Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2012:BV8409

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
09-03-2012
Datum publicatie
09-03-2012
Zaaknummer
Awb 11/2286
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2013:192, Overig
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2014:2162, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Weigering toekenning nadeelcompensatie voor afsluiten Hollandse Brug gedurende de periode van 27 april 2007 tot 1 juli 2008; terecht drempel van 15% toegepast als normaal ondernemersrisico; verder geen aankpingspunten te twijfelen aan advisering door schadecommissie; beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Sector Bestuursrecht

Registratienummer: Awb 11/2286

uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen

Koops Transport Rotterdam B.V. , eiseres,

gemachtigde: mr. J.J. Paalman,

en

de Minister van Infrastructuur en Milieu, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 9 juli 2009 heeft verweerder het verzoek van eiseres om nadeelcompensatie voor het afsluiten van de Hollandse Brug voor vrachtverkeer gedurende de periode van

27 april 2007 tot 1 juli 2008 afgewezen.

Het daartegen gemaakte bezwaar is bij het besluit van 23 september 2011 ongegrond verklaard. Eiseres heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.

Eiseres heeft nadere stukken ingediend. Verweerder heeft verweer gevoerd en heeft tevens

stukken ingezonden ter completering van het dossier.

Het beroep is ter zitting van 2 februari 2012 behandeld. Voor eiseres zijn verschenen

S. Koops, directeur, en W. van Essen, bijgestaan door gemachtigde mr. J.J. Paalman. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.C. Procee. Verder zijn verschenen A. den Boer en J.B. Oosting.

Overwegingen

1. Toepasselijke wet- en regelgeving.

Volgens artikel 2, eerste lid, van de Regeling nadeelcompensatie Verkeer en Waterstaat

1999 (hierna: de Regeling) kent de minister aan degene die schade lijdt of zal lijden als gevolg van de rechtmatige uitoefening door of namens de minster van een aan het publiek- recht ontleende bevoegdheid of taak, op verzoek een vergoeding toe, voor zover de schade redelijkerwijze niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven en voor zover de vergoeding niet of niet voldoende anderszins is verzekerd.

Volgens artikel 3 komt binnen het normale maatschappelijke risico of het normale onder- nemersrisico vallende schade niet voor vergoeding in aanmerking.

Artikel 4 bepaalt dat schade als gevolg van een schadeoorzaak als bedoeld in artikel 2, eerste lid, alleen voor vergoeding in aanmerking komt wanneer deze in belangrijke mate afwijkt van de schade die dientengevolge op een ieder drukt, dan wel wanneer deze schade op een naar verhouding gering aantal natuurlijke of rechtspersonen die in een vergelijkbare positie verkeren drukt.

2. Feiten en omstandigheden.

Op 11 juni 2007 heeft verweerder besloten de Hollandse Brug, onderdeel van de A6, af te sluiten voor het vrachtverkeer voor de periode van 27 april 2007 tot en met 30 juni 2008.

Op 7 augustus 2007 heeft Koops Transport B.V.,gevestigd en kantoorhoudende aan de Beemsterweg 12a te Almere, een beroep gedaan op de Regeling voor een financiële vergoeding van de door haar ten gevolge van genoemde afsluiting geleden en te lijden schade, die voor 2007 is begroot op € 1.750.183,-- . Voorts is verzocht een voorschot van

€ 1.004.204,-- toe te kennen op de eventueel uit te keren nadeelcompensatie.

Op 13 oktober 2008 is een conceptadvies uitgebracht door de Schadecommissie Hollandse Brug (nader te noemen de schadecommissie).

Bij uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (nader te noemen: de Afdeling) van 11 maart 2009 is het besluit van 11 juni 2007 rechtmatig geacht. Hiermee is gegeven dat de aanvraag tot vergoeding van schade kon worden afgewikkeld op basis van de Regeling.

Op 12 mei 2009 heeft de schadecommissie geadviseerd het verzoek om schadevergoeding

af te wijzen op de grond dat de door eiseres geleden schade valt binnen het normale maatschappelijke risico, als bedoeld in artikel 3 van de Regeling. Vervolgens is bij besluit van 9 juli 2009 het verzoek om nadeelcompensatie afgewezen. Hiertegen is bezwaar aangetekend.

Op 29 oktober 2010 heeft de schadecommissie een aantal vragen van verweerder beantwoord, naar aanleiding waarvan de schadecommissie een nader advies heeft uitgebracht. Door een interne bezwaarcommissie is vervolgens op 21 september 2011

het advies uitgebracht het bezwaar ongegrond te verklaren. Onder verwijzing naar dit advies heeft verweerder het bezwaar bij het thans voorliggende besluit van 23 september 2011 ongegrond verklaard. Verweerder stelt zich daarbij op het standpunt dat er geen sprake is

van schade die het normale ondernemersrisico te boven gaat.

3. Ontvankelijkheid

De rechtbank beziet ambtshalve of het beroep van eiseres ontvankelijk is. Bij akte van

18 december 2009 is de nadeelcompensatieclaim van Koops Transport B.V. op de voet van artikel 1:14 van het Burgerlijk Wetboek gecedeerd aan haar rechtsopvolger onder bijzondere titel Koops Transport Rotterdam B.V. Gelet hierop is eiseres te zien als belanghebbende die beroep kan instellen bij de rechtbank.

Nu eiseres een plaats van vestiging heeft in Almere, is terecht beroep ingesteld bij de rechtbank Zwolle-Lelystad. Eiseres kan daarom in haar beroep worden ontvangen.

4. Beoordeling

4.1. De rechtbank is van oordeel dat de minister, door bij de beoordeling van de vraag of de schade dusdanig ernstig is dat deze niet als behorend tot het normaal ondernemersrisico ten laste van eiseres mag blijven, een drempel toe te passen van 15% en deze voorts te relateren aan het bedrag van een gemiddelde omzet en gemiddelde kosten, geen onredelijke invulling heeft gegeven aan hetgeen in de voorliggende zaak tot het normale ondernemersrisico behoort. Daarbij slaat de rechtbank onder meer acht op de uitspraken van de Afdeling van respectievelijk 14 april 2004 (zaak nr. 200305154/1), gepubliceerd onder LJN: AO7483,

van 21 juni 2006 (zaak nr. 200508280/1, BR 2006, p. 847 en van 2 april 2008, 200705986/1, gepubliceerd in LJN: BC8472.

Dat, zoals door eiseres is aangevoerd, de vestiging in Almere direct aan de Hollandse brug

is gelegen, de afsluiting abrupt is gerealiseerd, de afsluiting langere tijd heeft geduurd en sprake is van omvangrijke schade, wat daar overigens van zij, maakt dit niet anders.

De door eiseres in dit kader genoemde jurisprudentie ziet op andere situaties, te weten

op verkeerbesluiten die definitieve gevolgen hebben.

Verweerder heeft terecht kunnen stellen dat eiseres een transportonderneming drijft,

die in het bijzonder rekening moet houden met infrastructurele werken en die de daaruit voortvloeiende schade door omrijdkosten in hoge mate moet accepteren.

Naar het oordeel van de rechtbank is niet aan de orde dat toepassing van de drempel in

het voorliggende geval lijdt tot een onredelijke of onbillijke situatie.

4.2. Anders dan eiseres aanvoert is de door haar gestelde schade op zorgvuldige wijze beoordeeld. Er is sprake geweest van het uitgebreid opvragen van gegevens bij en gegevensverstrekking door eiseres, wat heeft geleid tot een nader advies door de schadecommissie, in het kader waarvan zij voldoende is gehoord.

4.3. Dat een juiste vaststelling van de schade niet mogelijk was op basis van de door eiseres verstrekte gegevens, reden waarom verweerder haar in de gelegenheid had moeten stellen

de gewenste gegevens te verstrekken, kan de rechtbank niet volgen.

In de eerste plaats heeft verweerder zich gebaseerd op de advisering door de schadecommissie en de interne bezwaarcommissie, aan welke advisering meerdere berekeningen ten grondslag liggen. Deze berekeningen hebben betrekking op omzetverlies, kostenstijging en omrijdschade, uitgaande van verschillende referentieperiodes en/ of boekjaren en gaan uit van door eiseres verstrekte gegevens. Uit de berekeningen blijkt dat

de schade relatief gezien beperkt is gebleven.

4.4. De door de schadecommissie gebruikte gegevens voor de diverse berekeningen zijn

naar het oordeel van de rechtbank voldoende representatief voor de bedrijfsvoering van de onderneming. De omvang van de door eiseres gesteld geleden schade kon dan ook op grond daarvan worden beoordeeld.

De rechtbank acht het in dit kader niet rechtens onjuist dat de schade is berekend aan de hand van een vergelijking van de (kostprijs) omzet, de overige bedrijfskosten en de totale kosten over de door verweerder gekozen periodes, nu voldoende representatieve gegevens over de aan de afsluiting voorafgaande drie jaren ontbreken. In dit kader merkt de rechtbank nog op dat ook rekening is gehouden met de periode van afsluiting in 2008.

4.5. Verweerder heeft zich bij de berekeningen op het standpunt kunnen stellen dat bij de afbakening van een normaal ondernemersrisico moet worden betrokken dat de getroffen vestiging in Almere een onderdeel is van een grotere economische eenheid. Bovendien zijn geen bruikbare cijfers overgelegd op basis waarvan de schade berekend zou kunnen worden voor Almere afzonderlijk.

4.6. Eiseres heeft geen concrete aanknopingspunten geboden om te twijfelen aan de waarde van de advisering door de schadecommissie. Zij heeft ook geen deskundige tegenberekening overgelegd om haar claim te onderbouwen. Dit terwijl de bewijslast rust op degene die stelt nadeel te hebben geleden, dat het normaal maatschappelijke risico te boven gaat.

5. Het beroep is ongegrond.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond

Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Oosterveld, voorzitter, mr. W.J.B. Cornelissen en mr. W.F. Bijloo, rechters, en door de voorzitter en mr. D. Hardonk-Prins als griffier ondertekend. Uitgesproken in het openbaar op

Afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat voor een belanghebbende en het bestuursorgaan hoger beroep open. Dit dient te worden ingesteld binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak door een beroepschrift en een kopie van deze uitspraak te zenden aan de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag