Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2012:BV2137

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
16-01-2012
Datum publicatie
30-01-2012
Zaaknummer
Awb 11/2027
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 8 april 2011 heeft verweerder het verzoek van eisers om handhavend op te treden tegen de in aanbouw zijnde recreatievoorzieningen op de percelen aan De Noord 128 en 129 in IJsselmuiden afgewezen.

Het daartegen gemaakte bezwaar heeft verweerder bij besluit van 4 augustus 2011 ongegrond verklaard. Eisers hebben tegen dit besluit beroep ingesteld.

Het beroep is ter zitting van 2 december 2011 behandeld. Eisers zijn verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E. Rijsdijk. Beide belanghebbenden zijn eveneens verschenen.

Wetsverwijzingen
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht 1.1
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht 2.1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2012/3863
JOM 2012/647
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Sector Bestuursrecht

Registratienummer: Awb 11/2027

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eisers],

wonende te [woonplaats], eisers,

en

het college van burgemeester en wethouders van Kampen,

verweerder,

alsmede

[belanghebbende I],

wonende te Kampen, belanghebbende I,

en

[belanghebbende II].

wonende te Kampen, belanghebbende II.

Procesverloop

Bij besluit van 8 april 2011 heeft verweerder het verzoek van eisers om handhavend op te treden tegen de in aanbouw zijnde recreatievoorzieningen op de percelen aan De Noord 128 en 129 in IJsselmuiden afgewezen.

Het daartegen gemaakte bezwaar heeft verweerder bij besluit van 4 augustus 2011 ongegrond verklaard. Eisers hebben tegen dit besluit beroep ingesteld.

Het beroep is ter zitting van 2 december 2011 behandeld. Eisers zijn verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E. Rijsdijk. Beide belanghebbenden zijn eveneens verschenen.

Overwegingen

1. Belanghebbende I is eigenaar van het recreatiewoonschip gelegen in de insteekhaven op het perceel De Noord 128 in IJsselmuiden. Belanghebbende II is eigenaar van het recreatiewoonschip gelegen in de insteekhaven op het perceel De Noord 129 in IJsselmuiden. Beide percelen grenzen aan het Ganzendiep.

Bij brief van 3 maart 2011 hebben eisers verweerder verzocht om een bouwstop op te leggen dan wel anderszins noodzakelijke stappen te ondernemen ten aanzien van deze destijds nog in aanbouw zijnde recreatievoorzieningen. Ter zitting hebben belanghebbenden aangegeven dat de werkzaamheden voor wat betreft de buitenkant van de schepen inmiddels zijn afgerond, maar dat in de schepen nog enkele afrondende werkzaamheden verricht moeten worden.

2. Verweerder heeft het handhavingsverzoek van eisers bij het primaire besluit afgewezen, omdat hij van oordeel is dat er geen grondslag is om handhavend op te treden. Verweerder heeft hiertoe onder meer overwogen dat, omdat de schepen niet als kampeermiddel aangemerkt kunnen worden en ze als recreatievoorziening gebruikt worden, in dit geval het innemen van de ligplaatsen volgens de op grond van het bestemmingsplan ‘Buitengebied IJsselmuiden’ voor de percelen geldende bestemming ‘Recreatieve doeleinden’ is toegestaan. Daarnaast is verweerder van mening dat de woonschepen niet omgevingsvergunningplichtig zijn op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), omdat deze niet zijn aan te merken als bouwwerken. Bij het besluit van 4 augustus 2011 heeft verweerder dit standpunt gehandhaafd.

3. Eisers kunnen zich met dit besluit niet verenigen en voeren in beroep aan dat het neerleggen van de recreatieschepen op de betreffende percelen in strijd is met de voorschriften van zowel de bestemming ‘Recreatieve doeleinden’ als die van de voor beide percelen geldende dubbelbestemming ‘Waterstaatsdoeleinden’. Daarnaast dienen de recreatieschepen volgens eisers als bouwwerk aangemerkt te worden. Eisers stellen voorts dat verweerder ten onrechte het bestemmingsplan ‘Recreatiegebied Ganzendiep’, dat begin april 2011 in werking is getreden, niet bij de beoordeling van hun verzoek heeft betrokken. Tevens had verweerder moeten beoordelen of de recreatieschepen in strijd zijn met de Algemene plaatselijke verordening dan wel met enige andere verordening van de gemeente Kampen.

4. De rechtbank overweegt als volgt.

4.1. De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of verweerder terecht heeft geoordeeld dat er in het onderhavige geval geen grondslag is om handhavend op te treden tegen de recreatieschepen op de percelen aan De Noord 128 en De Noord 129. Eisers wijzen in beroep eveneens op het recreatieschip op het perceel aan De Noord 132 en op ‘nog enkele andere’. Deze recreatieschepen vallen echter buiten de omvang van dit geding, nu het verzoek van eisers van 3 maart 2011 om handhavend op te treden uitsluitend betrekking heeft op de schepen aan De Noord 128 en 129. De rechtbank zal het recreatieschip aan De Noord 132 en eventuele andere, niet nader gespecificeerde, schepen daarom buiten beschouwing laten.

