Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2012:BW2169

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
12-04-2012
Datum publicatie
12-04-2012
Zaaknummer
Awb 12/552
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Last om exploitatie van seksinrichting te Deventer te staken en gestaakt te houden; van concreet zicht op legaisatie geen sprake; voorzieningenrechter van oordeel dat verweerder terecht groot belang hecht aan de wettelijke eis dat exploitanten van seksinrichtingen beschikken over exploitatievergunningen; afwijzing verzoek om voorlopige voorziening.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWB 2012/211

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Sector Bestuursrecht

Registratienummer: Awb 12/552

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[verzoeker],

wonende te Deventer, verzoeker,

gemachtigde: ing. M.H. Middelkamp,

en

de burgemeester van Deventer, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 16 maart 2012 heeft verweerder verzoeker en vennootschap onder firma (hierna: VOF) Club Isabelle gelast om de exploitatie van de seksinrichting “Club Isabelle” aan de Oosterstraat 1 te Deventer vanaf 30 maart 2012 om 21.00 uur te staken en gestaakt te houden, onder aanzegging dat de inrichting, op kosten van verzoeker, van gemeentewege gesloten zal worden, indien en voor zover aan de last geen gevolg wordt gegeven.

Verzoeker heeft daartegen bezwaar gemaakt, mede namens VOF Club Isabelle.

Op 22 maart 2012 heeft verzoeker verzocht de voorlopige voorziening te treffen dat het bestreden besluit wordt geschorst tot zes weken na de beslissing op bezwaar dan wel minimaal tot 14 mei 2012.

Het verzoek is ter zitting van 11 april 2012 behandeld. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. B.S. ten Kate. Verder zijn voor verweerder verschenen mr. M. Ichoh en F.E. Stein.

Overwegingen

1.Op grond van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kan de voorzieningenrechter op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Bij de vereiste belangenafweging gaat het om een afweging van enerzijds het belang van de verzoeker dat een onverwijlde voorziening wordt getroffen en anderzijds het door de onmiddellijke uitvoering van het besluit te dienen belang.

2.De voorzieningenrechter is van oordeel dat een spoedeisend belang verzoeker niet kan worden ontzegd, nu verzoeker in het bestreden besluit is gelast de exploitatie van de seksinrichting in het pand Oosterstraat 1 te Deventer vanaf 30 maart 2012 om 21.00 uur te staken en gestaakt te houden op straffe van het toepassen van bestuursdwang.

Mondeling is overigens van de zijde van verweerder toegezegd – hetgeen ter zitting is bevestigd – te zullen wachten met de daadwerkelijke bestuursdwang totdat de voorzieningenrechter uitspraak heeft gedaan.

Bovenstaande betekent dat de voorzieningenrechter een voorlopig oordeel zal uitspreken over de rechtmatigheid van het bestreden besluit. Dit oordeel is niet bindend voor de beslissing in de connexe bezwaarprocedure.

3. Verzoeker is exploitant van de seksinrichting Club Isabelle aan de Oosterstraat 1 te Deventer. Op 19 maart 2002 is besloten het gebruik van het desbetreffende pand als seksinrichting te gedogen, zolang de seksinrichting geen aanleiding geeft tot (min of meer) structurele overlast en zolang de heer [verzoeker] zelf als exploitant van de seksinrichting optreedt. Daarnaast is op 9 oktober 2003 een geschiktheidsverklaring voor een seksinrichting verleend voor het pand.

Op 1 september 2010 is verzoeker gemeld, dat is gebleken dat hij geen geldige exploitatievergunning heeft voor de exploitatie van de seksinrichting. Verzoeker is verzocht om op korte termijn een exploitatievergunning aan te vragen, waarvoor hij gebruik kon maken van het bijgevoegde aanvraagformulier en het Bibob-vragenformulier.

Verzoeker is er op gewezen dat het niet is toegestaan om een seksinrichting te exploiteren zonder geldige vergunningen.

Op 22 september 2010 heeft verzoeker de aanvraag ingediend, welke aanvraag, na een verstreken hersteltermijn, bij besluit van 22 december 2010 buiten behandeling is gesteld met toepassing van artikel 4:5, eerste lid, van de Awb, op de grond dat verzoeker niet alle voor de beoordeling van de aanvraag noodzakelijke gegevens had verschaft.

Bij brief van 28 december 2010 is verzoeker de gelegenheid geboden een nieuwe aanvraag in te dienen, onder de toezegging dat niet handhavend zou worden opgetreden tot het advies van de commissie van de bezwaarschriften inzake een eventueel bezwaar is uitgebracht.

Verzoeker heeft vervolgens bezwaar gemaakt tegen het besluit van 22 december 2010. Dit bezwaar is ingetrokken, terwijl een nieuwe aanvraag is ingediend op 26 juni 2011, die is aangevuld op 28 juli 2011.

