Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2012:BW0728

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
03-04-2012
Datum publicatie
04-04-2012
Zaaknummer
Awb 11?167
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bouwvergunning verleend voor legalisering van een reeds geplaatste omheining rond een paardenbak, een mestsleuf en een voedersilo te IJsselmuiden;bouwplan staat niet ten dienste van een agrarisch bedrijf in de zin van de voorchriften; geen sprake van een paardenfokkerij; beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2013/2992

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Sector Bestuursrecht

Registratienummer: Awb 11/167

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eisers],

allen wonende te IJsselmuiden,

en

het college van burgemeester en wethouders van Kampen,

verweerder,

en

[belanghebbende],

wonende te IJsselmuiden, belanghebbende.

Procesverloop

Bij besluit van 29 september 2010 heeft verweerder aan belanghebbende bouwvergunning verleend voor legalisering van een reeds geplaatste omheining rond een paardenbak, een mestsleuf en een voedersilo, gelegen op het perceel Ringdijk 5 te IJsselmuiden, kadastraal bekend gemeente IJsselmuiden,sectie I, nummer 49.

De daartegen gemaakte bezwaren van eiser I en II zijn bij besluit van 24 december 2010 ongegrond verklaard. Het door eiser III gemaakte bezwaar is bij dat besluit niet-ontvankelijk verklaard. Eiser I heeft mede namens eisers II en III tegen deze besluiten beroep ingesteld.

Het beroep is ter zitting van 19 april 2011 behandeld. Eisers I, II en III zijn verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.L. Bogerd. Belanghebbende is eveneens verschenen. De voorzitter heeft het onderzoek ter zitting geschorst om eiser I de gelegenheid te geven de in zijn pleitnota aangehaalde uitspraken over te leggen en verweerder vervolgens de gelegenheid te geven daarop te reageren.

Het beroep is op 16 februari 2012 op een nadere zitting verder behandeld. Eiser I en II zijn verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.L. Bogerd. Belanghebbende is verschenen, in het bijzijn van zijn zoon (…).

De voorzitter heeft na het voortgezette onderzoek ter zitting het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1.1Verweerder heeft zich in het verweerschrift primair op het standpunt gesteld, dat het

beroepschrift niet ontvankelijk verklaard dient te worden, omdat a. beroep wordt ingesteld tegen de bouwvergunning, waartegen slechts bezwaar openstaat en b. een kopie van het bestreden besluit op bezwaar niet (tijdig) door eisers is overgelegd. De rechtbank volgt verweerder hierin niet. Het beroep is tijdig ingediend, en het niet overleggen van het bestreden besluit heeft noch bij de rechtbank noch bij verweerder tot verwarring geleid en is daarmee niet zo ernstig dat eisers de toegang tot de rechter moet worden ontzegd.

1.2 Eiser III is niet-ontvankelijk verklaard in bezwaar wegens termijnoverschrijding. De rechtbank stelt vast dat geen beroepsgronden zijn ingediend tegen de niet-ontvankelijkverklaring van eiser III in bezwaar. Ook overigens is niet gebleken dat de niet ontvankelijkverklaring in bezwaar onjuist is geweest. De rechtbank ziet hierin aanleiding het beroep van eiser III ongegrond te verklaren.

2.1 Op 1 oktober 2010 is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) in werking getreden. Bij de invoering van deze wet is een aantal andere wetten gewijzigd. Uit het overgangsrecht, dat is opgenomen in artikel 1.2, tweede lid, van de Invoeringswet Wabo, volgt dat de wetswijzigingen niet van toepassing zijn, indien de aanvraag om verlening van een vergunning of ontheffing als bedoeld in het eerste lid van dit artikel v??r inwerkingtreding van de Wabo is ingediend. Nu hiervan in dit geval sprake is, zal de rechtbank uitgaan van het recht, zoals dit gold onmiddellijk voor het tijdstip van inwerkingtreden van de Wabo.

Ingevolge artikel 44, eerste lid, aanhef en onder c, van de Woningwet mag de reguliere bouwvergunning slechts en moet deze worden geweigerd, indien het bouwen in strijd is met een bestemmingsplan of met de eisen die krachtens zodanig plan zijn gesteld.

