Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2012:BW0288

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
28-03-2012
Datum publicatie
29-03-2012
Zaaknummer
Awb 12?2010
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft in redelijkheid gevraagde omgevingsvergunning ten behoeve van het in gebruik hebben van een onbemand tankstation te Schalkhaar vanwege bescherming van het milieu geweigerd; beroep ongegrond.

Wetsverwijzingen
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht 2.1
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht 2.14
Besluit omgevingsrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2012/531
Omgevingsvergunning in de praktijk 2012/2882

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Sector Bestuursrecht

Registratienummer: Awb 11/2010

uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen

Tinq Nederland B.V.,

gevestigd te Sliedrecht, eiseres,

gemachtigde: E.M. Uittenbosch, te Harderwijk,

en

het college van burgemeester en wethouders van Deventer,

verweerder,

(…),

wonende te Schalkhaar, belanghebbende.

Procesverloop

Bij besluit van 15 augustus 2011 heeft verweerder geweigerd om eiseres een omgevingsvergunning te verlenen ten behoeve van het gedurende 24 uur per dag en 7 dagen per week in gebruik hebben van een onbemand tankstation op het perceel Oerdijk 64a te Schalkhaar.

Bij brief van 21 september 2011 heeft eiseres tegen dit besluit beroep ingesteld.

De rechtbank heeft desgevraagd A. de Haan te Schalkhaar, hierna te noemen belanghebbende, in de gelegenheid gesteld om als belanghebbende partij deel te nemen aan dit geding.

Het beroep is ter zitting van 15 februari 2012 behandeld. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door E.M. Uittenbosch, directeur, en drs. V. Vörch. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H.L. Brussee, H. Beuvink, H. Bisseling en P. de Gooijer. Belanghebbende is in persoon verschenen.

Overwegingen

Eiseres exploiteert een tankstation aan de Oerdijk 64a te Schalkhaar. Vanuit een op het terrein bij dit tankstation gelegen garage wordt tijdens de openingstijden van deze garage toezicht gehouden op het tankstation. De dichtstbijzijnde woning bevindt zich op een afstand van 6½ meter van de afleverzuil aan de zuidzijde van het tankstation.

Eiseres heeft een omgevingsvergunning aangevraagd ten behoeve van het gedurende 24 uur per dag en 7 dagen per week in gebruik hebben van een onbemand tankstation op dit perceel. Bij deze aanvraag heeft eiseres onder meer een notitie d.d. 9 maart 2011 van Adviesgroep AVIV B.B. (AVIV) overgelegd.

In de zienswijze van 15 juni 2011 heeft eiseres subsidiair verzocht om de omgevingsvergunning voor deze activiteit te verlenen voor de periode van 07.00 uur tot 21.00 uur.

Ingevolge het bepaalde in artikel 3.10, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsvergunning (Wabo) jo. artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wabo is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van toepassing op aanvragen om verlening van een omgevingsvergunning voor het oprichten, veranderen of in werking hebben van een inrichting. Ingevolge het bepaalde in artikel 7:1, eerste lid, aanhef en onder d, van de Awb moet tegen een met afdeling 3.4 van de Awb voorbereid besluit rechtstreeks beroep worden ingesteld.

Artikel 1.1, derde lid, van de Wabo bepaalt, voor zover hier van belang, dat bij of krachtens algemene maatregel van bestuur categorieën inrichtingen worden aangewezen als bedoeld in artikel 1.1, vierde lid, van de Wet milieubeheer, waarvan het oprichten, het veranderen of veranderen van de werking of het in werking hebben moet worden onderworpen aan een voorafgaande toetsing, gezien de aard en de omvang van de nadelige gevolgen die de inrichtingen voor het milieu kunnen veroorzaken. In artikel 1.1, vierde lid, eerste volzin, van de Wet milieubeheer is bepaald dat elders in de Wet milieubeheer en de daarop berustende bepalingen onder inrichting wordt verstaan een inrichting, behorende tot een categorie die krachtens het derde lid is aangewezen. Artikel 1.1, derde lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat bij algemene maatregel van bestuur categorieën inrichtingen worden aangewezen, die nadelige gevolgen voor het milieu kunnen veroorzaken.

Artikel 2.1, eerste lid, van het Besluit omgevingsrecht (Bor) bepaalt dat als categorieën inrichtingen als bedoeld in artikel 1.1, derde lid, van de Wet milieubeheer worden aangewezen de categorieën inrichtingen in bijlage I, onderdeel B en onderdeel C. Artikel 2.1, tweede lid, van het Bor bepaalt dat als categorieën vergunningplichtige inrichtingen worden aangewezen de categorieën inrichtingen waartoe een gpbv-installatie behoort en de categorieën inrichtingen die als zodanig zijn aangewezen in bijlage I, onderdeel B en onderdeel C.

In bijlage I, categorie 5.4, onder e, bij het Bor wordt als categorie vergunningplichtige inrichtingen als bedoeld in artikel 2.1, tweede lid, van het Bor aangewezen:

het afleveren van vloeibare brandstoffen ten behoeve van openbare verkoop voor motorvoertuigen voor het wegverkeer door een afleverzuil waar aflevering zonder direct toezicht mogelijk is en er minder dan 20 meter afstand is tussen de afleverzuil en een woning van derden, sporthal, zwembad, winkel, hotel, restaurant, kantoorgebouw, bedrijfsgebouw, speeltuin, sportveld, camping, volkstuinencomplex, recreatieterrein, bejaardenoord, verpleeginrichting, ziekenhuis, sanatorium, zwakzinnigeninrichting, gezinsvervangend tehuis, school, telefooncentrale, gebouw met vluchtleidingsapparatuur, elektriciteitscentrale, hoofdschakelstation van de hoofdspoorweginfrastructuur, bedoeld in de Spoorwegwet, object met een hoge infrastructurele waarde, installatie en bovengrondse opslagtank voor brandbare, explosieve of giftige stoffen, en een plaats ten behoeve van de bewaring van gasflessen waarvan de gezamenlijke inhoud meer dan 2.500 liter (waterinhoud) bedraagt van derden.

Categorie 5.4, onder e, van bijlage I bij het Bor is in dit geval van toepassing, omdat de afstand van de afleverzuil tot de dichtstbijzijnde woning van een derde minder dan 20 meter bedraagt en eiseres een afleverzuil voor de openbare verkoop van brandstof voor motorvoertuigen, zonder direct toezicht, wil realiseren. Deze activiteit is dan ook omgevingsvergunningplichtig.

Ingevolge het bepaalde in artikel 2.14, derde lid, van de Wabo kan de omgevingsvergunning voor een dergelijke activiteit slechts geweigerd worden in het belang van de bescherming van het milieu.

Verweerder heeft de aangevraagde omgevingsvergunning geweigerd, omdat deze activiteit ter plaatse een te groot risico oplevert voor de externe veiligheid en omdat dit leidt tot een te hoge mate van geluidhinder.

Eiseres stelt zich op het standpunt dat onvoldoende gemotiveerd is waarom de omgevingsvergunning in het belang van de bescherming van het milieu is geweigerd. Verweerder had eiseres, als verlening van een omgevingsvergunning voor 24 uur per dag vanwege geluidhinder niet mogelijk was, een omgevingsvergunning voor de periode van 7.00 uur tot 21.00 uur moeten verlenen.

De rechtbank stelt voorop dat artikel 2.14, derde lid, van de Wabo aan verweerder een zekere beoordelingsruimte laat bij de bepaling of een vergunning al dan niet in het belang van de bescherming van het milieu dient te worden geweigerd. Wel dient de besluitvorming te voldoen aan de wettelijke eisen en aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.

Verweerder heeft zich voor wat betreft de risico’s in geval van een vloeistofplasbrand op het terrein van het tankstation in redelijkheid kunnen baseren op het onderzoek van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM), van 9 mei 2011. Het RIVM is een onafhankelijke instantie, die deskundig is voor wat betreft het berekenen van dit soort risico’s, wat eiseres ook niet betwist. Het RIVM mocht, bij gebreke aan een wettelijke norm voor warmtebelasting, bij het berekenen van het risico in geval van een vloeistofplasbrand uitgaan van het 10 kW/m²-criterium, welke criterium maatgevend is voor 1% kans op overlijden bij 20 seconden blootstelling. Dit criterium wordt onder deskundigen algemeen aanvaard en als zodanig gehanteerd. De rechtbank is van oordeel dat het RIVM zich op zorgvuldige wijze een beeld heeft gevormd van de situatie ter plaatse. Zo is een feitelijke onjuistheid in de gegevens die in eerste instantie door AVIV namens eiseres waren aangedragen, namelijk de door AVIV veronderstelde aanwezigheid van een molgoot aan de zuidzijde van het pompeiland, ten gevolge van dit onderzoek gecorrigeerd. Blijkens het onderzoek door het RIVM wordt aan de zuidzijde van het perceel, zelfs in het geval zich daar een vloeistofplasbrand van niet meer dan 1 m² zou voordoen, in geval van een vloeistofplasbrand niet voldaan aan het 10 kW/m²-criterium.