Op 27 juli 2011 is verzoeker gevraagd om zijn financiële administratie vanaf 2007. Namens verzoeker is daarop aangegeven dat deze administratie bij de Belastingdienst is in verband met een controle en dat verweerder die administratie bij de Belastingdienst kan opvragen. Verzoeker heeft een nadere termijn gevraagd tot 1 oktober 2011. Hierop is verzoeker in de gelegenheid gesteld een schriftelijke verklaring van de Belastingdienst over te leggen, waaruit blijkt dat de gevraagde stukken bij de Belastingdienst liggen voor een boekencontrole. Verweerder heeft tevens aan verzoeker laten weten dat het zijn verantwoordelijkheid is om stukken/documenten aan te leveren. Voor het leveren van de verklaring is uitstel gevraagd tot medio september 2011. Vervolgens is de aanvraag van 26 juni 2011 bij besluit van 2 september 2011 buiten behandeling gesteld. Het hiertegen gemaakte bezwaar is ongegrond verklaard. Hiertegen is beroep ingesteld. Dit beroep is geregistreerd onder beroepsprocedure Awb 12/569.

Op 25 januari 2012 is opnieuw een aanvraag voor een exploitatievergunning ingediend. Bij brief van 1 maart 2012 is verzoeker, onder verwijzing naar artikel 4:5 van de Awb, tot uiterlijk 16 maart 2012 de gelegenheid geboden om de aanvraag aan te vullen.

Op 24 februari 2012 heeft verweerder verzoeker op de hoogte gesteld van het voornemen om hem te gelasten de exploitatie van de seksinrichting per 30 maart 2012 te beëindigen en beëindigd te houden. Op 9 maart 2012 is hiertegen een zienswijze ingediend. Vervolgens is het onder de rubriek procesverloop genoemde besluit van 16 maart 2012 genomen.

Hiertegen is bezwaar gemaakt, terwijl tevens een verzoek om een voorlopige voorziening is ingediend.

3.1 Verzoeker stelt zich op het standpunt dat er geen aanleiding bestond de aanvraag om een exploitatievergunning buiten behandeling te stellen om reden dat over ruim voldoende gegevens wordt beschikt om de aanvraag te kunnen behandelen.

Verzoeker is ten aanzien van de aanvraag van 25 januari 2012 van mening, dat de termijn voor het aanleveren van de ontbrekende informatie te kort is, terwijl de strekking van wat ontbreekt onduidelijk is. Met name de jaarrekening van 2011 kan nog niet worden verstrekt.

Behoudens de balans en jaarrekening, die omstreeks de bouwvak gereed kan zijn, verwacht verzoeker de gevraagde stukken omstreeks 2 mei 2012 te kunnen aanleveren.

Verzoeker wil in de tussengelegen periode niet geconfronteerd worden met sluiting van zijn inrichting. Verzoeker tekent daarbij aan dat de inrichting al jaren zonder noemenswaardige problemen wordt gedreven. Er is een geschiktheidsverklaring sexinrichting en een gedoogbeschikking verstrekt. Verzoeker voert voorts aan dat de last niet duidelijk is.

Het bestreden besluit is volgens verzoeker in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur tot stand gekomen.

3.2 De voorzieningenrechter stelt voorop dat artikel 3.4, eerste lid, van de Algemene Plaatselijke Verordening van Deventer (hierna: de APV) bepaalt dat het verboden is een seksinrichting of escortbedrijf te exploiteren of te wijzigen zonder vergunning van het bevoegde bestuursorgaan.

Ingevolge het bepaalde in artikel 174 van de Gemeentewet is de burgemeester voor wat betreft dit soort inrichtingen het bevoegd gezag. Ingevolge het bepaalde in artikel 125, derde lid, van de Gemeentewet is de burgemeester voor wat betreft dit soort inrichtingen bevoegd tot het opleggen van een last onder bestuursdwang.

Ingevolge het bepaalde in artikel 5:21 van de Awb is bestuursdwang een herstelsanctie. Een dergelijke sanctie is, ingevolge het bepaalde in artikel 5:2, eerste lid, aanhef en onder b, van de Awb, een bestuurlijke sanctie die strekt tot het geheel of gedeeltelijk ongedaan maken of beëindigen van een overtreding, tot het voorkomen van herhaling van een overtreding, dan wel tot het wegnemen of beperken van de gevolgen van een overtreding.

De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoeker, door zonder vergunning van verweerder seksinrichtingen te exploiteren, het bepaalde in artikel 3.4, eerste lid, van de APV overtreedt.

Daaraan doet niet af, dat verweerder sinds 19 maart 2002 formeel gedoogt dat het pand Oosterstraat 1 te Deventer als seksinrichting wordt gebruikt, nu de gedoogbeschikking is verleend met het oog op het toestaan van gebruik van een bepaald perceel in strijd met de geldende bestemming. Een exploitatievergunning ziet op het exploiteren van een seksinrichting op een bepaald adres. Het toetsingskader voor het verlenen van een exploitatievergunning verschilt van dat waarbinnen in 2002 een gedoogbeschikking voor met het bestemmingsplan strijdig gebruik is verleend.

