Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2012:BW1805

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
12-04-2012
Datum publicatie
12-04-2012
Zaaknummer
07.660059-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Zes jaar gevangenisstraf voor woningoverval Marknesse

De meervoudige kamer van de rechtbank Zwolle-Lelystad heeft 12 april vier mannen veroordeeld tot gevangenisstraffen van zes jaar. De rechtbank heeft alle verdachten een gelijke straf opgelegd omdat de rechtbank van oordeel is dat zij allen nauw betrokken waren bij het voorbereiden en het uitvoeren van de overval.

Gewelddadige woningoverval

Vier mannen overvielen 11 maart 2011 omstreeks 01.45 uur een echtpaar in hun woning in Marknesse. De rechtbank is van oordeel dat drie van hen de woning zijn binnengedrongen en de vierde verdachte is achtergebleven in de auto waarmee de daders zijn gevlucht. De verdachten hebben de twee bewoners met benzine besprenkeld en hebben de vrouw gekneveld met tape. De mannen beweerden ook vuurwapens bij zich te hebben. Met een bedrag van ongeveer € 30.000,- zijn de verdachten in hun auto er vandoor gegaan.

Politie correct gehandeld

De gealarmeerde politie heeft de achtervolging ingezet en de auto met de verdachten tot stilstand gebracht. Bij de aanhouding heeft een schietincident plaatsgevonden waarbij een van de verdachten door een politiekogel is geraakt. De rechtbank heeft het verweer van de raadsman verworpen dat de politie fout zou hebben gehandeld bij de aanhouding. Volgens de rechtbank was het gericht schieten om de verdachten aan te houden niet disproportioneel en had de politie de verdachten voldoende gelegenheid gegeven te stoppen en zich door de politie aan te laten houden.

Hogere straf

Voor de slachtoffers is de overval een zeer beangstigende ervaring geweest, waarvan zij nog steeds grote gevolgen ondervinden. De rechtbank rekent het de verdachten zeer aan dat zij in de nachtelijk uren de woning overvielen en de slachtoffers besprenkelden met benzine. De rechtbank heeft daarom een hogere straf opgelegd dan de geldende richtlijnen voor woningoverval. Ook moeten de verdachten de slachtoffers een schadevergoeding betalen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Sector strafrecht

Parketnummer: 07.660059-11 (P)

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 12 april 2012

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

wonende te [adres],

thans verblijvende in de Penitentiaire Inrichting Midden Holland, Huis van Bewaring

De Geniepoort, Alphen aan den Rijn.

1 HET ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het onderzoek ter terechtzitting is aangevangen op 28 juni 2011 en vervolgd op

16 september 2011, 8 december 2011 en 6 maart 2012. Op 29 maart 2012 heeft de inhoudelijke behandeling van de strafzaak plaatsgevonden, waarbij verdachte is verschenen bijgestaan door mr. H.G. Kersting, advocaat te Amsterdam.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. B.E.M. van de Ven en van de standpunten door de raadsman van verdachte naar voren gebracht.

2 DE TENLASTELEGGING

De verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 11 maart 2011 te Marknesse, gemeente Noordoostpolder, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen uit een woning gelegen aan de [adres] een geldbedrag van tussen de 20.000 en 40.000 Euro, in elk geval enig geldbedrag, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen voornoemde [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte en/of een of meer van zijn mededader(s),

- een ruit van die woning heeft/hebben ingeslagen/vernield en/of (vervolgens) die woning binnen is/zijn gegaan en/of

- (terwijl zij een capuchon over hun hoofd/gezicht droegen) met (een) zaklantaarn(s) in het gezicht van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] heeft/hebben geschenen en/of

- benzine, in elk geval een dergelijke (brandbare) vloeistof over die [slachtoffer 1] en/of die [slachtoffer 2] en/of over hun bed heeft/hebben gespoten en/of gesproeid en/of gegoten en/of

- die [slachtoffer 1] met kracht bij de arm(en) heeft/hebben vastgepakt en/of

- tegen die [slachtoffer 2] heeft/ hebben gezegd dat zij op haar buik op de grond moest gaan liggen en/of dat zij haar benen omhoog moest doen en/of

- de benen en/of de handen van die [slachtoffer 2] met tape heeft/hebben omwikkeld/gekneveld en/of - met tape de handen van die [slachtoffer 1] heeft/hebben geprobeerd te knevelen en/of

- tegen die [slachtoffer 1] en/of die [slachtoffer 2] heeft/hebben gezegd "waar is de kluis, snel, we willen geld” en/of “We hebben wapens, we hebben wapens”en/of “Stil houden en geen politie bellen”, in elk geval woorden van een dergelijke dreigende aard en of strekking;

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

[medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] op of omstreeks 11 maart 2011 te Marknesse, gemeente Noordoostpolder , tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een geldbedrag van tussen de 20.000 en 40.000 Euro, in elk geval enig geldbedrag, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan die [medeverdachte 1] en/of die [medeverdachte 2] en/of die [medeverdachte 3] en/of zijn mededader(s) en/of aan verdachte, welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen voornoemde [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bijbetrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan (een) andere deelnemer(s) van voormeld misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat die [medeverdachte 1] en/of die [medeverdachte 2] en/of die [medeverdachte 3],

- een ruit van die woning heeft/hebben ingeslagen/vernield en/of (vervolgens) die woning binnen is/zijn gegaan en/of

- (terwijl zij een capuchon over hun hoofd/gezicht droegen) met (een) zaklantaarn(s) in het gezicht van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] heeft/hebben geschenen en/of

- benzine, in elk geval een dergelijke (brandbare) vloeistof over die [slachtoffer 1] en/of die [slachtoffer 2] en/of over hun bed heeft/hebben gespoten en/of gesproeid en/of gegoten en/of

- die [slachtoffer 1] met kracht bij de arm(en) heeft/hebben vastgepakt en/of

- tegen die [slachtoffer 2] heeft/ hebben gezegd dat zij op haar buik op de grond moest gaan liggen en/of dat zij haar benen omhoog moest doen en/of

- de benen en/of de handen van die [slachtoffer 2] met tape heeft/hebben omwikkeld/gekneveld en/of

- met tape de handen van die [slachtoffer 1] heeft/hebben geprobeerd te knevelen en/of

