Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2012:BV9758

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
23-03-2012
Datum publicatie
23-03-2012
Zaaknummer
07.662391-10 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Aan verdachte is valsheid in geschrift, oplichting en witwassen ten laste gelegd.

De rechtbank heeft geoordeeld dat verdachte aanvraagformulieren zorg op naam van een aantal van haar cliënten niet juist heeft ingevuld. Zij heeft de problematiek van haar cliënten en hun behoefte aan zorg aangedikt. Het CIZ heeft hierdoor hogere zorgindicaties afgegeven dan nodig was. Op basis van die te hoge indicaties heeft het zorgkantoor vervolgens – ook te hoge – persoonsgebonden budgetten (PGB’s) toegekend.

Het zorgkantoor heeft het PGB-geld gestort op rekeningen waartoe verdachte toegang had. Verdachte kon dus over het PGB-geld van haar cliënten beschikken. Zij heeft dit geld niet alleen gebruikt voor het verlenen van de zorg waarvoor het was gegeven, maar ook voor andere zaken als huisvesting van cliënten. Zo heeft zij een deel van het geld gebruikt voor de financiering van door haar gekochte huizen.

Iemand die een PGB heeft moet verantwoordingsformulieren indienen bij het zorgkantoor, zodat het zorgkantoor kan controleren waaraan het geld is besteed en eventueel teveel betaald geld kan terugvorderen. De cliënten van verdachte hebben die verantwoordingsformulieren niet zelf ingevuld; dat heeft verdachte voor hen gedaan. Op de verantwoordingsformulieren heeft zij steeds ingevuld dat het hele PGB is besteed aan de zorg waarvoor het is toegekend. Zij heeft dus niet ingevuld dat zij een deel van het PGB voor andere zaken heeft gebruikt, zoals huisvesting.

Door zo te handelen heeft verdachte valsheid in geschrift gepleegd en heeft zij het zorgkantoor opgelicht.

Verdachte heeft daarnaast valsheid in geschrift gepleegd door haar cliënten kwitanties te laten tekenen voor door hen ontvangen leefgeld en vervolgens op de kwitanties een “1” of een “2” voor het ontvangen bedrag te zetten.

Verdachte had de beschikking over een aantal huizen, auto’s en een aanzienlijke hoeveelheid geld en sieraden. Met uitzondering van een huis dat verdachte al bezat voordat zij met de rechtspersoon begon neemt de rechtbank aan dat hier sprake is van een gewoonte maken van witwassen.

Door te handelen zoals zij dat heeft gedaan heeft verdachte naar het oordeel van de rechtbank op oneigenlijke wijze beschikt over gemeenschapsgeld dat bestemd was voor zorg. Zij heeft daarbij misbruik gemaakt van het vertrouwen dat cliënten hebben en ook moeten kunnen hebben in de zorgverlening.

De rechtbank legt haar een gevangenisstraf op van 30 maanden (met aftrek) en bepaalt dat verdachte haar beroep in de zorgverlening 5 jaar lang niet mag uitoefenen.

De echtgenoot van verdachte is veroordeeld voor het medeplegen van het een gewoonte maken van witwassen (LJN: BV9761)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Sector strafrecht

Parketnummer: 07.662391-10 (P)

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 23 maart 2012

in de strafzaak tegen

[Verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

wonende te [adres].

1 HET ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg. Het onderzoek ter openbare terechtzitting is aangevangen op 10 februari 2011. Het onderzoek is hervat op 25 maart 2011, 31 mei 2011, 7 juli 2011, 25 oktober 2011, 8 maart 2011 en 9 maart 2011, waarbij verdachte op alle voornoemde data is verschenen. Verdachte werd telkens bijgestaan door mr. J.P. Plasman, advocaat te Amsterdam. Tijdens de terechtzittingen van 7 juli 2011, 25 oktober 2011, 8 maart 2012 en 9 maart 2012 werd verdachte tevens bijgestaan door mr. H. Bos, advocaat te Amsterdam.

De rechtbank heeft ter terechtzitting d.d. 8 maart 2012 de dagvaarding partieel nietig verklaard.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. C.J.W.M. Janssen en van de standpunten door de raadslieden van verdachte naar voren gebracht.

2 DE TENLASTELEGGING

De verdachte is, na een nadere omschrijving tenlastelegging en na een partiële nietigverklaring ter terechtzitting d.d. 8 maart 2012, ten laste gelegd dat:

1.

zij in of omstreeks de periode van 1 november 2005 tot en met 2 november 2010 in de gemeente [plaatsnaam], althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal,(telkens)

een of meer "aanvraagformulier(en) zorg" en/of “Verklaring bij verkort aanvraagformulier Zorg” van het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) voor de aanvraag van Persoongebonden Budget(ten) en/of (delen van) zorgovereenkomst(en) op naam van [cliënt 1] en/of [cliënt 2] en/of [cliënt 3] en/of [cliënt 4] en/of [cliënt 5]en/of [cliënt 6] en/of

een of meer formulier(en) van zorgkantoor [plaatsnaam] en/of Achmea Zorgverzekeringen (verantwoordingsformulier PGB en/of Wijzigingsformulier PGB en/of Formulier machtiging zaakwaarnemer (PGB)),waarmee informatie werd verstrekt aan zorgkantoor [plaatsnaam] en/of Achmea Zorgverzekeringen, op naam van [cliënt 1] en/of [cliënt 2] en/of [cliënt 3] en/of [cliënt 4] en/of [cliënt 5]en/of [cliënt 6] en/of

een of meer leefgeldformulier(en) op naam van tientallen, althans een groot aantal cliënten van [de B.V.], waaronder [cliënt 7] en/of [cliënt 8] en/of [cliënt 9] en/of [cliënt 10]

(elk) zijnde (een) geschrift(en) dat/die bestemd was/waren om tot bewijs van enig feit te dienen valselijk heeft/hebben opgemaakt of vervalst,

immers heeft verdachte valselijk

een of meer door die [cliënt 1] en/of [cliënt 2] en/of [cliënt 3] en/of [cliënt 4] en/of [cliënt 5] en/of [cliënt 6] ondertekend(e) (blanco) "aanvraagformulier(en) zorg" van het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) voor de aanvraag van Persoongebonden Budgetten en/of zorgovereenkomsten ingevuld en/of aangepast

en/of

op een of meer door die [cliënt 1] en/of [cliënt 2] en/of [cliënt 3] en/of [cliënt 4] en/of [cliënt 5] en/of [cliënt 6] ondertekende (blanco) Verantwoordingsformulier(en) PGB en/of Wijzigingsformulier(en) PGB en/of Formulier(en) machtiging zaakwaarnemer (PGB) vermeld in welke mate zorg verleend was en/of zou gaan worden en/of welke vergoeding daar tegenover stond en/of zou staan en/of dat verdachte gemachtigd werd op te treden namens bovengenoemde cliënt(en)

en/of

op genoemde leefgeldformulier(en) voor het ingevulde bedrag waarvoor bovengenoemde cliënten hadden getekend een één of een twee geschreven

zulks (telkens) met het oogmerk om die/dat geschrift(en) als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;

2.

zij in of omstreeks de periode van 1 november 2005 tot en met 2 november 2010 in de gemeente [plaatsnaam], althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen (telkens) door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels,

Zorgkantoor Flevoland en/of Achmea Zorgkantoor en/of een of meer cliënten van [de B.V.] (instelling voor begeleid wonen) heeft bewogen tot de afgifte van geld (onder meer: gelden ten behoeve van Persoons Gebonden Budget), in elk geval van enig goed,

hebbende verdachte en/of haar mededader(s) toen aldaar (telkens) met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid (onder andere)

- [cliënt 1] en/of [cliënt 2] en/of [cliënt 3] en/of [cliënt 4] en/of [cliënt 5], die zich in een kwetsbare situatie bevond(en), gedwongen mee te werken onder impliciete dreiging dat ze/hij/zij uit hun/zijn/haar huis/kamer zouden worden gezet en/of niet in een woning van [de B.V.] mochten komen wonen en/of andere straffen en/of

- (een) door die [cliënt 1] en/of [cliënt 2] en/of [cliënt 3] en/of [cliënt 4] en/of [cliënt 5] ondertekend(e) blanco "aanvraagformulier(en) zorg" van het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) voor de aanvraag van Persoongebonden Budgetten en/of zorgovereenkomsten (een) door die [cliënt 1] en/of [cliënt 2] en/of [cliënt 3] en/of [cliënt 4] en/of [cliënt 5] ondertekende verantwoordingsformulier PGB en/of Wijzigingsformulier PGB en/of Formulier machtiging zaakwaarnemer (PGB) valselijk ingevuld en/of aangepast en/of aangedikt en/of vervolgens deze formulier(en) heeft ingezonden naar het Centrum Indicatiestellingen Zorg en/of Achmea zorgkantoor en/of

(aldus) (met die formulieren) (een) Persoons Gebonden Budget(ten) op naam van die [cliënt 1] en/of [cliënt 2] en/of [cliënt 3] en/of [cliënt 4] en/of [cliënt 5] aangevraagd of gewijzigd en/of verantwoord en/of

- door voornoemde [cliënt 1] en/of [cliënt 2] en/of [cliënt 3] en/of [cliënt 4] en/of [cliënt 5] een bankrekening laten openen voor het storten van die Persoonsgebonden Budget(ten) en/of gedwongen om verdachte voor die rekeningen te machtigen

waardoor het Zorgkantoor Flevoland en/of Achmea en/of die cliënten van [de B.V.] (telkens) werd(en) bewogen tot bovenomschreven afgifte;

3.

zij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 november 2005 tot en met 2 november 2010 in de gemeente [plaatsnaam], althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers heeft zij, verdachte en/of haar mededader(s) (telkens),

- van onderstaand(e) voorwerp(en), de werkelijke aard en/of herkomst en/of vindplaats en/of vervreemding en/of verplaatsing verborgen en/of verhuld, dan wel verhuld en/of verborgen wie de rechthebbende op dat/die voorwerp(en) is/was en/of dat/die voorwerpen voorhanden heeft/had en/of

- onderstaand(e) voorwerp(en) verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of omgezet en/of van genoemde voorwerp(en) gebruik gemaakt,

te weten

- een of meer geldbedrag(en) van ongeveer (in totaal € 76.191,-- en/of GBP 3.445,00), althans een of meer geldbedrag(en) en/of

- een geldbedrag van ongeveer € 167,915,26 (bankrekeningnummer [bankrekeningnummer])

- een grote hoeveelheid sieraden en/of horloge(s) met een waarde van in totaal ongeveer € 397.135,-- , in elk geval een grote hoeveelheid sieraden en/of horloge(s) en/of

- een auto van het merk Audi, type A 4 cabriolet en/of

- een auto van het merk Renault, type Megane cabriolet en/of

- een auto van het merk Chrysler, type 300 C en/of

- een woning, gelegen aan de [woning 1] te [plaatsnaam] en/of

- een woning, gelegen aan de [woning 2] te [plaatsnaam] en/of

- een woning gelegen aan de [woning 3] te [plaatsnaam] en/of

- een woning gelegen aan de [woning 4] te [plaatsnaam] en/of

- een woning gelegen aan het [woning 5] te [plaatsnaam] en/of

- een woning gelegen aan het [adres] te [plaatsnaam] en/of

- een woning gelegen aan de [woning 6] te [plaatsnaam],

terwijl verdachte en/of haar mededader (telkens) wist(en), althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat dat/die voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf;

De rechtbank verbetert in de tenlastelegging een aantal kennelijke schrijffouten. De verdachte wordt blijkens het onderzoek ter terechtzitting daardoor niet in haar verdediging geschaad.

3 DE VOORVRAGEN

Door de verdediging is aangevoerd dat de tenlastelegging voor zover het feit 2 betreft dient te worden aangemerkt als een obscuur libel. De rechtbank overweegt daarover het volgende.

Onder het eerste gedachtestreepje wordt verdachte, kort gezegd, verweten dat zij bepaalde cliënten gedwongen heeft mee te werken. Niet vermeld wordt echter waaraan verdachte deze cliënten gedwongen heeft mee te werken. De tenlastelegging ontbeert derhalve een essentieel element. Bij gebrek hieraan is niet voldoende duidelijk wat verdachte op dit punt verweten wordt. Voor zover het gaat om hetgeen bij het eerste gedachtestreepje vermeld staat, is derhalve inderdaad sprake van een obscuur libel en dient de dagvaarding partieel nietig te worden verklaard.

Voor zover het gaat om de overige 2 gedachtestreepjes in combinatie met de zinsnede daarna, die naar het oordeel van de rechtbank in onderlinge samenhang moeten worden beschouwd, geldt dat deze naar het oordeel van de rechtbank aldus moeten worden begrepen dat verdachte het volgende wordt verweten.

Verdachte heeft het zorgkantoor en/of de genoemde cliënten bewogen tot de afgifte van geld door de onder het tweede gedachtestreepje opgesomde formulieren valselijk in te vullen, aan te passen, en/of de inhoud daarvan aan te dikken en daarmee persoongebonden budgetten (hierna: PGB’s) aan te vragen, te wijzigen en te verantwoorden bij de desbetreffende instanties en/of door cliënten een PGB-rekening te laten openen bij de bank en/of hen gedwongen heeft haar voor die rekening te machtigen.

Hoewel de tenlastelegging niet uitblinkt in leesbaarheid, kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden gezegd dat deze, met uitzondering van hetgeen onder het eerste gedachtestreepje vermeld is, zo onduidelijk is dat verdachte niet wist waartegen zij zich te verdedigen had. Verdachte moet in redelijkheid in staat worden geacht te hebben kunnen begrijpen waarvan zij wordt beschuldigd en zich tegen die beschuldiging te hebben kunnen verdedigen.

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding – met uitzondering van de hiervoor weergegeven partiële nietigheid – geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 DE BEWIJSMIDDELEN EN DE BEOORDELING DAARVAN

Inleiding

In december 2009 en januari 2010 vonden er in het District Noord van politie Flevoland opsporingsonderzoeken plaats naar fraude met persoonsgebonden budgetten. Om vast te stellen of er mogelijk sprake was van een trend is geverifieerd of er in 2009 aangiften zijn gedaan inzake PGB-fraude. Uit dit onderzoek bleek dat er drie aangiften tegen de rechtspersoon [rechtspersoon] waren gedaan door [cliënt 3], [cliënt 2] en [cliënt 1] van meervoudige fraude met PGB. Uit nader onderzoek bleek dat er sinds 2007 nog twee aangiften van [cliënt 5]en [cliënt 4] en meerdere meldingen waren gedaan tegen verdachte en [de B.V.].

