Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2012:BW0088

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
26-03-2012
Datum publicatie
27-03-2012
Zaaknummer
07/700113-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank veroordeelt verdacht tot een geldboete van €19.000,- voor een bedrijfsongeval waarbij een medewerker is overleden. De verdachte heeft geen doeltreffende maatregelen genomen om het ongeval te voorkomen en heeft hierdoor een bepaling overtreden die tot stand is gekomen om de veiligheid en gezondheid van werknemers te waarborgen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE - LELYSTAD

Sector Strafrecht - Meervoudige Economische Strafkamer

Parketnummer: 07/700113-10

Uitspraak: 26 maart 2012

Vonnis in de zaak van:

het openbaar ministerie

tegen

[verdachte] BOUWBEDRIJF B.V.,

gevestigd te [adres].

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 12 maart 2012 te Zwolle.

Namens verdachte is de heer J. Theunis verschenen, bijgestaan door mr. D.J.P. Barneveld, advocaat te Arnhem.

De officier van justitie, mr. A.E.M. Doedens, heeft ter terechtzitting gevorderd verdachte te veroordelen tot betaling van een geldboete van € 19.000,00 waarvan € 9.000,00 voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.

TENLASTELEGGING

De verdachte is ten laste gelegd dat:

zij op of omstreeks 15 juli 2010 in de gemeente Arnhem en/of de gemeente Zwolle en/of elders in Nederland, als werkgeefster handelingen heeft verricht en/of heeft nagelaten in strijd met de Arbeidsomstandighedenwet 1998 en/of de daarop rustende bepalingen, te weten in strijd met artikel 3.17 van het Arbeidsomstandighedenbesluit, namelijk hebben één of meer werknemers van haar, verdachte, op een bouwlocatie aan de [straat] in [plaats] arbeid verricht, bestaande in het slopen en/of renoveren van/in een pand aan die [straat], terwijl toen aldaar het gevaar bestond dat die werknemer(s) werd(en) getroffen en/of geraakt door voorwerpen en/of producten en/of onderdelen daarvan, dan wel vloeistoffen of gassen en/of het gevaar bestond bekneld te geraken tussen voorwerpen, producten of onderdelen daarvan, dat gevaar niet heeft voorkomen en indien dat niet mogelijk was, niet zoveel mogelijk heeft beperkt, aangezien die werknemer(s) in dat pand werkzaamheden verrichtte(n) onder en/of nabij een trap, welke trap gedeeltelijk was los gezaagd en/of los geboord en was die trap niet voorzien van ondersteuningsmateriaal en/of was de ruimte onder en/of nabij die trap niet afgezet en/of gemarkeerd, althans waren er geen, in ieder geval niet afdoende maatregelen getroffen om voornoemd gevaar te voorkomen en/of zoveel mogelijk te beperken, terwijl daardoor, naar zij, verdachte, wist of redelijkerwijs moest weten, levensgevaar en/of ernstige schade aan de gezondheid van één of meer haar werknemers ontstond of te verwachten was.

BEWIJS

Met betrekking tot de toerekenbaarheid overweegt de rechtbank het volgende.

In het Kwaliteit Arbo Milieu-plan (KAM-plan) van 12 juli 2010 staat expliciet omschreven dat het sloopwerk van de trappen en de bordessen aan de [straat] te [plaats] wordt uitbesteed aan een onderaannemer. Uit de verklaring van uitvoerder [naam uitvoerder] volgt dat hij ervoor heeft gekozen om deze sloopwerkzaamheden niet aan een onderaannemer over te laten maar in eigen beheer uit te voeren, hetgeen in strijd is met het KAM-plan. Directeur van verdachte, [naam directeur], bevestigt deze gang van zaken en verklaart tevens dat een uitvoerder de bevoegdheid heeft om dergelijke beslissingen te nemen. Verdachte heeft derhalve het handelen van uitvoerder [naam uitvoerder] aanvaard. Dit leidt er toe dat het handelen dan wel nalaten van deze uitvoerder op de bouwplaats aan de [straat] te [plaats] aan verdachte toegerekend kunnen worden.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder ten laste is gelegd, met dien verstande dat:

zij op 15 juli 2010 in de gemeente [plaats] en de gemeente Zwolle,

als werkgeefster handelingen heeft verricht en/of heeft nagelaten in strijd met de Arbeidsomstandighedenwet 1998 en de daarop rustende bepalingen,

te weten in strijd met artikel 3.17 van het Arbeidsomstandighedenbesluit,

namelijk hebben werknemers van haar, verdachte, op een bouwlocatie aan de [straat] in [plaats] arbeid verricht, bestaande in het slopen of renoveren in een pand aan die [straat],

