Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2012:BW1527

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
09-02-2012
Datum publicatie
11-04-2012
Zaaknummer
07.204713-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Promisvonnis; Partiele vrijspraak van meerdere pogingen tot doodslag c.q. poging toebrengen zware mishandeling; geslaagd beroep op opzet c.q. voorwaardelijk opzetverweren; bewezenverklaring 2 maal poging doodslag middels voorwaardelijk opzet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE - LELYSTAD

Sector Strafrecht - Meervoudige Strafkamer

Parketnummer: 07.204713-10 (P)

Uitspraak: 9 februari 2012

VONNIS IN DE STRAFZAAK VAN:

het openbaar ministerie

tegen

(Naam Verdachte),

geboren (geboortejaar),

wonende te (adres).

ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 5 januari 2012 en 26 januari 2012.

De verdachte is 26 januari 2012 verschenen, bijgestaan door mr. J.B. Pieters, advocaat te Hoogeveen.

Als officier van justitie was aanwezig mr. R.M. Schoo.

TENLASTELEGGING

De verdachte is ten laste gelegd dat:

1 primair.

Hij op of omstreeks 26 september 2010 te gemeente Hardenberg ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk (benadeelde 1) en/of (benadeelde 2) van het leven te beroven, met dat opzet – nadat verdachte zijn auto tot stilstand had gebracht – (vol gas) achteruit is gereden in de richting van (benadeelde 2) en/of (benadeelde 2) en/of vervolgens met onverminderde snelheid is aangereden tegen de politiewagen waarin die (benadeelde 1) zich bevond, terwijl de uitvoering van dit voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden;

1 subsidiair.

hij op of omstreeks 26 september 2010 te gemeente Hardenberg ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een of meer perso(o)n(en) genaamd (benadeelde 1) en/of (benadeelde 2), opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet – nadat verdachte zijn auto tot stilstand had gebracht – (vol gas) achteruit is gereden in de richting van (benadeelde 2) en/of (benadeelde 1) en/of vervolgens met onverminderde snelheid is aangereden tegen de politiewagen waarin die (benadeelde 1) zich bevond, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

2 primair.

Hij op of omstreeks 26 september 2010 te gemeente Hardenberg ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk (benadeelde 3) en/of (benadeelde 4) van het leven te beroven, met dat opzet in zijn (bestel)auto (in het donker) heeft gereden op de rijbaan bestemd voor het tegemoetkomende verkeer terwijl aldaar (benadeelde 3) en (benadeelde 4) fietsten en zonder zijn koers te wijzigen is afgereden op voornoemde fietsers, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden;

2 subsidiair.

hij op of omstreeks 26 september 2010 te gemeente Hardenberg ter uivoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een of meer perso(o)n(en) genaamd (benadeelde 3) en/of (benadeelde 4), opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet in zijn (bestel)auto heeft gereden (in het donker) op de rijbaan bestemd voor het tegemoetkomende verkeer, terwijl aldaar (benadeelde 3) en (benadeelde 4) fietsten en zonder zijn koers te wijzigen is afgereden op voornoemde fietsers, terwijl de uivoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

3 primair.

Hij op of omstreeks 26 september 2010 te gemeente Hardenberg ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk (benadeelde 5) en/of (benadeelde 6) van het leven te beroven, met dat opzet terwijl hij in zijn (bestel)auto reed op de rijbaan bestemd voor het tegemoetkomende verkeer met een snelheid van ongeveer 80 km/u zonder zijn koers te wijzigen is afgereden op de auto waarin (benadeelde 5) en (benadeelde 6) zaten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden;

3 subsidiair.

hij op of omstreeks 26 september 2010 te gemeente Hardenberg ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een of meer perso(o)n(en) genaamd (benadeelde 5) en/of (benadeelde 6), opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet terwijl hij in zijn (bestel)auto reed op de rijbaan bestemd voor het tegemoetkomende verkeer met een snelheid van ongeveer 80 km/u zonder zijn koers te wijzigen is afgereden op de auto waarin (benadeelde 5) en (benadeelde 6) zaten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

4.

Hij op of omstreeks 26 september 2010 te gemeente Hardenberg als bestuurder van een voertuig, (bestelauto), dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van zijn adem bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 755 microgram, in elk geval hoger dan 220 microgram, alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn.

VOORVRAGEN

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in haar vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

BEWIJSMOTIVERING

Het standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft ter terechtzitting betoogd dat hetgeen onder 1 subsidiair, 2 primair, 3 subsidiair en 4 ten laste is gelegd wettig en overtuigend bewezen kan worden en heeft ter terechtzitting de veroordeling van verdachte gevorderd ten aanzien van hetgeen onder voornoemde feiten ten laste is gelegd.