Ingevolge artikel 52, eerste lid, van de Woningwet, voor zover hier van belang, houden burgemeester en wethouders in afwijking van 46, eerste lid, de beslissing omtrent een aanvraag om bouwvergunning eveneens aan, indien er geen grond is om de vergunning te weigeren en het bouwen tevens is aan te merken als het oprichten of veranderen van een inrichting waarvoor een vergunning krachtens artikel 8.1 van de Wet milieubeheer is vereist, tenzij de beschikking op de aanvraag om laatstbedoelde vergunning reeds is gegeven.

2.2 Ter plekke van de omheining van de paardenbak (perceel heeft op de kadasterkaart nummer 722) geldt het bestemmingsplan “ De Koekoek” met als bestemming “Agrarisch gebied”. Ter plekke van de mestsleuf en silo geldt het bestemmingsplan “De Koekoek 14e wijziging ex. artikel 11 W.R.O. (Ringdijk)” met als bestemming “Agrarisch bouwperceel II”.

Ingevolge artikel 4, onder A van het bestemmingsplan “De Koekoek 14e wijziging ex. artikel 11 W.R.O. (Ringdijk)” zijn de gronden aangewezen voor bouwperceel II bestemd voor agrarische bedrijven met daarbij behorende gebouwen, andere bouwwerken en erven, met dien verstande dat aan bebouwing ten dienste van de intensieve veehouderij niet meer dan 100 m2 is toegestaan.

1.Onder B is bepaald dat op deze gronden uitsluitend mogen worden gebouwd bouwwerken ten dienste van de bestemming.

Ingevolge artikel 5, onder A, van het bestemmingsplan ”De Koekkoek” zijn de gronden aangewezen voor “Agrarisch gebied” bestemd voor de uitoefening van een agrarisch bedrijf met daarbij behorende gebouwen en andere bouwwerken.

1.Onder B is bepaald dat op deze gronden uitsluitend mogen worden gebouwd bouwwerken ten dienste van de bestemming

Ingevolge artikel 1, onder n, van de begripsbepalingen van het bestemmingsplan “De Koekkoek” wordt onder agrarisch bedrijf verstaan een veehouderij, akkerbouw- of tuinbouwbedrijf met uitzondering van een champignonkwekerij.

3.1 Het geschil betreft de vraag of het bedrijf van belanghebbende kan worden aangemerkt als een agrarisch bedrijf als bedoeld in artikel 1, onder n, van de planvoorschriften.

De rechtbank stelt vast dat ter zitting van 19 april 2011 is gebleken dat belanghebbende zich in hoofdzaak bezig houdt met het trainen van paarden en daarnaast, voor de hobby, één fokpaard heeft waarmee hobbymatig wordt gefokt. Voorts heeft belanghebbende in het verleden op het bedrijf kippen gehouden, en is hij in het voorjaar 2011 de stal mede gaan gebruiken om schapen te huisvesten in verband met het lammeren. Ter zitting van 16 februari 2012 is gebleken, dat er thans een paar geiten worden gehouden waarvoor een klein dierenverblijf gebouwd wordt.

Hiermee staat vast dat sprake is van een paardenhouderij met ondergeschikte nevenactiviteiten en niet, zoals verweerder bij het bestreden besluit en in het verweerschrift heeft aangenomen, een paardenfokkerij.

3.2 Verweerder stelt zich op het standpunt dat het begrip agrarisch bedrijf zo ruim moet worden uitgelegd dat daaronder ook een paardenhouderij als hier in geding moet worden begrepen en verwijst daarbij naar pagina 21 van de plantoelichting, waarin de reactie van het Landbouwschap op de begripsbepalingen in het ontwerpbestemmingsplan is weergegeven. Het Landbouwschap heeft blijkens die weergave aangegeven dat normaliter onder het begrip agrarisch bedrijf tevens wordt verstaan een paardenfokkerij en dat het het Landbouwschap niet duidelijk is, waarom het houden van enkele paarden moet worden uitgezonderd. De reactie van de gemeente is daarop volgens de plantoelichting geweest dat de uitzondering voor paardenfokkerij en paardenhouderij is vervallen.

3.3 In de begripsbepalingen van het bestemmingsplan is omschreven dat onder agrarisch bedrijf o.a. een veehouderij wordt verstaan. Het begrip veehouderij is volgens het normale spraakgebruik synoniem aan het begrip veeteelt. Een veeteeltbedrijf dient te zijn gericht op de voortbrenging van agrarische producten, bijvoorbeeld op het fokken van paarden en andersoortig vee.