[cliënt 3] was de eerste cliënte van [rechtspersoon]. Vanaf 22 november 2005 is zij woonachtig geweest in één van de panden van [rechtspersoon] in [plaatsnaam].

Op 19 juli 2005 is [de B.V.] opgericht. De statutaire naam [de B.V.] is op 28 mei 2008 veranderd in [rechtspersoon] Beheer B.V. Op 28 mei 2008 is een tweetal nieuwe rechtspersonen opgericht met de statutaire naam [de B.V.] en [rechtspersoon] Onroerend Goed B.V.

Uit de gegevens van de Kamer van Koophandel is gebleken dat [rechtspersoon] Onroerend Goed B.V. de enig aandeelhouder en bestuurder is van [de B.V.] en dat de enig aandeelhouder en bestuurder van [rechtspersoon] Onroerend Goed B.V. [rechtspersoon] Beheer B.V is. Van 19 juli 2005 tot 28 mei 2008 was verdachte enig aandeelhouder en bestuurder van [de B.V.] en vanaf 29 mei 2008 is verdachte enig aandeelhouder en bestuurder van [rechtspersoon] Beheer B.V..

Uit onderzoek bij het kadaster bleek dat verdachte en [rechtspersoon] Onroerend Goed B.V. verschillende panden in eigendom hadden, waarvan een aantal woningen niet met hypotheek was belast.

Op basis van het voorgaande onderzoek zijn onder meer verdachte, medeverdachte [medeverdachte] en de drie B.V.’s als verdachte aangemerkt, waarna verschillende stukken zijn opgevraagd bij o.a. hypotheekverstrekkers, de belastingdienst en Achmea Zorgkantoor.

Hierop is verdachte op 2 november 2010 in haar woning aangehouden. Zij is vervolgens meerdere keren verhoord.

[cliënt 3], [cliënt 4] en [cliënt 5]zijn aanvullend gehoord op hun eerder gedane aangifte.

Na de aanhouding van verdachte hebben nog 9 cliënten en 5 (ex) medewerkers aangifte gedaan. Tevens zijn meerdere getuigen gehoord.

Op de in de tenlastelegging onder 3 genoemde voorwerpen is conservatoir beslag gelegd.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft aangevoerd dat hetgeen aan verdachte onder 1 tot en met 3 ten laste is gelegd wettig en overtuigend bewezen kan worden. Hij heeft daartoe, zoals vervat in een schriftelijk requisitoir, het navolgende aangevoerd.

Door de geheimhoudersproblematiek, die speelt rond medische stukken, is het nauwelijks mogelijk om het traject met betrekking tot het PGB in kaart te brengen. Voor een bewezenverklaring gaat het er niet om of cliënten terecht een PGB kregen en of er zorg is verleend in ruil voor dit PGB.

Feit 1:

Voor valsheid in geschrift is het niet noodzakelijk dat het opzet van de valsheid is gericht op het benadelen van anderen. Er hoeft slechts een oogmerk te bestaan om de documenten te gaan gebruiken.

Ten aanzien van het onder feit 1 ten laste gelegde onderdeel met betrekking tot de aanvraagformulieren zorg, verklaring bij verkort aanvraagformulier zorg en delen van zorgovereenkomsten heeft de officier van justitie onder meer gewezen op de verklaringen die [cliënt 3], [cliënt 5], [cliënt 4], [cliënt 2], [cliënt 1] en [cliënt 6] bij de rechter-commissaris hebben afgelegd. Hieruit volgt dat de aanvraagformulieren zorg niet (bij alle cliënten) juist zijn ingevuld. Tevens zijn in het dossier meerdere blanco formulieren “Zorgovereenkomst” met daarop een handtekening aangetroffen.

Tevens heeft de officier van justitie gewezen op verschillende verklaringen van getuigen die onder meer hebben verklaard dat cliënten de IQ-test moesten manipuleren om een hogere indicatie te krijgen, dat verdachte er geen geheim van maakte dat zij de hulpvraag van cliënten aandikte dan wel zwaarder aanzette om een hogere zorguitkering te krijgen en dat er in een kort tijdsbestek een behoorlijke stapel formulieren ondertekend moest worden door de cliënten.

Verdachte heeft zelf verklaard dat zij de zorgvraag ruim inzette, maar dat dit gebruikelijk was binnen de zorg. Verdachte heeft het verschil op haar winst- en verliesrekening 2009 tussen de ontvangen PGB-gelden van € 1.504.749,00 en haar personeelskosten van € 176.063,00 onvoldoende kunnen verklaren. Met betrekking tot het invullen van de zorgovereenkomst heeft verdachte verklaard dat dit slechts een administratieve handeling betrof en dat zij meerdere exemplaren liet tekenen, die ze later invulde.

Ten aanzien van het onder feit 1 ten laste gelegde onderdeel met betrekking tot de formulieren waarmee informatie werd verstrekt aan zorgkantoor [plaatsnaam] en/of Achmea Zorgverzekeringen heeft de officier van justitie onder meer gewezen op de verklaringen die [cliënt 3], [cliënt 5], [cliënt 4], [cliënt 2], [cliënt 1] en [cliënt 6] bij de rechter-commissaris hebben afgelegd, waaruit volgt dat de cliënten de verantwoordingsformulieren ondertekenden op het moment dat deze nog niet waren ingevuld. Tevens zijn er verantwoordingsformulieren over perioden dat cliënten niet meer bij [rechtspersoon] verbleven en er zijn formulieren waarbij de overeengekomen uren met Tipp-ex zijn weggewerkt. In het dossier bevindt zich een grote hoeveelheid blanco formulieren getekend door veel verschillende cliënten.

Verdachte heeft verklaard dat zij de verantwoordingsformulieren vooraf liet tekenen en dat zij deze formulieren invulde door te kijken wat er betaald was aan zorg en wat er in de indicatie vermeld was.

Verschillende getuigen hebben verklaard dat er veel formulieren ondertekend moesten worden en dat hiervoor weinig tijd was en voorts dat er formulieren vooruit getekend moesten worden.

Veel cliënten hebben aangegeven dat zij geen weet hadden van de hoogte van de verantwoording.

Ten aanzien van het onder feit 1 ten laste gelegde onderdeel met betrekking tot de leefgeldformulieren heeft de officier van justitie gesteld dat zich in het dossier voldoende formulieren, origineel en vervalst, bevinden en dat verdachte dit onderdeel van de tenlastelegging heeft bekend. Voorts heeft hij gewezen op de verklaringen van ex-medewerkers die hebben verklaard dat er nooit bedragen van € 200,00 of € 250,00 aan leefgeld per week werden uitbetaald.

Feit 2:

Het staat vast dat PGB gelden zijn uitgekeerd. Het is mogelijk dat de bevoordeling rechtmatig was, maar wederrechtelijk wordt door de wijze waarop men tot deze bevoordeling is gekomen.

Ten aanzien van het tweede gedachtestreepje heeft de officier van justitie verwezen naar het bovenstaande.

De kwetsbare situatie van de cliënten bestond uit meerdere facetten. Cliënten waren veelal op zoek naar onderdak en de problematiek van de cliënten was uiteenlopend. Cliënten konden niet beschikken over geld, omdat dit op rekening van [rechtspersoon] stond of omdat dit op een rekening stond waar [rechtspersoon] op gemachtigd was en het geld snel van deze rekening werd afgehaald door verdachte. Voorts moesten cliënten voor een termijn van zes maanden tekenen voor huur en zorg, waarbij deze termijn opnieuw begon te lopen op het moment van een interne verhuizing.

De officier van justitie heeft verwezen naar verschillende verklaringen van ex-cliënten en ex-medewerkers. Uit de verklaringen volgt onder meer dat verdachte dreigde om cliënten het huis uit te zetten wanneer zij niet deden wat verdachte van hen verlangde. Enkele cliënten, waaronder [cliënt 3], zijn daadwerkelijk enige tijd het huis uitgezet. Voorts is er verklaard dat de zorgovereenkomst voor zes maanden getekend moest worden en dat cliënten een PGB rekening moesten openen, waarop [rechtspersoon] dan wel verdachte gemachtigd moest worden om de rekening te beheren.

Door deze listige kunstgrepen en dit samenweefsel van verdichtsels werden mensen wederrechtelijk onder druk gezet om verdachte toegang te geven tot al hun geld. Verdachte heeft hiervan volop gebruik gemaakt.

Tevens heeft de officier van justitie nog gewezen op een melding die is gedaan door de echtgenoot van verdachte. Hij heeft bij de politie gemeld dat verdachte fraudeert met geld van de zorgsector.

Feit 3:

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat het plegen van gewoontewitwassen kan worden bewezen. Hiertoe is – kort samengevat – aangevoerd dat, behoudens de woningen op het adres [adres] en [woning 1] te [plaatsnaam], alle voorwerpen die in de tenlastelegging worden genoemd zijn verkregen door middel van inkomsten uit [rechtspersoon] en dat een groot deel van die inkomsten is verkregen uit valsheid in geschrift en oplichting. De officier van justitie heeft in dit verband gewezen op de verklaring van verdachte zelf, waarin zij heeft aangegeven dat zij leefgeldformulieren heeft vervalst en valse facturen heeft opgemaakt.

De fiscale naheffing/boete is hier niet van belang, omdat fiscale feiten en witwassen twee aparte delictsoorten zijn.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de dagvaarding met betrekking tot het onder 2 ten laste gelegde nietig verklaard dient te worden. Subsidiair heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat er met betrekking tot het onder 2 ten laste gelegde geen sprake is van een oplichtingsmiddel, zodat verdachte daarvan moet worden vrijgesproken. Ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde heeft de verdediging vrijspraak bepleit. Zij heeft daartoe - zoals gedeeltelijk vervat in een pleitnota - het volgende aangevoerd.

Feit 1:

Met betrekking tot de verantwoordingsformulieren en de formulieren machtiging zaakwaarnemer heeft verdachte verklaard dat zij deze heeft laten ondertekenen zonder dat het formulier was ingevuld. Dit levert valsheid in geschrift op. Verdachte heeft echter betwist dat zij ooit een handtekening anders dan haar eigen handtekening heeft gezet.

Met betrekking tot het vervalsen van de leefgeldformulieren is opgemerkt dat dit nooit ten koste is gegaan van de cliënten en dat hiermee geen PGB-fraude is gepleegd.

Feit 2:

Het onder 2 ten laste gelegde moet worden beschouwd als een obscuur libel.

De gedachtestreepjes kunnen niet het voor oplichting noodzakelijke samenweefsel van verdichtsels opleveren. Bovendien is er geen aangifte gedaan door het Centrum Indicatiestelling Zorg (hierna: CIZ) of het zorgkantoor. Doordat niet beoordeeld moet worden of de cliënten voor zorg in aanmerking kwamen en of zij deze zorg hebben gekregen, wordt het moeilijk om oplichting te bewijzen. Het is namelijk mogelijk dat het PGB terecht is verstrekt en dat de zorg die is overeengekomen correct is. Voorts heeft de verdediging aangevoerd dat de cliënten op de hoogte waren van het feit dat hun zorg werd gefinancierd op basis van een PGB, maar dat het erop lijkt dat het de cliënten niet interesseerde wat er met het PGB werd gedaan.

Tevens heeft de verdediging bepleit dat telkens gesproken wordt over [rechtspersoon], terwijl verdachte onder meer wordt verweten dat wonen niet uit het PGB mag worden gefinancierd. [medewerker zorgkantoor] van het zorgkantoor heeft aangegeven dat indien het PGB volledig besteed zou worden aan verblijf, dit niet direct wordt afgewezen. Dat cliënten zeven dagen in de week bij [rechtspersoon] hebben verbleven, is gebeurd met goedvinden van het CIZ en het zorgkantoor. Op de winst- en verliesrekening van [rechtspersoon] wordt voor wonen geen bedrag genoemd, maar voor verblijf wordt wel acht ton gerekend.

Met betrekking tot het eerste gedachtestreepje heeft de verdediging bepleit dat geen enkele cliënt gedwongen is om waar dan ook aan mee te werken. De cliënten hadden de keuze om bij [rechtspersoon] te komen en zich aan de huisregels te houden, of een andere plek te zoeken. Tevens is bepleit dat niet duidelijk is hoe cliënten door te worden gedwongen mee te werken onder impliciete dreiging van straf, bedrieglijk werden bewogen tot afgifte van hun PGB. In dat geval zal er eerder sprake zijn van afpersing dan van oplichting. Voorts is aangevoerd dat het dwingen van een persoon per definitie niet het bewegen van een persoon is, omdat men slechts iemand dwingt op het moment dat men hem niet ergens toe kan bewegen.

Bij het tweede gedachtestreepje worden verschillende zaken bij elkaar gevoegd. Indien de aanvraagformulieren zorg valselijk zouden zijn opgemaakt, zou hiermee enkel bedrieglijk het CIZ een indicatiestelling zijn ontfutseld. Dat is niet ten laste gelegd. Met dit formulier is niet, zoals ten laste gelegd, een PGB aangevraagd.

De zorgovereenkomst is een contract tussen de budgethouder en de zorgverlener. Het is moeilijk denkbaar hoe dit document kan dienen als oplichtingsmiddel ten aanzien van het zorgkantoor, omdat dit geen partij is bij de overeenkomst.

De valsheid in geschrift ten aanzien van de verantwoordingsformulieren en formulieren machtiging zaakwaarnemer levert geen oplichtingsmiddel op, omdat de materiële inhoud van het formulier wel klopte.

Voorts is aangevoerd dat niet een blanco ondertekend formulier wordt ingezonden, maar dat dit dan een ondertekend blanco formulier zou moeten zijn. Het opsturen van een blanco formulier naar een instelling is geen oplichtingsmiddel en bovendien zijn geen blanco formulieren opgestuurd. Tevens is het niet fysiek mogelijk om een formulier aan te dikken en kan verdachte niet zelfstandig het PGB wijzigen.