- tegen die [slachtoffer 1] en/of die [slachtoffer 2] heeft/hebben gezegd "waar is de kluis, snel, we willen geld” en/of “We hebben wapens, we hebben wapens”en/of “Stil houden en geen politie bellen”, in elk geval woorden van een dergelijke dreigende aard en of strekking,

tot en/of bij het plegen van welk misdrijf verdachte in of omstreeks de periode van 10 maart 2011 tot en met 11 maart 2011 te Marknesse, gemeente Noordoostpolder en/of in de gemeente Amsterdam, en/of (elders) in Nederland tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft/hebben verschaften/of opzettelijk behulpzaam is/zijn geweest door

- een auto ter beschikking te stellen en/of te houden en/of

- met een auto naar het adres van die [slachtoffer 1] en die [slachtoffer 2] te rijden en/of

- (onderweg naar het adres van die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2]) een rol duct-tape en/of

een flesje frisdrank te kopen en/of (vervolgens) benzine te tanken in dat/een

le(e)g(e) flesje en/of bij een benzinestation plastic handschoenen mee te

nemen en/of

-(vervolgens) op de uitkijk te gaan/blijven staan.

2.

hij op of omstreeks 11 maart 2011 te Marknesse, gemeente Noordoostpolder,tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer 2] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en/of beroofd gehouden, immers heeft (hebben) hij verdachte en/of een of meer van zijn mededader(s)met dat opzet

- benzine, in elk geval een dergelijke (brandbare) vloeistof over die [slachtoffer 2] gespoten en/of gesproeid en/of gegoten en/of

- tegen die [slachtoffer 2] gezegd dat zij op haar buik op de grond moest gaan liggen en/of dat zij haar benen omhoog moest doen en/of

- de benen en/of de handen van die [slachtoffer 2] met tape omwikkeld/gekneveld;

althans, indien het vorenstaande onder 2 niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:

[medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] op of omstreeks 11 maart 2011 te Marknesse, gemeente Noordoostpolder, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer 2] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en/of beroofd gehouden, immers heeft (hebben) die [medeverdachte 1] en/of die [medeverdachte 2] en/of die [medeverdachte 3] met dat opzet

- benzine, in elk geval een dergelijke vloeistof over die [slachtoffer 2] gespoten en/of

gesproeid en/of gegoten en/of

- tegen die [slachtoffer 2] gezegd dat zij op haar buik op de grond moest gaan liggen en/of dat zij haar benen omhoog moest doen en/of

- de benen en/of de handen van die [slachtoffer 2] met (duct)tape omwikkeld/gekneveld;

tot en/of bij het plegen van welk misdrijf verdachte in of omstreeks de periode van 10 maart 2011 tot en met 11 maart 2011 te Marknesse, gemeente Noordoostpolder in de gemeente Amsterdam en/of (elders) in Nederland tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft/hebben verschaft

en/of opzettelijk behulpzaam is/zijn geweest door

- een auto ter beschikking te stellen en/of te houden en/of

- met een auto naar het adres van die [slachtoffer 2] te rijden en/of

- (onderweg naar het adres van die [slachtoffer 2]) een rol duct-tape en/of een flesje frisdrank te kopen en/of (vervolgens) benzine te tanken in dat/een le(e)g(e) flesje en/of bij een benzinestation plastic handschoenen mee te nemen en/of

- (vervolgens) op de uitkijk te gaan/blijven staan.

3 DE VOORVRAGEN

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft ter terechtzitting aangevoerd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaard behoort te worden in de strafvervolging van verdachte, omdat door opsporingsambtenaren die belast waren met de opsporing en vervolging een zo ernstige inbreuk is gemaakt op de beginselen van een behoorlijke procesorde dat daardoor doelbewust en met grove veronachtzaming van de belangen van verdachte aan zijn recht op een eerlijke behandeling tekort is gedaan. De raadsman heeft daartoe in de eerste plaats gesteld dat er bewust fundamentele verdedigingsrechten zijn geschonden, omdat hij ondanks de Salduz regeling twee dagen van zijn cliënt is weggehouden.

Voorts is volgens de raadsman de aanhouding van verdachte onrechtmatig geweest, nu het gebruik van vuurwapens onnodig en excessief is geweest. Verdachte had zijn handen in de lucht gestoken, maar de kogels vlogen hem om de oren. Hij had wel dood kunnen zijn. Voorts heeft de raadsman gesteld dat er al op de [auto] werd geschoten voordat verdachte uit de auto was gevlucht. Hij kreeg aldus niet eens de kans om zich over te geven. Bovendien was geen van de verdachten gewapend, hetgeen voor de politie ook duidelijk waarneembaar was toen er werd geschoten. Volgens de raadsman heeft de politie zich niet aan de ambtsinstructie gehouden, maar is zij ongecontroleerd gaan schieten, terwijl door [slachtoffer 1] aan de meldkamer al was doorgegeven dat er geen wapens waren gebruikt.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat er bij de aanhouding van verdachte en zijn medeverdachten sprake is geweest van proportioneel handelen. De officier van justitie heeft daarbij gewezen op de ernst van het feit waarvan verdachte werd verdacht. Bovendien was men bekend met het feit dat eerdere stoptekens of andere manieren om de verdachten te laten stoppen waren genegeerd. Daarbij was de informatie dat er een gewapende overval had plaatsgevonden en de te naam gestelde van de [auto] als vuurwapengevaarlijk bekend stond. Ook is gehandeld met inachtneming van het beginsel van subsidiariteit, aangezien men eerst op een andere manier de verdachten heeft getracht te stoppen, namelijk door gewoon een stopteken te geven, door voor hen te rijden en de auto in te sluiten en uiteindelijk een tik tegen de auto te geven. Maar ook na dit alles renden de verdachten de auto uit, terwijl hen werd toegeroepen te stoppen en er een waarschuwingsschot werd gelost. Het doel om verdachte aan te houden rechtvaardigde in dit geval naar het oordeel van de officier van justitie het gebruik van vuurwapens. Er is ook voldaan aan artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, van de Ambtsinstructie voor de politie, de Koninklijke Marechaussee en andere opsporingsambtenaren (hierna: de Ambtsinstructie), die aangeeft dat in een dergelijk geval een vuurwapen gebruikt mag worden.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is en dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak.

De rechtbank overweegt ten aanzien van het verweer van de raadsman als volgt.