De resultaten van het onderzoek door het RIVM worden bevestigd door het nader onderzoek door medewerkers van de gemeente Deventer, op 18 oktober 2011, waarbij een volle emmer water werd uitgestort aan de zuidzijde van het pompeiland en gebleken is dat zich aan de zuidzijde van het pompeiland een grote plas vormde, die ook binnen enkele minuten niet afwaterde naar de noordkant van het perceel. Als toezichthouder mocht verweerder dit onderzoek laten verrichten. Dat belanghebbenden, waaronder eiseres, niet in de gelegenheid zijn gesteld om bij dit onderzoek aanwezig te zijn, doet niet af aan de waarde van de test. Het uitgangspunt van het RIVM, dat de mogelijkheid van het ontstaan van een vloeistofplas aan de zuidzijde reëel is, wordt hierdoor bevestigd. Aannemelijk is dat de resultaten van de met water uitgevoerde test toepasbaar zijn op gelekte brandstoffen.

Eiseres heeft tegen het onderzoek van het RIVM geen deskundig tegenadvies overgelegd. Aan de enkele stelling van eiseres dat het risico door het RIVM verkeerd is ingeschat komt dan ook geen betekenis toe.

Of het risico op het ontstaan van een vloeistofplas aan de zuidzijde van het perceel tot een aanvaardbaar niveau kan worden teruggebracht door het treffen van aanvullende maatregelen, behoefde verweerder niet uit eigen beweging te onderzoeken. Verweerder mocht uitgaan van de aanvraag zoals deze door eiseres was ingediend. Het lag op de weg van eiseres om zelf voorstellen te doen voor aanpassingen waarmee dit risico tot een aanvaardbaar niveau kon worden teruggebracht.

De rechtbank is van oordeel dat de omstandigheid dat de kans dat een dergelijke brand zich voordoet in de praktijk klein is, voor verweerder geen reden hoefde te vormen om niet vast te houden aan het 10 kW/m²-criterium. Dit criterium wordt immers juist gehanteerd voor de beoordeling van het veiligheidsrisico in het geval zich een dergelijke calamiteit voordoet. De omstandigheid dat een calamiteit zich ook kan voordoen bij een bemand tankstation leidt niet tot een ander oordeel. De kans op een dergelijke calamiteit is bij een onbemand tankstation groter. Zo is bij een onbemand tankstation geen sprake van toezicht. Verder is bij een onbemand tankstation dat geopend is, anders dan bij een tankstation dat gesloten is, de hoeveelheid brandstof die kan vrijkomen niet beperkt tot de slanginhoud.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder, gelet op het gevaar voor de externe veiligheid in geval van een vloeistofplasbrand, in redelijkheid heeft kunnen weigeren om een omgevingsvergunning voor deze activiteit te verlenen.

Ten aanzien van de weigeringsgrond geluidhinder stelt de rechtbank vast dat tussen partijen niet in geschil is dat de geluidbelasting te hoog is voor het in gebruik hebben van een onbemand tankstation op deze locatie gedurende 24 uur per dag en 7 dagen per week.

De rechtbank laat de vraag of het aspect geluidhinder, al dan niet na aanpassingen, in de weg behoort te staan aan verlening van een omgevingsvergunning voor deze activiteit voor de periode van 7.00 uur tot 21.00 uur onbesproken, nu gelet op hetgeen is overwogen met betrekking tot het aspect externe veiligheid reeds vaststaat dat verweerder deze vergunning, ook voor de periode van 7.00 uur tot 21.00 uur, in redelijkheid heeft kunnen weigeren. Vast staat immers dat de bij het tankstation gelegen garage niet dagelijks is geopend gedurende die periode.

Hetgeen eiseres overigens heeft aangevoerd kan evenmin leiden tot vernietiging van het bestreden besluit.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder in redelijkheid de gevraagde omgevingsvergunning heeft kunnen weigeren, vanwege het belang van de bescherming van het milieu.

Uit het voorgaande volgt dat het bestreden besluit de rechterlijke toets doorstaat.

Het beroep is daarom ongegrond.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

-verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.J.B. Cornelissen, voorzitter, mr. A.L.M. Steinebach-de Wit en mr. S.A. van Hoof, rechters, en door de voorzitter en mr. A. van der Weij als griffier ondertekend. Uitgesproken in het openbaar op

Afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat voor een belanghebbende en het bestuursorgaan hoger beroep open. Dit dient te worden ingesteld binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak door een beroepschrift en een kopie van deze uitspraak te zenden aan de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag.

U kunt ook digitaal hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Kijk op www.raadvanstate.nl voor meer informatie over het indienen van digitaal beroep