Ten aanzien van het derde gedachtestreepje heeft de verdediging opgemerkt dat het zorgkantoor heeft geadviseerd om een aparte bankrekening te openen voor het PGB en dat er geen sprake was van dwang bij het machtigen van verdachte voor deze rekening, omdat de cliënten een keuze hadden. Ook hierbij is niet goed te volgen hoe deze handelingen kunnen dienen als oplichtingsmiddelen ten aanzien van het zorgkantoor en de cliënten.

Voorts is aangevoerd dat in de tenlastelegging strikt genomen is omschreven dat verdachte is gedwongen door de cliënten om een rekening te openen.

Voorts heeft de verdediging aangevoerd dat bij de in de tenlastelegging genoemde personen wel degelijk sprake was van al dan niet forse problematiek. Hiertoe heeft de verdediging gewezen op de verklaringen van [cliënt 1], [cliënt 2], [cliënt 3], [cliënt 4] en [cliënt 5].

Feit 3:

Primair heeft de verdediging bepleit dat, nu oplichting niet kan worden bewezen en valsheid in geschrift geen geld genereert, de omzet van [rechtspersoon] niet van criminele herkomst is en er derhalve geen sprake is van witwassen.

Er was wel sprake van fiscale onregelmatigheden, maar die zijn reeds afgedaan bij de belastingdienst en was niet FIOD waardig.

Subsidiair heeft de verdediging gesteld dat er tevens andere – legale – financiële bronnen waren. Verdachte is ongeveer 30 jaar getrouwd en heeft in die periode ook sieraden van haar echtgenoot ontvangen. Ook heeft verdachte veel op eBay gekocht en was zij veelvuldig op zoek naar sleepers, dat wil zeggen mensen die waardevolle goederen via internet voor een lage prijs te koop aanboden. Tevens had verdachte voor de in de tenlastelegging genoemde periode de beschikking over geld.

Hoewel er bij witwassen sprake is van enige omkering van de bewijslast, is dit niet dermate dat de officier van justitie in het geheel niet hoeft aan te geven welk deel van witwassen afkomstig is.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft kennisgenomen van de inhoud van de stukken van het onderliggende strafdossier en van hetgeen bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gebracht.

Algemeen

De rechtbank acht het voor een juiste beoordeling van hetgeen verdachte verweten wordt van belang eerst aandacht te besteden aan het PGB als zodanig en de plaats daarvan binnen het systeem van zorgverlening op grond van de Algemene Wet Bijzonder Ziektekosten (AWBZ). Vervolgens zal de rechtbank, tegen deze achtergrond, aandacht besteden aan de gang van zaken binnen [rechtspersoon]. De rechtbank gaat er daarbij van uit dat verdachte met [rechtspersoon] vereenzelvigd kan worden, zowel gelet op haar formeel-juridische positie als hiervoor weergegeven als gelet op het stempel dat zij blijkens verklaringen van haar cliënten en werknemers drukte op het reilen en zeilen binnen [rechtspersoon]. Daarna zal de rechtbank ingaan op de in de tenlastelegging genoemde personen en formulieren.

PGB en plaats daarvan binnen het systeem van de AWBZ .

Wanneer iemand als gevolg van ziekte, handicap of ouderdom behoefte heeft aan zorg, kan hij die aanvragen bij het CIZ. Dit gebeurt door het indienen van een aanvraagformulier zorg. Dit is een standaardformulier van het CIZ. Op dit formulier moet onder andere aangegeven worden welke ziekte, aandoening of klacht de betrokkene heeft, welke problemen hij hierdoor ondervindt en welke zorg gewenst is. Bij het aanvraagformulier zorg hoort een verklaring waarin wordt aangegeven dat de gegevens op het aanvraagformulier juist en naar waarheid zijn ingevuld. In bepaalde situaties waarin het gaat om een betrokkene die al zorg ontvangt op grond van een bepaald type indicatiebesluit kan worden volstaan met een verkort aanvraagformulier zorg. Hier hoort eenzelfde verklaring bij als bij het gewone aanvraagformulier.

Zorg kan worden toegekend voor verschillende soorten zorg, te weten: persoonlijke verzorging, verpleging, begeleiding, behandeling, kortdurend verblijf en verblijf. Deze soorten zorg worden aangeduid met de term functies.

Op basis van het aanvraagformulier zorg en eventuele aanvullende informatie en/of aanvullend onderzoek geeft het CIZ een indicatiebesluit af. Daarin staat of de betrokkene recht heeft op zorg en, zo ja, op welke zorg.

Het CIZ regelt de zorg niet zelf.

De betrokkene kan kiezen voor zorg in natura (hierna: ZIN) of een PGB.

Kiest de betrokkene voor ZIN dan stuurt het CIZ het indicatiebesluit naar het zorgkantoor en regelt het zorgkantoor dat een zorgverlener de juiste zorg aan de betrokkene levert.

Kiest de betrokkene voor een PGB, dan kent het zorgkantoor een budget toe waarmee de betrokkene zelf zorg kan inkopen.

Niet voor alle functies kan een PGB worden toegekend. Dit kan alleen voor verzorging, verpleging, begeleiding en kortdurend verblijf (enkele etmalen per week). Voor langdurig intramuraal verblijf kan geen PGB worden toegekend; hiervoor is alleen ZIN mogelijk.

Heeft de betrokkene gekozen voor een PGB, dan kent het zorgkantoor op basis van het indicatiebesluit van het CIZ een budget toe.

Behelst het indicatiebesluit een zorgzwaartepakket (hierna: ZZP), een volledig pakket van zorg afgestemd op de kenmerken van bepaalde groepen mensen en de zorg die zij nodig hebben, dan past het zorgkantoor een zogenoemde toekenningstabel toe. Die tabel voorziet in een vertaling van een ZZP naar een PGB met de functies persoonlijke verzorging, verpleging en begeleiding.

Het door het zorgkantoor toegekende bruto budget wordt verminderd met een inkomensafhankelijke eigen bijdrage. Het netto budget – het bruto budget minus de eigen bijdrage – wordt door het zorgkantoor bij wijze van voorschot betaald. Afhankelijk van de hoogte van het budget wordt het per maand, kwartaal, half jaar of jaar betaald.

Voor het toegekende budget kan de betrokkene zorg inkopen bij een zorgverlener. Hij sluit daartoe een zorgovereenkomst. In de zorgovereenkomst wordt neergelegd welke zorg afgesproken is en welke prijs daarvoor wordt betaald. De zorgovereenkomst moet door de betrokkene en de zorgverlener ondertekend worden. Een modelovereenkomst is bij het Servicecentrum PGB van de Sociale verzekeringsbank (hierna: SVB) verkrijgbaar.

Over de besteding van het budget moet, afhankelijk van de hoogte van het budget, op een of meer tijdstippen per jaar verantwoording worden afgelegd. Dit gebeurt door het indienen van het standaard verantwoordingsformulier PGB bij het zorgkantoor. Op dit verantwoordingsformulier worden naast de gegevens van de budgethouder – de betrokkene aan wie het budget is toegekend – de verantwoordingsperiode en het in totaal aan de zorgverleners in die periode betaalde bedrag ingevuld. Op de bijlage bij het formulier wordt het totaalbedrag uitgesplitst naar zorgverlener en worden per zorgverlener de soorten hulpverlening (functies) aangekruist. Ter controle van hetgeen op het zorgformulier is ingevuld kan het zorgkantoor declaraties, zorgovereenkomsten en bankafschriften opvragen (de zogenoemde intensieve controle). Over 1,5% van het netto budget – het zogenoemde vrij besteedbare bedrag – hoeft de betrokkene geen verantwoording af te leggen.

Het PGB is gemeenschapsgeld dat is bedoeld voor zorg. Blijkt een deel van het budget niet uitgegeven te zijn aan zorg, dan moet de betrokkene dat deel terugbetalen. Daarbij is van belang dat het budget alleen mag worden gebruikt voor de inkoop van persoonlijke verzorging, verpleging, begeleiding en kortdurend verblijf.

Na ontvangst van de verantwoordingsformulieren en eventuele aanvullende controle wordt het budget definitief vastgesteld door het zorgkantoor.

Eventuele tussentijdse wijzigingen in de omstandigheden van de budgethouder dienen aan het zorgkantoor doorgegeven te worden middels een wijzigingsformulier PGB. Dit is een standaard formulier.

De budgethouder kan een persoon of een bedrijf, vertegenwoordigd door een bepaalde persoon, machtigen, als zaakwaarnemer, in zijn naam op te treden. Dit gebeurt via het standaard formulier machtiging zaakwaarnemer van het zorgkantoor.

Nederland is onderverdeeld in zorgkantoorregio’s. Voor Flevoland is het zorgkantoor Achmea Zorgkantoor, regio Flevoland.

Gang van zaken bij [rechtspersoon]

Wanneer zich een potentiële cliënt aandiende, werd zoveel mogelijk informatie over deze cliënt vergaard. Er werd met deze cliënt en eventuele eerder bij de cliënt betrokken hulpverleners of familie gesproken en gecorrespondeerd en relevante stukken werden verzameld. Er vonden één of meer gesprekken – kennismakingsgesprek, intakegesprek – plaats voor opname, soms (deels) telefonisch. Voorafgaand aan het overhandigen van de sleutel van de kamer vond een opnamegesprek plaats.

Bij opname moest door de cliënt een groot aantal formulieren worden getekend. Hiervoor was een beperkte tijd beschikbaar. Wanneer de cliënt eenmaal bij [rechtspersoon] opgenomen was, moest deze meer formulieren tekenen. Zowel door cliënten als door werknemers is verklaard over de wijze waarop dit invullen ging. Ook hebben zij verklaard over het ondertekenen van in het geheel niet of slechts gedeeltelijk ingevulde formulieren. Verdachte zelf heeft hier ook over verklaard.

Cliënten moesten voor hun kamer doorgaans een bepaald bedrag betalen, aanvankelijk aangeduid als huur en later als eigen bijdrage. In een enkel geval heeft een cliënt tijdelijk niet hoeven (bij)betalen, omdat volgens zeggen van verdachte alles vanuit het PGB bekostigd zou worden.

Indien cliënten de beschikking hadden over loon of een uitkering, was het in de meeste gevallen zo dat zij [rechtspersoon]/verdachte moesten machtigen om dit loon of deze uitkering in ontvangst te nemen en hun loon of uitkering te laten storten op de zogenoemde cliëntenrekening van [rechtspersoon]. Hiervan werd dan hun huur of eigen bijdrage betaald. Cliënten kregen van [rechtspersoon] een zogenoemd leefgeld uitgekeerd, waarvan zij voedsel en andere eerste levensbehoeften moesten kopen.

[rechtspersoon] was geen AWBZ-erkende instelling en kon derhalve geen ZIN leveren.

Op zoek naar mogelijke financieringsbronnen heeft verdachte volgens haar zeggen pas enige tijd nadat zij met [rechtspersoon] begonnen was ontdekt dat het PGB zo’n financieringsbron zou kunnen vormen. De rechtbank stelt vast dat dit dan wel zeer kort na aanvang van de werkzaamheden van [rechtspersoon] moet zijn geweest, nu de eerste cliënte, mevrouw [cliënt 3], op 22 november 2005 haar intrek heeft genomen bij [rechtspersoon] en voor haar reeds met ingang van 12 januari 2006 een PGB is toegekend. Ook voor [cliënt 4] en [cliënt 5], die beiden in 2006 bij [rechtspersoon] hebben verbleven, zijn PGB’s toegekend.

In het begin was het zo dat cliënten [rechtspersoon]/verdachte machtigen om het PGB in ontvangst te nemen en dat het PGB gestort werd op rekening van [rechtspersoon]. Later openden cliënten een eigen PGB rekening waarop het PGB werd gestort. Verdachte/[rechtspersoon] werd op deze rekening gemachtigd.

Naar verdachte ter zitting heeft verklaard gebruikte zij het PGB niet alleen voor de functies die waren genoemd in het indicatiebesluit van het CIZ en/of de toekenningsbeschikking van het zorgkantoor, maar verstrekte zij voor het budget een allesomvattend (“all in”) pakket. Dat pakket behelsde verblijf en de benodigde zorg. Hoewel zij voor haar cliënten maximaal 2 etmalen per week verblijf (als kortdurend verblijf) via het PGB gefinancierd kon krijgen leverde zij 7 etmalen per week verblijf/huisvesting.

Op de verantwoordingsformulieren vulde verdachte het gehele bedrag van het toegekende budget over de desbetreffende periode in. Op de bijlage bij het verantwoordingsformulier kruiste zij de functies aan waarvoor het budget blijkens de toekenningsbeschikking was toegekend. Zij maakte daarbij op geen enkele wijze melding van het feit dat zij voor het budget ook iets anders – namelijk permanent verblijf/ huisvesting – had geleverd dan waarvoor het budget was toegekend. Ook op declaraties en kwitanties, die bijvoorbeeld bij de intensieve controle ten aanzien van de cliënten [cliënt 4] en [cliënt 5] aan het zorgkantoor zijn overgelegd, werd voor iedere week, zonder nadere specificatie, het volledige bedrag van het budget met de bijbehorende functies overgenomen. Ook hier werd geen melding gemaakt van verblijf/huisvesting.

Een urenadministratie op basis waarvan zou kunnen worden vastgesteld welke activiteiten per cliënt precies zijn ontplooid en welk deel van het budget daaraan is besteed is niet aangetroffen. Verdachte heeft ter zitting desgevraagd aangegeven dat dit zou kunnen worden afgeleid uit de roosters en de rapportages. De rechtbank acht de roosters en verslagen op dit punt echter geen bruikbare maatstaf. Door werknemers is immers verklaard dat om uiteenlopende redenen regelmatig van de roosters werd afgeweken en dat niet werd geregistreerd hoeveel uren zij daadwerkelijk per cliënt bezig waren.

Niet duidelijk is hoe het door cliënten betaalde bedrag aan huur/eigen bijdrage zich verhield tot het PGB, waarvoor verdachte naar eigen zeggen een allesomvattend pakket leverde. Hier naar gevraagd heeft verdachte ter zitting gewezen op de gemeentelijke toeslag, waarvoor het betalen van huur/een eigen bijdrage een voorwaarde zou zijn. Zij heeft echter niet inzichtelijk gemaakt waarvoor het door cliënt zelf betaalde bedrag precies bestemd was en op welke wijze hiermee rekening werd gehouden bij de financiering en verantwoording van de aan cliënt geboden huisvesting en zorg.

Tussen november 2005 en november 2010 hebben ongeveer 70 mensen bij [rechtspersoon] verbleven.

Ten behoeve van cliënten van [rechtspersoon] is in die periode in totaal € 5.027.938,19 uitgekeerd aan PGB’s. Uit de toelichtingen op de winst- en verliesrekeningen over 2008 en 2009 blijkt dat in 2008 in totaal een bedrag van € 948.056,-- aan PGB’s is ontvangen en in 2009 een bedrag van € 1.504.749,--. Deze bedragen worden vermeld onder het kopje “netto omzet”. Verder wordt onder dat kopje niets vermeld. De personeelskosten waren in die jaren inclusief sociale lasten en pensioenlasten respectievelijk € 117.992,-- en € 176.063,-- bij een personeelsbestand van gemiddeld 4 respectievelijk 6 mensen. Voorts blijkt uit de toelichtingen dat de voornaamste kostenpost bestond uit huur-/verblijfskosten (het bedrag dat in 2007 onder huurkosten staat, staat in 2008 onder verblijfskosten); respectievelijk € 502.952,-- en € 940.703,--. Deze kostenpost is verder niet uitgesplitst, zodat niet inzichtelijk wordt hoe deze post tot stand is gekomen en welke kosten in verband met het verlenen van verblijf/huisvesting, zoals onderhoud, afschrijvingskosten en gas- en elektriciteitsverbruik, zijn gemaakt. Daarbij komt dat een gedeelte van deze kosten werd vergoed door de huur die de cliënten per maand moesten betalen. Deze bedragen vormen naar het oordeel van de rechtbank een duidelijke indicatie dat het grootste deel van de PGB’s niet is besteed aan functies als begeleiding en verzorging, die relatief veel personeelskosten met zich brengen, maar aan huisvesting. Uit de jaarstukken over eerdere jaren blijkt niet wat er in die jaren aan PGB’s is ontvangen en wat er is uitgegeven aan respectievelijk personeelskosten en kosten van huisvesting. De rechtbank ziet echter geen aanleiding om aan te nemen dat de situatie in die jaren anders was.

Het bovenstaande leidt de rechtbank tot de conclusie dat een substantieel deel van de PGB’s niet is besteed aan de functies waarvoor zij zijn toegekend, doch zijn aangewend voor de bekostiging van langdurig verblijf, terwijl dat op grond van de regelgeving niet mogelijk is.

Gelet op het relatief geringe bedrag aan personeelskosten en de relatief geringe hoeveelheid personeel van [rechtspersoon] ziet de rechtbank voorts niet in hoe [rechtspersoon] alle geïndiceerde zorg ter zake waarvan PGB’s zijn verstrekt daadwerkelijk zou hebben kunnen verlenen. De stelling van verdachte dat zij goedkoper werkte dan andere instellingen is hiertoe volstrekt ontoereikend. De rechtbank gaat ervan uit dat de budgetten gebaseerd zijn op reële kostprijzen. Er bestaat geen enkele reden om daaraan te twijfelen. Gelet hierop ziet de rechtbank niet in hoe verdachte het grootste deel van de budgetten niet nodig had om de geïndiceerde zorg te verlenen.

Veeleer ziet de rechtbank hier een aanwijzing in dat het streven van verdachte er op gericht was zo hoog mogelijke indicaties en – daaraan gekoppeld – PGB’s te verwerven om de op die manier verkregen gelden naar haar eigen goeddunken aan te wenden voor zorg, maar ook voor andere zaken.

Dit beeld wordt bevestigd door verklaringen van werknemers, waaronder [medewerker 1] , dat bij zorgaanvragen de zorgbehoefte van de cliënt werd aangedikt en aangepast om hogere indicaties te krijgen en verklaringen van cliënten, waaronder [cliënt 5] en [cliënt 2] , dat zij zich niet herkennen in het beeld dat van hen wordt geschetst in de aanvraagformulieren zorg. Ook past hierbij dat, naar zowel uit verklaringen van cliënten als uit verklaringen van werknemers naar voren komt, meer zorg geïndiceerd werd dan de cliënt nodig had en de facto ook minder zorg werd verleend dan geïndiceerd.

Algemene overwegingen met betrekking tot enkele in de tenlastelegging genoemde formulieren

Zorgovereenkomst

Zoals hiervoor aangegeven is het de bedoeling dat iemand die een PGB krijgt, de zogenoemde budgethouder, een zorgovereenkomst sluit met degene die de zorg verleent en wordt hiertoe door het Servicecentrum PGB van de SVB een modelovereenkomst ter beschikking gesteld.

Ten aanzien van een beperkt deel van de cliënten zijn in de administratie van [rechtspersoon] dergelijke modelovereenkomsten aangetroffen. Deze zijn echter niet of niet volledig ingevuld, waarbij als ze niet volledig zijn ingevuld nu juist essentiële gegevens als de overeengekomen zorg en de overeengekomen vergoeding ontbreken. Ook zijn ten aanzien van een deel van de cliënten alleen exemplaren van de laatste pagina van de modelovereenkomst, met daarop hun handtekening aangetroffen. Verdachte heeft ter zitting, hiermee geconfronteerd, aangegeven destijds cliënten enkele malen te hebben laten tekenen. Als zij dan een fout maakte bij het invullen had zij een nieuw exemplaar bij de hand. Zij zag het invullen van de zorgovereenkomst als een louter administratieve handeling.

Inmiddels heeft zij begrepen dat dat zo niet kan, maar het was destijds wel haar werkwijze.

Naar het oordeel van de rechtbank kan niet worden gezegd dat hier daadwerkelijk zorgovereenkomsten tot stand zijn gekomen. Op geen enkele wijze kan uit het ondertekenen van louter een laatste pagina van een modelovereenkomst of van het ondertekenen van een modelovereenkomst waarin de essentiële gegevens niet zijn ingevuld een wilsovereenstemming over de te verlenen zorg en de daarvoor te betalen prijs worden afgeleid.

Voorts blijkt uit de stukken niet dat verdachte het oogmerk heeft gehad de ondertekende (delen van) modelovereenkomsten op enigerlei wijze te gebruiken en/of dat zij deze daadwerkelijk heeft gebruikt. De rechtbank ziet dan ook niet in, hoe, waar het om deze (delen van) modelovereenkomsten gaat, de handelwijze van verdachte kan leiden tot een bewezenverklaring van valsheid in geschrift en/of oplichting.

Wijzigingsformulier PGB

In de administratie van [rechtspersoon] zijn ten aanzien van een aantal cliënten niet ingevulde, doch wel ondertekende, wijzigingsformulieren aangetroffen. Uit de stukken blijkt niet dat verdachte deze formulieren daadwerkelijk heeft gebruikt, laat staan dat zij op deze formulieren onjuiste gegevens heeft ingevuld en ze vervolgens heeft ingediend bij het zorgkantoor. Ook blijkt uit de stukken niet dat zij het oogmerk had dit te doen.

Ook hier geldt derhalve dat van een bewezenverklaring van valsheid in geschrift en/of oplichting geen sprake kan zijn.

Formulier machtiging zaakwaarnemer PGB

Binnen [rechtspersoon] was het gebruikelijk dat cliënten een formulier machtiging zaakwaarnemer tekenden. Verdachte heeft dit ter zitting bevestigd.

Uit de stukken blijkt niet dat op deze formulieren onjuiste gegevens zijn ingevuld. Ook hier geldt derhalve dat van een bewezenverklaring van valsheid in geschrift en/of oplichting geen sprake kan zijn.

Ten aanzien van het aanvraagformulier zorg, de verklaring bij verkort aanvraagformulier zorg en het verantwoordingsformulier PGB kan niet worden volstaan met een categorale beoordeling. De rechtbank zal hierna ten aanzien van de in de tenlastelegging genoemde personen komen tot een beoordeling per persoon en per formulier.

Overwegingen met betrekking tot individuele personen in relatie tot formulieren

[cliënt 1]

Cliënte heeft van 3 maart 2008 tot 27 april 2009 bij [rechtspersoon] gewoond.

Nadat zij bij [rechtspersoon] is komen wonen, heeft zij een bijstandsuitkering aangevraagd. Die is haar vervolgens toegekend met terugwerkende kracht tot de datum waarop zij bij [rechtspersoon] is komen wonen. Volgens het indicatiebesluit CIZ van 4 april 2008 was voor haar over de periode van 4 april 2008 tot 4 april 2011 een ZZP GGZ03, klasse 7 (7 etmalen per week) geïndiceerd.

Uit de PGB-beschikkingen die zich onder de stukken bevinden blijkt dat zij vanaf 4 april 2008 een PGB had voor de functie persoonlijke verzorging klasse 1 (0-1,9 uur per week), ondersteunende begeleiding algemeen klasse 5 (10-12,9 uur), ondersteunende begeleiding dag klasse 4 (4 dagdelen per week) en verblijf tijdelijk klasse 2 (2 etmalen per week). In 2008 was het budget per week € 778,45 en vanaf 1 januari 2009 was dat € 811,81.

Het PGB werd gestort op een rekening van cliënte bij de Rabobank waarop [rechtspersoon]/verdachte gemachtigd was. Cliënte had zelf geen pinpas van deze rekening en de rekeningafschriften gingen naar verdachte.

Over maart tot en met juni 2008 moest zij € 600,-- per maand aan huur betalen. Van juni 2008 tot 1 januari 2009 hoefde zij niets te betalen omdat, zo vertelde verdachte haar, zij volledig verblijf kreeg via PGB. Vanaf 1 januari 2009 moest zij € 250,-- per maand betalen omdat zij anders volgens verdachte geen gemeentelijke toeslag van 20% zou krijgen.

Cliënte heeft verklaard dat zij 2 keer per week een gesprek van 1 à 1 ½ uur had met [medewerker 1] en later ook met [medewerker 2] en dat zij daarnaast deelnam aan activiteiten in het dagactiviteitencentrum (hierna: DAC), in het begin vrijwel elke dag 1 dagdeel.

Cliënte heeft verklaard dat zij op het aanvraagformulier zorg haar personalia en handtekening heeft gezet en dat verdachte de rest zou invullen. Verdachte heeft dit ter zitting beaamd.

Noch uit de aangifte van cliënte noch uit haar verklaring bij de rechter-commissaris blijkt dat voor haar meer zorg is aangevraagd dan zij nodig had. Ook overigens bieden de stukken daartoe geen aanknopingspunten, zodat van een bewezenverklaring van valsheid in geschrift en/of oplichting ter zake van het aanvraagformulier zorg geen sprake kan zijn.

Een verklaring bij verkort aanvraagformulier zorg op naam van cliënte bevindt zich niet onder de stukken en hier is ook niets over verklaard. Derhalve kan valsheid in geschrift en/of oplichting ter zake van dit formulier niet worden bewezen.

In de administratie van [rechtspersoon], in de zorgmap van cliënte, zijn niet ingevulde, door haar ondertekende verantwoordingsformulieren PGB aangetroffen.

Onder de stukken bevinden zich verantwoordingsformulieren waaruit blijkt dat het gehele budget verantwoord is als persoonlijke verzorging, ondersteunende begeleiding dag, ondersteunende begeleiding uren en tijdelijk verblijf.

Gelet op hetgeen cliënte heeft verklaard over de zorg die zij daadwerkelijk heeft gekregen in combinatie met hetgeen hiervoor is overwogen omtrent de gang van zaken bij [rechtspersoon] komt de rechtbank tot de conclusie dat een deel van het budget dat beschikbaar was voor begeleiding niet is gebruikt voor dat doel, maar wel als zodanig is verantwoord, zodat de verantwoording niet in overeenstemming was met de realiteit.

[cliënt 2]

Cliënte heeft van 9 augustus 2006 tot en met 18 december 2007 samen met haar zoontje bij [rechtspersoon] verbleven. Zij werkte 3 dagen per week, maar heeft zich toen zij bij [rechtspersoon] kwam ziek gemeld. Vanaf eind 2006/begin 2007 heeft zij haar werk geleidelijk hervat.

In de stukken bevindt zich geen indicatiebesluit van deze cliënte.

Uit de PGB-beschikkingen die zich onder de stukken bevinden blijkt dat zij vanaf 11 augustus 2006 een PGB had voor de functies ondersteunende begeleiding algemeen klasse 3 (4-6,9 uur per week), activerende begeleiding algemeen klasse 2 (2-3,9 uur per week) en verblijf tijdelijk klasse 2 (2 etmalen per week). Per 11 februari 2007 is de ondersteunende begeleiding algemeen van klasse 3 naar klasse 4 (7-9,9 uur) gegaan. Per week was het PGB eerst € 522,39, vanaf 1 januari 2007 € 543,01 en vanaf 11 februari 2007 € 635,75.

Het PGB van cliënte is op rekening van [rechtspersoon] gestort. Cliënte heeft daartoe een formulier machtiging zaakwaarnemer getekend.

Cliënte heeft verklaard 5 keer per week een gesprek van een half uur gehad te hebben met verschillende mensen, in het begin geholpen te zijn met haar bankzaken en begeleiding te hebben gehad bij het voetbal van haar zoontje. [medewerker 3], die haar persoonlijk begeleider is geweest, heeft verklaard dat zij per week 2 uur met cliënte bezig was en dat de stagiaires ook ongeveer 2 uur per week met haar bezig waren; in totaal zou zij 4 uur per week begeleiding hebben gehad.

Cliënte heeft zowel bij de rechter-commissaris als bij de politie verklaard dat zij eerst € 700,- huur moest betalen en later € 600,--. Bij de politie heeft zij een kamer(ver)huurcontract d.d. 9 augustus 2006 overgelegd waar in staat vermeld dat de huur € 700,-- per maand is.

Cliënte heeft verklaard dat zij het aanvraagformulier zorg niet zelf heeft ingevuld, maar dat zij er misschien wel naast heeft gezeten toen verdachte het invulde. Zij heeft ook verklaard dat de gegevens op het formulier niet juist zijn; zij had geen zelfmoordneigingen en zij had niet, zoals op het formulier ingevuld is, 7 dagen per week, 3 keer per dag begeleiding nodig. Zij had genoeg aan 5 keer per week een half uur begeleiding.

Verdachte heeft ter zitting verklaard dat zij het formulier heeft ingevuld in het bijzijn van cliënte en dat de inhoud juist is.

Cliënte heeft een vragenlijst overgelegd (bij de rechter-commissaris) die zij heeft ingevuld toen zij zich bij [rechtspersoon] aanmeldde. In deze vragenlijst wordt geen melding gemaakt van psychische problemen en wordt ook overigens niet een situatie geschetst die wijst in de richting van een behoefte aan intensieve begeleiding. Gelet hierop, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen over de situatie van cliënte en gelet op hetgeen hiervoor is overwogen over de gang van zaken bij [rechtspersoon] in het algemeen, acht de rechtbank de conclusie gerechtvaardigd dat de zorgbehoefte van cliënte in de aanvraag is aangedikt en niet in overeenstemming was met de realiteit.

Een verklaring bij verkort aanvraagformulier zorg op naam van cliënte bevindt zich niet onder de stukken en hier is ook niets over verklaard. Derhalve kan valsheid in geschrift en/of oplichting ter zake van dit formulier niet worden bewezen.

In de administratie van [rechtspersoon], in de zorgmap van cliënte, zijn niet ingevulde, door haar ondertekende verantwoordingsformulieren PGB aangetroffen.

Onder de stukken bevinden zich verantwoordingsformulieren waaruit blijkt dat het gehele budget verantwoord is als ondersteunende begeleiding, activerende begeleiding en tijdelijk verblijf.

Gelet op hetgeen cliënte heeft verklaard over de zorg die zij daadwerkelijk heeft gekregen in combinatie met hetgeen hiervoor is overwogen omtrent de gang van zaken bij [rechtspersoon] komt de rechtbank tot de conclusie dat een deel van het budget dat beschikbaar was voor begeleiding niet is gebruikt voor dat doel, maar wel als zodanig is verantwoord, zodat de verantwoording niet in overeenstemming was met de realiteit.

[cliënt 3]

Cliënte was de eerste bewoonster van [rechtspersoon]. Zij heeft van 22 november 2005 tot 1 november 2007 bij [rechtspersoon] verbleven.

Niet alle relevante indicatiebesluiten CIZ bevinden zich onder de stukken. Onder de gedingstukken bevindt zich slechts een indicatiebesluit over de periode vanaf 13 maart 2007. Daaruit blijkt dat eigenlijk een intramurale setting geïndiceerd was, met daaraan gekoppeld ZIN voor behandeling verblijf en verblijf langdurig.

Uit de PGB-beschikkingen in het dossier valt af te leiden dat het PGB van cliënte naar aard en omvang varieerde. Gedurende het grootste deel van haar tijd bij [rechtspersoon] had zij een PGB ondersteunende begeleiding klasse 5 (10-12,9 uur per week), ondersteunende begeleiding dag klasse 5 (5 dagdelen per week), persoonlijke verzorging klasse 1 (0-1,9 uur per week), verpleging klasse 0 (0-0,9 uur per week) en verblijf tijdelijk klasse 2 (2 etmalen per week). Het PGB varieerde van € 668,09 tot € 1.095,23 per week.

Cliënte heeft verklaard dat zij 3 keer per week een gesprek van een half uur had met een stagiaire, daarnaast wel eens een praatje maakte met alle bewoners en verder voornamelijk op haar kamer zat.

[medewerker 3] heeft verklaard dat zij 3 uur per week met haar bezig was.

Cliënte betaalde eerst € 450,-- per maand voor een kamer, later € 550,--. Haar ex-echtgenoot zou per maand € 250,-- hebben betaald.

Cliënte heeft bij haar aanvullende verhoor bij de politie een verkort aanvraagformulier zorg en bijbehorende verklaring overgelegd. Zij heeft daarover verklaard dat zij deze formulieren toen zij bij [rechtspersoon] kwam leeg heeft getekend; er stond niets op geschreven. Zij moest het formulier van verdachte halen bij het Lelycenter en het vervolgens leeg ondertekenen. Zij wist toen niet waar het voor was en heeft hiernaar ook niet gevraagd. Zij heeft verklaard de ingevulde gegevens niet te herkennen. Het was haars inziens niet juist dat zij in haar eigen wereld leefde, een medebewoner geslagen had en agressief was. Zij kon prima zelfstandig wonen.

Gelet hierop, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen over de situatie van cliënte en gelet op hetgeen hiervoor is overwogen over de gang van zaken bij [rechtspersoon] in het algemeen, acht de rechtbank de conclusie gerechtvaardigd dat de zorgbehoefte van cliënte in de aanvraag is aangedikt en niet in overeenstemming was met de realiteit.

In de administratie van [rechtspersoon], in de zorgmap van cliënte, is een door haar ondertekend verantwoordingsformulier PGB aangetroffen. Op dit formulier is, blijkens een daarbij gevoegd proces-verbaal, het voorschotbedrag overschreven op Tipp-ex.

Onder de stukken bevinden zich verantwoordingsformulieren waaruit blijkt dat het gehele budget verantwoord is als persoonlijke verzorging, verpleging, ondersteunende begeleiding, en tijdelijk verblijf.

Gelet op hetgeen cliënte heeft verklaard over de zorg die zij daadwerkelijk heeft gekregen in combinatie met hetgeen hiervoor is overwogen omtrent de gang van zaken bij [rechtspersoon] komt de rechtbank tot de conclusie dat een deel van het budget dat beschikbaar was voor begeleiding niet is gebruikt voor dat doel, maar wel als zodanig is verantwoord, zodat de verantwoording niet in overeenstemming was met de realiteit.

[cliënt 4]

Cliënt heeft van 12 mei 2006 tot 4 augustus 2006 bij [rechtspersoon] verbleven. Hij had een bijstandsuitkering en was met behoud van deze bijstandsuitkering bezig met het starten van een eigen onderneming.

Onder de gedingstukken bevindt zich geen indicatiebesluit.

Vanaf 22 mei 2006 had hij een PGB voor ondersteunende begeleiding algemeen klasse 5 (10-12,9 uur per week). Het PGB bedroeg € 381,26 per week.

Het PGB van cliënt is op rekening van [rechtspersoon] gestort. Cliënt heeft daartoe een formulier machtiging zaakwaarnemer getekend.

Cliënt heeft verklaard dat hij 2 à 3 keer per week een gesprek van 10 minuten had, dat steeds hetzelfde was en eigenlijk nergens over ging. Hij had naar zijn zeggen ook geen behoefte aan meer begeleiding. [medewerker 3] heeft verklaard 3 uur per week voor hem bezig te zijn geweest.

Cliënt heeft zowel bij de politie als bij de rechter-commissaris verklaard dat hij eerst € 450,-- per maand aan huur moest betalen en na verhuizing naar een grotere kamer € 550,--.

Onder de stukken bevindt zich een huurovereenkomst van 10 mei 2006 waarin is opgenomen dat de huur € 450,-- is.

Op het aanvraagformulier zorg dat cliënt bij zijn aangifte heeft overgelegd is onder punt 17 ingevuld dat cliënt minimaal 14 uur per week begeleiding krijgt. Voorts wordt op diverse plaatsen melding gemaakt van angstgevoelens bij cliënt. Cliënt heeft aangegeven dat dit niet klopt.

Gelet hierop, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen over de situatie van cliënt en gelet op hetgeen hiervoor is overwogen over de gang van zaken bij [rechtspersoon] in het algemeen, acht de rechtbank de conclusie gerechtvaardigd dat de zorgbehoefte van cliënt in de aanvraag is aangedikt en niet in overeenstemming was met de realiteit.

Een verklaring bij verkort aanvraagformulier zorg op naam van cliënt bevindt zich niet onder de stukken en hier is ook niets over verklaard. Derhalve kan valsheid in geschrift en/of oplichting ter zake van dit formulier niet worden bewezen.

Cliënt heeft bij zijn aangifte tegenover de politie verklaard dat hij niet ingevulde verantwoordingsformulieren PGB heeft getekend. Bij de rechter-commissaris heeft hij dit herhaald. De rechtbank ziet gelet op hetgeen bekend is omtrent de gang van zaken bij [rechtspersoon] geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van deze verklaring. Verdachte heeft ter zitting bevestigd dat deze formulieren niet altijd ingevuld waren als zij ze liet tekenen.

Onder de stukken bevinden zich verantwoordingsformulieren waaruit blijkt dat, voor zover het budget is verantwoord, dit geheel is verantwoord is als ondersteunende begeleiding.

Gelet op hetgeen cliënt heeft verklaard over de zorg die hij daadwerkelijk heeft gekregen in combinatie met hetgeen hiervoor is overwogen omtrent de gang van zaken bij [rechtspersoon] komt de rechtbank tot de conclusie dat een deel van het budget dat beschikbaar was voor begeleiding niet is gebruikt voor dat doel, maar wel als zodanig is verantwoord, zodat de verantwoording niet in overeenstemming was met de realiteit.

[cliënt 5]

Deze cliënte heeft van 3 maart 2006 tot 4 augustus 2006 samen met haar zoontje bij [rechtspersoon] verbleven. Zij had een bijstandsuitkering.

Onder de gedingstukken bevindt zich geen indicatiebesluit.

Vanaf 4 maart 2006 had zij een PGB voor ondersteunende begeleiding algemeen klasse 3 (4 -6,9 uur per week) en activerende begeleiding algemeen klasse 2 (2-3,9 uur). Het PGB bedroeg € 334,91 per week.

Het PGB van cliënte is op rekening van [rechtspersoon] gestort. Cliënte heeft daartoe een formulier machtiging zaakwaarnemer getekend.

Cliënte heeft verklaard dat zij 1 à 2 keer per week een gesprek van een half uur had.

Zij betaalde € 550,-- per maand voor haar kamer.

Cliënte heeft in haar aanvullende verhoor tegenover de politie over het aanvraagformulier zorg verklaard dat haar woorden zijn verdraaid, aangedikt of compleet gelogen en dat eigenlijk de hele aanvraag niet klopte. Ze had volgens haar zeggen geen zorg nodig, alleen een dak boven haar hoofd. Bij de rechter-commissaris heeft cliënt herhaald dat de inhoud van het aanvraagformulier niet correct was. Zij heeft bij die gelegenheid een vragenlijst overgelegd die zij heeft ingevuld toen zij zich bij [rechtspersoon] aanmeldde. Uit deze vragenlijst komt naar voren dat cliënte naast huisvesting toch ook wel enige steun en begeleiding dacht te kunnen gebruiken. In die zin heeft cliënte haar verklaring tegenover de politie genuanceerd. Zij heeft echter volhard in haar standpunt dat haar situatie en zorgvraag niet juist omschreven zijn. Zij heeft daarbij als voorbeelden gegeven dat zij geen 24-uurshulp nodig had in verband met herbelevingen ’s nachts en dat zij niet overwogen heeft haar zoon ter adoptie af te staan.

Gelet hierop, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen over de situatie van cliënte en gelet op hetgeen hiervoor is overwogen over de gang van zaken bij [rechtspersoon] in het algemeen, acht de rechtbank de conclusie gerechtvaardigd dat de zorgbehoefte van cliënte in de aanvraag is aangedikt en niet in overeenstemming was met de realiteit.

Een verklaring bij verkort aanvraagformulier zorg op naam van cliënt bevindt zich niet onder de stukken en hier is ook niets over verklaard. Derhalve kan valsheid in geschrift en/of oplichting ter zake van dit formulier niet worden bewezen.

In de administratie van [rechtspersoon], in de zorgmap van cliënte, zijn niet ingevulde, door haar ondertekende verantwoordingsformulieren PGB aangetroffen. Cliënte heeft bij haar aanvullende verhoor tegenover de politie ook verklaard dat zij niet ingevulde formulieren heeft ondertekend.

Onder de stukken bevinden zich verantwoordingsformulieren waaruit blijkt dat, voor zover het budget is verantwoord, dit geheel is verantwoord als ondersteunende en activerende begeleiding.

Gelet op hetgeen cliënte heeft verklaard over de zorg die zij daadwerkelijk heeft gekregen in combinatie met hetgeen hiervoor is overwogen omtrent de gang van zaken bij [rechtspersoon] komt de rechtbank tot de conclusie dat een deel van het budget dat beschikbaar was voor begeleiding niet is gebruikt voor dat doel, maar wel als zodanig is verantwoord, zodat de verantwoording niet in overeenstemming was met de realiteit.

[cliënt 6]

Cliënte heeft van 29 september 2010 tot het einde van [rechtspersoon] daar verbleven.

Zij volgde een fulltime opleiding en werkte daarnaast. Zij ontving studiefinanciering en verdiende met haar werk € 100,-- à € 200,-- per 4 weken.

Cliënte heeft verklaard dat zij 1 à 2 keer per week een gesprek van een half uur had. Naast haar opleiding had zij weinig ruimte. In het weekend was zij meestal elders.

Per maand moest zij een eigen bijdrage van € 125,-- betalen. In haar ogen was dat een soort huur.

Onder de stukken bevindt zich geen aanvraagformulier zorg voor cliënte. Ook overigens blijkt uit de stukken niets omtrent de inhoud van een eventueel aanvraagformulier. Uit hetgeen besproken is bij de rechter-commissaris lijkt te volgen dat voor cliënte toen zij bij [rechtspersoon] kwam reeds een indicatie was aangevraagd en verkregen door haar moeder. Van enig handelen van verdachte op dit punt is de rechtbank niet gebleken. Derhalve kan valsheid in geschrift ter zake van dit formulier niet worden bewezen.

In de administratie van [rechtspersoon] zijn in de zorgmap van cliënte niet ingevulde, door haar ondertekende, verklaringen bij verkort aanvraagformulier zorg aangetroffen. Uit de stukken blijkt echter niet dat verdachte deze formulieren daadwerkelijk heeft gebruikt, laat staan dat zij op deze formulieren onjuiste gegevens heeft ingevuld en ze vervolgens heeft ingediend bij het zorgkantoor. Ook blijkt uit de stukken niet dat zij het oogmerk had dit te doen.

Van een bewezenverklaring van valsheid in geschrift kan ten aanzien van deze formulieren dan ook geen sprake zijn.

In de administratie van [rechtspersoon], in de zorgmap van cliënte, zijn niet ingevulde, door haar ondertekende verantwoordingsformulieren PGB aangetroffen (door de officier van justitie kort voor de zitting d.d. 8 maart 2012 overgelegd). Ook hier geldt echter dat uit de stukken niet blijkt dat verdachte deze formulieren daadwerkelijk heeft gebruikt. Derhalve kan valsheid in geschrift ter zake van dit formulier niet worden bewezen.

Leefgeldformulieren

Onder feit 1 wordt behalve over voornoemde formulieren gesproken over leefgeldformulieren. Hier gaat het om formulieren op naam van andere cliënten dan voornoemde cliënten.

In de administratie van [rechtspersoon] zijn van deze formulieren verschillende varianten aangetroffen in respectievelijk een mapje met daarop het opschrift “originele….” en een mapje met het opschrift “aangepaste…”. Hiermee geconfronteerd heeft verdachte verklaard dat de bedragen op de formulieren in het eerste mapje juist zijn en dat ze de bedragen op de formulieren heeft aangepast door er een 1 of een 2 voor te zetten. Ter zitting heeft verdachte dit herhaald.

Ten aanzien van feit 1:

Gelet op het hiervoor overwogene is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat:

- met betrekking tot [cliënt 1] de verantwoordingsformulieren PGB valselijk zijn opgemaakt;

- met betrekking tot [cliënt 2], [cliënt 4] en [cliënt 5] de aanvraagformulieren zorg en de verantwoordingsformulieren PGB valselijk zijn opgemaakt;

- met betrekking tot [cliënt 3] zowel het verkort aanvraagformulier zorg, de verklaring bij verkort aanvraagformulier zorg en de verantwoordingsformulieren PGB valselijk zijn opgemaakt;

- meerdere leefgeldformulieren op naam van tientallen cliënten van [rechtspersoon] zijn vervalst door voor de ingevulde bedragen waarvoor de cliënten hadden getekend, een één of een twee te schrijven;

- verdachte valselijk de aanvraagformulieren zorg van het CIZ heeft ingevuld en/of aangepast, op de verantwoordingsformulieren PGB heeft vermeld in welke mate zorg verleend was en welke vergoeding daar tegenover stond en dat verdachte gemachtigd werd op te treden namens de cliënten en dat verdachte op de leefgeldformulieren voor het ingevulde bedrag waarvoor de cliënten hadden getekend een één of een twee heeft geschreven met het oogmerk om deze geschriften als echt en onvervalst te gebruiken.

Ten aanzien van feit 2:

Ten aanzien van het laatste gedachtestreepje van het onder 2 ten laste gelegde overweegt de rechtbank dat niet is gebleken dat bij het openen van de rekeningen en bij het machtigen van [rechtspersoon]/verdachte op deze rekeningen sprake is geweest van dwang, omdat het verrichten van deze handelingen een onderdeel is geweest van de overeenkomst tussen [rechtspersoon]/verdachte en de cliënten.

Gelet op het hiervoor overwogene is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat:

- verdachte het oogmerk had om zich wederrechtelijk te bevoordelen;

- verdachte valselijk en listiglijk en bedrieglijk en in strijd met de waarheid aanvraagformulieren zorg van het CIZ en verantwoordingsformulieren PGB valselijk heeft ingevuld, aangepast en aangedikt en deze formulieren heeft ingezonden naar het CIZ en Achmea zorgkantoor en met die formulieren een PGB op naam van [cliënt 1], [cliënt 2], [cliënt 3], [cliënt 4] en [cliënt 5] heeft verantwoord en dat [cliënt 1] een bankrekening moest openen voor het storten van PGB;

- het Zorgkantoor Achmea hierdoor heeft bewogen tot afgifte van geld.

Ten aanzien van feit 3:

Naar het oordeel van de rechtbank kan, behoudens de woning op het adres [woning 1] te [plaatsnaam], worden bewezen dat de in de tenlastelegging genoemde voorwerpen zijn verworven door middel van inkomsten die uit het bedrijf [rechtspersoon] zijn gegenereerd. De genoemde woning was immers al voor de oprichting van [rechtspersoon] aangeschaft. Hierboven heeft de rechtbank geoordeeld dat verdachte valsheid in geschrift heeft gepleegd en het zorgkantoor heeft opgelicht. Verder wijst de rechtbank erop dat verdachte heeft bekend dat er onregelmatigheden in de boekhouding van [rechtspersoon] hebben plaatsgevonden . Met de onrechtmatig verkregen gelden zijn de overige in de tenlastelegging genoemde voorwerpen verworven. Derhalve kan naar het oordeel van de rechtbank worden bewezen dat deze voorwerpen afkomstig waren uit enig misdrijf.

In de woning van verdachte is geld aangetroffen, te weten € 76.191,- en GBP 3.445,-. Eveneens zijn sieraden en horloges aangetroffen. Verdachte heeft verklaard dat deze voorwerpen in de kluis van [rechtspersoon] lagen en dat uitsluitend zij toegang tot deze kluis had. Naar het oordeel van de rechtbank kan daarom worden bewezen dat verdachte deze voorwerpen voorhanden heeft gehad. De rechtbank acht het aannemelijk dat de aangetroffen sieraden en horloges grotendeels zijn verworven in de ten laste gelegde periode. De rechtbank overweegt hiertoe, dat verdachte zelf ter terechtzitting heeft verklaard dat zij veel sieraden in die periode heeft gekocht. Verder wijst de rechtbank erop dat verdachte in de periode vóór de ten laste gelegde periode een uitkering genoot en het daarom niet voor de hand ligt dat zij toen veel dure sieraden en horloges heeft gekocht.

Ten aanzien van het in de tenlastelegging genoemde geld op de bankrekening met nummer [bankrekeningnummer] overweegt de rechtbank dat deze bankrekening op naam staat van verdachte. Derhalve kan worden bewezen dat verdachte het geld op deze rekening voorhanden heeft gehad en hiervan gebruik heeft gemaakt.

Met betrekking tot de in de tenlastelegging genoemde auto’s kan naar het oordeel van de rechtbank worden bewezen dat deze in de ten laste gelegde periode zijn verworven. De rechtbank acht het voorts aannemelijk dat verdachte deze auto’s heeft verworven, voorhanden heeft gehad en van de auto’s gebruik heeft gemaakt, nu deze van leden van het gezin zijn. De rechtbank merkt hierbij op dat de Chrysler in ieder geval voor een deel is verworven met geld dat verdachte aan haar echtgenoot heeft geleend.

Ten aanzien van de woningen op het adres [adres] en [woning 1] te [plaatsnaam] geldt dat zij zijn verworven in de periode vóór de in de tenlastelegging genoemde periode. Voor wat betreft de eigen woning op het adres [adres] geldt echter dat blijkens het rekeningafschrift hypotheek van de Rabobank Flevoland d.d. 22 januari 2010 dat de hypotheek op 20 januari 2010 algeheel is afgelost met een bedrag van € 69.992,00. Derhalve kan worden bewezen dat deze woning in de ten laste gelegde periode hypotheekvrij is gemaakt met uit enig misdrijf afkomstige middelen. Het door de verdachte voorhanden hebben gehad en gebruik hebben gemaakt van die woning dient daarmee naar het oordeel van de rechtbank te worden gekwalificeerd als opzettelijk witwassen.

Met betrekking tot de overige in de tenlastelegging genoemde woningen kan naar het oordeel van de rechtbank worden bewezen, dat verdachte deze heeft verworven, voorhanden heeft gehad en hiervan gebruik heeft gemaakt. De woningen stonden immers op naam van [rechtspersoon], waarvan verdachte de feitelijk bestuurder was.

Ten aanzien van het voorhanden hebben en gebruik maken van de in de tenlastelegging genoemde voorwerpen overweegt de rechtbank voorts nog dat verdachte door de aankoop daarvan heeft bijgedragen aan het verbergen van de criminele herkomst van de gelden.

De rechtbank is voorts van oordeel dat het tezamen en in vereniging plegen van het witwassen van de drie auto’s en de eigen woning kan worden bewezen, nu verdachte en haar echtgenote deze voorwerpen gezamenlijk voorhanden hebben gehad en hiervan gezamenlijk gebruik hebben gemaakt.

Gelet op de lengte van de periode waarin het plegen van witwassen heeft plaatsgevonden, kan naar het oordeel van de rechtbank worden bewezen dat er sprake was van het gewoonte maken daarvan.

5 BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat:

1.

zij in de periode van 1 november 2005 tot en met 2 november 2010 in de gemeente [plaatsnaam], meermalen, telkens

"aanvraagformulieren zorg" en/of “Verklaring bij verkort aanvraagformulier Zorg” van het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) voor de aanvraag van Persoongebonden Budgetten op naam van [cliënt 2] en [cliënt 3] en [cliënt 4] en [cliënt 5]en

formulieren van Achmea Zorgverzekeringen (verantwoordingsformulier PGB),waarmee informatie werd verstrekt aan Achmea Zorgverzekeringen, op naam van [cliënt 1] en [cliënt 2] en [cliënt 3] en [cliënt 4] en [cliënt 5]en

leefgeldformulieren op naam van tientallen, cliënten van [de B.V.], waaronder [cliënt 7] en [cliënt 8] en [cliënt 9] en [cliënt 10]

zijnde geschriften die bestemd waren om tot bewijs van enig feit te dienen valselijk heeft opgemaakt of vervalst,

immers heeft verdachte valselijk

door die [cliënt 2] en [cliënt 3] en [cliënt 4] en [cliënt 5] ondertekende (blanco) "aanvraagformulieren zorg" van het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) voor de aanvraag van Persoongebonden Budgetten ingevuld en/of aangepast

en

op door die [cliënt 1] en [cliënt 2] en [cliënt 3] en [cliënt 4] en [cliënt 5] ondertekende (blanco) Verantwoordingsformulieren PGB vermeld in welke mate zorg verleend was en welke vergoeding daar tegenover stond

en

op genoemde leefgeldformulieren voor het ingevulde bedrag waarvoor bovengenoemde cliënten hadden getekend een één of een twee geschreven

zulks telkens met het oogmerk om die geschriften als echt en onvervalst te gebruiken;

2.

zij in de periode van 1 november 2005 tot en met 2 november 2010 in de gemeente [plaatsnaam], telkens met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen telkens door een of meer listige kunstgrepen en door een samenweefsel van verdichtsels,

Achmea Zorgkantoor heeft bewogen tot de afgifte van geld (gelden ten behoeve van Persoons Gebonden Budget),

hebbende verdachte toen aldaar telkens met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - listiglijk en bedrieglijk en in strijd met de waarheid

- door die [cliënt 2] en [cliënt 3] en [cliënt 4] en [cliënt 5] ondertekende "aanvraagformulieren zorg" van het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) voor de aanvraag van Persoongebonden Budgetten door die [cliënt 1] en [cliënt 2] en [cliënt 3] en [cliënt 4] en [cliënt 5] ondertekende verantwoordingsformulier PGB valselijk ingevuld en/of aangepast en/of aangedikt en vervolgens deze formulieren heeft ingezonden naar het Centrum Indicatiestellingen Zorg en/of Achmea zorgkantoor en

aldus (met die formulieren) Persoons Gebonden Budgetten op naam van die [cliënt 1] en [cliënt 2] en [cliënt 3] en [cliënt 4] en [cliënt 5] aangevraagd en/of verantwoord en

- door voornoemde [cliënt 1] een bankrekening laten openen voor het storten van die Persoonsgebonden Budgetten

waardoor het Zorgkantoor Achmea telkens werd bewogen tot bovenomschreven afgifte;

3.

zij in de periode van 1 november 2005 tot en met 2 november 2010 in de gemeente [plaatsnaam] tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers heeft zij, verdachte en/of haar mededader,

- van onderstaande voorwerpen, de werkelijke herkomst verborgen en verhuld en

- onderstaande voorwerpen verworven en/of voorhanden gehad en/of van genoemde voorwerpen gebruik gemaakt,

te weten

- een of meer geldbedrag(en) van ongeveer (in totaal 76.191,-- Euro en/of GBP 3.445,00) en

- een geldbedrag van ongeveer 167,915,26 Euro (bankrekeningnummer [bankrekeningnummer])

- een hoeveelheid sieraden en horloges en

- een auto van het merk Audi, type A 4 cabriolet en

- een auto van het merk Renault, type Megane cabriolet en

- een auto van het merk Chrysler, type 300 C en

- een woning, gelegen aan de [woning 2] te [plaatsnaam] en

- een woning gelegen aan de [woning 3] te [plaatsnaam] en

- een woning gelegen aan de [woning 4] te [plaatsnaam] en

- een woning gelegen aan het [woning 5] te [plaatsnaam] en

- een woning gelegen aan het [adres] te [plaatsnaam] en

- een woning gelegen aan de [woning 6] te [plaatsnaam],

terwijl verdachte en haar mededader telkens wisten dat die voorwerpen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf.

Van het onder 1, 2 en 3 meer of anders ten laste gelegde zal verdachte worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet wettig en overtuigend bewezen acht.

6 KWALIFICATIE

Het bewezene levert op:

Feit 1:

Valsheid in geschrift, meermalen gepleegd.

Feit 2:

Oplichting, meermalen gepleegd.

Feit 3:

Medeplegen van een gewoonte maken van witwassen en plegen van een gewoonte maken van witwassen.

7 STRAFBAARHEID

De feiten en verdachte zijn strafbaar, nu geen feiten of omstandigheden zijn gebleken die die strafbaarheid zouden opheffen of uitsluiten.

8 STRAFOPLEGGING

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van de door hem bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht en dat verdachte wordt ontzet uit het recht om een beroep in de zorgverlening uit te oefenen voor de duur van vijf jaren.