Verweerder is bevoegd tegen het zonder vergunning exploiteren van een seksinrichting handhavend op te treden.

3.4 Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

Verzoeker is van mening dat er wel concreet zicht op legalisatie is. Hij heeft er op gewezen dat verweerder over voldoende informatie beschikte en beschikt om een voldoende beoordeling te kunnen maken van de ingediende aanvragen. Hij is dan ook van mening dat ten onrechte de aanvraag van 26 juni 2011 buiten behandeling is gesteld. Voorts is hij van mening dat op korte termijn de laatst ingediende aanvraag zal zijn gecomplementeerd en dat verweerder dan een beoordeling kan maken van die aanvraag. Hij verwacht dan ook op korte termijn te kunnen beschikken over een exploitatievergunning.

Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is in dit geval geen sprake van concreet zicht op legalisatie. De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoekers aanvraag van 26 juni 2011 buiten behandeling is gesteld en dat het daartegen ingediende bezwaar ongegrond is verklaard. In het daartegen ingestelde beroep zal slechts de vraag worden beantwoord of verweerder al dan niet terecht die aanvraag buiten behandeling heeft gesteld. Mocht de rechtbank tot het oordeel komen dat die aanvraag ten onrechte buiten behandeling is gesteld, dient vervolgens alsnog de inhoudelijke beoordeling plaats te vinden van die aanvraag. Onzeker is wanneer die beoordeling tot welke conclusie zal leiden. Datzelfde geldt voor de door verzoeker op 25 januari 2012 ingediende aanvraag. In dit verband constateert de voorzieningenrechter dat verzoekers gemachtigde ter zitting heeft erkend dat ook de laatstgenoemde aanvraag nog niet volledig is en dat hij zich zeer zal inspannen om die alsnog op korte termijn gecompleteerd te krijgen.

Van concreet zicht op legalisatie is dan ook geen sprake.

Niet gebleken is dat sprake is van andere bijzondere omstandigheden, die aan handhavend optreden in de weg hadden moeten staan. De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoeker vanaf 1 september 2010 de gelegenheid is geboden om alsnog een exploitatievergunning voor zijn inrichting te verkrijgen. De omstandigheid dat verzoeker in dezelfde tijd te maken kreeg met een controle door de Belastingdienst en een faillissement van zijn boekhouder waardoor hij naar zijn zeggen niet in staat is geweest om al de opgevraagde stukken/documenten tijdig kon aanleveren, acht de voorzieningenrechter niet een zodanig bijzondere omstandigheid. Te meer nu uit de verklaring van de Belastingdienst van 25 november 2011 kan worden opgemaakt dat verzoeker de primaire administratieve bescheiden over de jaren 2007 en 2008, als hij daarom zou hebben gevraagd, (tijdelijk) tot zijn beschikking had kunnen krijgen. Uit het dossier niet is gebleken dat verzoeker die inspanning (tijdig) heeft verricht. Dat de sluiting van de inrichting financiële gevolgen voor verzoeker heeft of zal hebben moet voor rekening van verzoeker blijven en is niet te zien als een bijzondere omstandigheid als hiervoor bedoeld.

De voorzieningenrechter is voorts van oordeel dat verweerder terecht groot belang hecht aan de wettelijke eis, dat exploitanten van seksinrichtingen beschikken over exploitatievergunningen.

De voorzieningenrechter stelt vast dat ter zitting zijdens verweerder is verklaard dat de sluiting van de seksinrichting geen definitieve situatie behoeft te zijn. Op het moment dat een exploitatievergunning is verleend kan de inrichting weer worden geopend. De opgelegde last staat dan ook in redelijke verhouding tot de zwaarte van het geschonden belang en tot de beoogde werking van de last.

Hoewel de begunstigingstermijn, zoals vermeld in het besluit van 16 maart 2012, tot 30 maart 2012 om 21.00 uur kort te noemen is, is geen sprake van een te korte termijn, mede nu verzoeker reeds geruime tijd is gewaarschuwd voor de mogelijkheid dat handhavend zou worden opgetreden. Bovendien kan verzoeker op eenvoudige wijze gevolg geven aan de opgelegde last. Dat de last onvoldoende duidelijk is, volgt de voorzieningenrechter niet.

Hetgeen overigens is aangevoerd leidt de voorzieningenrechter niet tot een ander oordeel.

Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is aannemelijk is dat het bestreden besluit in bezwaar stand zal houden. Voor het treffen van een voorlopige voorziening bestaat dan ook geen aanleiding.

4. Het verzoek om een voorlopige voorziening dient daarom afgewezen te worden.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

-wijst het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W.M. Bunt, voorzieningenrechter, en door hem en

mr. D. Hardonk-Prins als griffier ondertekend. Uitgesproken in het openbaar op

Afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.