4.2. Artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo bepaalt dat het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het bouwen van een bouwwerk. Voor de beantwoording van de vraag of in het onderhavige geval een omgevingsvergunning is vereist, dient derhalve eerst te worden beoordeeld of sprake is van het bouwen van een bouwwerk als bedoeld in deze bepaling. Ingevolge artikel 1.1, eerste lid, van de Wabo wordt onder bouwen verstaan: plaatsen, geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen, veranderen of vergroten. Het begrip ‘bouwwerk’ is in de Wabo niet omschreven. Volgens de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling), onder meer de uitspraak van 25 augustus 2010, LJN: BN4907, geeft de modelbouwverordening een bruikbare definitie van het wettelijke begrip ‘bouwwerk’. Deze luidt: ‘elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct of indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren’.

4.3. Verweerder stelt zich op het standpunt dat in het onderhavige geval geen sprake is van bouwwerken, omdat de recreatieschepen niet met de grond zijn verbonden, maar slechts op hun plaats worden gehouden door middel van afmeertouwen die om palen bevestigd zijn. Daarnaast heeft verweerder er op gewezen dat in de ‘Toelichting behorende bij de Bouwverordening gemeente Kampen 2007’ expliciet is vermeld dat een drijvende villa, een zogenaamde marina, bestaande uit een als woning ingerichte en uitziende opbouw, geplaatst op een betonnen bak, niet als bouwwerk wordt aangemerkt.

4.4. Ter zitting is, mede op basis van de overgelegde foto’s, vastgesteld dat de recreatieschepen in een stalen dan wel betonnen bak zijn geplaatst. Belanghebbende I heeft ter zitting aangegeven dat deze bak met touwen is bevestigd aan een meerpaal die in het water is geplaatst. Belanghebbende II heeft ter zitting aangegeven dat zijn recreatieschip met touwen met, waar nodig, daaraan bevestigd rubberen slangen eveneens aan meerpalen is bevestigd. Eén van deze palen is achter het schip in de grond geplaatst, de ander is vóór het schip, in het water geplaatst.

4.5. De rechtbank is van oordeel dat, gelet op deze verankering door middel van touwen aan de meerpalen, de constructie van de recreatieschepen plaatsgebonden is, nu de schepen in combinatie met de meerpalen bedoeld zijn om ter plaatse als recreatieverblijf te functioneren. De omstandigheid dat de schepen met touwen en niet met stalen beugels aan de meerpalen zijn bevestigd, doet aan dit oordeel niet af. Dit geldt ook voor de vermelding in de toelichting van de bouwverordening van verweerders gemeente dat drijvende villa’s niet als bouwwerk worden aangemerkt.

Gelet op de constructie, de verbondenheid met de grond en de plaatsgebondenheid, moeten beide recreatieschepen inclusief de meerpalen als een bouwwerk in de zin van de Wabo worden aangemerkt.

4.6. De rechtbank is van oordeel dat de recreatieschepen omgevingsvergunningplichtige bouwwerken betreffen. Nu voor deze schepen geen omgevingsvergunning is verleend, is gehandeld in strijd met artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo, zodat verweerder bevoegd was handhavend op te treden. Aan dit oordeel doet niet af de stelling van verweerder, zoals in het bestreden besluit aangegeven, dat het in strijd met het vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel zou zijn om handhavend op te treden tegen de recreatieschepen, omdat verweerder aan alle eigenaren van percelen aan De Noord heeft aangegeven dat deze een jaar lang, tot aan de inwerkingtreding van het bestemmingsplan ‘Recreatiegebied Ganzendiep’, in de gelegenheid werden gesteld om recreatiewoonschepen aan te leggen. Ook de jarenlange, bestendige lijn die verweerder heeft gevolgd, om voor geen enkel (recreatie)woonschip een bouw- of omgevingsvergunning te eisen, doet niet af aan het oordeel van de rechtbank dat de onderhavige recreatieschepen bouwwerken in de zin van de Wabo betreffen en omgevingsvergunningplichtig zijn. Wel kunnen deze omstandigheden wellicht een rol spelen bij de beantwoording van de vraag of voor de recreatieschepen alsnog een omgevingsvergunning verleend kan worden.

5. Op grond van het hiervoor overwogene is de rechtbank van oordeel dat verweerder ten onrechte heeft geoordeeld dat er geen grondslag bestaat om handhavend op te treden. De rechtbank zal het beroep gegrond verklaren, het bestreden besluit vernietigen en verweerder opdragen een nieuw besluit op het bezwaar van eisers te nemen. Gelet hierop hoeft hetgeen eisers voor het overige in beroep aanvoeren geen nadere bespreking.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding, nu van dergelijke kosten van de zijde van eisers niet is gebleken. Wel dient verweerder het door eisers betaalde griffierecht aan hen te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op opnieuw op het bezwaar van eisers te beslissen met inachtneming van het gestelde in deze uitspraak;

- bepaalt dat verweerder het door eisers betaalde griffierecht ter hoogte van € 152,- aan hen dient te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.J.B. Cornelissen, rechter, en door hem en mr. P.J.H. Bijleveld als griffier ondertekend. Uitgesproken in het openbaar op 16 januari 2012

Afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat voor een belanghebbende en het bestuursorgaan hoger beroep open. Dit dient te worden ingesteld binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak door een beroepschrift en een kopie van deze uitspraak te zenden aan de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag