Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2012:BV8319

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
03-02-2012
Datum publicatie
08-03-2012
Zaaknummer
Awb 11/2118
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Geen juiste uitvoering van de bevoegdheidsverdeling bij indicatie bij dubbele grondslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Sector Bestuursrecht

Registratienummer: Awb 11/2118

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

Eiser te woonplaats,

gemachtigde: mr. G.J.A. van Dijk,

en

het bestuur van de stichting Centrum Indicatiestelling Zorg,

gevestigd te Driebergen, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 8 april 2011 heeft verweerder eiser in het kader van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) geïndiceerd voor de volgende zorg:

- Begeleiding groep, klasse 3, van 31 maart 2011 tot en met 30 maart 2016;

- Behandeling individueel, van 31 maart 2011 tot en met 30 maart 2012;

- Kortdurend verblijf, klasse 2, van 31 maart 2011 tot en met 30 maart 2016;

- Persoonlijke verzorging, klasse 3, van 31 maart 2011 tot en met 30 maart 2016.

Het daartegen gemaakte bezwaar is bij besluit van 23 augustus 2011 ongegrond verklaard, met dien verstande dat bij dat besluit eiser voor de volgende zorg is geïndiceerd:

- Begeleiding groep, klasse 3, van 31 maart 2011 tot en met 23 augustus 2011;

- Begeleiding groep, klasse 2, van 24 augustus 2011 tot en met 30 maart 2016;

- Behandeling individueel, van 31 maart 2011 tot en met 30 maart 2012;

- Kortdurend verblijf, klasse 2, van 31 maart 2011 tot en met 30 maart 2016;

- Persoonlijke verzorging, klasse 3, van 31 maart 2011 tot en met 30 maart 2016;

- Begeleiding individueel, klasse 2, van 31 maart 2011 tot en met 30 maart 2016.

Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.

Het beroep is ter zitting van 5 januari 2012 behandeld. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en door zijn wettelijk vertegenwoordigster (…). Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door I.C.J.G. van Maris-Kindt.

Overwegingen

1. Eiser is een thans zevenjarige jongen die bekend is met een autisme

spectrumstoornis en een verstandelijke beperking. In verband met deze aandoeningen is op 21 maart 2011 namens hem een aanvraag ingediend voor AWBZ-zorg. Naar aanleiding van deze aanvraag is op 31 maart 2011 van de zijde van verweerder een indicatierapport opgesteld, waarna op 1 april 2011 een indicatie is afgegeven. In deze indicatie was geen Persoonlijke verzorging opgenomen. Vervolgens is op 8 april 2011 een gecorrigeerd indicatiebesluit afgegeven en heeft de verdere besluitvorming plaatsgevonden zoals hierboven onder procesverloop is uiteengezet.

2. Alvorens de rechtbank tot een inhoudelijke beoordeling van de indicatiestelling en de daartegen namens eiser ingebrachte gronden kan komen, dient ambtshalve beoordeeld te worden of verweerder bevoegd was tot het nemen van het thans ter beoordeling staande besluit. Daartoe overweegt de rechtbank het navolgende.

De omstandigheid dat eiser zowel bekend is met een autisme spectrumstoornis als een verstandelijke beperking, betekent dat er sprake is van een zogenaamde dubbele grondslag, te weten de grondslag Psychiatrie en de grondslag Verstandelijke handicap.

Zoals de Centrale Raad van Beroep (CRvB) onder andere heeft overwogen in de uitspraak van 17 februari 2010, LJN: BL7152, volgt uit het samenstel van relevante bepalingen van de AWBZ, het Zorgindicatiebesluit, de Wet op de jeugdzorg en het Uitvoeringsbesluit Wet op de jeugdzorg dat, indien een jeugdige vanwege een psychiatrische aandoening of beperking, een gedragsprobleem of een psychisch of psychosociaal probleem is aangewezen op AWBZ-zorg, de stichting die een Bureau Jeugdzorg (BJZ) in stand houdt het bevoegde bestuursorgaan is om een indicatiebesluit af te geven op grond waarvan aanspraak op die AWBZ-zorg bestaat, voor zover deze zorg verband houdt met genoemde aandoeningen of problemen. Verweerder is uitsluitend bevoegd wat betreft het indiceren van jeugdigen, ter zake van zorg die geen verband houdt met een psychiatrische aandoening of beperking, een gedragsprobleem of een psychisch of psychosociaal probleem. Daarnaast heeft de CRvB in voornoemde uitspraak uiteengezet hoe aan de wettelijke bevoegdheidsverdeling uitvoering dient te worden gegeven, waarbij de rechtbank met name van belang acht hetgeen in rechtsoverweging 4.3.3 is overwogen:

“Het feit dat deze bevoegdheidsverdeling bij jeugdigen met een dubbele grondslagproblematiek in de uitvoering op praktische bezwaren stuit (twee onderzoeken, dubbele besluiten, mogelijke doublures in geïndiceerde functies) kan aan de uit de wet voortvloeiende bevoegdheidsverdeling niet afdoen. Onder verwijzing naar inmiddels vaste jurisprudentie van deze Raad, waarin is overwogen dat een indicatiebesluit gelet op de samenhang tussen de — mogelijk — te indiceren zorgfuncties, één en ondeelbaar is (vergelijk de uitspraak van de Raad van 28 november 2007, LJN BB9311), acht de Raad bij een dubbele grondslagproblematiek onderlinge afstemming van de besluitvorming door CIZ en de Stichting aangewezen. De Raad merkt daarbij op dat het om genoemde praktische bezwaren te ondervangen mogelijk is om ter zake van de benodigde zorg gezamenlijk onderzoek te verrichten en/of gezamenlijk een besluit te nemen, ieder voor de zorg waarvoor hij bevoegd is te indiceren.”

In het onderhavige geval heeft verweerder een besluit genomen ter zake van zowel de grondslag Psychiatrie als de grondslag Verstandelijke handicap. Bureau Jeugdzorg heeft op 22 augustus 2011 een advies uitgebracht, uit welk advies blijkt dat Bureau Jeugdzorg zich kan vinden in het besluit zoals dat door verweerder is afgegeven. Uit het advies kan echter niet worden afgeleid of, en zo ja, in hoeverre het dossier van eiser aan Bureau Jeugdzorg is voorgelegd, noch welke punten Bureau Jeugdzorg in de beoordeling heeft betrokken en hoe het advies tot stand is gekomen.

Met inachtneming van genoemde uitspraak van de CRvB van 17 februari 2010 is de rechtbank van oordeel dat verweerder en Bureau Jeugdzorg met de hiervoor omschreven handelwijze niet op een juiste wijze uitvoering hebben gegeven aan de uit de wet voortvloeiende bevoegdheidsverdeling, althans dat zij onvoldoende inzichtelijk hebben gemaakt dat zij hieraan wél op een juiste wijze uitvoering hebben gegeven.

Daar komt bij dat verweerder blijkens het bestreden besluit uitgaat van een dominante grondslag Psychiatrie, zodat het voor de hand zou hebben gelegen om Bureau Jeugdzorg leidend te laten zijn bij de indicatiestelling. In elk geval was hierin temeer een reden gelegen om Bureau Jeugdzorg een zelfstandig onderzoek te laten verrichten, waarvan nu niet is gebleken. Het feit dat Bureau Jeugdzorg in het advies de verstandelijke beperking van eiser dominant noemt, doet hier niet aan af, integendeel: dit illustreert juist dat Bureau Jeugdzorg en verweerder blijkbaar niet tot eenzelfde beoordeling van het feitencomplex komen, hetgeen het belang van (inzichtelijkheid in) een juiste bevoegdheidsverdeling en beoordeling alleen maar onderstreept.

Daarnaast dateert het advies van Bureau Jeugdzorg van 22 augustus 2011 en is dit advies blijkens het stempel op 23 augustus 2011 door verweerder ontvangen, van welke datum ook het bestreden besluit dateert. Dit lijkt erop te duiden dat verweerder het advies slechts ter kennisgeving heeft aangenomen en getuigt naar het oordeel van de rechtbank niet van een gezamenlijk tot stand gekomen besluit van verweerder en Bureau Jeugdzorg dan wel onderlinge afstemming van hun besluitvorming.

3. De rechtbank ziet in het vorenstaande aanleiding om het beroep van eiser gegrond te verklaren en het bestreden besluit te vernietigen. Daarbij zal de rechtbank verweerder opdragen om, met inachtneming van deze uitspraak, een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van eiser.

4. Voor een proceskostenveroordeling ziet de rechtbank geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het besluit van 23 augustus 2011;

- draagt verweerder op een nieuw besluit op het bezwaar te nemen, met inachtneming

van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

- gelast verweerder het door eiser betaalde griffierecht ad € 41,- aan hem te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.F. Bijloo, rechter, en door hem en mr. M.D. Moeke als griffier ondertekend. Uitgesproken in het openbaar op

Afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat voor een belanghebbende en het bestuursorgaan hoger beroep open. Dit dient te worden ingesteld binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak door een beroepschrift en een kopie van deze uitspraak te zenden aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.