Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2012:BV1685

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
24-01-2012
Datum publicatie
24-01-2012
Zaaknummer
07.662721-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Kinderdagverblijf, ontucht, beroepsverbod, seksueel binnendringen.

De rechtbank overweegt dat uit het arrest van de HR d.d. 18 mei 2010 (LJN BK 6910) volgt dat reeds het wrijven tussen de schaamlippen gekwalificeerd wordt als het seksueel binnendringen van het lichaam. Aangeefster heeft verklaard dat bij het douchen de waterstraal tussen haar schaamlippen is gekomen. Nu verdachte heeft verklaard dat hij ook de vagina van aangeefster heeft afgespoeld is de rechtbank van oordeel dat het feit wettig en overtuigend bewezen is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Sector strafrecht

Parketnummer: 07.662721-10 (P)

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 24 januari 2011

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats].

1 HET ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg. Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden ter openbare terechtzittingen van 17 maart 2011, 9 juni 2011, 6 september 2011 en 1 december 2011. Verdachte is telkens verschenen, bijgestaan door mr. N.C. Milani, advocaat te Lelystad, met uitzondering van 6 september 2011. Op 6 september 2011 werd verdachte bijgestaan door mr. F.L. Lischer, advocaat te Lelystad.

De inhoudelijke behandeling heeft op 10 januari 2012 plaatsgevonden, waarbij verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. N.C. Milani, voornoemd.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. M. Kamper en van de standpunten door de raadsvrouw van verdachte naar voren gebracht.

2 DE TENLASTELEGGING

De verdachte is, na een nadere omschrijving tenlastelegging en wijziging tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

1.

hij op één of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 juni 2010 tot en met 21 december 2010 te [plaats A], in de gemeente [gemeente A] en/of in de gemeente [plaats B] en/of elders in Nederland, als eigenaar van Kinderopvang "[X]",

met de aan zijn zorg en/of waakzaamheid toevertrouwde [slachtoffer 1], geboren op [in het jaar 2005], die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, (telkens) een of meer handeling(en) heeft gepleegd, die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 1], hebbende verdachte (telkens)

- de schaamstreek/onderbuik van die [slachtoffer 1] betast/aangeraakt en/of

- zijn, verdachtes, hand in het (onder)broekje van die [slachtoffer 1] gebracht en/of (vervolgens) zijn vinger(s) in haar vagina geduwd/gebracht en/of (vervolgens) haar zogenoemd gevingerd;

en/of

hij op één of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 juni 2010 tot en met 21 december 2010 te [plaats A], in de gemeente [gemeente A] en/of in de gemeente [plaats B] en/of elders in Nederland, als eigenaar van Kinderopvang "[X]",

met de aan zijn zorg en/of waakzaamheid toevertrouwde [slachtoffer 1], geboren op [in het jaar 2005], die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, (telkens) een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, hebbende verdachte (telkens)

- de schaamstreek/onderbuik van die [slachtoffer 1] betast/aangeraakt en/of

- zijn, verdachtes, hand in het (onder)broekje van die [slachtoffer 1] gebracht en/of (vervolgens) met zijn vinger(s) haar vagina en/of de schaamstreek betast/gestreeld/aangeraakt;

2.

hij op één of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 augustus 2008 tot en met 21 december 2010 te [plaats A], in de gemeente [gemeente A] en/of in de gemeente [plaats B] en/of elders in Nederland, als eigenaar van Kinderopvang "[X]",

met de aan zijn zorg en/of waakzaamheid toevertrouwde

- [slachtoffer 1], geboren op [in het jaar 2005] en/of

- [slachtoffer 2], geboren op [in het jaar 2001] en/of

- [slachtoffer 3], geboren [in het jaar 2002] en/of

- [slachtoffer 4], geboren op [in het jaar 2005] en/of

- [slachtoffer 5], geboren op [in het jaar 2001] en/of

- [slachtoffer 6], geboren op [in het jaar 1999] en/of

- [slachtoffer 7], geboren op [in het jaar 2002] en/of

- [slachtoffer 8], geboren op [in het jaar 1998] en/of

- [slachtoffer 9], geboren [in het jaar 2003] en/of

- (een) niet nader bekend geworden kind(eren) dat/die gebruik heeft/hebben gemaakt van de kinderopvang op "[X]"

die toen (telkens) de leeftijd van zestien jaren nog niet had(den) bereikt, buiten echt, (telkens) een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd,

hebbende verdachte (telkens) (aan/bij/door) een en/of meerdere van voornoemde kinderen eenmaal of meermalen

