Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2012:BV9761

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
23-03-2012
Datum publicatie
23-03-2012
Zaaknummer
07.662392-10 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Naar het oordeel van de rechtbank wist verdachte dat binnen de rechtspersoon van zijn echtgenote werd gefraudeerd. De rechtbank wijst er daarbij onder andere op dat verdachte zelf heeft verklaard dat hij boven zijn stand leefde, dat hij van de inkomsten van zijn echtgenote leefde en dat hij en zijn echtgenote riant leefden. Voor verdachte geldt dat niet bewezen is dat hij op dezelfde schaal witgewassen heeft als zijn medeverdachte (LJN: BV9758). Voor hem acht de rechtbank alleen het medeplegen van een gewoonte maken van witwassen ten aanzien van de echtelijke woning en de auto’s bewezen. De rechtbank legt hem een werkstraf van 240 uur op en daarnaast een voorwaardelijke gevangenisstraf van 3 maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Sector strafrecht

Parketnummer: 07.662392-10 (P)

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 23 maart 2012

in de strafzaak tegen

[Verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

wonende te [adres], [plaatsnaam].

1 HET ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg. Het onderzoek ter openbare terechtzitting is aangevangen op 25 maart 2011. Het onderzoek is hervat op 31 mei 2011, 7 juli 2011, 25 oktober 2011, 8 maart 2012 en 9 maart 2012, waarbij verdachte op alle voornoemde data is verschenen. Verdachte werd op 25 maart 2011 bijgestaan door mr. H. Bos, advocaat te Amsterdam, op 31 mei 2011 door

mr. J.P. Plasman, advocaat te Amsterdam en op 7 juli 2011, 25 oktober 2011, 8 maart 2012 en 9 maart 2012 werd verdachte bijgestaan door zowel mr. H. Bos als mr. J.P. Plasman, voornoemd.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. C.J.W.M. Janssen en van de standpunten door de raadslieden van verdachte naar voren gebracht.

2 DE TENLASTELEGGING

De verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 november 2005 tot en met 2 november 2010 in de gemeente [plaatsnaam], althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers heeft hij, verdachte en/of zijn mededader(s) (telkens),

- van onderstaand(e) voorwerp(en), de werkelijke aard en/of herkomst en/of vindplaats en/of vervreemding en/of verplaatsing verborgen en/of verhuld, dan wel verhuld en/of verborgen wie de rechthebbende op dat/die voorwerp(en) is/was en/of dat/die voorwerpen voorhanden heeft/had en/of

- onderstaand(e) voorwerp(en) verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of omgezet of van genoemde voorwerp(en) gebruik gemaakt,

te weten

- een of meer geldbedrag(en) van ongeveer (in totaal 76.191,-- Euro en/of GBP 3.445,00), althans een of meer geldbedrag(en) en/of

- een geldbedrag van ongeveer 167,915,26 Euro (bankrekeningnummer [bankrekeningnummer])

- een grote hoeveelheid sieraden en/of horloge(s) met een waarde van in totaal ongeveer 397.135,-- Euro, in elk geval een grote hoeveelheid sieraden en/of horloge(s) en/of

- een auto van het merk Audi, type A 4 cabriolet en/of

- een auto van het merk Renault, type Megane cabriolet en/of

- een auto van het merk Chrysler, type 300 C en/of

- een woning, gelegen aan de [woning 1] te [plaatsnaam] en/of

- een woning, gelegen aan de [woning 2] te [plaatsnaam] en/of

- een woning gelegen aan de [woning 3] te [plaatsnaam] en/of

- een woning gelegen aan de [woning 4] te [plaatsnaam] en/of

- een woning gelegen aan het [woning 5] te [plaatsnaam] en/of

- een woning gelegen aan het [adres] te [plaatsnaam] en/of

- een woning gelegen aan de [woning 6] te [plaatsnaam],

terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) (telkens) wist(en), althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat dat/die voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf.

