiser d.d. 20 februari 2012 om de opdracht tot afgifte van een VOG uitvoerbaar bij voorraad te verklaren, wat daar overigens van zij.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond

Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Oosterveld, rechter, en door hem en mr. D. Hardonk-Prins als griffier ondertekend. Uitgesproken in het openbaar op

Afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat voor een belanghebbende en het bestuursorgaan hoger beroep open. Dit dient te worden ingesteld binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak door een beroepschrift en een kopie van deze uitspraak te zenden aan de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag

U kunt ook digitaal hoger beroep instellen bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. Kijk op www.raadvanstate.nl voor meer informatie over het indienen van digitaal beroep