Nu de begripsbepalingen uit het bestemmingsplan naar het oordeel van de rechtbank duidelijk zijn wordt aan een uitleg conform de bedoeling van de planwetgever zoals die blijkt uit de toelichting op het bestemmingsplan niet toegekomen. Daarbij wordt opgemerkt dat uit de toelichting ook niet blijkt dat de planwetgever iets anders heeft beoogd dan in navolging van de opmerking van het Landbouwschap het begrip veehouderij te definiëren overeenkomstig hetgeen daar in het normale spraakgebruik onder wordt verstaan. De rechtbank ziet in de opmerking van het Landbouwschap over het niet verbieden van het houden van enkele paarden niets anders dan dat het Landbouwschap heeft bedoeld dat het agrariërs niet verboden moet zijn naast hun agrarische bedrijf er een paar hobbypaarden op na te houden als ondergeschikte nevenactiviteit.

De rechtbank stelt vast dat de in geding zijnde bouwwerken worden gebruikt voor het houden en trainen van (meer dan enkele) paarden als hoofdactiviteit. Het hobbymatig houden van 1 fokmerrie maakt dit niet anders. Derhalve moet worden geoordeeld dat het bouwplan niet ten dienste staat van een agrarisch bedrijf in de zin van de voorschriften.

De rechtbank wijst erop, dat zij bovenstaande interpretatie van het bestemmingsplan met betrekking tot paardenhouderij en –fokkerij ook reeds heeft uitgesproken in de zaak AWB 03/833 waarin een vorige exploitant voor Ringdijk 5 bouwvergunning werd geweigerd, omdat toen evenmin bleek van paarden fokken als hoofdactiviteit. Die uitspraak van 23 december 2003 staat in rechte vast.

3.4 Uit het voorgaande volgt dat de bouwvergunning in strijd met artikel 44, aanhef en onder c, van de Woningwet is verleend. Het beroep is gegrond. De rechtbank zal de bestreden besluiten van 24 december 2010 vernietigen. Dit betekent dat verweerder de bezwarenprocedure moet hervatten en opnieuw moet beslissen op de bezwaren van eisers I en II. Daarbij dient verweerder te bezien of de aanvraag voor de bouwvergunning moet worden beschouwd als een verzoek om ontheffing van het bestemmingsplan, gezien het gebruik.

Wanneer dit het geval is, kan verweerder besluiten of hij de ontheffingsprocedure wil volgen om de strijd met het bestemmingsplan op te heffen, zodat de bij het besluit van 29 september 2010 verleende bouwvergunning kan worden gehandhaafd. Indien verweerder besluit de ontheffingsprocedure niet te volgen, dient hij het besluit van 14 september 2010 te herroepen.

Ter voorlichting van eisers merkt de rechtbank op, dat handhaving en een dwangsom in dit geding niet aan de orde zijn, omdat het bestreden besluit alleen over de bouwvergunning gaat.

3.5 Omdat er een grond was om de gevraagde bouwvergunning te weigeren, komt de rechtbank niet meer toe aan eisers grief dat verweerder de bouwaanvraag ten onrechte niet heeft aangehouden op grond van artikel 52, eerste lid, van de Woningwet.

4. Het beroep van eiser I en eiser II wordt gegrond verklaard.

5. Verweerder wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht veroordeeld in de door eiser I gemaakte proceskosten, bestaande uit verletkosten (€ 80,-), verschotten

(€ 14,-, kopieer en verzendkosten), en reiskosten (€11,60, berekend naar het tarief per openbaar vervoer, laagste klasse).

Beslissing

De rechtbank:

-verklaart het beroep van eiser III ongegrond;

-verkaart het beroep van eisers I en II gegrond;

-vernietigt het bestreden besluit voorzover betrekking hebbend op de bezwaren van eiser I en II;

-draagt verweerder op een nieuw besluit op de bezwaren van eiser I en II te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

-bepaalt dat verweerder aan eiser I en II het door hen betaalde griffierecht ten bedrage van € 150,-vergoedt;

-veroordeelt verweerder in de proceskosten van het geding ten bedrage van € 105,60 te voldoen aan eiser I.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.E.C. van Rijckevorsel-Besier, rechter, en door haar en mr. A. Landstra als griffier ondertekend. Uitgesproken in het openbaar op

Afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat voor een belanghebbende en het bestuursorgaan hoger beroep open. Dit dient te worden ingesteld binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak door een beroepschrift en een kopie van deze uitspraak te zenden aan de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag