Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2012:BW1432

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
10-04-2012
Datum publicatie
10-04-2012
Zaaknummer
Awb 12/127
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2013:889, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Weigering verlening verklaring omtrent het gedrag voor senior toezichthouder en centralist; uit besluit blijkt onvoldoende welke betekenis verweerder aan eisers persoonlijke omstandigheden heeft gehecht; beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Sector Bestuursrecht

Registratienummer: Awb 12/127

uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen

[eiser]

gemachtigde: mr. A.H.H. Nauta, advocaat te Lelystad,

en

de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 25 augustus 2011 heeft verweerder geweigerd om eiser een verklaring omtrent het gedrag, ten behoeve van de functie senior toezichthouder en centralist bij de Stichting Veiligheidszorg Almere (SVA), te verlenen. Eiser heeft daartegen bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 9 december 2011 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard. Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.

Het beroep is ter zitting van 13 maart 2012 behandeld. Eiser is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. Nauta. Namens verweerder is niemand ter zitting verschenen. Tevens is K. Wolzak, directeur van SVA, ter zitting verschenen.

Overwegingen

Eiser is op 4 juli 2008 door de politierechter te Amsterdam veroordeeld tot 114 uren werkstraf subsidiair 57 dagen hechtenis wegens overtreding van het bepaalde in artikel 326 van het Wetboek van Strafrecht. Deze veroordeling is onherroepelijk geworden.

Eiser is in mei 2005, na een screening door de politieregio Flevoland, in dienst getreden bij SVA, in een beveiligingsfunctie. Nadien heeft eiser enige tijd te Schiphol gewerkt, in een functie waarvoor hij wederom vooraf gescreend is. In 2007 is eiser opnieuw in dienst getreden bij SVA.

Eiser heeft SVA in 2005, voorafgaand aan de indiensttreding, uit eigen beweging op de hoogte gesteld van het feit dat strafrechtelijk onderzoek naar hem plaatsvond. SVA heeft hierin geen aanleiding gezien om af te zien van het in dienst nemen van eiser - mede gezien de resultaten van de screening door de politie.

Eiser is sinds 2007 feitelijk werkzaam in een leidinggevende functie, als senior-toezichthouder. Eiser stuurt buitengewoon opsporingsambtenaren (BOA’s) aan.

Door de heer Wolzak, directeur van SVA, is ter zitting gemotiveerd verklaard dat eiser steeds naar volle tevredenheid en zeer integer heeft gefunctioneerd. SVA wil eiser graag in dienst houden. Als eiser niet langer BOA’s kan aansturen omdat hij niet over een VOG beschikt, dan heeft SVA geen ander werk voor eiser.

Verweerder heeft afgifte van een VOG geweigerd, omdat met betrekking tot eiser in de justitiële documentatie een strafbaar feit is vermeld dat, indien herhaald, gelet op het risico voor de samenleving en de overige omstandigheden van het geval, aan de behoorlijke uitoefening van de taak of bezigheden waarvoor de VOG wordt aangevraagd in de weg zal staan.

Eiser stelt zich op het standpunt dat onvoldoende is gemotiveerd waarom een VOG aan hem is geweigerd. Volgens hem is onvoldoende rekening gehouden met de specifieke omstandigheden waaronder hij het strafbare feit heeft gepleegd en met de lange tijdsduur tussen de pleegperiode (tot januari 2005) en de datum van de veroordeling. Bovendien heeft eiser inmiddels vele jaren zonder problemen bij SVA gewerkt. Verder is eiser gehuwd en heeft hij drie kinderen.

Ingevolge het bepaalde in artikel 29 van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens (Wjsg) geldt de beslissing omtrent de afgifte van een VOG als een beschikking in de zin van artikel 1:3, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Artikel 28 van de Wjsg bepaalt, voor zover hier van belang, dat een VOG een verklaring is van verweerder dat uit een onderzoek met betrekking tot het gedrag van betrokken natuurlijke persoon of rechtspersoon is ingesteld, gelet op het risico voor de samenleving in verband met het doel waarvoor de afgifte is gevraagd en na afweging van het belang van betrokkene, niet is gebleken van bezwaren tegen die natuurlijke persoon of rechtspersoon.

Artikel 35, eerste lid, van de Wjsg bepaalt dat verweerder de afgifte van een VOG weigert indien in de justitiële documentatie met betrekking tot de aanvrager een strafbaar feit is vermeld, dat, indien herhaald, gelet op het risico voor de samenleving en de overige omstandigheden van het geval, aan een behoorlijke uitoefening van de taak of de bezigheden waarvoor de verklaring omtrent het gedrag wordt gevraagd, in de weg zal staan.

De rechtbank stelt voorop dat weigering van een VOG geen punitieve sanctie is, maar dat sprake is van een maatregel ter bescherming van de samenleving tegen een in de betrokken persoon gelegen toekomstig risico. Verweerder dient gelet op de artikelen 28 en 35 van de Wjsg te beoordelen wat het risico voor de samenleving is indien de betrokkene de functie, taak of bezigheid verricht waarvoor de VOG is aangevraagd. Dit risico dient te worden afgewogen tegen het belang van betrokkene.

De zinsnede “indien herhaald”, in artikel 35, eerste lid, van de Wjsg dient, blijkens de parlementaire geschiedenis met betrekking tot deze bepaling, zo uitgelegd te worden dat moet worden bezien of het gepleegde feit op zichzelf, los van de persoon van de aanvrager, indien herhaald een behoorlijke taakuitoefening verhindert. Dit los van de persoon van de aanvrager staande criterium wordt door verweerder aangeduid als het objectieve criterium. De beoordeling van de “overige omstandigheden van het geval”, als bedoeld in deze bepaling, wordt door verweerder aangeduid als het subjectieve criterium. De vraag of recidive waarschijnlijk is en het resocialisatiebelang kunnen blijkens de parlementaire geschiedenis in dit kader een rol spelen.

Verweerder heeft voor de beoordeling of een VOG al dan niet geweigerd dient te worden, de Beleidsregels VOG NR-RP & IVB 2011, hierna te noemen de Beleidsregels, vastgesteld.

Ten behoeve van de beoordeling van het objectieve criterium heeft verweerder voorts screeningsprofielen vastgesteld. Zo is een algemeen screeningsprofiel vastgesteld dat is onderverdeeld in acht risicogebieden. Daarnaast zijn specifieke screeningsprofielen vastgesteld voor specifieke functies en werkzaamheden.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder terecht heeft getoetst aan het specifieke screeningsprofiel voor “(buitengewoon) opsporingsambtenaar”. Blijkens hetgeen door eiser en zijn werkgever verklaard is, maken de werkzaamheden als BOA een wezenlijk onderdeel uit van eisers functie. Volgens dit specifieke screeningsprofiel geldt een terugkijktermijn van tien jaren.

De rechtbank is van oordeel dat het tijdsverloop tussen de datum van de veroordeling,

op 4 juli 2008, en de pleegdatum van het strafbare feit, in dit geval niet zodanig lang is

dat verweerder niet langer van de datum van de veroordeling mocht uitgaan.

Niet in geschil is dat een herhaling van het destijds gepleegde strafbare feit op zichzelf genomen aan een behoorlijke taakuitoefening in de weg staat. Aan het objectieve criterium wordt derhalve voldaan.

Eiser heeft een aantal persoonlijke omstandigheden aangevoerd die in het kader van de toets aan het subjectieve criterium door verweerder dienen te worden meegewogen. Zo is onvoldoende betekenis gehecht aan de omstandigheden waaronder het strafbare feit destijds heeft plaatsgevonden. Verder heeft eiser er op gewezen dat hij ten tijde van het bestreden besluit zes en een half jaar lang werkzaam is geweest in een veiligheidsfunctie, zonder dat zich daarin problemen met eisers functioneren hebben voorgedaan. Eiser is sinds enkele jaren zelfs werkzaam in een leidinggevende functie op dit terrein. Eiser is in 2005 en in 2006 gescreend door de politie. Voorts is eiser getrouwd en heeft hij inmiddels een gezin. Eiser heeft een eigen huis dat door middel van een hypothecaire lening is gefinancierd.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder betekenis heeft mogen toekennen aan het gegeven dat eiser is veroordeeld voor oplichting meermalen gepleegd en aan de strafmaat van 114 uren werkstraf. Aangenomen mag worden dat met de ernst van het gepleegde strafbare feit en met de omstandigheden waaronder dit feit heeft plaatsgevonden rekening is gehouden bij het opleggen van deze straf.

De rechtbank is echter, voor wat betreft de overige persoonlijke omstandigheden die eiser heeft aangevoerd, van oordeel dat onvoldoende is gemotiveerd waarom deze omstandigheden onvoldoende zijn om de aangevraagde VOG te verlenen. Hiertoe overweegt de rechtbank dat de omstandigheid dat eiser inmiddels geruime tijd werkzaam is in een veiligheidsfunctie, zonder dat zich problemen hebben voorgedaan in zijn functioneren, wel degelijk van betekenis kan zijn voor de inschatting of het verantwoord is dat eiser een dergelijke functie vervult. De politiescreeningen die in 2005 en in 2006 hebben plaatsgevonden dienden weliswaar een ander doel dan het onderzoek dat plaatsvindt in het kader van de beoordeling van de aanvraag van een VOG, maar aan een dergelijk onderzoek kan naar het oordeel van de rechtbank niet iedere betekenis worden ontzegd. Voorts had de omstandigheid dat eiser een gezin heeft op kenbare wijze bij deze afweging moeten worden betrokken, in het bijzonder in samenhang met de verklaring van Wolzak, dat als eiser niet langer BOA’s kan aansturen omdat hij niet over een VOG beschikt, SVA geen werk meer voor hem heeft. In dit verband wijst de rechtbank er op dat blijkens de parlementaire geschiedenis met betrekking tot artikel 35 van de Wjsg ook het resocialisatiebelang een rol behoort te spelen bij de toets aan het subjectieve criterium. Eiser blijkt hieraan al jarenlang inhoud te hebben gegeven, hetgeen ter zitting is bevestigd door Wolzak.

Uit de motivering van het bestreden besluit blijkt onvoldoende welke betekenis verweerder, in het kader van de toets aan het subjectieve criterium, aan eisers persoonlijke omstandigheden heeft gehecht. De zinsnede, dat het belang van de beperking van de risico’s voor de samenleving zwaarder weegt dan eisers belang bij afgifte van een VOG, acht de rechtbank in dit verband niet toereikend. De verwijzing naar de terugkijktermijn van tien jaren acht de rechtbank in het kader van de toets aan het subjectieve criterium evenmin toereikend. De terugkijktermijn is immers van toepassing op iedereen die een functie vervult waarop dit screeningsprofiel van toepassing is en deze staat los van de weging van eisers persoonlijke omstandigheden.

Het bestreden besluit wordt dan ook, in strijd met het bepaalde in artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet gedragen door een deugdelijke motivering.

De rechtbank is voorts van oordeel dat weigering van een VOG onder de gegeven omstandigheden onevenredig is in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen en daarom in strijd is met het bepaalde in artikel 3:4, tweede lid, van de Awb.

Het beroep is daarom gegrond en het bestreden besluit dient te worden vernietigd.

De rechtbank ziet aanleiding om verweerder te veroordelen in de kosten die de andere partij in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn, op basis van toekenning van 1 punt voor het beroep en 1 punt voor de behandeling ter zitting, begroot op € 874,--, als kosten van verleende rechtsbijstand.

Beslissing

De rechtbank:

-verklaart het beroep gegrond;

-vernietigt het bestreden besluit;

-bepaalt dat verweerder binnen zes weken een nieuw besluit op bezwaar dient te nemen;

-veroordeelt verweerder in de proceskosten in bezwaar en beroep, welke begroot worden op € 874,--, te betalen aan eiser;

-gelast dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht, ten bedrage van € 152,-- , vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van Bruggen, voorzitter, mr. A. Oosterveld en

mr. A.P.W. Esmeijer, rechters, en door de voorzitter en mr. A. van der Weij als griffier ondertekend. Uitgesproken in het openbaar op

Afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat voor een belanghebbende en het bestuursorgaan hoger beroep open. Dit dient te worden ingesteld binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak door een beroepschrift en een kopie van deze uitspraak te zenden aan de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag

U kunt ook digitaal hoger beroep instellen bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. Kijk op www.raadvanstate.nl voor meer informatie over het indienen van digitaal beroep