Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2012:BV3060

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
11-01-2012
Datum publicatie
12-03-2012
Zaaknummer
182165 - HZ ZA 11-217
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Curator eist ten onrechte boedelbijdrage voor aangifte 4 lease-auto's.

Wetsverwijzingen
Faillissementswet
Faillissementswet 182
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOR 2012/366
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Sector civiel recht

Locatie Zwolle

zaaknummer / rolnummer: 182165 / HZ ZA 11-217

Vonnis van 11 januari 2012

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

FGA CAPITAL NETHERLANDS B.V. voorheen Fidis Nederland B.V.

rechtsopvolgster onder algemene titel van de naamloze vennootschap Fiat Auto Lease N.V., handelend onder de naam Fidis Lease,

gevestigd te Amsterdam,

eiseres,

advocaat mr. F.W. van Vloten te Zwolle,

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

advocaat mr. P.J.M. von Schmidt auf Altenstadt te 's-Gravenhage.

Partijen zullen hierna FGA en [gedaagde] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de conclusie van antwoord

- de conclusie van repliek

- de conclusie van dupliek

- de akte uitlating producties van de zijde van FGA.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Op [datum] is [A], handelend onder de naam Installatiebedrijf [bedrijf A] (hierna: [bedrijf A]), in staat van faillissement verklaard. [gedaagde] is daarbij als curator aangesteld.

2.2. Tussen [bedrijf A] en FGA, althans Fidis Lease, is op 20 juli 2006 een mantelovereenkomst opgemaakt. FGA heeft [bedrijf A] in het kader van deze overeenkomst een viertal auto's in operational lease gegeven. Het gaat om drie auto's van het merk en type Fiat Doblo Cargo en een auto van het merk en type Fiat Scudo. De auto's waren in gebruik bij personeelsleden van [bedrijf A]

2.3. Nadat het faillissement is uitgesproken, heeft [gedaagde] de auto's en de daarbij behorende sleutels en papieren ingezameld en de auto's vervolgens (in eerste instantie) gestald bij het bedrijfsgebouw van [bedrijf A]

2.4. Op 5 november 2009 heeft FGA [gedaagde] gevraagd wanneer zij de haar in eigendom toebehorende auto's kon laten ophalen.

2.5. Op diezelfde datum heeft [gedaagde] op het verzoek van FGA gereageerd. Hij heeft het volgende geschreven: "(...) Bij voormelde brief zijn mij niet overgelegd de algemene voorwaarden die deel uitmaakten van deze lease overeenkomsten. Gaarne ontvang ik van u nog een overzicht. (...) Kunt u alvast overgaan tot het opstellen van een kostenstaat c.q. afrekeningsstaat? De betreffende autopapieren en sleutels zijn inmiddels in mijn bezit en [kunnen] na vrijgave dezerzijds teruggehaald worden onder betaling van een bijdrage in de faillissementskosten ad. EUR 250,00 excl. BTW per auto. (...)"

2.6. Bij brief van 11 november 2009 heeft FGA [gedaagde] nogmaals verzocht de auto's vrij te geven. FGA heeft het volgende geschreven: "(...) Voorts wil ik u met klem verzoeken per omgaande over te gaan tot het vrijgeven van de auto's. Cliënte kan namelijk niet eerder een afrekening opmaken totdat zij in het bezit is van haar eigendommen. Hoe langer dat het duurt voordat de auto's worden vrijgegeven, hoe meer schade cliënte lijdt. Voorwat betreft uw opmerking dat u aangeeft recht te hebben op een bijdrage van EUR 250,00 excl. BTW per auto. Kan ik u berichten dat cliënte geenszins bereid is dit bedrag te voldoen. Het enige wat van u wordt verlangd is dat u de aan cliënte behorende eigendommen vrijgeeft, ad EUR 250,00 excl BTW staat dan niet in verhouding tot de geleverde dienst. (...)"

2.7. Vervolgens heeft [gedaagde] op of omstreeks 25 november 2009 de auto's verplaatst naar een ander terrein. Hij heeft de auto's voor dat transport laten verzekeren.

2.8. FGA heeft de auto's op 15 april 2010 met gebruikmaking van de reservesleutels opgehaald.

3. Het geschil

3.1. FGA vordert - samengevat - veroordeling van [gedaagde] tot betaling van EUR 9.607,87, te vermeerderen met de wettelijke rente over een bedrag van EUR 8.268,97 te rekenen vanaf 26 januari 2011 tot de dag der algehele voldoening en veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten, alsmede de nakosten.

3.2. Grondslag van haar vordering is dat [gedaagde] een onrechtmatige daad jegens haar heeft gepleegd, door van haar een boedelbijdrage te verlangen alvorens tot afgifte van de leaseauto's over te gaan. FGA houdt [gedaagde] pro se aansprakelijk voor de schade die zij daardoor lijdt.

3.3. [gedaagde] voert gemotiveerd verweer en betwist voorts dat FGA schade

- voortvloeiend uit een onrechtmatige daad - heeft geleden.

3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. FGA vordert schadevergoeding van [gedaagde] op de voet van artikel 6:162 BW. [gedaagde] heeft - volgens FGA ten onrechte - aan de afgifte van de aan FGA in eigendom toebehorende leaseauto's de voorwaarde gesteld dat FGA eerst een boedelbijdrage van

EUR 250,00 per auto diende te voldoen.

4.2. Bij de vraag of een curator al dan niet terecht een boedelbijdrage verlangt, moet het volgende worden bedacht. Voorop staat dat een beroep op afgifte van een aan een ander dan gefailleerde in eigendom toebehorend goed buiten het faillissement geldend kan worden gemaakt, zodat de werkzaamheden die de curator in dat verband heeft verricht niet ten bate van de boedel kunnen komen. Als de kosten in dat geval uitsluitend worden gemaakt ten dienste van de belangen van de rechthebbende buiten faillissement en niet van de belangen van de gezamenlijke schuldeisers, kunnen de redelijkheid en billijkheid meebrengen dat die kosten worden verhaald op diegenen in wier belang ze zijn gemaakt.

4.3. De eerste vraag die thans voorligt, is of de door [gedaagde] verrichte werkzaamheden verband houden met de afgifte van de leaseauto's en enkel in het belang van FGA zijn geweest. In dat geval zou een boedelbijdrage van FGA immers gerechtvaardigd zijn.

4.4. [gedaagde] stelt dat hij de volgende werkzaamheden heeft verricht. Op de dag van het faillissement heeft hij de leaseauto's en de daarbij behorende papieren en sleutels ingezameld en de auto's gestald op het terrein van [bedrijf A] Op dat moment was reeds bekend dat het leaseauto's betrof en dat deze eigendom waren van FGA. De auto's zijn leeggehaald en [gedaagde] heeft de auto's vervolgens op 3 november 2009 geïnspecteerd en de kilometerstanden opgenomen. Op 5 november 2009 heeft hij de algemene voorwaarden van FGA opgevraagd en deze heeft hij vervolgens bestudeerd. Op of omstreeks 25 november 2009 heeft [gedaagde] de leaseauto's tijdelijk laten verzekeren, teneinde deze te kunnen verplaatsen naar een ander adres.

4.5. FGA heeft weersproken dat [gedaagde] de auto's heeft leeggehaald. Dat zal volgens FGA zeer waarschijnlijk door de werknemers zelf zijn gedaan. Ook betwist FGA dat [gedaagde] de auto's heeft verzameld op een centraal punt. De auto's zouden op onveilige wijze zijn gestald op het terrein van [bedrijf A] Bij gebrek aan wetenschap betwist FGA voorts dat [gedaagde] de kilometerstanden heeft opgenomen en de auto's heeft geïnspecteerd.

4.6. De stelling van FGA dat [gedaagde] niet heeft gehandeld als goed curator c.q. bewaarder, doordat hij - samengevat - de auto's op een onveilige wijze heeft gestald, zal onbesproken blijven nu FGA hier geen consequenties aan heeft verbonden.

4.7. De vraag of de gestelde werkzaamheden inderdaad door [gedaagde] zijn verricht, kan hier in het midden blijven. Zelfs indien dit zo is, kan dit naar het oordeel van de rechtbank namelijk niet de door [gedaagde] geëiste - FGA stelt terecht dat [gedaagde] geen voorstel omtrent de hoogte van de bijdrage heeft gedaan, doch een eis dienaangaande heeft geformuleerd - boedelbijdrage rechtvaardigen.

Uit de onder 4.4 aangehaalde werkzaamheden kan zonder nadere motivering, die hier ontbreekt, niet volgen dat deze uitsluitend verband houden met de afgifte van de auto's, noch dat deze enkel in FGA's belang zijn geschied. De werkzaamheden lijken veeleer verband te houden met het op rechtmatige wijze beëindigen van het tussen FGA en [bedrijf A] gesloten leasecontract, hetgeen ook in het belang van de failliete boedel is.

Een en ander leidt tot de conclusie dat [gedaagde] de stelling van FGA dat hij ten onrechte een boedelbijdrage heeft geëist, niet genoegzaam gemotiveerd heeft betwist, zodat de rechtbank daar vanuit zal gaan.