De rechtbank volgt de raadsman niet in zijn stelling dat er fundamentele verdedigingsrechten zijn geschonden doordat hij doelbewust twee dagen bij zijn cliënt is weggehouden. Dat één en ander is misgelopen lijkt veeleer het gevolg te zijn geweest van een ongelukkige samenloop van omstandigheden in verband met het verblijf van verdachte in het ziekenhuis. De raadsman van verdachte is in kennis gesteld van het voorgenomen verhoor van verdachte en verdachte heeft voorafgaande aan zijn eerste verhoor met een andere advocaat kunnen spreken. Aldus is verdachte naar het oordeel van de rechtbank niet in zijn verdediging geschaad.

Ten aanzien van de aanhouding overweegt de rechtbank als volgt. Verdachte bevond zich in een auto, te weten een [auto] met kenteken [], waarvan het vermoeden bestond dat de inzittenden betrokken waren geweest bij een overval op een woning waarbij gebruik was gemaakt van wapens. De melding maakt er immers melding van dat bij de overval gebruik is gemaakt van vuurwapens.

De [auto] is door de verbalisanten op verschillende wijzen getracht te stoppen. Allereerst is er door een politiemotor een opvallend stopteken gegeven. De [auto] vermindert dan wel vaart en stuurt naar de vluchtstrook, maar plotseling rijdt hij toch met hoge snelheid weg. Vervolgens is het kenteken nagetrokken en blijkt dat de kentekenhouder van de auto veel criminele antecedenten heeft en bekend staat als vuurwapengevaarlijk. Vervolgens gaat er een opvallende politieauto voor de verdachte rijden met blauwe zwaailampen en het transparant met “Stop Politie” aan. Ze zien echter de [auto] met hoge snelheid naderen en gaan daarom slingeren om niet ingehaald te worden. De [auto] weet hen echter wel in te halen. Hierop rijden er twee politieauto’s op de snelweg die beide rijstroken bezet houden en vaart verminderen. De [auto] vermindert echter geen vaart en passeert de politieauto’s, waarbij één van de politieauto’s net niet wordt geraakt. Uiteindelijk komen er ook politieauto’s bij van het KLPD en de politie Gooi&Vechtstreek en gaat één van de politieauto’s links naast de [auto] rijden en een andere rechts waarbij ze steeds dichter naar de [auto] rijden. De linkerauto raakt de [auto] en deze komt tegen de vangrail tot stilstand. Verdachte rent dan de auto uit naar de andere zijde van de snelweg, waarna hij in de sloot is gesprongen en een bosgebied is in gerend. Er is meerdere keren geroepen dat verdachte moest blijven staan en na enkele waarschuwingsschoten is er door drie verbalisanten gericht op onder meer verdachte geschoten. Verdachte is hierbij niet gewond geraakt. Verdachte wordt vervolgens enige tijd later met behulp van een diensthond in een sloot aangetroffen en aangehouden.

Anders dan de raadsman heeft betoogd kan naar het oordeel van de rechtbank uit het dossier niet volgen dat er op de rijdende [auto] is geschoten.

De rechtbank is van oordeel dat op grond van bovengenoemde feiten kan worden geconcludeerd dat verdachte en zijn medeverdachten koste wat het kost wilden ontkomen aan de politie. Zij hebben immers meerdere stoptekens genegeerd en trokken zich, met groot gevaar voor zichzelf en anderen, niets aan van de pogingen van de politie om hen tot stilstand te brengen. Zelfs nadat de [auto] is klemgereden en er een waarschuwingsschot is gelost blijft verdachte wegrennen. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat het door de politie toegepaste geweld voldoet aan de daaraan gestelde eisen van proportionaliteit en subsidiariteit, zoals ook verwoord in artikel 8, eerste lid, van de Politiewet. Ook is er gehandeld conform artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, van de Ambtsinstructie. Er is immers op verdachte geschoten omdat hij zich aan zijn aanhouding probeerde te ontrekken. Verdachte is door middel van een waarschuwingsschot gewaarschuwd dat er op hem zou worden geschoten wanneer hij niet zou blijven staan.

Van de verbalisanten die hebben geschoten kon gezien het feit dat de informatie was dat de verdachten in het bezit waren van vuurwapens en de te naam gestelde van de [auto] vuurwapengevaarlijk was niet worden gevergd dat zij verdachte achtervolgden en hem aldus met gevaar voor zichzelf benaderden. Verdachte en zijn medeverdachten hebben het bovendien over zichzelf afgeroepen dat met een grote politiemacht werd opgetreden, nu zij alles op alles hebben gezet om te ontkomen.

De rechtbank is aldus van oordeel dat geen sprake is geweest van onrechtmatig geweldgebruik en zal op die grond dan ook geen strafvermindering toepassen.

Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat de officier van justitie ontvankelijk is in haar vervolging.

Er zijn geen gronden die moeten leiden tot schorsing van de vervolging.

4 DE BEWIJSMIDDELEN EN DE BEOORDELING DAARVAN

Inleiding

[slachtoffer 1] en zijn vrouw [slachtoffer 2] runnen het bedrijf [] Campers, dat zich bezighoudt met de verkoop van campers. Het bedrijf is gelegen bij hun woning aan de [adres] te Marknesse.

Op vrijdag 11 maart 2011 om ongeveer 1.55 uur komt er bij de meldkamer van de politie Flevoland de melding binnen van [slachtoffer 1] dat hij en zijn vrouw ongeveer tien minuten daarvoor in hun woning aan de [adres] te Marknesse zijn overvallen.

Als verbalisant [verbalisant 1] via de meldkamer de melding hoort begeeft hij zich naar de Rijksweg A6, omdat de mogelijkheid bestaat dat de overvallers via de A6 zullen wegrijden. Hij weet uit ervaring dat het ongeveer tien minuten rijden is van de plaats delict en de locatie waar hij zich op dat moment bevindt. Na ongeveer een halve minuut ziet hij vanuit de richting Marknesse een [auto] rijden met kenteken []. Verbalisant besluit de auto aan een controle te onderwerpen, maar als hij achter de [auto] aan rijdt wordt de snelheid aanmerkelijk verhoogd. De [auto] wordt uiteindelijk door meerdere politie-eenheden achtervolgd en nadat door de [auto] meerdere stoptekens zijn genegeerd wordt hij op de A1 klemgereden en tot stilstand gebracht. De vier inzittenden rennen dan de auto uit, maar kunnen uiteindelijk alle vier worden aangehouden. Het betreffen de verdachte en zijn medeverdachten [medeverdachte 2], [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3]. Door de politie zijn bij de aanhouding in totaal 22 kogelpatronen afgevuurd. [medeverdachte 2] wordt bij zijn aanhouding door een politiekogel in zijn linkerbil geraakt. Bij [medeverdachte 2] wordt in zijn kleding in totaal een geldbedrag van € 27.620,- euro aangetroffen. In en bij de [auto] wordt nog eens een bedrag van € 2.300,- aangetroffen.

Door [slachtoffer 1] (hierna: aangever [slachtoffer 1]) en [slachtoffer 2] (hierna: aangeefster [slachtoffer 2]) wordt op 11 maart 2011 aangifte gedaan, waarna door de politie uitgebreid onderzoek is gedaan naar de betrokkenheid van de vier aangehouden verdachten bij de overval.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte voor zowel het onder 1 als onder 2 ten laste gelegde te veroordelen. De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte tezamen en in vereniging met zijn drie medeverdachten aangevers op 11 maart 2011 in hun woning heeft overvallen. Zij heeft daartoe allereerst gewezen op de aangiftes van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2]. Op basis van de aangiftes en de 112-melding concludeert de officier van justitie dat er drie personen in de woning van de aangevers zijn geweest. Uit de verklaring van [slachtoffer 1] komt naar voren dat twee personen in het donker gekleed waren. Één persoon droeg echter een lichtkleurige trui met een capuchon. Gelet op de beelden die zich in het dossier bevinden is de officier van justitie van oordeel dat dit medeverdachte [medeverdachte 2] moet zijn geweest. Hij wordt door [slachtoffer 1] ook als de leider van de groep aangewezen.

Alle vier de verdachten worden nadat zij uit de [auto] zijn gevlucht aangehouden. In de [auto] wordt onder meer de toilettas waarin het geld van aangevers heeft gezeten aangetroffen.

Dat sprake is van een bewuste en nauwe samenwerking tussen de vier verdachten volgt, onder meer uit de voorbereidingshandelingen die de verdachten voorafgaande aan het feit hebben gepleegd. Zo bevond zich in de auto een TomTom navigatiesysteem waarin het adres van de woning van aangevers was ingevoerd. Onderweg naar Marknesse is door de verdachten tweemaal bij een tankstation gestopt. Uit de beelden volgt dat [medeverdachte 2] bij het eerste tankstation iets pakt van de plek waar de plastic handschoenen hangen. Dergelijke handschoenen worden na de aanhouding van de verdachten in de [auto] aangetroffen. Op de beelden van het tweede tankstation is te zien dat [medeverdachte 3] een kleine hoeveelheid tankt hetgeen door verdachte wordt afgerekend tezamen met een rol tape.

Verdachte is de enige die direct na de aanhouding een verklaring aflegt. De officier van justitie acht zijn verklaringen grotendeels geloofwaardig, nu deze ook worden ondersteund door objectieve gegevens. Enkel van verdachte kan met zekerheid worden gezegd dat geen sporen zijn aangetroffen die erop duiden dat hij in de woning is geweest. Bovendien is er op het tijdstip van de overval contact geweest tussen verdachte en [medeverdachte 1] op basis waarvan dus kan worden geconcludeerd dat zij op dat moment niet bij elkaar waren. Ook is verdachte degene die blijkens de verklaring van getuige [getuige 1] de auto heeft geleend en is hij op de heenweg ook de bestuurder.

Op basis hiervan komt de officier tot de conclusie dat verdachte de persoon is geweest die in de auto is blijven wachten en zowel op de heen- als terugweg de rol van bestuurder heeft gehad.

De verklaring van [medeverdachte 1] dat sprake is geweest van een tweede auto acht de officier van justitie niet geloofwaardig.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft betoogd dat, nu aangever [slachtoffer 1] in zijn aangifte twijfelt over het aantal personen dat in de woning is geweest, de verklaring van [slachtoffer 2] moet worden gevolgd. Zij is volgens de raadsman duidelijk over het feit dat sprake is geweest van twee mannen in de woning. Dit sluit aan bij de verklaring van verdachte dat hij en zijn vriend in de auto zijn achtergebleven. De vraag is vervolgens of verdachte kan worden veroordeeld voor hetgeen zich in de woning heeft afgespeeld. Deze vraag moet naar het oordeel van de raadsman ontkennend worden beantwoord, nu van verdachte noch een DNA spoor noch een vingerafdruk is gevonden op voorwerpen afkomstig uit de woning. Ook de glasdeeltjes die bij hem worden gevonden blijken met zekerheid niet afkomstig te zijn van de vernielde ruit van de woning van de familie [slachtoffer 1]. Verdachte zat weliswaar in de [auto] ten tijde van het delict, maar wist niet wat er zich in de woning heeft afgespeeld. Het lenen van de auto, alsmede het kopen van de tape, leveren onvoldoende steun voor de overweging op dat er een nauwe en bewuste samenwerking is geweest om dit feit te plegen, noch afgezien van de omstandigheid dat verdachte ontkent dat hij de auto heeft geleend. De tape heeft verdachte op verzoek van één van de medeverdachten gekocht. Hij heeft op geen enkel moment bedacht dat dit gebruikt zou gaan worden om mensen te knevelen. Hij heeft bovendien ook niet gezien dat er een kleine hoeveelheid benzine in een flesje werd getankt. Ook heeft hij niet op de uitkijk gestaan, sterker nog, hij wist niet wat zich in de woning afspeelde, aldus is er geen bewijs voor medeplichtigheid, laat staan medeplegen.

Het oordeel van de rechtbank

Wat heeft er zich in de woning afgespeeld?

Uit de verklaring van aangevers komt het volgende naar voren.