Het standpunt van de verdediging

Met betrekking tot het onder 1 primair en subsidiair ten laste gelegde heeft de raadsvrouw vrijspraak bepleit. Zij heeft daartoe aangevoerd dat haar cliënt geen opzet heeft gehad op de dood van de verbalisanten respectievelijk het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij de verbalisanten. Voorts heeft de raadsvrouw aangevoerd dat haar cliënt ook geen voorwaardelijk opzet heeft gehad op de dood van respectievelijk het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij de verbalisanten nu uit niets afgeleid kan worden dat er werkelijk een aanmerkelijke kans is geweest dat verbalisanten door de gedragingen van verdachte gedood of zwaargewond hadden kunnen raken en dat hij welbewust die aanmerkelijk kans zou hebben aanvaard.

Met betrekking tot het onder 2 primair en subsidiair ten laste gelegde heeft de raadsvrouw eveneens vrijspraak bepleit. De raadsvrouw heeft daartoe aangevoerd dat de verklaringen van de getuigen (fietsers) zijn beïnvloed door een getuigenoproep van de politie in een regionaal blad, welk artikel door de raadsvrouw aan de rechtbank is overlegd. De oproep bevat zoveel informatie dat de verklaring van de getuigen daardoor beïnvloed moet zijn. Voorts geven de getuigen (fietsers) een weinig indrukwekkende verklaring over de uitwijkmanoeuvre die zou zijn gemaakt en zijn de verklaringen van de verbalisanten over hun inschatting van het gevaar beïnvloed door het eigenaardige gedrag van cliënt dat zij reeds voorafgaand aan de uitwijkmanoeuvre hadden gezien. Derhalve is de raadsvrouw van mening dat niet aangenomen kan worden dat er werkelijk een aanmerkelijke kans is geweest dat de fietsers het leven konden laten of gewond hadden kunnen raken.

Met betrekking tot het onder 3 primair en subsidiair ten laste gelegde heeft de raadsvrouw vrijspraak bepleit en heeft daartoe aangevoerd dat het haar cliënt aan opzet c.q. voorwaardelijk opzet ontbrak nu haar cliënt bij een frontale botsing mogelijk zelf ook was gedood of zwaar gewond was geraakt. Volgens de raadsvrouw kan niet waarschijnlijk worden geacht dat haar cliënt die kans op de koop toe heeft genomen. Verbalisant (verbalisant 4) heeft verklaard dat cliënt op het laatst nog bijstuurde. Voorafgaand aan dit incident heeft cliënt ook ten aanzien van een tegemoetkomende auto terug gestuurd naar de rechterbaan en bij zijn aanhouding is hij niet tegen de geparkeerde politieauto aangereden maar is hij afgeslagen en in een greppel beland.

Met betrekking tot het onder 4 ten laste gelegde heeft de raadsvrouw zich gerefereerd aan een bewezenverklaring door de rechtbank.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank overweegt, op grond van de hierna in voetnoten vermelde bewijsmiddelen , het navolgende.

Met betrekking tot het ten laste gelegde

Op 26 september 2010 zagen verbalisanten (verbalisant 1) en (verbalisant 2) in de gemeente Hardenberg een grijze auto slingerend over beide weghelften rijden. Dat was voor hen reden om een staandehouding te willen doen. Voordat zij een stopteken konden geven, zagen zij dat de bestuurder zijn auto, een Volkswagen Caddy, een vluchthaven instuurde. Hierop is verbalisant (verbalisant 2) uitgestapt en zagen verbalisanten de bestuurder van de Volkswagen Caddy gas geven. Verbalisanten (verbalisant 1) en (verbalisant 2) zijn een achtervolging gestart. Zij hebben daarbij het stopbord zichtbaar gemaakt en de blauwe lichten ontstoken. Zij zagen vervolgens - onder meer - dat de Volkwagen Caddy op de linkerweghelft reed en dat een frontale aanrijding met een tegemoetkomende auto is voorkomen doordat de tegenligger zijn auto in de berm stuurde. Ook is vervolgens een aanrijding met hun dienstvoertuig voorkomen door handelen van de verbalisanten.

Verbalisanten zagen vervolgens collega’s van hen met dienstvoertuig 5602 de Volkswagen Caddy in tegenovergestelde richting tegemoet komen rijden. Zij zagen dat de Volkswagen Caddy op de linkerweghelft reed en dat de collega’s ternauwernood hun dienstvoertuig naar rechts konden sturen, zodat een frontale aanrijding kon worden voorkomen. Onder 3 is aan verdachte ten laste gelegd de poging doodslag subsidiair poging toebrengen zwaar lichamelijk letsel van de verbalisanten in dat voertuig, te weten (benadeelde 5) en (benadeelde 6).

Verbalisanten (verbalisant 1) en (verbalisant 2) hebben de achtervolging voortgezet. Zij zagen vervolgens dat de bestuurder de Volkswagen Caddy tot stilstand heeft gebracht en zijn op ongeveer 30 meter achter de Volkswagen Caddy gestopt. Verbalisant (verbalisant 2) is uit de dienstauto gesprongen. Verbalisanten zagen de achteruitrijdlichten van de Volkswagen Caddy oplichten en de Volkswagen Caddy achteruit bewegen. Ook hoorden zij dat gas werd gegeven. Verbalisant (verbalisant 2) is in de berm gesprongen om de Volkswagen Caddy te ontwijken. Verbalisant (verbalisant 1) heeft zich schrap gezet door het stuur van de dienstauto stevig vast te grijpen en zag de Volkswagen Caddy de dienstauto raken. Onder 1 is de poging doodslag subsidiair poging toebrengen zwaar lichamelijk letsel van de verbalisanten (verbalisant 1) en (verbalisant 2) ten laste gelegd.

De Volkswagen Caddy is verder gereden. Verbalisanten zagen vervolgens twee fietsers uit tegengestelde richting aankomen. Tevens zagen zij dat de bestuurder van de Volkswagen Caddy op de linkerweghelft bleef rijden, de weghelft van de fietsers. Verbalisanten zagen dat de fietsers hun fietsen richting de stoep stuurden zodat een aanrijding werd voorkomen. Onder 2 is ten laste gelegd de poging doodslag subsidiair het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel van die fietsers (benadeelde 3) en (benadeelde 4).

Uiteindelijk hebben verbalisanten (verbalisant 1) en (verbalisant 2) hun dienstauto op een kruising vóór de Volkswagen Caddy kunnen stoppen. Zij zagen toen dat de Volkwagen Caddy op de dienstauto af kwam rijden en op het laatste moment naar links stuurde om in een greppel tot stilstand te komen. De bestuurder, verdachte, is vervolgens aangehouden.

Verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij die avond aan het toeren is geweest in zijn bestelauto, een Volkswagen Caddy . Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard, dat hij alcohol had gedronken en medicijnen had gebruikt die de rijvaardigheid kunnen beïnvloeden en dat hij niets meer weet van de rit die hij op 26 september 2011 heeft gemaakt.

Met betrekking tot het opzet op het ten laste gelegde

De rechtbank is van oordeel dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat bij verdachte sprake is geweest van vol opzet op de dood van dan wel het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij (onder 1) verbalisanten (verbalisant 1) en (verbalisant 2) en (onder 2) (benadeelde 3) en (benadeelde 4) en (onder 3) verbalisanten (verbalisant 3) en (verbalisant 4). De rechtbank overweegt dat het zich naderhand niet kunnen herinneren van wat men eerder heeft gedaan niet zonder meer wijst op het ontbreken van opzet op het moment van handelen. Dat de verdachte zich weinig of niets meer kan herinneren is wellicht verklaarbaar door de hoeveelheid alcohol die verdachte in combinatie met medicijnen voorafgaand aan het rijden heeft gebruikt. Bij het ontbreken van een subjectieve verklaring omtrent het opzet dient de rechtbank te onderzoeken of op grond van bijzondere (objectieve) omstandigheden kan worden aangenomen of sprake is geweest van voorwaardelijk opzet, in die zin dat verdachte welbewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat (onder 1) de verbalisanten (verbalisant 1) en (verbalisant 2) en (onder 2) (benadeelde 3) en (benadeelde 4) en (onder 3) verbalisanten (verbalisant 3) en (verbalisant 4) door de gedragingen van verdachte zouden komen te overlijden dan wel zwaar lichamelijk letsel zouden worden toegebracht. In dat kader overweegt de rechtbank het volgende.

Met betrekking tot het onder 1 primair en subsidiair ten laste gelegde.

Met betrekking tot de ten laste gelegde poging doodslag c.q. poging toebrengen zwaar lichamelijk letsel aan verbalisant (verbalisant 1) overweegt de rechtbank het volgende.

Naar het oordeel van de rechtbank is onvoldoende gebleken dat de gedragingen van verdachte de naar algemene ervaringsregelen aanmerkelijk te achten kans met zich mee hebben gebracht op de dood of zwaar lichamelijk letsel bij verbalisant (verbalisant 1). De rechtbank overweegt daartoe dat de zich in het dossier bevindende stukken geen duidelijkheid geven over onder andere de botssnelheid waarmee de bestelauto van verdachte de politiewagen heeft geraakt, waarin verbalisant (verbalisant 1) zich bevond. Daarbij overweegt de rechtbank dat het achteruitrijden van verdachte met de bestelauto zich heeft voltrokken vanuit een stilstaande positie over een (betrekkelijk geringe) afstand van ongeveer 30 meter. Ook heeft de rechtbank mee laten wegen dat de botsing de airbags van de politiewagen van (verbalisant 1) of van de auto van verdachte niet heeft doen ontvouwen en dat het politievoertuig na de botsing niet zozeer was beschadigd dat verder rijden onmogelijk was. Tot slot heeft de rechtbank geconstateerd dat verbalisant (verbalisant 1) geen verwondingen aan de aanrijding heeft overgehouden.

De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat bij verdachte sprake was van opzet, ook niet in voorwaardelijke vorm, om verbalisant (verbalisant 1) te doden c.q. zwaar lichamelijk letsel toe te brengen.

Met betrekking tot de ten laste gelegde poging tot doodslag c.q. poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan verbalisant (verbalisant 2) overweegt de rechtbank het volgende.

Naar het oordeel van de rechtbank is uit de dossierstukken en uit het verhandelde ter zitting onvoldoende gebleken dat verdachte wist, dan wel redelijkerwijs moet hebben vermoed dat verbalisant (verbalisant 2) zich achter zijn bestelauto bevond. Gezien het voornoemde is de rechtbank dan ook van oordeel dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte welbewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat verbalisant (verbalisant 2) door de handelswijze van verdachte zou komen te overlijden dan wel zwaar lichamelijk letsel zou worden toegebracht.

Gelet op al het voorgaande zal de rechtbank verdachte vrijspreken van het onder 1 primair en subsidiair ten laste gelegde.

Met betrekking tot het onder 2 primair en subsidiair ten laste gelegde.

Verklaringen getuigen

De rechtbank is van oordeel dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat sprake is geweest van enige beïnvloeding van de getuigen (benadeelde 3) en (benadeelde 4) door plaatsing van de getuigenoproep van de politie in een (regionale) krant.

De rechtbank heeft daartoe overwogen dat vooraleerst uit de stukken niet valt op te maken dat de getuigen hebben gereageerd naar aanleiding van het betreffende krantenbericht. De rechtbank constateert verder dat de verklaring van (benadeelde 3) reeds op 28 september, 2 dagen na het incident, is afgelegd. Voorts heeft de rechtbank in haar overwegingen betrokken dat de verklaringen van de (benadeelde 3) en (benadeelde 4) gedetailleerd zijn en informatie bevatten die niet is weergegeven in het betreffende krantenbericht. Bovendien stroken de verklaringen van (benadeelde 3) en (benadeelde 4) met de bevindingen van de verbalisanten die bij het incident aanwezig zijn geweest. De rechtbank verwerpt derhalve het verweer.

(benadeelde 3) heeft bij de politie verklaard dat hij op 26 september 2010 omstreeks 04.30 uur op weg was naar huis op de fiets op de Dedemsvaartseweg-Noord te Lutten in de richting van Dedemsvaart. Hij fietste samen met een vriend van hem, (benadeelde 4).

(benadeelde 3) weet zeker dat de verlichting van beide koplampen van de fietsen werkten.

(benadeelde 3) fietste aan de buitenkant en (bandeelde 4) fietste aan de rechterzijde van hem, dus aan de binnenkant.

Op een gegeven moment zijn zij gepasseerd door een politieauto die verderop draaide en terug kwam rijden. De politieauto werd vergezeld door een tweede politieauto. (benadeelde 3) zag en hoorde dat blauwe zwaailichten en sirenes werden gevoerd terwijl de politieauto’s de fietsers tegemoet reden.

(benadeelde 3) zag toen dat nog een andere auto voor beide politieauto’s reed en de fietsers tegemoet reed.

(benadeelde 3) herkende de hen tegemoetkomende auto als een bestelauto van het merk Volkswagen en type Caddy.

Vervolgens zag (benadeelde 3) dat de bestelauto, toen deze op een afstand van ongeveer 50 tot 100 meter voor hen reed, een stuurbeweging maakte waardoor de auto geleidelijk steeds verder naar links ging rijden. (benadeelde 3) zag dat de bestelauto daardoor steeds verder uitweek naar links en dus dichter op hen afkwam. (benadeelde 3) zag dat de bestelauto daardoor op de verkeerde weghelft terecht kwam. (benadeelde 3) kreeg toen ook de indruk dat de bestuurder van de bestelauto bewust op hen inreed.

(benadeelde 3) heeft toen een ontwijkbeweging gemaakt. Toen de bestelauto bij hen was, zag hij dat de auto hen net niet raakte. (benadeelde 3) schatte de snelheid van de auto in op ongeveer 80 kilometer per uur.

(benadeelde 4) heeft telefonisch bij de politie een verklaring afgelegd die de verklaring van (benadeelde 3) ondersteunt. (benadeelde 4) heeft echter voorts verklaard dat hij het idee kreeg dat de bestuurder van de bestelauto van richting veranderde toen deze bij hen was. Vanuit zijn oogpunt leek het alsof de bestuurder terug stuurde naar rechts.

Uit het proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten (verbalisant 1) en (verbalisant 2) is op te maken dat zij op 26 september ter hoogte van Dedemsvaart op de Dedemsvaartweg-noord aan de linkerkant van de weg twee fietsers zagen fietsen. Zij zagen dat de fietsers verlichting voerden. Zij zagen dat, toen de bestelauto de fietsers op ongeveer 50 meter was genaderd, de bestelauto op de linkerweghelft, de weghelft van de fietsers, reed.

Zij zagen dat bij het passeren van de fietsers door de bestelauto, de fietsers hun fiets richting de huizen stuurden waardoor de bestelbus rakelings langs de fietsers reed. Verbalisanten hebben niet gezien dat de remlichten van de bestelauto oplichtten. Verbalisant (verbalisant 1) heeft verder verklaard dat de bestuurder van de Volkswagen Caddy op geen moment zijn auto naar zijn weghelft, de rechterweghelft, heeft gestuurd. Verbalisant (verbalisant 1) heeft daarbij opgemerkt dat dit veel indruk op haar maakte, omdat fietsers die in aanraking komen met een personenauto, die ongeveer 50 a 60 km/u rijdt, kwetsbaar zijn.

Voor de beantwoording van de vraag of op grond van bijzondere (objectieve) omstandigheden kan worden aangenomen dat sprake is geweest van voorwaardelijk opzet acht de rechtbank in het bijzonder het navolgende van belang.

Verdachte is met alcohol op en na inname van medicijnen die de rijvaardigheid kunnen beïnvloeden in de auto gestapt en gaan rijden. Naar het oordeel van de rechtbank kan worden aangenomen dat hij redelijkerwijs niet meer in staat moet worden geacht zijn auto te besturen. Verdachte heeft zichzelf in deze staat van onbekwaamheid gebracht. Er is blijkens de processen-verbaal van de verbalisanten (verbalisant 1) en (verbalisant 2) gedurende langere tijd sprake geweest van gevaarlijk rijgedrag.

Blijkens de verklaringen van getuigen (benadeelde 3) en (benadeelde 4) en de verbalisanten is verdachte op de weghelft van beide fietsers terecht gekomen. Getuige (benadeelde 3) heeft verklaard dat hij het idee kreeg dat de bestuurder bewust op hen in reed. Weliswaar heeft getuige (benadeelde 4) verklaard dat hij het idee kreeg dat de bestuurder op het laatste moment terugstuurde naar rechts, verbalisant (verbalisant 1) heeft daarentegen verklaard, dat de bestuurder op geen moment naar zijn weghelft heeft gestuurd. In ieder geval verklaren zowel de fietsers (benadeelde 3) en (benadeelde 4) als de verbalisanten (verbalisant 5) en (verbalisant 2) dat (benadeelde 3) een ontwijkbeweging heeft gemaakt. Zowel fietser (benadeelde 4) als de verbalisanten (verbalisant 1) en (verbalisant 2) hebben verklaard dat als (benadeelde 3) die ontwijkbeweging niet zou hebben gemaakt er een aanrijding zou zijn ontstaan.

Verdachte reed met een aanzienlijke snelheid en is met onverminderde snelheid in de richting van de fietsers gereden. Het gaat bovendien om een confrontatie van een “sterke” verkeersdeelnemer, te weten verdachte in zijn bestelauto, met “zwakke”verkeersdeelnemers, te weten de fietsers (benadeelde 3) en (benadeelde 4). In deze situatie kan niet gezegd worden dat verdachte door zijn handelen (tevens) willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat ook hijzelf als gevolg van een aanrijding het leven zou laten, dan wel zwaar lichamelijk gewond zou raken. Een vergelijking met de casus in het zogenoemde “Porsche-arrest” is naar het oordeel van de rechtbank in deze situatie niet aan de orde.

Verdachte heeft blijkens het uittreksel uit het justitieel documentatieregister reeds eerder een voertuig bestuurd onder invloed van alcohol, waarvoor hij een forse (deels voorwaardelijke) rijontzegging opgelegd heeft gekregen.

Gelet op alle voornoemde omstandigheden leidt de rechtbank af dat verdachte het kennelijk om het even is geweest dat hij – onder invloed van alcohol en medicijnen – zijn bestelauto heeft bestuurd en andere verkeersdeelnemers zou aanrijden. Verdachte heeft een dergelijk gevolg kennelijk op de koop toegenomen.

