Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2012:BW1433

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
26-03-2012
Datum publicatie
10-04-2012
Zaaknummer
2012-W005
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Wraking. Ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Meervoudige wrakingskamer

zaaknummer: 2012-W005

datum: 26 maart 2012

Beschikking op het wrakingsverzoek, ingediend door:

[verzoeker],

wonende te [plaats],

verzoeker tot wraking, verder te noemen 'verzoeker',

tegen

mr. [A], in zijn hoedanigheid van kinderrechter, verder te noemen 'mr. [A]'.

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het proces-verbaal van de terechtzitting van 23 februari 2012 van de enkelvoudige

familiekamer waarin het mondelinge wrakingsverzoek en de gronden daarvoor zijn

vermeld;

- het schriftelijke verweer van mr. [A] van 23 februari 2012;

- de mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek.

Bij de mondelinge behandeling zijn verschenen:

- verzoeker, en

- mr. [A].

2. Het wrakingsverzoek

2.1. Het verzoek tot wraking is gericht tegen mr. [A] als kinderrechter in de zaak met nummer 194015 / JL RK 12-35. In die zaak is aan de orde het verzoek van de Raad voor de Kinderbescherming (nader te noemen: de Raad) om de minderjarige zoon van verzoeker voor een periode van 12 maanden onder toezicht van Bureau Jeugdzorg Flevoland te stellen.

2.2. Verzoeker heeft bij de mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek ter toelichting het volgende naar voren gebracht.

Mr. [A] is volgens verzoeker partijdig, omdat hij heeft aangegeven het rapport van de Raad mee te zullen nemen bij zijn beslissing over het verzoek tot ondertoezichtstelling, terwijl verzoeker tegen dat rapport een officiële klacht bij de Raad heeft ingediend.

2.3. Mr. [A] heeft laten weten niet in de wraking te berusten en heeft verweer gevoerd. Dat verweer wordt hierna voor zover nodig besproken.

3. De beoordeling

3.1. Een rechter kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.

Uitgangspunt daarbij is dat de rechter uit hoofde van zijn aanstelling wordt vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet, die een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat een rechter jegens een partij bij een geding een vooringenomenheid koestert. De vrees dat dit het geval zal zijn, dient objectief gerechtvaardigd te zijn. Dat betekent dat sprake moet zijn van concrete feiten en omstandigheden waaruit objectief de vrees voor partijdigheid van de rechter kan worden afgeleid.

Daarnaast kan er onder omstandigheden reden zijn voor wraking, indien geheel afgezien van de persoonlijke opstelling van de rechter in de hoofdzaak de bij een partij bestaande vrees voor partijdigheid van die rechter objectief gerechtvaardigd is, waarbij rekening moet worden gehouden met uiterlijke schijn.

3.2. Uit het wrakingsverzoek en de mondelinge toelichting ter zitting kan niet worden afgeleid dat er aanwijzingen zijn voor het oordeel dat mr. [A] jegens verzoeker enige vooringenomenheid koestert, althans dat zijn optreden ter zitting grond heeft gegeven voor de vrees dat het hem aan onpartijdigheid ontbreekt. Daartoe wordt het volgende overwogen.

3.3. Bij de voorbereiding van de zitting heeft mr. [A], conform de normale gang van

zaken, kennis genomen van de tot het dossier behorende processtukken, waaronder niet alleen zijn begrepen het verzoek tot ondertoezichtstelling van de Raad en het aan dat verzoek ten grondslag liggende onderzoeksrapport van de Raad maar ook de klachtbrief van verzoeker waarin hij bezwaren uit tegen (de totstandkoming van) voormeld onderzoeksrapport.

3.4. Bij een beslissing op een verzoek tot ondertoezichtstelling heeft een kinderrechter te betrekken de tot het dossier behorende processtukken, alsmede hetgeen tijdens de zitting door partijen naar voren wordt gebracht. De enkele omstandigheid dat mr. [A] tijdens de zitting desgevraagd aan verzoeker te kennen heeft gegeven dat hij het onderzoeksrapport van de Raad in zijn beoordeling zal betrekken, levert dan ook geen (schijn van) vooringenomenheid op. Dat wordt anders indien uit de houding van de kinderrechter kan worden afgeleid dat geen bereidheid bestaat om opmerkingen van partijen naar aanleiding van (de totstandkoming van) dat rapport aan te horen en te betrekken in zijn oordeel. Daarvan is echter niet gebleken.

3.5. Integendeel, uit het proces-verbaal van de zitting van 23 februari 2012, waarvan de inhoud niet is bestreden, kan juist worden afgeleid dat mr. [A] ter zitting heeft getracht te achterhalen welke inhoudelijke bezwaren verzoeker tegen (de totstandkoming van) het rapport heeft. Tot twee maal toe heeft mr. [A] aan verzoeker gevraagd wat er volgens hem niet klopt aan het rapport. Verzoeker heeft op die vraag geen antwoord willen geven, maar terstond een verzoek tot wraking gedaan. Van concrete feiten en omstandigheden waaruit de rechtbank vooringenomenheid van mr. [A], of zwaarwegende aanwijzingen voor objectief gerechtvaardigde vrees daarvoor, kan afleiden, is dan ook niet gebleken.

3.6. De conclusie is daarom dat het verzoek om wraking van mr. [A] moet worden afgewezen.

4. De beslissing

De rechtbank

4.1. wijst het verzoek tot wraking af.

Deze beslissing is gegeven door mrs. W.J.B. Cornelissen, L.M. Rijksen en G.A. Versteeg in tegenwoordigheid van de griffier mr. M.H. Krol en in het openbaar uitgesproken op 26 maart 2012.

de griffier de voorzitter

Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.