A.

in een zwembad (te [plaats B]) en/of in de kleed- en/of doucheruimte en/of onder de douche van dat zwembad

- zijn, verdachtes, ontblote penis getoond en/of

- in het zicht van een en/of meerdere van voornoemd(e) kind(eren) zijn, verdachtes, penis aangeraakt en/of vastgehouden en/of aan zijn penis getrokken en/of rukkende en/of trekkende bewegingen gemaakt en/of

- zich aan zijn onblote penis laten betasten (in het zicht van een en/of meerdere van voornoemde kinderen) en/of

- verzocht (terwijl hij, verdachte, zich volledig ontbloot in het zicht van een en/of meerdere van voornoemd(e) kind(eren) bevond) zijn buik en/of billen en/of benen en/of rug en/of penis, althans zijn (gehele) lichaam in te smeren met crème/zalf en/of zich zijn rug en/of buik en/of benen, althans lichaamsdelen laten insmeren met crème/zalf en/of

- zichzelf in het zicht van een of meerdere van voornoemde kinderen ingesmeerd met crème/zalf, terwijl hij (volledig) ontbloot was (terwijl voornoemd(e) kind(eren) (volledig) ontbloot waren) en/of

B.

in de Kinderopvang “[X]” te [plaats A]

- (onder de douche) de (ontblote) vagina, in ieder geval de schaamstreek en/of de rest van het lichaam ingezeept en/of

- in de onderbroek gekeken en/of

- zijn, verdachtes ontblote penis getoond en/of voorgehouden en/of (vervolgens) gezegd “Wil je aan mijn piemel zitten” of woorden van soortgelijke strekking en/of (daarna) zijn penis laten aanraken/betasten en/of vasthouden en/of met zijn hand(en) zijn penis vastgehouden en/of met zijn hand(en) om zijn penis rukkende en/of trekkende bewegingen gemaakt in het zicht van een en/of meerdere van voornoemd(e) kind(eren) en/of

- (terwijl een en/of meerdere van voornoemd(e) kind(eren) op zijn/haar/hun rug lag(en)) gewreven en/of geaaid over de (ontblote) buik, in ieder geval over het (ontblote) lichaam en/of

- met zijn, verdachtes, hand en/of vingers over de/het onderbroekje(s) gewreven/geaaid en/of (aldus) over de schaamstreek en/of vagina gewreven/geaaid en/of

- gezegd dat ze zijn/haar/hun onderbroek uit moest(en) doen (hetgeen het/de kind/kinderen ook gedaan hebben, waarna het/de kind/kinderen de overbroek weer hebben aangedaan) en/of (vervolgens) een bezemsteel tussen de benen (door de gulp van de overbroek heen) gestoken (zodat de bezemsteel zich in de schaamstreek bevond) en/of

- opgetild en hem/haar/hen op/over de kop gedraaid en/of (vervolgens) haar/hun broek en/of onderbroek van de billen getrokken/geschoven (waardoor de ontblote schaamstreek en/of billen zichtbaar werden)

en/of

hij op één of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 augustus 2008 tot en met 21 december 2010 te [plaats A], in de gemeente [gemeente A] en/of in de gemeente [plaats B] en/of elders in Nederland, als eigenaar van Kinderopvang “[X]”,

zich opzettelijk oneerbaar

- op of aan een plaats, voor het openbaar verkeer bestemd, te weten in de kleed- en/of doucheruimte en/of onder de douche van een zwembad (te [plaats B]) met ontbloot geslachtsdeel heeft bevonden en/of