4.8. [gedaagde] handelde in kwaliteit. De vraag die vervolgens dient te worden beantwoord, is of [gedaagde] ook persoonlijk voor de gevolgen van zijn handelen aansprakelijk kan worden gehouden. Daarbij is van belang of [gedaagde] heeft gehandeld zoals in redelijkheid mag worden verlangd van een over voldoende inzicht en ervaring beschikkende curator, die zijn taak met nauwgezetheid en inzet verricht (Maclou-norm, HR 19 april 1996). De rechtbank beantwoordt deze vraag ontkennend. Uit het voorgaande volgt reeds dat [gedaagde] niet in redelijkheid tot de conclusie heeft kunnen komen dat voor zijn werkzaamheden een boedelbijdrage verschuldigd was. Het op regelmatige wijze afwikkelen van de leaseverhouding brengt zulks, zoals hierboven reeds is geoordeeld, op zichzelf niet mee. Het feit dat [gedaagde] deze bij andere faillissementen wel met succes in rekening bracht, doet daar onvoldoende aan af, temeer nu zonder nadere onderbouwing niet kan worden aangenomen dat het gelijke casus betreft. Het gegeven dat de rechter-commissaris - in algemene termen - heeft geschreven dat een boedelbijdrage soms gerechtvaardigd kan zijn, kan [gedaagde] evenmin baten. Dat er in het onderhavige geval sprake is geweest van bijzondere omstandigheden, als gevolg waarvan [gedaagde] (voor deze belanghebbende) meer dan de gebruikelijke beëindiginghandelingen heeft moeten verrichten, is gesteld noch gebleken. Voor de kosten die [gedaagde] na 5 november heeft gemaakt, geldt bovendien dat [gedaagde] deze had kunnen vermijden, door aan het verzoek om afgifte van FGA te voldoen. Hij is dan ook in persoon aansprakelijk voor eventuele schade door zijn handelen.

4.9. De schade die FGA stelt te hebben geleden door het handelen van [gedaagde] bestaat uit twee componenten: ten eerste stelt zij schade te hebben geleden doordat zij de leaseauto's gedurende bijna een half jaar niet aan een ander in lease heeft kunnen geven en ten tweede zou zij schade hebben geleden omdat twee leaseauto's niet tijdig een algemene periodieke keuring (hierna: APK) hebben gehad, waarvoor boetes zijn opgelegd.

4.10. [gedaagde] heeft terecht betoogd dat het causaal verband tussen zijn weigering de auto's af te geven en de beweerdelijke schade, bestaande uit het niet langer ontvangen van leasetermijnen, ontbreekt.

Voor de vestiging van aansprakelijkheid is immers vereist dat tussen gedraging en schade een conditio sine qua non-verband bestaat: had [gedaagde] de auto's op 5 november 2009 afgegeven, dan had FGA de auto's vanaf (ongeveer) dat moment in lease kunnen geven aan een ander. De door FGA overgelegde facturen - die zij kennelijk aan [bedrijf A] in rekening zou hebben gebracht indien de leaseovereenkomst had voortgeduurd tot april 2010 - kunnen de stelling dat zij op dit punt door het handelen van [gedaagde] deze inkomsten mist, niet schragen. Het had op de weg van FGA gelegen nader te onderbouwen dat zij de auto's in de periode dat [gedaagde] deze onder zich had, aan een ander in lease had kunnen geven c.q. had kunnen verkopen als zij de beschikking over de auto's had gehad en tot welke inkomsten c.q. opbrengsten dit zou hebben geleid. Nu zij dit heeft nagelaten, komt deze schade niet voor vergoeding in aanmerking.

4.11. De tweede schadecomponent bestaat volgens FGA uit de geldboetes die zij viermaal opgelegd heeft gekregen in verband met het uitblijven van een APK voor de auto's met kenteken [nummer] en [nummer]. De vervaldatum van de APK was voor beide auto's 11 oktober 2009. Op zowel 15 december 2009 als 24 februari 2010 zijn voor beide auto's boetes opgelegd. Vast staat derhalve dat de APK had dienen te geschieden vóór de datum van het faillissement, maar ook dat de boetes in de periode dat [gedaagde] de auto's onder zich had, zijn verbeurd. Nu partijen het erover eens zijn dat het laten keuren van de auto's niet tot [gedaagde] taken behoorde en FGA als eigenaar op de hoogte moet zijn geweest van het verlopen van de keuringsbewijzen doch geen aanleiding heeft gezien om [gedaagde] op de noodzaak van de keuring en haar wens daartoe opmerkzaam te maken, komt ook deze schadepost, gezien de aard van de aansprakelijkheid en de aard van de schade, naar het oordeel van de rechtbank niet voor vergoeding in aanmerking.

4.12. Het voorgaande leidt tot afwijzing van de vorderingen. FGA zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagde] worden begroot op:

- griffierecht EUR 258,00

- salaris advocaat 768,00 (2,0 punten × tarief EUR 384,00)

Totaal EUR 1.026,00

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. wijst de vorderingen af,

5.2. veroordeelt FGA in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op EUR 1.026,00,

5.3. veroordeelt FGA in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op EUR 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat FGA niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van EUR 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak,

5.4. verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.M. Koene en in het openbaar uitgesproken op 11 januari 2012.