Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2012:BW0375

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
08-03-2012
Datum publicatie
29-03-2012
Zaaknummer
Awb 11/1797
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Oplegging eigen bijdrage voor in bruikleen verstrekte scootmobiel; besluit in primo berust niet op een bevoegd gegeven algemeen verbindend voorschrift; beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Sector Bestuursrecht

Registratienummer: Awb 11/1797

uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen

[eiser],

wonende te Hardenberg, eiser,

en

het college van burgemeester en wethouders van Hardenberg,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 30 december 2010 heeft verweerder eiser bericht dat vanaf 1 juli 2011 een eigen bijdrage wordt geheven voor de hem eerder in bruikleen verstrekte scootmobiel. Daarnaast moet hij een bedrag betalen voor onderhoud en verzekering; voor een scootmobiel vastgesteld op € 20,00 per vier weken.

Tegen dit besluit heeft eiser op 7 februari 2011 bezwaar gemaakt.

Op 31 augustus 2011 heeft eiser beroep ingesteld in verband met het uitblijven van een besluit op zijn bezwaarschrift.

Bij besluit van 23 augustus 2011, verzonden 29 augustus 2011 heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Bij brief van 14 september is aan eiser meegedeeld dat het beroep ingevolge artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (verder: Awb), mede is gericht tegen het besluit van 23 augustus 2011.

Het beroep is ter zitting van 1 november 2011 behandeld. Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door Ö. Nijmeijer en mr. E. Boersma.

Overwegingen

1. Aan de gedingstukken en het verhandelde ter zitting ontleent de rechtbank de volgende feiten en omstandigheden.

1.2. Bij besluit van 13 oktober 2008 is aan eiser een scootmobiel in bruikleen verstrekt. In het besluit staat vermeld dat eiser hiervoor geen eigen bijdrage hoeft te betalen. Op

25 september 2008 hebben eiser en verweerder een bruikleenovereenkomst getekend.

1.3. Blijkens het besluit van 30 december 2011 zal de eigen bijdrage via het Centraal Administratiekantoor (CAK) in rekening worden gebracht. De periode waarover eiser een eigen bijdrage verschuldigd is, is drie jaar, en bedraagt maximaal de vastgestelde restwaarde. De restwaarde voor de scootmobiel is bepaald op € 1000,--. Daarnaast dient eiser voor een scootmobiel doorlopend een bedrag te betalen voor onderhoud en verzekering van de voorziening. Dit geldt ook voor de traplift en tillift die hij in bruikleen heeft.

1.4. Bij het bestreden besluit heeft verweerder, in afwijking van het advies van de Adviescommissie Bezwaarschriften, de bezwaren van eiser ongegrond verklaard.

2. De van toepassing zijnde regelgeving

2.1. Artikel 15 van de Wet maatschappelijke ondersteuning (verder: Wmo) bepaalt:

1. De gemeenteraad kan bij verordening bepalen dat een persoon van 18 jaren of ouder aan wie maatschappelijke ondersteuning is verleend, voor zover die ondersteuning bestaat uit het verlenen van een individuele voorziening of een persoonsgebonden budget en niet bestaat uit een aan hem verleende financiële tegemoetkoming, een eigen bijdrage is verschuldigd.

2. De hoogte van de eigen bijdrage kan voor de verschillende soorten van maatschappelijke ondersteuning verschillend worden vastgesteld en mede afhankelijk gesteld worden van het inkomen van degene aan wie maatschappelijke ondersteuning is verleend en van zijn echtgenoot.

3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de eigen bijdrage.

Deze regels zijn gesteld in het Besluit maatschappelijke ondersteuning (verder: het Besluit) van 2 oktober 2006 (Stb. 2006, 450).

2.2. Aan artikel 15, eerste lid, van de Wmo is uitvoering gegeven door vaststelling van de

Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente Hardenberg 2011 (verder: de Verordening), zoals van toepassing in dit geschil.

Artikel 5 van de Verordening luidt:

1. a. Bij het verstrekken van een individuele voorziening in natura of in de vorm van een persoonsgebonden budget is de aanvrager een eigen bijdrage verschuldigd;.

b. Bij het verstrekken van een individuele voorziening in de vorm van een financiële tegemoetkoming is een eigen aandeel verschuldigd.