Aangever [slachtoffer 1] verklaart dat hij op donderdag 10 maart 2011 omstreeks 23.15 uur naar bed is gegaan. Op een gegeven moment wordt hij wakker van gekraak op de trap en kijkt hij richting de overloop. Hij ziet schimmen op de overloop en hoort dat een deur wordt geopend en direct weer dicht wordt gedaan. Op dat moment staan de personen ter hoogte van de slaapkamer waar de kleinkinderen van aangever op dat moment slapen. Vervolgens komen er drie schimmen de slaapkamer van aangever en zijn vrouw binnen, waarbij er met lampen op hen wordt geschenen. Op hetzelfde moment worden ze bespoten met een vloeistof die ruikt naar benzine. De vloeistof wordt van links naar rechts over het hele bed heen gesproeid. Door één van de mannen wordt tegen aangever gezegd: “Waar is de kluis, snel, we willen geld”. In de badkamer onderin een kastje bevindt zich een toilettas met daarin een geldbedrag van tussen de € 20.000,- en € 30.000,-. Aangever is toen naar de badkamer gelopen. Hij weet niet zeker hoeveel personen met hem mee lopen naar de badkamer, maar dat zijn er in ieder geval twee. Eén van de mannen moet in opdracht van de ander naar het geld zoeken. Nadat het toilettasje met het geld is gevonden, moet aangever terug naar de slaapkamer. In de slaapkamer ziet aangever dat zijn vrouw is gekneveld. Ze heeft tape om haar polsen en enkels. Aangever moet ook op de grond gaan liggen. Er wordt continu gezegd: “We hebben wapens, we hebben wapens”. Aangever voelt dat ze hem ook willen knevelen, maar dat dat niet goed wil lukken. Als het knevelen van aangever niet lukt, verlaten de daders de slaapkamer. Aangever heeft nog even gewacht en toen de politie gebeld.

In een later verhoor geeft aangever nog aan dat hij door één van de overvallers hardhandig bij zijn armen is gepakt. Aangever heeft als gevolg hiervan blauwe plekken aan de binnenkant van zijn armen.

Aangeefster [slachtoffer 2] is de vrouw van aangever [slachtoffer 1] en verklaart over de overval het volgende. Aangeefster is op 10 maart 2011 omstreeks 23.00 uur naar bed gegaan. Op een gegeven moment hoort aangeefster een geluid en ziet ze schimmen op de overloop. Ze ziet dat de schimmen even de kamer waar de kleinkinderen slapen binnengaan. Gelijk daarna komen de schimmen weer de overloop op en voor ze het weet staan ze in de slaapkamer van aangeefster en haar man. Aangeefster voelt dan een vloeistof over zich heen komen en krijgt een brandend gevoel in haar gezicht en ogen. Aangeefster ruikt dat het benzine is. Als gevolg van de benzine in haar ogen kan ze haar ogen moeilijk open houden. Een man zegt tegen haar dat ze uit haar bed moet komen en op de grond moet gaan liggen. Ze voelt dat dan haar enkels en polsen worden gekneveld. Aangeefster kan zich hierdoor op geen enkele manier meer bewegen. Één van de mannen stond achter haar bij het bed en is al die tijd achter haar blijven staan. Aangeefster ziet vervolgens dat haar man met een andere man weer de slaapkamer in komt lopen. Ze hoort dat de man tegen haar man zegt dat hij geen politie mag bellen. Omdat aangeefster bang is dat haar iets zal worden aangedaan blijft ze rustig. Uiteindelijk verlaten de mannen de slaapkamer. Ze werd later door haar man uit haar benarde positie bevrijd. Aangeefster weet niet zeker of er twee of drie mannen in de slaapkamer waren. Ze heeft er in ieder geval twee gezien.

De rechtbank is van oordeel dat de verklaringen van beide aangevers niet alleen elkaar ondersteunen, maar ook worden ondersteund door ander bewijsmateriaal. Zo blijkt uit de medische verklaringen dat bij aangever [slachtoffer 1] sprake is van twee hematomen op zijn linker bovenarm. Bij aangeefster [slachtoffer 2] is sprake van huiduitslag rond haar linkeroog en irritatie van het bindweefsel van haar linkeroog. Ook heeft ze een schaafwond op haar rechterknie . Voorts heeft het NFI het nachthemd van aangeefster [slachtoffer 2] onderzocht. Op het nachthemd zijn vluchtige stoffen aangetroffen die afkomstig zijn van motorbenzine.

Uit onderzoek op de plaats delict is gebleken dat de daders zich de toegang tot de woning geprobeerd hebben te verschaffen door aan de achterzijde een deur en de schuifpui open te breken. Uiteindelijk hebben de daders de glazen ruit van de schuifpui vernield. In de woning worden tape en een breekijzer aangetroffen.

Aantal personen in de woning

De rechtbank ziet zich allereerst geplaatst voor de vraag hoeveel personen er in de woning van aangevers zijn geweest. Aangeefster [slachtoffer 2] is er niet zeker van of er twee of drie personen in de woning waren. Zij heeft er in ieder geval twee gezien. Aangever [slachtoffer 1] is echter duidelijk over het feit dat er drie personen in de woning zijn geweest. In zijn aangifte geeft hij zelfs een signalement van de drie personen. [slachtoffer 1] verklaart later in zijn vierde verhoor ook dat hij zeker drie personen heeft gezien. Eentje maakte zijn vrouw vast en twee waren er bij hem. De rechtbank acht deze verklaring van aangever [slachtoffer 1] betrouwbaar. Immers, als aangever tien minuten na de overval met het alarmnummer belt maakt hij direct melding van een overval door drie personen. Dit past bovendien bij zijn verklaring dat er twee personen met hem meegingen naar de badkamer en hij bij terugkomst in de slaapkamer zag dat zijn vrouw was gekneveld. Naast de twee personen die bij hem waren moet er aldus een derde persoon zijn geweest die zijn vrouw heeft vastgebonden. Aangeefster [slachtoffer 2] heeft ook verklaard dat er telkens iemand bij haar is gebleven.

Gelet op het bovenstaande stelt de rechtbank vast dat er drie personen in de woning van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zijn geweest.

Aanhouding verdachten

De melding van aangever [slachtoffer 1] komt om 1.52 uur binnen. De melding wordt doorgegeven aan de dienstdoende surveillance eenheden. Verbalisant [verbalisant 1] ziet kort na de melding op de A6 vanuit de richting Marknesse een [auto] rijden. Verbalisant besluit de auto aan een controle te onderwerpen en rijdt achter de [auto] aan. Daarop verhoogt de [auto] zijn snelheid aanmerkelijk. Uiteindelijk wordt de [auto] door meerdere politie-eenheden achtervolgd en wordt waargenomen dat er vier personen in de auto zitten. De [auto] wordt na een achtervolging tot stilstand gebracht. Uiteindelijk kunnen alle vier de inzittenden worden aangehouden. De aangehouden personen betreffen verdachte , alsmede medeverdachten [medeverdachte 2] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] .

Na zijn aanhouding is medeverdachte [medeverdachte 2] gefouilleerd en worden er bij hem onder andere twee bundels met bankbiljetten aangetroffen. De bundels zijn aan aangever getoond en hij herkent de elastiekjes die om de bundels zitten Ook in en bij de [auto] wordt geld aangetroffen. In totaal wordt er een bedrag van € 29.920,- in beslag genomen.

Naast het geld worden in de [auto] tape met daaraan vastgekleefd plastic handschoenen, een Tom Tom navigatiesysteem met daarin als bovenste adres [adres] te Marknesse en een zwart toilettasje aangetroffen.

Door aangever [slachtoffer 1] wordt het toilettasje dat in de [auto] is aangetroffen herkend als het tasje waarin hij zijn geld bewaarde. Het DNA van aangever is ook op het toilettasje aangetroffen.

Op grond van het bovenstaande stelt de rechtbank vast dat één of meer inzittenden van de [auto] betrokken zijn geweest bij de overval op [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2].

Betrokkenheid van een tweede auto

De rechtbank is van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat inzittenden van een tweede auto bij de overval betrokken zijn geweest. Door geen van de andere verdachten is hierover bij de politie verklaard. [medeverdachte 1] verklaart hierover voor het eerst op 25 juli 2011, nadat het eind-proces-verbaal gereed is gekomen. De rechtbank acht de verklaring van [medeverdachte 1] dan ook niet geloofwaardig.

Rol van verdachte

Gelet op het voorgaande kan worden vastgesteld dat drie van de vier personen die in de [auto] hebben gezeten in de woning van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zijn geweest.

Verdachte heeft verklaard dat hij samen met de medeverdachten in de auto heeft gezeten en dat [medeverdachte 1] aanwijzingen zou hebben gegeven over hoe hij moest rijden. Verdachte was in de veronderstelling dat men op weg was naar Dronten om [medeverdachte 1] thuis te brengen. De auto was ook niet door hem maar door één van de anderen geregeld. Verdachte is op een gegeven moment gestopt en twee personen hebben toen de auto verlaten. Verdachte heeft toen achterin de auto plaats genomen. Op een gegeven moment vindt verdachte dat hij wel lang moet wachten en heeft toen één van de jongens gebeld. Verdachte ontkent dat hij op de hoogte was van het feit dat er een overval plaats zou vinden. De tape heeft hij op verzoek van één van de medeverdachten gekocht.

De verklaring van verdachte dat twee personen de auto hebben verlaten acht de rechtbank niet geloofwaardig, nu deze niet rijmt met bovengenoemde vaststelling dat drie personen uit de [auto] in de woning zijn geweest.

De rechtbank concludeert op grond van de zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen dat verdachte de persoon is geweest die niet de woning is binnengegaan. Immers op 11 maart 2011 om 1.42 uur is door verdachte naar [medeverdachte 1] gebeld. Hieruit leidt de rechtbank af dat beide verdachten op dat moment niet bij elkaar waren. Nu de verklaring van [medeverdachte 1] dat enkel verdachte de auto heeft verlaten niet kan kloppen, moet het aldus [medeverdachte 1] zijn geweest die tezamen met [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] de woning is binnen geweest. Dit wordt ondersteund door het feit dat van verdachte als enige met zekerheid kan worden gezegd dat geen technische sporen zijn aangetroffen die erop duiden dat hij in de woning is geweest. Bij elk van de andere verdachten zijn immers glasdeeltjes aangetroffen waarvan kan worden gezegd dat het veel waarschijnlijker is dat zij afkomstig zijn van de vernielde glazen ruit dan dat zij afkomstig zijn van een willekeurige andere ruit of glazen voorwerp.

Bovendien heeft getuige [getuige 1] tegenover de politie verklaard dat hij de [auto] aan verdachte heeft uitgeleend en op camerabeelden is te zien dat verdachte op weg naar Marknesse de bestuurder van de [auto] is. Dit past bij de vaststelling dat verdachte de rol van bestuurder had en bij de woning in de auto is blijven zitten.

De vraag die de rechtbank vervolgens dient te beantwoorden is of verdachte als medepleger kan worden aangemerkt ten aanzien van hetgeen zich in de woning heeft afgespeeld. Naar het oordeel van de rechtbank dient deze vraag bevestigend te worden beantwoord. Voor een bewezenverklaring van medeplegen dient komen vast te staan dat er sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en zijn medeverdachten. Daarvoor is niet vereist dat alle medeplegers uitvoeringshandelingen plegen. Wel dient de samenwerking tussen de verdachten voldoende intensief te zijn geweest om van medeplegen te kunnen spreken.

De verklaring van verdachte dat hij niet op de hoogte was van wat er die avond stond te gebeuren acht de rechtbank niet geloofwaardig. Verdachte is immers degene geweest die de auto van getuige [getuige 1] heeft geleend en is tevens de bestuurder geweest van de [auto]. In de [auto] bevond zich een Tom Tom navigatiesysteem waarin als laatste het adres [adres] te Marknesse was ingevoerd. Verdachte moet als bestuurder aldus hebben geweten dat dit de bestemming was waar men naar op weg was. Dat hij ook wist wat er in de woning aan de [adres] stond te gebeuren, kan volgen uit het feit dat het verdachte is geweest die de tape heeft gekocht en de kleine hoeveel benzine heeft afgerekend. De verklaring van verdachte dat hij niet wist dat de tape bij een overval zou worden gebruikt acht de rechtbank niet geloofwaardig, nu hij de gehele avond met zijn medeverdachten is opgetrokken en aldus van de plannen om de woning te overvallen moet hebben gehoord. De rechtbank wordt gesterkt in de overtuiging dat verdachte heel goed op de hoogte was van wat er in de woning stond te gebeuren - en zich ook daadwerkelijk heeft afgespeeld - door de wijze waarop verdachte aan de politie heeft getracht te ontkomen.

De rechtbank concludeert op grond van bovenstaande feiten en omstandigheden dat tussen verdachte en zijn medeverdachten sprake is geweest van een zodanig bewuste en nauwe samenwerking dat gesproken kan worden van medeplegen. Verdachte heeft immers als bestuurder van de [auto] een essentiële rol vervuld bij het plegen van de strafbare feiten.

5 BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat:

1. primair

hij op 11 maart 2011 te Marknesse, gemeente Noordoostpolder, tezamen en in vereniging met anderen gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen uit een woning gelegen aan de [adres] een geldbedrag van 29.920 Euro toebehorende aan [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2], welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen voornoemde [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestonden dat hij, verdachte en zijn mededaders,

- een ruit van die woning hebben vernield en vervolgens die woning binnen zijn gegaan en

- benzine over die [slachtoffer 1] en die [slachtoffer 2] en over hun bed hebben gespoten en

- die [slachtoffer 1] met kracht bij de arm hebben vastgepakt en

- tegen die [slachtoffer 2] hebben gezegd dat zij op haar buik op de grond moest gaan liggen en dat zij haar benen omhoog moest doen en

- de benen en de handen van die [slachtoffer 2] met tape hebben omwikkeld/gekneveld en

- met tape de handen van die [slachtoffer 1] hebben geprobeerd te knevelen en

- tegen die [slachtoffer 1] en die [slachtoffer 2] hebben gezegd "waar is de kluis, snel, we willen geld” en “We hebben wapens, we hebben wapens”en “Stil houden en geen politie bellen”.

2. primair

hij op 11 maart 2011 te Marknesse, gemeente Noordoostpolder,tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk A. [slachtoffer 2] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden, immers hebben hij verdachte en zijn mededaders met dat opzet de benen en de handen van die [slachtoffer 2] met tape omwikkeld/gekneveld.

Van het onder 1 primair en 2 primair meer of anders ten laste gelegde zal verdachte worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet wettig en overtuigend bewezen acht.

6 KWALIFICATIE

Het bewezene levert op:

1. primair

Diefstal, gepleegd door twee of meer verenigde personen, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd in een woning.

2. primair

Medeplegen van opzettelijk en wederrechtelijk iemand van de vrijheid beroven en beroofd houden.

7 STRAFBAARHEID

De feiten en verdachte zijn strafbaar, nu geen feiten of omstandigheden zijn gebleken die die strafbaarheid zouden opheffen of uitsluiten.

8 STRAFOPLEGGING

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie is uitgegaan van de richtlijnen die voor het openbaar ministerie gelden voor een overval op een woning waarbij gebruik is gemaakt van geweld. Daarbij past volgens de richtlijnen van het openbaar ministerie in beginsel een eis van 6 jaren gevangenisstraf. De officier ziet echter in de ernst van de ten laste gelegde feiten reden om van deze richtlijn af te wijken. De officier van justitie heeft gevorderd de verdachte ter zake het ten laste gelegde te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 jaren met aftrek van voorarrest.

Het standpunt van de verdediging

Primair heeft de raadsman betoogd dat verdachte dient te worden vrijgesproken. Subsidiair heeft de raadsman erop gewezen dat de geweldshandelingen die bij de aanklacht van artikel 282 Sr staan omschreven de zelfde zijn als die bij de aanklacht van artikel 312 Sr, zodat sprake is van eendaadse samenloop. Voorts heeft de raadsman betoogd dat de wijze van aanhouding een rol moet spelen bij de bepaling van de strafmaat. Ten slotte heeft de raadsman gewezen op de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Verdachte is nodig ter ondersteuning van zijn moeder. Zijn vader is hartpatiënt en verdachte is bang dat hij hem niet meer in vrijheid zal ontmoeten.

Het oordeel van de rechtbank

Gelet op de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden waaronder verdachte zich daaraan heeft schuldig gemaakt en op de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht de rechtbank de na te noemen beslissing passend.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van een woningoverval waarbij sprake is geweest van een vooropgezet plan en waarbij men met meerdere personen gedurende de nachtelijke uren een woning is binnengedrongen. De slachtoffers werden terwijl zij in hun eigen bed lagen besprenkeld met benzine. Tevens is één van de slachtoffers met tape gekneveld en is er gedreigd met het feit dat men in het bezit van wapens was.

Verdachte en zijn medeverdachten hebben hun financiële motieven voorop laten staan en geen enkel oog gehad voor de ellende die zij bij de slachtoffers aanrichtten. Voor de slachtoffers is de overval een zeer beangstigende ervaring geweest waarvan zij blijkens hun slachtofferverklaringen grote gevolgen ondervinden. Beiden voelen zich niet meer veilig in hun eigen woning en willen zo snel als mogelijk stoppen met hun camperbedrijf.

Een dergelijke overval zorgt daarnaast ook maatschappelijk voor grote gevoelens van onrust en onveiligheid.

De rechtbank is in dit geval van oordeel dat een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf noodzakelijk is, omdat aard en ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, door een lichtere strafrechtelijke afdoening van de zaak miskend zouden worden. Bijzondere omstandigheden die tot een ander oordeel zouden moeten voeren, acht de rechtbank niet aanwezig. Het feit dat het naar het oordeel van de rechtbank verdachte was die in de auto is achtergebleven en niet zelf daadwerkelijk de woning is binnen gegaan, is voor de rechtbank, gelet op de nauwe samenwerking tussen alle verdachten, geen reden om aan verdachte een lagere straf op te leggen dan aan zijn medeverdachten.

De rechtbank heeft bij het bepalen van de hoogte van de op te leggen gevangenisstraf de oriëntatiepunten voor straftoemeting van de het Landelijk Overleg van de Voorzitters van de Strafsectoren (LOVS) als vertrekpunt genomen. Het LOVS geeft als oriëntatiepunt voor straftoemeting ten aanzien van een overval op een woning waarbij sprake is geweest van meer dan licht geweld een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren.

Het feit dat de overval tijdens de nachtelijke uren in een woning heeft plaatsgevonden en de ernstige dreiging die van het besprenkelen met benzine uitgaat, alsmede de proceshouding van verdachte, maken dat de rechtbank in dit geval aanleiding ziet om naar boven af te wijken van de oriëntatiepunten van het LOVS.

De rechtbank heeft in het voordeel van verdachte rekening gehouden met zijn jeugdige leeftijd.

Anders dan de raadsman is de rechtbank van oordeel dat sprake is van meerdaadse samenloop, nu weliswaar sprake is van eenheid van handelen in tijd en plaats, maar dat beide ten laste gelegde strafbepalingen een verschillende strekking hebben. Overigens is deze kwestie praktisch van geen belang, nu de rechtbank niet de maximum op te leggen straffen zal toepassen.