Gelet op het feit dat verdachte als enig aandeelhouder en directeur de enige is die de onderstaande goederen kan aanwenden heeft de officier van justitie tevens de verbeurdverklaring gevorderd van de voorwerpen waarop conservatoir beslag is gelegd, te weten:

- geldbedragen van in totaal € 76.191 en/of GBP 3.445,00;

- een geldbedrag/vordering van ongeveer € 167.915,26 (bankrekeningnummer [bankrekeningnummer]);

- een grote hoeveelheid sieraden en/of horloges met een waarde van in totaal ongeveer € 397.135,00;

- een auto van het merk Audi, type A4 cabriolet;

- een auto van het merk Renault, type Megane cabriolet;

- een auto van het merk Chrysler, type 300 C;

- een woning gelegen aan de [woning 2] te [plaatsnaam];

- een woning gelegen aan de [woning 3] te [plaatsnaam];

- een woning gelegen aan de [woning 4] te [plaatsnaam];

- een woning gelegen aan het [woning 5] te [plaatsnaam] en

- een woning gelegen aan de [woning 6] te [plaatsnaam].

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft ten aanzien van een op te leggen straf primair bepleit dat indien de rechtbank een straf oplegt, deze gelijk moet zijn aan het reeds ondergane voorarrest. Subsidiair heeft de verdediging bepleit, indien het reeds ondergane voorarrest onvoldoende wordt geacht, hieraan een werkstraf toe te voegen. Het opleggen van een voorwaardelijke straf is onnodig.

De verdediging heeft voorts bepleit dat bij het opleggen van een straf rekening moet worden gehouden met de partiële nietigheid van de dagvaardig, met de omstandigheid dat CIZ en het zorgkantoor het goed vonden gaan en de slachtoffers niet of nauwelijks schade hebben geleden.

De verdediging heeft voorts het beeld dat verdachte voedsel uit voedselpakketten van cliënten haalde bestreden, alsook het door de officier van justitie gestelde dat deze zaak in omvang vergelijkbaar is met een strafzaak als Palm Invest.

Voorts heeft de verdediging bepleit dat de verbeurdverklaring niet als straf moet worden opgelegd, omdat er reeds een ontnemingsvordering in het vooruitzicht is gesteld.

Het oordeel van de rechtbank

Gelet op de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden waaronder verdachte zich daaraan heeft schuldig gemaakt en op de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht de rechtbank de na te noemen beslissing passend.

Uit het dossier rijst het beeld op dat de feiten zoals bewezen zijn verklaard voor de in de tenlastelegging genoemde cliënten, de normale werkwijze van verdachte weerspiegelt. Verdachte heeft door haar handelwijze ten onrechte een hoog bedrag aan PGB geïncasseerd. Dit geld was bestemd voor de cliënten van [rechtspersoon], zodat deze cliënten met dat geld zorg in konden kopen.

Het bedrag dat binnen een bepaalde periode niet aan zorg werd besteed zou teruggestort moeten worden naar het zorgkantoor. Verdachte heeft dat echter niet gedaan.

Door haar handelen heeft verdachte verhinderd dat het zorgkantoor op adequate wijze haar controle-functie kon uitoefenen. Daarnaast heeft zij op oneigenlijke wijze beschikt over “gemeenschapsgelden”. Zij heeft haar hebzucht bevredigd zonder acht te slaan op de gevolgen van haar handelen voor anderen.

Fraude in het algemeen, maar zeker in deze omvang, tast het fundament van het PGB-systeem aan. Dit is verdachte te meer te verwijten, omdat zij zelf onderdeel is van dat systeem. De fraude was mogelijk door misbruik te maken van het vertrouwen dat cliënten hebben en ook moeten kunnen hebben in de zorgverlening. Het gaat daarbij per definitie om een zeer kwetsbare en hulpbehoevende groep in de samenleving. Verdachte heeft dit vertrouwen van de cliënten geschaad. De rechtbank acht dit soort feiten zeer laakbaar.

De rechtbank heeft voor wat betreft de op te leggen straf rekening gehouden met de richtlijn van het College van procureurs-generaal voor sociale zekerheidsfraude. Deze richtlijn noemt als hoogste benadelingsbedrag een bedrag van € 210.000,00 en geeft daarbij als indicatie voor de op te leggen straf, een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden. De rechtbank gaat er van uit dat het benadelingsbedrag in onderhavige zaak substantieel hoger is, zodat de aan verdachte op te leggen straf ook evident hoger zal zijn.

Gelet op de jurisprudentie, waaronder een uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 22 april 2010 met betrekking tot Palm Invest (LJN: BM1910) waarbij het om oplichting op aanzienlijke schaal, valsheid in geschrift en witwassen ging, beleggers voor enkele tientallen miljoenen euro’s zijn gedupeerd en waarbij een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaar en 6 maanden is opgelegd, zal de rechtbank de eis van de officier van justitie niet volgen.

De rechtbank plaatst daarbij de kanttekening dat enerzijds het bedrag in onderhavige zaak lager is dan in de zaak van Palm Invest, maar dat anderzijds een zeer kwetsbare groep slachtoffer is geworden van het handelen van verdachte, terwijl dit bij Palm Invest niet het geval was.

Wel zal de rechtbank aan verdachte een verbod als bedoeld in artikel 28 van het Wetboek van Strafrecht opleggen. De rechtbank overweegt daarbij dat verdachte in de uitoefening van haar beroep tot de bewezenverklaarde feiten is gekomen. Weliswaar heeft verdachte ter terechtzitting verklaard dat zij niet opnieuw in de hulpverlening wil werken, maar om dit zeker te stellen acht de rechtbank een beroepsverbod toch noodzakelijk.

Voorts heeft de rechtbank bij het opleggen van een straf, in het voordeel van verdachte, rekening gehouden met een de verdachte betreffend uittreksel justitiële documentatie d.d. 8 februari 2012, waaruit volgt dat verdachte niet eerder is veroordeeld.

De rechtbank heeft tevens rekening gehouden met een de verdachte betreffend reclasseringsadvies d.d. 24 maart 2011 opgemaakt door S. Soffner en M. Boerrigter, respectievelijk reclasseringswerker en leidinggevende van Reclassering Nederland, waarin het recidiverisico als laag wordt geschat. Hierin ziet de rechtbank aanleiding om geen deels voorwaardelijke straf op te leggen. Te meer omdat de rechtbank tevens een beroepsverbod op zal leggen en omdat uit artikel 15 en volgende van het Wetboek van Strafrecht volgt dat na afloop van tweederde van de op te leggen straf in beginsel reeds voorwaardelijke invrijheidstelling zal volgen, zodat er uit een oogpunt van preventie voor het opleggen van een voorwaardelijk deel van de gevangenisstraf naar het oordeel van de rechtbank geen aanleiding bestaat.

Tot verbeurdverklaring van hetgeen onder het conservatoir beslag valt, zoals door de officier van justitie is geëist, zal de rechtbank niet overgaan. Het gaat om voorwerpen waarop in het kader van het strafrechtelijk financieel onderzoek conservatoir beslag is gelegd. Dit beslag is gelegd onder toepassing van artikel 94a van het Wetboek van Strafvordering. De werking van artikel 353 van het Wetboek van Strafvordering, waaruit volgt dat de rechtbank in een uitspraak als de onderhavige een beslissing dient te nemen over in beslag genomen voorwerpen, is uitdrukkelijk beperkt tot voorwerpen waarop beslag is gelegd onder toepassing van artikel 94 van het Wetboek van Strafvordering.

Gezien het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat een forse onvoorwaardelijke vrijheidsstraf noodzakelijk is, omdat de aard en ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde door een lichtere strafrechtelijke afdoening van de zaak miskend zouden worden. Bijzondere omstandigheden die tot een ander oordeel zouden moeten voeren, acht de rechtbank niet aanwezig.

Alles overwegende komt de rechtbank tot het oordeel dat de hierna te melden straf passend en geboden is.

9 BESLAG

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft de verbeurdverklaring gevorderd van de administratie, met opdracht om de zorgdossiers aan de ex-cliënten te geven, en van de computers en gegevensdragers.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft bepleit om niet tot verbeurdverklaring over te gaan, omdat de ontnemingsvordering gestart wordt bij het uitspreken van het vonnis.

De verdediging refereert zich verder aan het oordeel van de rechtbank.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat de in beslag genomen voorwerpen, voor zover daarop geen conservatoir beslag rust, verbeurd verklaard dienen te worden, aangezien de strafbare feiten met behulp van deze voorwerpen zijn begaan en het voorwerpen betreffen die van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan niet in strijd is met de wet of met het algemeen belang.

10 DE BENADEELDE PARTIJEN

Voor aanvang van de terechtzitting hebben de volgende personen zich als benadeelde partij in dit geding gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van schade ten gevolge van de aan verdachte onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten. De hoogte van die schade wordt door de benadeelde partijen begroot op:

- [cliënt 11] heeft de schade niet begroot;

- [cliënt 10] die de schade begroot op € 2.034,17;

- [cliënt 3] (daartoe vertegenwoordigd door mr. E. Lucas) die de schade begroot op € 1.500,00;

- [cliënt 12] (daartoe vertegenwoordigd door mr. S. Duurland) die de schade begroot op € 2.810,00;

- [cliënt 13] die de schade begroot op € 17.0448,95;

- [cliënt 14] die de schade begroot op € 62.348,29;

- [cliënt 7] (daartoe vertegenwoordigd door mr. E. Lucas) die de schade begroot op € 8.205,65;

- [cliënt 9] (daartoe vertegenwoordigd door mr. E. Lucas) die de schade begroot op € 7.782,13;

- [cliënt 15] die de schade begroot op € 71.421,08;

- [cliënt 16] (daartoe vertegenwoordigd door mr. E. Lucas) die de schade begroot op € 2.127,00;

- [cliënt 17] die de schade begroot op € 1.400,00;

- [cliënt 5](daartoe vertegenwoordigd door mr. J.A. Neslo) die de schade begroot op € 1.001,25;

- [cliënt 1] (daartoe vertegenwoordigd door mr. E. Lucas) die de schade begroot op € 5.649,00;

- [cliënt 18] (daartoe vertegenwoordigd door mr. E. Lucas) die de schade begroot op € 1.500,00;

- [cliënt 19] (daartoe vertegenwoordigd door mr. S. Duurland) die de schade begroot op € 2.125,00;

- [cliënt 20] (daartoe vertegenwoordigd door mr. S. Duurland) die de schade begroot op € 2.175,00;

- [cliënt 21] heeft de schade niet begroot;

- [cliënt 22] (daartoe vertegenwoordigd door mr. J.A. Neslo) die de schade begroot op € 7.092,28;

- [cliënt 23] die de schade begroot op € 3.750,00;

- [cliënt 2] (daartoe vertegenwoordigd door mr. S. Duurland) die de schade begroot op € 5.597,00;

- [cliënt 24] (daartoe vertegenwoordigd door mr. E. Lucas) die de schade begroot op € 2.000,00;

- [cliënt 25] (daartoe vertegenwoordigd door mr. E. Lucas) die de schade begroot op € 2.475,00;

- [cliënt 4] (daartoe vertegenwoordigd door mr. J.A. Neslo) die de schade begroot op € 874,00;

- [cliënt 26] die de schade begroot op € 10.264,16;

- [cliënt 27] (daartoe vertegenwoordigd door mr. I.F.J. Beugelsdijk) die de schade begroot op € 8.114,57;

- [cliënt 28] (daartoe vertegenwoordigd door mr. E. Lucas) die de schade begroot op € 2.025,00;

- [cliënt 29] (daartoe vertegenwoordigd door mr. E. Lucas) die de schade begroot op € 5.511,95.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft aangegeven dat alle benadeelde partijen ontvankelijk zijn, omdat zij via de leefgeldformulieren in de tenlastelegging zijn opgenomen.

Ten aanzien van de materiële schade heeft de officier van justitie aangevoerd dat de ten laste gelegde feiten beperkt ruimte bieden om voldoende causaliteit aan te nemen.

Met betrekking tot de immateriële schade zoals gevorderd door [cliënt 3], [cliënt 12], [cliënt 7], [cliënt 9], [cliënt 16], [cliënt 5], [cliënt 1], [cliënt 18], [cliënt 19], [cliënt 22], [cliënt 2], [cliënt 24], [cliënt 25] en [cliënt 4] heeft de officier van justitie gevorderd deze toe te wijzen, omdat deze schade gebaseerd is op het geschonden vertrouwen in zorgverleners.

Voor de hoogte van het bedrag aan immateriële schade heeft de officier van justitie zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Naast de immateriële schade worden ook de gemaakte kosten voor rechtsbijstand voor vergoeding vatbaar geacht door de officier van justitie.

Voor het overige dienen de benadeelde partijen niet-ontvankelijk te worden verklaard.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft bepleit dat de cliënten van [de B.V.] niet op de hoogte waren van de wijzigingen die zijn aangebracht in de leefgeldformulieren. Het verlies in het vertrouwen van de hulpverlening kan niet zomaar worden aangenomen, zodat de vorderingen van de benadeelde partijen niet kunnen worden toegewezen.

Het oordeel van de rechtbank

Benadeelde partijen [cliënt 11] en [cliënt 21]

De benadeelde partijen [cliënt 11] en [cliënt 21] dienen in hun vordering niet-ontvankelijk te worden verklaard, nu zij geen benadelingsbedrag hebben ingevuld. Zij kunnen hun vorderingen slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Benadeelde partijen [cliënt 10], [cliënt 12], [cliënt 13], [cliënt 14], [cliënt 7], [cliënt 9], [cliënt 15], [cliënt 16], [cliënt 17], [cliënt 18], [cliënt 19], [cliënt 20], [cliënt 22], [cliënt 23], [cliënt 24], [cliënt 25], [cliënt 26], [cliënt 27], [cliënt 28], [cliënt 29]

De rechtbank is van oordeel dat ten aanzien van voornoemde benadeelde partijen voor zover sprake is van vervalste leefgeldformulieren onvoldoende verband bestaat tussen de gestelde geleden schade en de bewezenverklaarde feiten. De rechtbank zal derhalve bepalen dat de benadeelde partijen in die vorderingen niet-ontvankelijk zijn en dat de vorderingen slechts bij de burgerlijke rechter kunnen worden aangebracht.

Benadeelde partij [cliënt 3]

De rechtbank is van oordeel dat bij het onderzoek ter terechtzitting vast is komen te staan dat de benadeelde partij [cliënt 3] rechtstreeks schade heeft geleden ten gevolge van het onder 1 bewezen verklaarde feit.

De rechtbank is van oordeel dat een vergoeding voor immateriële schade ter hoogte van € 750,00 passend is. Daarmee is de hoogte van de schade genoegzaam komen vast te staan op € 750,00, vermeerderd met de kosten die – tot op heden – worden begroot op nihil.

De vordering van de benadeelde partij, die in die vordering ontvankelijk is, is in dier voege bij wijze van voorschot toewijsbaar. Voor het meerdere zal de rechtbank [cliënt 3] in haar vordering niet-ontvankelijk verklaren en bepalen dat de vordering ter zake dit deel slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

De rechtbank zal voorts aan de verdachte op de voet van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een geldsom van € 750,00 ten behoeve van het slachtoffer [cliënt 3].

Benadeelde partij [cliënt 5]

De rechtbank is van oordeel dat bij het onderzoek ter terechtzitting vast is komen te staan dat de benadeelde partij [cliënt 5]rechtstreeks schade heeft geleden ten gevolge van het onder 1 bewezen verklaarde feit.

De materiële kosten ad € 176,25, te weten de proceskosten volgend uit de civiele procedure kunnen, gelet op het arrest van de Hoge Raad van 18 april 2000 (LJN ZD1786) niet worden toegewezen, omdat deze kosten niet als rechtstreekse schade uit de strafbare feiten is aan te merken. De rechtbank zal derhalve bepalen dat de benadeelde partij in de vordering voor dit deel niet-ontvankelijk is en dat de vordering ter zake dit deel slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Met betrekking tot de immateriële kosten ad € 750,00 is de rechtbank van oordeel dat deze voldoende zijn onderbouwd en kunnen worden toegewezen.

De kosten voor rechtsbijstand ad € 75,00 zijn eveneens voldoende onderbouwd en kunnen worden toegewezen.

De hoogte van de schade is genoegzaam komen vast te staan op een bedrag van € 825,00, vermeerderd met de kosten die – tot op heden – worden begroot op nihil en vermeerderd met de wettelijke rente.

De vordering van de benadeelde partij, die in die vordering ontvankelijk is, is in dier voege bij wijze van voorschot toewijsbaar.

De rechtbank zal voorts aan de verdachte op de voet van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een geldsom van € 750,00 ten behoeve van het slachtoffer [cliënt 5]. De kosten voor rechtsbijstand kunnen niet in aanmerking worden genomen bij de oplegging van de in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht voorziene maatregel.

Benadeelde partij [cliënt 1]

De rechtbank is van oordeel dat bij het onderzoek ter terechtzitting vast is komen te staan dat de benadeelde partij [cliënt 1] rechtstreeks schade heeft geleden ten gevolge van het onder 1 bewezen verklaarde feit.

De rechtbank is van oordeel dat een vergoeding voor immateriële schade ter hoogte van € 750,00 passend is. Voor het meerdere zal de rechtbank [cliënt 1] in haar vordering niet-ontvankelijk verklaren en bepalen dat de vordering ter zake dit deel slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

De kosten voor rechtsbijstand ad € 98,00 worden door de rechtbank passend geacht en kunnen derhalve worden toegewezen.

Het overige deel van de vordering van de benadeelde partij, te weten de reiskosten en de terugbetaling aan het zorgkantoor, levert naar het oordeel van de rechtbank een onevenredige belasting van het strafgeding op. De rechtbank zal derhalve bepalen dat de benadeelde partij voor dit deel van de vordering niet-ontvankelijk is en dat de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

De hoogte van de schade is genoegzaam komen vast te staan op een bedrag van € 848,00, vermeerderd met de kosten die – tot op heden – worden begroot op nihil en vermeerderd met de wettelijke rente.

De vordering van de benadeelde partij, die in die vordering ontvankelijk is, is in dier voege bij wijze van voorschot toewijsbaar.

De rechtbank zal voorts aan de verdachte op de voet van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een geldsom van € 750,00 ten behoeve van het slachtoffer [cliënt 1]. De kosten voor rechtsbijstand kunnen niet in aanmerking worden genomen bij de oplegging van de in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht voorziene maatregel.

Benadeelde partij [cliënt 2]

De rechtbank is van oordeel dat bij het onderzoek ter terechtzitting vast is komen te staan dat de benadeelde partij [cliënt 2] rechtstreeks schade heeft geleden ten gevolge van het onder 1 bewezen verklaarde feit.

De rechtbank is van oordeel dat een vergoeding voor immateriële schade ter hoogte van € 750,00 passend is. Voor het meerdere zal de rechtbank [cliënt 2] in haar vordering niet-ontvankelijk verklaren en bepalen dat de vordering ter zake dit deel slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

De kosten voor rechtsbijstand ad € 127,00 zijn voldoende onderbouwd en kunnen worden toegewezen.

Het overige deel van de vordering van de benadeelde partij, te weten de teruggevorderde huurtoeslagen voor 2006 en 2007, levert naar het oordeel van de rechtbank een onevenredige belasting van het strafgeding op. De rechtbank zal derhalve bepalen dat de benadeelde partij in voor dit deel van de vordering niet-ontvankelijk is en dat de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

De hoogte van de schade is genoegzaam komen vast te staan op een bedrag van € 877,00, vermeerderd met de kosten die – tot op heden – worden begroot op nihil en vermeerderd met de wettelijke rente.

De vordering van de benadeelde partij, die in die vordering ontvankelijk is, is in dier voege bij wijze van voorschot toewijsbaar.

De rechtbank zal voorts aan de verdachte op de voet van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een geldsom van € 750,00 ten behoeve van het slachtoffer [cliënt 2]. De kosten voor rechtsbijstand kunnen niet in aanmerking worden genomen bij de oplegging van de in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht voorziene maatregel.

Benadeelde partij [cliënt 4]

De rechtbank is van oordeel dat bij het onderzoek ter terechtzitting vast is komen te staan dat de benadeelde partij [cliënt 4] rechtstreeks schade heeft geleden ten gevolge van het onder 1 bewezen verklaarde feit.

De materiële kosten ad € 49,00, te weten de kosten voor rechtsbijstand volgend uit de civiele procedure kunnen, gelet op het arrest van de Hoge Raad van 18 april 2000 (LJN ZD1786) niet worden toegewezen, omdat deze kosten niet als rechtstreekse schade uit de strafbare feiten is aan te merken. De rechtbank zal derhalve bepalen dat de benadeelde partij in de vordering voor dit deel niet-ontvankelijk is en dat de vordering ter zake dit deel slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Met betrekking tot de immateriële kosten is de rechtbank van oordeel dat deze voldoende zijn onderbouwd en kunnen worden toegewezen.

De kosten voor rechtsbijstand ad € 75,00 zijn eveneens voldoende onderbouwd en kunnen worden toegewezen.

De hoogte van de schade is genoegzaam komen vast te staan op een bedrag van € 825,00, vermeerderd met de kosten die – tot op heden – worden begroot op nihil en vermeerderd met de wettelijke rente.

De vordering van de benadeelde partij, die in die vordering ontvankelijk is, is in dier voege bij wijze van voorschot toewijsbaar.

De rechtbank zal voorts aan de verdachte op de voet van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een geldsom van € 750,00 ten behoeve van het slachtoffer [cliënt 4]. De kosten voor rechtsbijstand kunnen niet in aanmerking worden genomen bij de oplegging van de in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht voorziene maatregel.

11 TOEPASSELIJKHEID WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op de artikelen 10, 27, 28, 33, 33a, 36f, 47, 57, 225, 235, 326, 339, 420bis, 420ter en 420quinquies van het Wetboek van Strafrecht, zoals de artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

12 BESLISSING

De rechtbank:

Nietigverklaring

- verklaart de dagvaarding partieel nietig, voorzover het betreft het gestelde achter het eerste gedachtestreepje in het onder 2 tenlastegelegde feit;

Bewezenverklaring

- verklaart het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 5 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat onder 1, 2 en 3 meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart de bewezen verklaarde feiten strafbaar;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden;

- bepaalt dat de tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

- ontzet verdachte uit het recht tot het uitoefenen van een beroep in de zorgverlening voor de duur van 5 jaren;

- heft op het (geschorste) bevel tot voorlopige hechtenis;

Beslag

- verklaart verbeurd de in beslag genomen voorwerpen, voor zover daarop geen conservatoir beslag is gelegd;

Benadeelde partij

[cliënt 3]

- veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [cliënt 3], wonende te [plaatsnaam], van een bedrag van € 750,00 (zegge: zevenhonderdvijftig euro);

- veroordeelt de verdachte voorts in de kosten, door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

- legt op aan verdachte de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 750,00 ten behoeve van het slachtoffer [cliënt 3] voornoemd, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 15 dagen hechtenis;

- bepaalt dat, indien verdachte (gedeeltelijk) heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat, daarmee verdachtes verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [cliënt 3] (in zoverre) komt te vervallen en andersom dat, indien verdachte (gedeeltelijk) heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [cliënt 3], daarmee verdachtes verplichting tot betaling aan de Staat (in zoverre) komt te vervallen;

[cliënt 5]

- veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [cliënt 5], wonende te [plaatsnaam], van een bedrag van € 825,00 (zegge: achthonderdvijfentwintig euro), vermeerderd met de wettelijke rente sinds de dag waarop het thans bewezen verklaarde feit 1 jegens de benadeelde partij werd gepleegd tot die van de voldoening;

- veroordeelt de verdachte voorts in de kosten, door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

- legt op aan verdachte de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 750,00 ten behoeve van het slachtoffer [cliënt 5]voornoemd, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 15 dagen hechtenis;

- bepaalt dat, indien verdachte (gedeeltelijk) heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat, daarmee verdachtes verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [cliënt 5](in zoverre) komt te vervallen en andersom dat, indien verdachte (gedeeltelijk) heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [cliënt 5], daarmee verdachtes verplichting tot betaling aan de Staat (in zoverre) komt te vervallen;

- bepaalt dat de benadeelde partij [cliënt 5]voor wat het meer gevorderde betreft in haar vordering niet-ontvankelijk is en dat zij haar vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

[cliënt 1]

- veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [cliënt 1], wonende te [plaatsnaam], van een bedrag van € 848,00 (zegge: achthonderdachtenveertig euro), vermeerderd met de wettelijke rente sinds de dag waarop het thans bewezen verklaarde feit 1 jegens de benadeelde partij werd gepleegd tot die van de voldoening;

- veroordeelt de verdachte voorts in de kosten, door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

- legt op aan verdachte de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 750,00 ten behoeve van het slachtoffer [cliënt 1] voornoemd, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 15 dagen hechtenis;

- bepaalt dat, indien verdachte (gedeeltelijk) heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat, daarmee verdachtes verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [cliënt 1] (in zoverre) komt te vervallen en andersom dat, indien verdachte (gedeeltelijk) heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [cliënt 1], daarmee verdachtes verplichting tot betaling aan de Staat (in zoverre) komt te vervallen;

- bepaalt dat de benadeelde partij [cliënt 1] voor wat het meer gevorderde betreft in haar vordering niet-ontvankelijk is en dat zij haar vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

[cliënt 2]

- veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [cliënt 2], wonende te [plaatsnaam], van een bedrag van € 877,00 (zegge: achthonderdzevenenzeventig euro), vermeerderd met de wettelijke rente sinds de dag waarop het thans bewezen verklaarde feit 1 jegens de benadeelde partij werd gepleegd tot die van de voldoening;

- veroordeelt de verdachte voorts in de kosten, door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

- legt op aan verdachte de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 750,00 ten behoeve van het slachtoffer [cliënt 2] voornoemd, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 15 dagen hechtenis;

- bepaalt dat, indien verdachte (gedeeltelijk) heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat, daarmee verdachtes verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [cliënt 2] (in zoverre) komt te vervallen en andersom dat, indien verdachte (gedeeltelijk) heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [cliënt 2], daarmee verdachtes verplichting tot betaling aan de Staat (in zoverre) komt te vervallen;

- bepaalt dat de benadeelde partij [cliënt 2] voor wat het meer gevorderde betreft in haar vordering niet-ontvankelijk is en dat zij haar vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

[cliënt 4]

- veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [cliënt 4], wonende te [plaatsnaam], van een bedrag van € 825,00 (zegge: achthonderdvijfentwintig euro), vermeerderd met de wettelijke rente sinds de dag waarop het thans bewezen verklaarde feit 1 jegens de benadeelde partij werd gepleegd tot die van de voldoening;

- veroordeelt de verdachte voorts in de kosten, door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

- legt op aan verdachte de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 750,00 ten behoeve van het slachtoffer [cliënt 4] voornoemd, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 15 dagen hechtenis;

- bepaalt dat, indien verdachte (gedeeltelijk) heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat, daarmee verdachtes verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [cliënt 4] (in zoverre) komt te vervallen en andersom dat, indien verdachte (gedeeltelijk) heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [cliënt 4], daarmee verdachtes verplichting tot betaling aan de Staat (in zoverre) komt te vervallen;

- bepaalt dat de benadeelde partij [cliënt 4] voor wat het meer gevorderde betreft in haar vordering niet-ontvankelijk is en dat zij haar vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

Benadeelde partijen [cliënt 11], [cliënt 10], [cliënt 12],[cliënt 13], [cliënt 14], [cliënt 7], [cliënt 9], [cliënt 15], [cliënt 16], [cliënt 17], [cliënt 18], [cliënt 19], [cliënt 20], [cliënt 21], [cliënt 22], [cliënt 23], [cliënt 24], [cliënt 25], [cliënt 26], [cliënt 27], [cliënt 28], [cliënt 29]

- bepaalt dat voornoemde benadeelde partijen in hun vorderingen niet-ontvankelijk zijn en dat zij hun vorderingen slechts bij de burgerlijke rechter kunnen aanbrengen.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.I. van der Kris, voorzitter, mrs. L.G. Wijma en R.M. van Vuure, rechters, in tegenwoordigheid van mr. B.T. Feenstra, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 23 maart 2012.