2. Voor de vaststelling van de hoogte en de duur van de eigen bijdrage en het eigen aandeel worden de bedragen, percentages en de duur, genoemd in hoofdstuk IV van het Besluit maatschappelijke ondersteuning ongewijzigd overgenomen, waarbij de maximale grenzen worden gehanteerd.

2.3. De toelichting op artikel 5 van de Verordening luidt:

“Artikel 15 van de wet biedt de mogelijkheid bij verstrekking van voorzieningen in natura of een persoonsgebonden budget eigen bijdragen te vragen. Artikel 19 van de wet biedt de mogelijkheid de hoogte van financiële tegemoetkomingen af te stemmen op het inkomen van degene aan wie maatschappelijke ondersteuning wordt verleend: het zogeheten eigen aandeel. In dit artikel stelt de raad vast van deze mogelijkheid gebruik te maken, zoals opgedragen in artikel 15, lid 1 van de wet. Voor de vaststelling van de hoogte en duur van de eigen bijdrage en het eigen aandeel wordt aangesloten bij het (landelijk) Besluit maatschappelijke ondersteuning. Door deze bepaling zo in de verordening op te nemen, wordt voorkomen dat telkens bij een wijziging van de bedragen, genoemd in het Besluit de gemeenteraad opnieuw de verordening moet vaststellen. Het opnemen van deze bepaling in het financieel besluit lijkt, gelet op een recente rechtelijke uitspraak niet juist. De rechter constateert dat de wet geen ruimte laat voor delegatie van deze bevoegdheid aan het college”.

2.4. In de artikelen 3.1 tot en met 3.12 van het Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Hardenberg juli 2011 is de omvang van de eigen bijdrage nader geregeld.

3. De rechtbank overweegt het volgende.

3.1. Ter zitting heeft eiser bevestigd dat zijn beroep zich niet richt tegen de bepalingen die in de Verordening zijn opgenomen, in welk geval immers het bepaalde in artikel 8:2 van de Awb aan de ontvankelijkheid van zijn beroep in de weg zou staan. Eisers beroep richt zich tegen het besluit van 29 augustus 2011 waarin is bevestigd dat eiser vanaf 1 juli 2011 een eigen bijdrage verschuldigd is voor de hem op grond van de Wmo verstrekte voorzieningen. Over de exacte hoogte en de duur van de eigen bijdrage geeft het besluit geen uitsluitsel. De rechtbank overweegt ambtshalve dat het primaire besluit van 30 december 2010 een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb betreft, ook al moet nog nadere besluitvorming door het CAK plaatsvinden met betrekking tot de hoogte en de duur van de eigen bijdrage. De beslissing van verweerder per 1 juli 2011 een eigen bijdrage op te leggen brengt een wijziging in de rechtsverhouding met eiser. Verweerder heeft eiser dan ook terecht ontvankelijk verklaard in zijn bezwaar.

3.2. Ter zitting heeft eiser aangegeven dat hij met zijn beroep niet beoogt alsnog naleving van de bruikleenovereenkomst te vorderen. Mitsdien is eiser ontvankelijk in zijn beroep.

3.3. Eiser heeft betoogd dat verweerder niet bevoegd is een eigen bijdrage op te leggen, omdat de scootmobiel hem door verweerder in bruikleen is verstrekt en bruikleen ingevolge artikel 7a:1777 van het Burgerlijk Wetboek plaatsvindt om niet. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat ook bij een bruikleenovereenkomst een eigen bijdrage is toegestaan.

3.4 Naar het oordeel van de rechtbank wordt de rechtsverhouding tussen verweerder en eiser beheerst door de Wmo, als gevolg van het publiekrechtelijk besluit van verweerder eiser maatschappelijke ondersteuning te verlenen. De voorwaarden waaronder de voorziening wordt verleend zijn weliswaar neergelegd in een overeenkomst, maar zijn aan te merken als voorwaarden dan wel voorschriften die zijn verbonden aan het besluit tot verstrekking van de scootmobiel. Deze zijn met het bestreden besluit gewijzigd. Van een privaatrechtelijke overeenkomst is daarom geen sprake.