De rechtbank is dan ook gelet op het voorgaande van oordeel dat verdachte, door te handelen als hiervoor omschreven, willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij andere zwakkere verkeersdeelnemers zoals (benadeelde 3) en (benadeelde 4) van het leven zou beroven. Anders dan de raadsvrouw is de rechtbank aldus van oordeel dat verdachte voorwaardelijk opzet heeft gehad op de dood van beide fietsers en dat het onder 2 primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard.

Met betrekking tot het onder 3 ten laste gelegde

Uit het proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten (benadeelde 6) en (benadeelde 5) valt op te maken dat zij op 26 september 2010 omstreeks 04.25 uur het verzoek van verbalisanten (verbalisant 2) en (verbalisant 1) kregen om in de richting van Dedemsvaart te rijden omdat zij reden achter een voertuig dat gevaarlijk rijgedrag vertoonde en niet reageerde op een stopteken.

De verbalisanten zijn op weg gegaan met verhoogde snelheid en met optische politiesignalen. Op de Tottenhamstraat zagen verbalisanten een auto met verhoogde snelheid recht op hen af rijden. Zij zagen dat het voertuig geen snelheid minderde. Verbalisant (verbalisant 3) heeft daarop zijn politievoertuig naar de rechterkant van de weg gestuurd. Verbalisanten zagen vervolgens dat de bestuurder van het tegemoetkomende voertuig de auto recht op hen afstuurde. Verbalisant (verbalisant 3) had zijn politievoertuig al uiterst rechts op de rijbaan gestuurd. Verbalisant (verbalisant 3) heeft vervolgens zijn politievoertuig met 4 wielen de berm ingereden. Verbalisanten zagen echter dat de bestuurder zijn voertuig nog verder hun richting opstuurde. Verbalisant (verbalisant 3) heeft toen een laatste ruk aan het stuur naar rechts gegeven met als doel een aanrijding te voorkomen. Verbalisanten zagen dat, vlak voordat de auto het politievoertuig zou raken, de bestuurder bijstuurde en rakelings langs het politievoertuig reed. Verbalisanten zagen daarna dat verdachte weer vaart meerderde en zijn weg vervolgde op de verkeerde weghelft waardoor tegenliggers gedwongen werden uiterst rechts te rijden.

Het voornoemde proces-verbaal van bevindingen wordt ondersteund door het proces-verbaal van bevindingen van 26 september 2010 van (benadeelde 1) en (benadeelde 2), hoofdagenten van de Regiopolitie IJsselland waarbij laatstvermelde verbalisanten hebben verklaard, dat op het moment dat beide voertuigen elkaar naderden de snelheid van de bestelauto van verdachte op dat moment ongeveer 80 kilometer per uur was.

Ook in het onderhavige geval dient de rechtbank te onderzoeken of op grond van bijzondere (objectieve) omstandigheden kan worden aangenomen of sprake is geweest van voorwaardelijk opzet, in die zin dat verdachte welbewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat verbalisanten (verbalisant 3) en (verbalisant 4) door de gedragingen van verdachte zouden komen te overlijden dan wel zwaar lichamelijk letsel zouden worden toegebracht.

De omstandigheden zoals die zijn vermeld ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde zijn ook ten aanzien van het onderhavige geval van belang, te weten het alcoholgebruik en de medicijninname van verdachte en het gevaarlijke rijgedrag voorafgaand aan het incident. Voorts is van belang dat verdachte op de verkeerde weghelft met een aanzienlijke snelheid richting de hem tegemoetkomende politieauto reed.

Echter, in het onderhavige geval is geen sprake van een confrontatie van een “sterke” verkeersdeelnemer met “zwakke” verkeersdeelnemers. Het gaat om een confrontatie tussen min of meer gelijkwaardige verkeersdeelnemers, te weten de bestelauto van verdachte en het politievoertuig. Naar het oordeel van de rechtbank gaat in deze concrete situatie wel enigszins een vergelijking op met eerdergenoemd Porsche-arrest.

Ook in die zaak ging het om een verdachte die in (verregaande) staat van dronkenschap in een auto met hoge snelheid gevaarlijke manoeuvres uitvoerde. In die concrete zaak is geoordeeld dat uit het afbreken van eerdere gevaarlijke manoeuvres kon worden opgemaakt dat verdachte de kans op een botsing niet op de koop toe nam, omdat hij daarbij ook zelf grote kans liep te verongelukken.

De rechtbank is van oordeel dat ook in het onderhavige geval niet zonder meer kan worden aangenomen, dat verdachte de kans op een frontale botsing met het politievoertuig – met alle gevolgen van dien – op de koop toe nam. De rechtbank acht voor die conclusie redengevend dat verdachte blijkens de verklaringen van verbalisanten op het allerlaatste moment heeft bijgestuurd teneinde een botsing te voorkomen. Voorts betrekt de rechtbank in haar overwegingen dat verdachte ook voorafgaand aan de onderhavige manoeuvre – blijkens de verklaring van verbalisant (verbalisant 1) - vlak voordat er een aanrijding met een andere tegenligger zou ontstaan weer terug naar de juiste weghelft stuurde, waardoor een aanrijding werd voorkomen.