terwijl toen aldaar het gevaar bestond dat die werknemers werden getroffen of geraakt door voorwerpen of producten of onderdelen daarvan, en het gevaar bestond bekneld te geraken tussen voorwerpen, producten of onderdelen daarvan, dat gevaar niet heeft voorkomen en indien dat niet mogelijk was, niet zoveel mogelijk heeft beperkt, aangezien die werknemers in dat pand werkzaamheden verrichtten onder en nabij een trap,

welke trap gedeeltelijk was losgezaagd en losgeboord en niet voorzien van ondersteuningsmateriaal en de ruimte onder en nabij die trap niet was afgezet en gemarkeerd,

terwijl daardoor, naar zij, verdachte, redelijkerwijs moest weten, levensgevaar en ernstige schade aan de gezondheid van één of meer haar werknemers ontstond of te verwachten was.

Van hetgeen meer of anders ten laste gelegde zal de verdachte worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet wettig en overtuigend bewezen acht.

STRAFBAARHEID

Het bewezene levert op:

overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 32 van de Arbeidsomstandighedenwet, begaan door een rechtspersoon.

De verdachte is deswege strafbaar, nu geen feiten of omstandigheden gebleken zijn die die strafbaarheid zouden opheffen of uitsluiten.

OPLEGGING VAN STRAF OF MAATREGEL

Het rechtbank heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de aard en ernst van het feit en de omstandigheden waaronder het feit is begaan. Daarbij heeft de rechtbank in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen.

Op 15 juli 2010 heeft er een bedrijfsongeval plaatsgevonden op een bouwplaats aan de [straat] te [plaats] waarbij [slachtoffer], werknemer van verdachte, om het leven is gekomen. Tijdens zijn werkzaamheden op een trap, brak geheel onverwachts een betonnen trap boven hem doormidden en viel in twee stukken op hem. Het onderste deel van de trap kwam op het onderlichaam van [slachtoffer] terecht en het bovenste deel viel verticaal op hem. Hij is ter plaatse overleden aan zijn verwondingen. Een andere werknemer van verdachte, [slachtoffer B], is door de trap geschampt en liep hierbij lichte verwondingen op. Verdachte heeft geen doeltreffende maatregelen genomen om dit ongeval te voorkomen en heeft hierdoor een bepaling overtreden die tot stand is gekomen om de veiligheid en gezondheid van werknemers te waarborgen. De rechtbank rekent dit verdachte aan, waarbij zij, met betrekking tot de mate waarin, in aanmerking neemt dat, zo is uit de stukken gebleken, meerdere alternatieve mogelijkheden voorhanden waren om beschermende maatregelen te treffen, zoals het plaatsen van onderstempeling onder de trap, hetgeen met de bordessen wel was gebeurd, het afzetten van de trap met linten of het – ter borging - alvast in de stroppen hangen van de trap in afwachting van het definitief loszagen van de laatste gedeelten waarmee de trap nog vastzat aan de muur/bordes. Dergelijke maatregelen zijn echter achterwege gebleven. Terwijl de trap, in vrijwel geheel losgezaagde en losgeboorde toestand, op scherp stond en aldus een groot gevaar vormde, is verdachte ervan uitgegaan dat deze het nog wel zou houden, op basis van onjuiste aannames, en heeft verdachte aan [slachtoffer] zelfs toestemming gegeven om onder de fatale trap werkzaamheden te gaan verrichten, hetgeen hem noodlottig is geworden.

De rechtbank is in dit geval van oordeel dat een onvoorwaardelijke geldboete van

€ 19.000,00 noodzakelijk is, omdat aard en ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, door een lichtere strafrechtelijke afdoening van de zaak miskend zouden worden. Anders dan de officier van justitie ziet de rechtbank, met name gelet op de mate waarin verdachte een verwijt wordt gemaakt, geen aanleiding een gedeelte hiervan voorwaardelijk op te leggen als een waarschuwing.

TOEPASSELIJKHEID WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op de artikelen 23, 51, 63 en 91 van het Wetboek van Strafrecht, artikel 32 van de Arbeidsomstandighedenwet, artikel 3.17 van het Arbeidsomstandighedenbesluit en de artikelen 1, 2 en 6 van de Wet op de Economische Delicten.

BESLISSING

Het ten laste gelegde is bewezen zoals hiervoor aangegeven en levert het strafbare feit op, zoals hiervoor vermeld. De verdachte is deswege strafbaar.

Hetgeen meer of anders ten laste gelegde is niet bewezen en de verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 19.000,00.

Aldus gewezen door mr. F. van der Maden, voorzitter, mr. H.H.J. Harmeijer en mr. G.E.A. Neppelenbroek, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S.J. Verheij-de Vries als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 26 maart 2012.

Mr. H.H.J. Harmeijer en mr. G.E.A. Neppelenbroek waren buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.