3.5. De vraag of verweerder bevoegd was een eigen bijdrage op te leggen beantwoordt de rechtbank ontkennend, om de volgende redenen.

3.5.1. De rechtbank stelt vast dat op 1 juli 2011, de datum met ingang waarvan verweerder een eigen bijdrage oplegt, de Verordening (2011) van toepassing is.

In artikel 5 van de Verordening is door de raad bepaald dat een eigen bijdrage wordt verlangd. In het tweede lid van artikel 5 wordt voor de hoogte van de eigen bijdrage verwezen naar de kaderstelling in hoofdstuk IV van het Besluit en aangesloten bij het daar gegeven maximum. Een opdracht aan het college om bij nadere regeling algemeen verbindende normen te geven over de hoogte van de eigen bijdragen is hierin niet opgenomen. Blijkens de toelichting op artikel 5 van de Verordening is daarvan ook bewust afgezien, omdat in de rechtspraak tot dat moment aan de formulering “bij verordening” in artikel 15 van de WMO werd aangenomen dat delegatie van de bevoegdheid tot het stellen van regels met betrekking tot de eigen bijdrage aan het college niet mogelijk zou zijn. Later heeft de Centrale Raad van Beroep (verder: CRvB), genoemd artikel interpreterend, beslist dat in dit geval “bij verordening” dient te worden verstaan als “bij of krachtens verordening”, zodat volgens de CRvB delegatie wel degelijk mogelijk was. Na deze uitspraak van de hoogste rechter is de Verordening niet aangevuld met een bepaling waarin aan het college alsnog de opdracht is gegeven om nadere regels te stellen. Het college is dus niet bevoegd geworden om regels inzake de eigen bijdrage op te nemen in het Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Hardenberg juli 2011. Nu het opleggen van de eigen bijdrage blijkens de overwegingen in het bestreden besluit berust op de nadere regels van het college, berust het besluit in primo, dat in het bestreden besluit is gehandhaafd, niet op een bevoegd gegeven algemeen verbindend voorschrift. Het bestreden besluit kan wegens strijd met de wet dan ook niet in stand blijven.

3.5.2. De rechtbank overweegt voorts dat ook artikel 4.4. van het Besluit in de situatie van eiser aan het opleggen van een eigen bijdrage in de weg staat. Hierin is immers bepaald dat de eigen bijdrage niet wordt opgelegd voor zover binnen twee jaar na aanvang van de maatschappelijke ondersteuning voor de te betalen eigen bijdrage geen beschikking dan wel voorlopige beschikking tot vaststelling van deze bijdrage is verzonden. De scootmobiel is in 2008 aan eiser verstrekt, zodat de termijn van twee jaar ten tijde van het besluit in primo ruim was verstreken. Van een proces van voortdurende verstrekking, zoals namens verweerder ter zitting gemotiveerd, is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake.

3.5.3. Nu reeds in verband met het voorgaande het beroep gegrond wordt verklaard, laat de rechtbank de overige gronden van beroep onbesproken.

4. Gelet op het belang van een spoedige finale geschilbeslechting ziet de rechtbank aanleiding om in dit geval zelf in te zaak te voorzien en het primaire besluit van

30 december 2010, waarbij is meegedeeld dat eiser een eigen bijdrage verschuldigd is, te herroepen. Verder zal de rechtbank bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit, zodat verweerder geen nieuw besluit op bezwaar behoeft te nemen.

Verweerder dient het door eiser betaalde griffierecht te vergoeden.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de rechtbank geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- herroept het besluit van 30 december 2010; en

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het bestreden besluit.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.H. Banda, voorzitter, mr. W.P.M. Elderman en mr. M. van Bruggen, rechters, en door de voorzitter en mr. F. Ernens als griffier ondertekend. Uitgesproken in het openbaar op

Afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat voor een belanghebbende en het bestuursorgaan hoger beroep open. Dit dient te worden ingesteld binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak door een beroepschrift en een kopie van deze uitspraak te zenden aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.