Nu de rechtbank zoals hiervoor onder 3 overwogen van oordeel is dat jegens verdachte geen excessief geweld is gebruikt, ziet zij in de wijze van aanhouding geen reden voor strafvermindering.

Alles afwegend acht de rechtbank een onvoorwaardelijke straf voor de duur van 6 jaren passend en geboden.

9 BESLAG

De rechtbank is van oordeel dat de op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen vermelde geldbedragen met een totaal van € 61,40, alsmede de onder verdachte inbeslaggenomen kleding, dienen te worden teruggegeven aan verdachte, nu deze aan hem toebehoren en niet vatbaar zijn voor verbeurdverklaring dan wel onttrekking aan het verkeer.

10 DE BENADEELDE PARTIJ

Voor aanvang van de terechtzitting hebben [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zich als benadeelde partij in dit geding gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van schade ten gevolge van de aan verdachte ten laste gelegde feiten. De hoogte van de immateriële schade wordt door beiden begroot op een bedrag van € 5000,-. Voorts verzoeken zij vergoeding van de door hen gemaakt kosten voor beveiliging van hun huis ad € 6.004,01.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft verzocht om de vorderingen van de benadeelde partijen volledig toe te wijzen. Het gevorderde bedrag aan immateriële schade acht zij gezien de ernst van het feit redelijk. Ook het bedrag van € 6.004,01 acht de officier van justitie voor toewijzing vatbaar nu gezien de ernst van het feit en de angst die als gevolg van het feit bij aangevers is ontstaan kan worden gezegd dat de noodzakelijk geachte beveiliging van hun huis het rechtstreeks gevolg is van de aan verdachte ten laste gelegde feiten.

Het standpunt van de verdediging

Nu de raadsman vrijspraak heeft bepleit, heeft hij primair verzocht de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren. Subsidiair heeft hij zich op het standpunt gesteld dat tussen de kosten die zijn gemaakt voor beveiliging en het ten laste gelegde feit onvoldoende causaal verband bestaat.

Het oordeel van de rechtbank

Bij het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat de benadeelde partijen

[slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] rechtstreeks schade hebben geleden ten gevolge van de bewezenverklaarde feiten. De hoogte van die schade is naar het oordeel van de rechtbank ten aanzien van beiden genoegzaam komen vast te staan tot een bedrag van € 5000,-, vermeerderd met de kosten die – tot op heden – worden begroot op nihil.

De vorderingen van de benadeelde partijen, die in die vordering ontvankelijk zijn, zijn in dier voege bij wijze van voorschot toewijsbaar.

De rechtbank zal de benadeelde partijen niet-ontvankelijk verklaren in het overige deel van de vordering ter zake vergoeding van de materiële schade, bestaande uit de beveiligingskosten van de woning, omdat deze schade niet rechtstreeks is veroorzaakt door de bewezenverklaarde feiten.

De verdachte is voor de schade, voor zover toegewezen, naar burgerlijk recht hoofdelijk aansprakelijk.

De rechtbank zal voorts aan de verdachte op de voet van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een geldsom van € 5000.- ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1] en een geldsom van € 5000,- ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 2].

11 TOEPASSELIJKHEID WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op de artikelen 10, 27, 36f, 57, 282, 310 en 312 van het Wetboek van Strafrecht, zoals de artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

12 BESLISSING

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het onder 1 en 2 primair ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 5 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat onder 1 en 2 meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart de bewezen verklaarde feiten strafbaar;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaren;

- bepaalt dat de tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

Beslag

- gelast de teruggave aan verdachte van de op de “Lijst van inbeslaggenomen voorwerpen” d.d. 28 februari 2012 onder 1 tot en met 3 vermelde goederen, te weten de diverse geldbedragen met een totaal van € 61,40, alsmede de onder hem inbeslaggenomen kleding;

Benadeelde partij

- veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 1], wonende te Marknesse van een bedrag van € 5000,-, hoofdelijk met dien verstande dat indien en voor zover verdachtes mededader/mededaders betaalt/betalen, verdachte in zoverre van deze verplichting zal zijn bevrijd, vermeerderd met de wettelijke rente sinds de dag waarop het thans bewezen verklaarde feit jegens de benadeelde partij werd gepleegd, te weten 11 maart 2011, tot die van de voldoening;

- veroordeelt de verdachte voorts in de kosten, door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

- legt op aan verdachte de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot

€ 5000,- ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1] voornoemd, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 60 dagen hechtenis;

- bepaalt dat, indien verdachte en/of zijn mededader/mededaders (gedeeltelijk) heeft/hebben voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat, daarmee verdachtes verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 1] (in zoverre) komt te vervallen en andersom dat, indien verdachte en/of zijn mededader/mededaders (gedeeltelijk) heeft/hebben voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 1], daarmee verdachtes verplichting tot betaling aan de Staat (in zoverre) komt te vervallen;

- bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer 1] voor wat het meer gevorderde betreft in zijn vordering niet-ontvankelijk is.

- veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 2], wonende te Marknesse, van een bedrag van € 5000,-, hoofdelijk met dien verstande dat indien en voor zover verdachtes mededader/mededaders betaalt/betalen, verdachte in zoverre van deze verplichting zal zijn bevrijd, vermeerderd met de wettelijke rente sinds de dag waarop het thans bewezen verklaarde feit jegens de benadeelde partij werd gepleegd, te weten 11 maart 2011, tot die van de voldoening;

- veroordeelt de verdachte voorts in de kosten, door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

- legt op aan verdachte de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot

€ 5000,- ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 2] voornoemd, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 60 dagen hechtenis;

- bepaalt dat, indien verdachte en/of zijn mededader/mededaders (gedeeltelijk) heeft/hebben voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat, daarmee verdachtes verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 2] (in zoverre) komt te vervallen en andersom dat, indien verdachte en/of zijn mededader/mededaders (gedeeltelijk) heeft/hebben voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 2], daarmee verdachtes verplichting tot betaling aan de Staat (in zoverre) komt te vervallen;

- bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer 2] voor wat het meer gevorderde betreft in haar vordering niet-ontvankelijk is.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.C. Schroten, voorzitter, mrs. L.G. Wijma en R.M. van Vuure, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A. Seuters, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 12 april 2012.