3 DE VOORVRAGEN

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 DE BEWIJSMIDDELEN EN DE BEOORDELING DAARVAN

Inleiding

In december 2009 en januari 2010 hebben er in het District Noord van politie Flevoland opsporingsonderzoeken plaatsgevonden naar fraude met persoonsgebonden budgetten (hierna PGB). Om vast te stellen of er mogelijk sprake was van een trend is geverifieerd of er in 2009 aangiften zijn gedaan inzake PGB-fraude. Uit dit onderzoek bleek dat er drie aangiften tegen de rechtspersoon [rechtspersoon] waren gedaan door [cliënt 1], [cliënt 2] en [cliënt 3] van meervoudige fraude met PGB. Uit nader onderzoek bleek dat er sinds 2007 nog twee aangiften van [cliënt 4] en [cliënt 5] en meerdere meldingen waren gedaan tegen de echtgenote van verdachte, te weten [medeverdachte], en [rechtspersoon] B.V..

Op 19 juli 2005 is [rechtspersoon] B.V. opgericht. De statutaire naam [rechtspersoon] B.V. is op 28 mei 2008 veranderd in [rechtspersoon] Beheer B.V. Op 28 mei 2008 is een tweetal nieuwe rechtspersonen opgericht met de statutaire naam [rechtspersoon] B.V. en [rechtspersoon] Onroerend Goed B.V.

Uit de gegevens van de Kamer van Koophandel is gebleken dat [rechtspersoon] Onroerend Goed B.V. de enig aandeelhouder en bestuurder is van [rechtspersoon] B.V. en dat de enig aandeelhouder en bestuurder van [rechtspersoon] Onroerend Goed B.V., [rechtspersoon] Beheer B.V is. Van 19 juli 2005 tot 28 mei 2008 was verdachtes echtgenote enig aandeelhouder en bestuurder van [rechtspersoon] B.V. en vanaf 29 mei 2008 is zij enig aandeelhouder en bestuurder van [rechtspersoon] Beheer B.V..

Verdachte heeft een eenmansbedrijf genaamd [bedrijf].

[cliënt 1] was de eerste cliënte van [rechtspersoon]. Vanaf 22 november 2005 is zij woonachtig geweest in één van de panden van [rechtspersoon] in [plaatsnaam].

Naar aanleiding van de aangiften en het onderzoek is op 2 november 2010 verdachtes echtgenote in haar woning aangehouden. Zij is vervolgens meerdere keren verhoord.

Verdachte is op 18 januari 2011 op het politiebureau aangehouden en in verzekering gesteld en is vervolgens meerdere malen verhoord.

Op onder meer de in de tenlastelegging genoemde voorwerpen is conservatoir beslag gelegd.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat het plegen van gewoontewitwassen kan worden bewezen. Hiertoe is - kort samengevat - aangevoerd dat, behoudens de woningen op het adres [adres] en [woning 1] te [plaatsnaam], alle voorwerpen die in de tenlastelegging worden genoemd zijn verkregen door middel van inkomsten uit [rechtspersoon] en dat een groot deel van die inkomsten is verkregen uit valsheid in geschrift en oplichting. Voorts is aangevoerd dat verdachte wist dat er binnen [rechtspersoon] werd gefraudeerd en derhalve wist dat de in de tenlastelegging genoemde voorwerpen afkomstig waren uit enig misdrijf. De officier van justitie heeft in dit verband gewezen op de verklaring van verdachte zelf, waarin deze heeft aangegeven dat hij boven zijn stand heeft geleefd en dat hij en zijn echtgenote leefden van de inkomsten van zijn echtgenote. Daarbij komt dat verdachte in het verleden heeft verklaard dat zijn echtgenote zou frauderen met geld uit de zorgsector. Voorts acht de officier van justitie het niet aannemelijk dat verdachte de auto van het merk Chrysler grotendeels heeft gefinancierd met gelden die hij uit zijn eigen bedrijf [bedrijf] heeft gespaard, gelet op de geringe omzet die jaarlijks met dat bedrijf werd behaald. Tevens is verdachte op de hoogte van het feit dat in de administratie van [rechtspersoon] met facturen werd gefraudeerd.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft aangevoerd dat er inderdaad sprake is geweest van fiscale onregelmatigheden, maar dat deze inmiddels door de Belastingdienst zijn afgedaan. Verder is erop gewezen dat er ook andere financiële bronnen zijn geweest, waaruit de in de tenlastelegging genoemde goederen zijn aangeschaft. De verdediging heeft zich - zakelijk weergegeven - op het standpunt gesteld dat verdachte niet op de hoogte was van de bedrijfsvoering binnen [rechtspersoon] en derhalve geen wetenschap had van het feit dat de inkomsten van [rechtspersoon] zijn verkregen uit enig misdrijf. De verdediging is dan ook van mening dat verdachte van het hem ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft kennisgenomen van de inhoud van de stukken van het onderliggende strafdossier en van hetgeen bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gebracht.

Naar het oordeel van de rechtbank kan, behoudens de al voor de ten laste gelegde periode aangekochte woning op het adres [woning 1] te [plaatsnaam], worden bewezen dat de in de tenlastelegging genoemde voorwerpen zijn verworven door middel van inkomsten die uit het bedrijf [rechtspersoon] B.V. zijn gegenereerd. De rechtbank wijst in dit verband naar het vonnis in de strafzaak tegen verdachtes echtgenote van heden, waarin de rechtbank heeft geoordeeld dat zij valsheid in geschrift heeft gepleegd en het zorgkantoor heeft opgelicht. Verdachtes echtgenote heeft als feitelijk bestuurder van [rechtspersoon] hiermee op onrechtmatige wijze groot financieel voordeel behaald. Voorts heeft zij verklaard dat er onregelmatigheden in de boekhouding van [rechtspersoon] hebben plaatsgevonden. Met de onrechtmatig verkregen gelden zijn de overige in de tenlastelegging genoemde voorwerpen verworven. Derhalve kan naar het oordeel van de rechtbank worden bewezen dat deze voorwerpen afkomstig waren uit enig misdrijf.

Verdachte heeft ontkend dat hij wist dan wel redelijkerwijs moest vermoeden dat de in de tenlastelegging genoemde voorwerpen afkomstig waren uit enig misdrijf.

Naar het oordeel van de rechtbank wist verdachte echter wel degelijk dat binnen [rechtspersoon] werd gefraudeerd. Verdachte heeft in een periode waarin er problemen in het huwelijk waren immers verklaard dat zijn echtgenote met gelden uit de zorgsector fraudeerde. Dat verdachte destijds heeft gelogen acht de rechtbank niet aannemelijk, nu thans is komen vast te staan dat verdachtes echtgenote in de ten laste gelegde periode fraudeerde met persoongebonden budgetten. Gebleken is dat privékosten en –uitgaven ten laste van [rechtspersoon] werden gebracht. De rechtbank acht het aannemelijk dat verdachte hiervan op de hoogte was. De rechtbank wijst er in dit verband op dat verdachte bijvoorbeeld zelf heeft verklaard dat hij op naam van zijn bedrijf [bedrijf] in opdracht van zijn echtgenote een trolley en een kerstboom heeft gefactureerd aan [rechtspersoon], zodat hij de BTW kon verrekenen. De rechtbank wijst er verder op dat verdachte zelf heeft verklaard dat hij boven zijn stand leefde, dat hij van de inkomsten van zijn echtgenote leefde en dat hij en zijn echtgenote riant leefden. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat verdachte zich bewust is geweest van de mogelijkheid dat de voorwerpen uit enig misdrijf afkomstig waren en de aanmerkelijke kans daarop willens en wetens heeft aanvaard, zodat het opzet op het witwassen in ieder geval in voorwaardelijke vorm aanwezig was.

In de woning van verdachte is geld aangetroffen, te weten € 76.191,- en GBP 3.445,-. Eveneens zijn sieraden en horloges aangetroffen. De echtgenote van verdachte heeft verklaard dat deze voorwerpen in de kluis van [rechtspersoon] lagen en dat verdachte geen toegang tot deze kluis had en het tegendeel is niet komen vast te staan. Naar het oordeel van de rechtbank kan daarom niet worden bewezen dat verdachte deze voorwerpen voorhanden heeft gehad, nu hij geen zeggenschap over deze voorwerpen heeft gehad. Evenmin kan worden bewezen dat verdachte deze goederen heeft verworven, overgedragen, omgezet of daarvan gebruik heeft gemaakt.

Ten aanzien van het in de tenlastelegging genoemde geld op de bankrekening met nummer [bankrekeningnummer] overweegt de rechtbank dat deze bankrekening op naam staat van verdachtes echtgenote. Niet gebleken is dat verdachte tot deze bankrekening was gemachtigd of anderszins feitelijke zeggenschap over deze rekening had. Derhalve kan niet worden bewezen dat verdachte het geld op deze rekening voorhanden heeft gehad. Ook hier kan niet bewezen worden dat verdachte deze goederen heeft verworven, overgedragen, omgezet of daarvan gebruik heeft gemaakt.

Met betrekking tot de in de tenlastelegging genoemde auto’s kan naar het oordeel van de rechtbank worden bewezen dat deze in de ten laste gelegde periode zijn verworven. De rechtbank acht het voorts bewezen dat verdachte deze auto’s heeft verworven, voorhanden heeft gehad en van de auto’s gebruik heeft gemaakt, nu deze van leden van het gezin zijn. De rechtbank merkt hierbij op dat de Chrysler in ieder geval voor een deel is verworven met geld dat verdachte van zijn echtgenote heeft geleend.

Ten aanzien van de woningen op het adres [adres] en [woning 1] te [plaatsnaam] geldt dat zij zijn verworven vóór de in de tenlastelegging genoemde periode. Voor wat betreft de eigen woning op het adres [adres] geldt echter blijkens het rekeningafschrift hypotheek van de Rabobank Flevoland d.d. 22 januari 2010 dat de hypotheek op 20 januari 2010 algeheel is afgelost met een bedrag van € 69.992,00. Derhalve kan worden bewezen dat deze woning in de ten laste gelegde periode hypotheekvrij is gemaakt met uit enig misdrijf afkomstige middelen. Het door de verdachte voorhanden hebben gehad en gebruik hebben gemaakt van die woning dient daarmee naar het oordeel van de rechtbank te worden gekwalificeerd als opzettelijk witwassen.

Met betrekking tot de overige in de tenlastelegging genoemde woningen kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden bewezen, dat verdachte deze voorhanden heeft gehad of deze heeft verworven, overgedragen, omgezet of daarvan gebruik gemaakt, nu hij geen feitelijke zeggenschap over deze woningen heeft gehad. De woningen stonden immers op naam van [rechtspersoon], waarvan zijn echtgenote de feitelijk bestuurder was.

Ten aanzien van het voorhanden hebben en gebruik maken van de eigen woning en de drie auto’s overweegt de rechtbank voorts nog dat verdachte daardoor heeft bijgedragen aan het verbergen van de criminele herkomst van de gelden, waarmee de drie auto’s zijn aangeschaft en waarmee de hypotheek op de eigen woning in 2010 is afgelost.

Uit de afschriften van het kentekenregister blijkt dat de eerste auto, de Renault in januari 2007 op naam van verdachtes echtgenote is komen te staan. De rechtbank zal daarom de periode, waarin het witwassen heeft plaatsgevonden, verkorten.

De rechtbank is voorts van oordeel dat het tezamen en in vereniging plegen van het witwassen van de drie auto’s en de eigen woning kan worden bewezen, nu verdachte en zijn echtgenote deze voorwerpen gezamenlijk voorhanden hebben gehad en hiervan gezamenlijk gebruik hebben gemaakt.

Gelet op de lengte van de periode waarin het plegen van witwassen heeft plaatsgevonden, kan naar het oordeel van de rechtbank worden bewezen dat er sprake was van het een gewoonte maken daarvan.

5 BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat:

hij in de periode van januari 2007 tot en met 2 november 2010 in de gemeente [plaatsnaam] tezamen en in vereniging met een ander van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers heeft hij, verdachte en zijn mededader telkens,

- van onderstaande voorwerpen, de werkelijke herkomst verborgen en verhuld en

- onderstaande voorwerpen verworven en/of voorhanden gehad en/of van genoemde voorwerpen gebruik gemaakt,

te weten

- een auto van het merk Audi, type A 4 cabriolet en

- een auto van het merk Renault, type Megane cabriolet en

- een auto van het merk Chrysler, type 300 C en

- een woning gelegen aan het [adres] te [plaatsnaam]

terwijl verdachte telkens wist dat die voorwerpen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf.

Van het meer of anders ten laste gelegde zal verdachte worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet wettig en overtuigend bewezen acht.

6 KWALIFICATIE

Het bewezene levert op:

medeplegen van een gewoonte maken van witwassen.

7 STRAFBAARHEID

Het feit en verdachte zijn strafbaar, nu geen feiten of omstandigheden zijn gebleken die die strafbaarheid zouden opheffen of uitsluiten.

8 STRAFOPLEGGING

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het door hem bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 240 uren subsidiair 120 dagen hechtenis met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht, alsmede tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie maanden met een proeftijd van twee jaren.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich niet uitgelaten over de op te leggen straf, nu zij vrijspraak van het ten laste gelegde heeft bepleit.

Het oordeel van de rechtbank

Gelet op de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden waaronder verdachte zich daaraan heeft schuldig gemaakt en op de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht de rechtbank de na te noemen beslissing passend.

In het bijzonder overweegt de rechtbank het volgende.

Verdachte heeft een gewoonte gemaakt van het witwassen van geldbedragen en voorwerpen. Door zo te handelen heeft verdachte criminele opbrengsten aan het zicht van justitie onttrokken door daaraan een schijnbaar legale herkomst te verschaffen, waardoor de integriteit van het financiële en economische verkeer is geschonden. Het betreft hier een ernstig strafbaar feit dat over een langere periode is gepleegd.

De rechtbank heeft voor de straftoemeting aansluiting gezocht bij de Richtlijn voor strafvordering sociale zekerheidsfraude van het College van procureurs-generaal d.d. 31 mei 2010. In geval van een benadelingsbedrag van € 100.000,- wordt door het Openbaar Ministerie een gevangenisstraf van 8 maanden dan wel een werkstraf van 240 uur en vier maanden onvoorwaardelijke gevangenisstraf geëist. In het onderhavige geval is een bedrag van circa € 100.000,- witgewassen. De rechtbank acht een onvoorwaardelijke gevangenisstraf evenwel niet op zijn plaats, nu het aandeel van verdachte in het witwassen minder groot is geweest dan dat van zijn echtgenote. Daarbij komt dat verdachte blijkens een hem betreffend uittreksel justitiële documentatie d.d. 8 februari 2012, niet eerder ter zake van het plegen van strafbare feiten door de rechtbank is veroordeeld. Om verdachte te weerhouden van het plegen van strafbare feiten in de toekomst zal de rechtbank de verdachte overeenkomstig de eis van de officier van justitie veroordelen tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie maanden. Daarnaast acht de rechtbank een werkstraf voor de maximale duur passend.

9 TOEPASSELIJKHEID WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 22c, 22d, 27, 420bis en 420ter van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

10 BESLISSING

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 5 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart het bewezen verklaarde feit strafbaar;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- legt aan verdachte op een werkstraf voor de duur van 240 uren;

- beveelt dat voor het geval de veroordeelde de werkstraf niet of niet naar behoren verricht de werkstraf wordt vervangen door 120 dagen hechtenis, althans een aantal dagen hechtenis dat evenredig is aan het niet verrichte aantal uren werkstraf;

- bepaalt dat de tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde werkstraf in mindering zal worden gebracht, berekend naar de maatstaf van 2 uren werkstraf per dag;

veroordeelt verdachte voorts tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden;

beveelt dat de gevangenisstraf niet zal worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 jaar aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.I. van der Kris, voorzitter, mrs. L.G. Wijma en R.M. van Vuure, rechters, in tegenwoordigheid van mr. B.T. Feenstra, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 23 maart 2012.