Op grond van het vorengaande is de rechtbank derhalve van oordeel dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat verdachte voorwaardelijk opzet heeft gehad op de dood van verbalisanten (verbalisant 3) en (verbalisant 4) dan wel op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan die verbalisanten.

Gelet op al het voorgaande zal de rechtbank verdachte vrijspreken van het onder 3 primair en subsidiair ten laste gelegde.

Met betrekking tot het onder 4 ten laste gelegde

De rechtbank overweegt dat ten aanzien van feit 4 sprake is van een bekennende verdachte in de zin van artikel 359, derde lid, laatste volzin van het Wetboek van Strafvordering. De rechtbank zal daarom volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen die tot de bewezenverklaring hebben geleid:

- Proces-verbaal van verhoor van verdachte op 26 september 2010 ;

- Bijlage resultaat ademanalyse d.d. 26 september 2010 .

BEWEZENVERKLARING

De rechtbank is van oordeel dat verdachte van het onder 1 primair en subsidiair en het onder 3 primair en subsidiair ten laste gelegde moet worden vrijgesproken, omdat de rechtbank dit niet wettig en overtuigend bewezen acht.

De rechtbank acht derhalve wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 2 primair en 4 ten laste is gelegd, met dien verstande dat

2 primair.

Hij op 26 september 2010 te gemeente Hardenberg ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk (benadeelde 3) en/of (benadeelde 4) van het leven te beroven, met dat opzet in zijn (bestel)auto heeft gereden op de rijbaan bestemd voor het tegemoetkomende verkeer terwijl aldaar (benadeelde 3) en (benadeelde 4) fietsten en zonder zijn koers te wijzigen is afgereden op voornoemde fietsers, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

4.

Hij op 26 september 2010 te gemeente Hardenberg als bestuurder van een voertuig, (bestelauto), dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van zijn adem bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 755 microgram, in elk geval hoger dan 220 microgram, alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn.

Van het onder 2 primair en 4 meer of anders ten laste gelegde zal de verdachte worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet wettig en overtuigend bewezen acht.

DE STRAFBAARHEID VAN HET FEIT

Het bewezene levert op:

2 primair

Poging tot doodslag,

strafbaar gesteld bij de artikelen 45 en 287 van het Wetboek van Strafrecht;

4.

Overtreding van artikel 8 Wegenverkeerswet 1994,

Strafbaar gesteld bij de artikelen 8 en 176 van de Wegenverkeerswet 1994.

Er zijn geen feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluiten. Dit levert de genoemde strafbare feiten op.

DE STRAFBAARHEID VAN DE VERDACHTE

Er zijn ook geen feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is derhalve strafbaar.

OPLEGGING VAN STRAF EN/OF MAATREGEL

Het standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden alsmede een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 7 maanden.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft de rechtbank verzocht, mocht een bewezenverklaring van enig feit volgen, rekening te houden met het feit dat haar cliënt sindsdien zijn leven heeft omgegooid en zijn alcoholprobleem heeft aangepakt.

Het oordeel van de rechtbank

Gelet op de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden

waaronder verdachte zich daaraan heeft schuldig gemaakt en op de persoon van verdachte,

zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht de rechtbank de

na te noemen beslissing passend.

Verdachte heeft diverse gevaarlijke verkeerssituaties gecreëerd door een bestelauto te besturen na inname van een combinatie van alcohol en medicijnen die de rijvaardigheid beïnvloeden. Verdachte heeft zijn medeweggebruikers blootgesteld aan de kans dat een van hen bij een dodelijk ongeval zou kunnen komen te overlijden. De rechtbank rekent dat verdachte zwaar aan.

Bij het bepalen van de strafmaat weegt de rechtbank ten voordele van verdachte mee de persoonlijke situatie van verdachte, dat hij is gaan werken aan zijn alcoholprobleem en de omstandigheid dat de reclassering in haar rapport van 22 maart 2011 het recidiverisico als “laag” heeft ingeschat. De rechtbank acht alles overwegende oplegging van een taakstraf, bestaande uit een werkstraf in combinatie met een voorwaardelijke gevangenisstraf, passend.

Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat een ontzegging van de rijbevoegdheid op zijn plaats is nu verdachte de verkeersveiligheid ernstig in gevaar heeft gebracht, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Bij de oplegging van de bijkomende straf van ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen overweegt de rechtbank dat - naast de algemene gevaarzetting die voortvloeit uit het onder invloed van alcohol besturen van motorrijtuigen - in deze zaak als strafverzwarende omstandigheid meeweegt dat verdachte reeds eerder, te weten 18 maart 2010, is veroordeeld voor rijden onder invloed.

De oplegging van straf of maatregel is, behalve op de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften, gegrond op de artikelen 22c, 22d en 57 van het Wetboek van Strafrecht.

Benadeelde partijen

De benadeelde partij (benadeelde 1) heeft zich met een vordering tot schadevergoeding, betreffende immateriële schade, ten bedrage van € 750,- gevoegd in het strafproces ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde.

De benadeelde partij (benadeelde 2) heeft zich met een vordering tot schadevergoeding, betreffende immateriële schade, ten bedrage van € 750,- gevoegd in het strafproces ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde.

De benadeelde partij (benadeelde 5) heeft zich met een vordering tot schadevergoeding, betreffende immateriële schade, ten bedrage van € 750,- gevoegd in het strafproces ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde.

De benadeelde partij (benadeelde 6) heeft zich met een vordering tot schadevergoeding, betreffende immateriële schade, ten bedrage van € 750,- gevoegd in het strafproces ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde.

Het standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de vorderingen van de benadeelde partijen integraal dienen te worden toegewezen nu de vorderingen haar niet onredelijk voorkomen. Voorts heeft de officier van justitie gerekwireerd tot oplegging van de schadevergoedingsmaatregel conform artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft de rechtbank verzocht alle ingediende vorderingen af te wijzen nu uit de stukken niet is gebleken dat de benadeelde partijen daadwerkelijk psychische en/of lichamelijke schade aan de ten laste gelegde feiten hebben overgehouden.

Het oordeel van de rechtbank

De vorderingen van de benadeelde partijen (benadeelde 1), (benadeelde 2), (benadeelde 5) en (benadeelde 6) zullen door de rechtbank niet-ontvankelijk worden verklaard nu verdachte van het onder 1 primair en subsidiair en het onder 3 primair en subsidiair ten laste gelegde zal worden vrijgesproken.

Vordering tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordeling

Het standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft de tenuitvoerlegging gelast van de door de rechtbank Almelo d.d. 18 maart 2010 voorwaardelijk opgelegde ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 6 maanden nu verdachte in zijn proeftijd wederom heeft gereden onder invloed.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw refereert zich aan het oordeel van de rechtbank.

Het oordeel van de rechtbank

Gelet op het voorgaande en op het bepaalde in artikel 14g van het Wetboek van Strafrecht acht de rechtbank termen aanwezig alsnog de tenuitvoerlegging te gelasten van de door de politierechter te Almelo bij onherroepelijk vonnis d.d. 18 maart 2010 opgelegde voorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 6 maanden.

BESLISSING

Het onder 1 primair en subsidiair ten laste gelegde is niet bewezen en de verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

Het onder 3 primair en subsidiair ten laste gelegde is niet bewezen en de verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

Het onder 2 primair en 4 ten laste gelegde is bewezen zoals hiervoor aangegeven en levert de strafbare feiten op, zoals hiervoor vermeld. De verdachte is deswege strafbaar.

Het onder 2 primair en 4 meer of anders ten laste gelegde is niet bewezen en de verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

De rechtbank legt aan verdachte op een taakstraf, te weten de werkstraf het verrichten van onbetaalde arbeid gedurende 180 uren.

De rechtbank beveelt dat voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet of niet naar behoren verricht de taakstraf wordt vervangen door 90 dagen hechtenis, althans een aantal dagen hechtenis dat evenredig is aan het niet verrichte aantal uren taakstraf.

Voorts veroordeelt de rechtbank de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden.

De gevangenisstraf zal niet worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van 2 jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

De rechtbank ontzegt verdachte de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de tijd van 12 maanden.

De tijd, gedurende welke het rijbewijs van de verdachte ingevolge artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994 voor het tijdstip waarop de ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen ingaat ingevorderd en ingehouden is geweest, zal op de duur van die ontzegging geheel in mindering worden gebracht.

Schadevergoeding

De rechtbank bepaalt dat de benadeelde partijen (benadeelde 1), (benadeelde 2), (benadeelde 5) en (benadeelde 6) in hun vorderingen niet ontvankelijk zijn.

Ten aanzien van de vordering tenuitvoerlegging

De rechtbank wijst de vordering toe.

De rechtbank gelast de tenuitvoerlegging van de in de zaak met parketnummer 08.770307-09 door de rechtbank Almelo d.d. 18 maart 2010 voorwaardelijk aan verdachte opgelegde straf, te weten: 6 maanden ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen.

Aldus gewezen door mr. A.M. van der Pal, voorzitter, mrs. G.A. Versteeg en F.E.J. Goffin, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S.A. van den Hoek als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 9 februari 2012.