- op een niet openbare plaats, te weten in de kleed- en/of doucheruimte en/of onder de douche van een zwembad (te [plaats B]), met ontbloot geslachtsdeel heeft bevonden, terwijl daarbij een en/of meerdere kind(eren) jonger dan zestien jaar huns/zijns/haars ondanks tegenwoordig was/waren en/of

- op een niet openbare plaats, te weten in de Kinderopvang “[X]” en/of elders, met ontbloot geslachtsdeel heeft bevonden, terwijl daarbij een en/of meerdere kind(eren) jonger dan zestien jaar huns/zijns/haars ondanks tegenwoordig was/waren;

3.

A.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 23 april 1996 tot en met 22 april 1998 te [plaats A], gemeente [gemeente A], (telkens) met (de aan zijn zorg en/of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige) [slachtoffer 10] (geboren op [in het jaar 1986]), die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, (telkens) een of meer handeling(en) heeft gepleegd, die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 10], hebbende verdachte (telkens)

- een harde waterstraal vanuit een douchekop in of tegen de (ontblote) vagina van die [slachtoffer 10] aangespoten en/of haar (hardhandig) bij de vagina afgedroogd

en/of

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 23 april 1996 tot en met 22 april 1998 te [plaats A], gemeente [gemeente A], (telkens) met (de aan zijn zorg en/of opleiding en/of waakzaamheid toevertrouwde) [slachtoffer 10] (geboren op [in het jaar 1986]), die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, (telkens) een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, hebbende verdachte (telkens)

- een harde waterstraal vanuit een douchekop in of tegen de (ontblote) vagina van die [slachtoffer 10] aangespoten en/of haar (hardhandig) bij de vagina afgedroogd

en/of

B.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 23 april 1996 tot en met 22 april 1998 en/of de periode van 23 april 1998 tot en met 23 april 1999 te [plaats A], gemeente [gemeente A], (telkens) met (de aan zijn zorg en/of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige) [slachtoffer 10] (geboren op [in het jaar 1986]), die toen de leeftijd van twaalf jaren en/of zestien jaren nog niet had bereikt, (telkens) een of meer handeling(en) heeft gepleegd, die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 10], hebbende verdachte (telkens)

- de (ontblote) schaamstreek en/of (in de) vagina en/of clitoris van die [slachtoffer 10] betast/getast en/of ingesmeerd/ingewreven (met olie en/of zalf);

en/of

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 23 april 1996 tot en met 22 april 1999 te [plaats A], gemeente [gemeente A] (telkens) met (de aan zijn zorg en/of waakzaamheid toevertrouwde) [slachtoffer 10] (geboren op [in het jaar 1986]), die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, (telkens) een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, hebbende verdachte (telkens)

- de (ontblote) schaamstreek en/of vagina en/of clitoris van die [slachtoffer 10] betast en/of ingesmeerd/ingewreven (met olie en/of zalf);

4.

hij op één of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 augustus 2006 tot en met 21 december 2010 te [plaats A], in de gemeente [gemeente A], (een) afbeelding(en), waarvan de vertoning schadelijk is te achten voor personen beneden de leeftijd van zestien jaar, te weten:

- (een) foto('s) van een vrouwspersoon waarop haar ontblote borsten en/of vagina te zien is/zijn en/of

- (een) foto('s) van (een) kind(eren) waarop de ontblote vagina en/of billen te zien is/zijn heeft vertoond aan (een) minderjarige(n), te weten [slachtoffer 7], geboren op [in het jaar 2002] en/of [slachtoffer 11], geboren op [in het jaar 2002] en/of [slachtoffer 12], geboren op [in het jaar 2000] en/of (een) andere minderjarige(n), van wie hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden, dat deze jonger was/waren dan zestien jaar;

5.

hij op één of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 augustus 2006 tot en met 21 december 2010 te [plaats A], in de gemeente [gemeente A], in elk geval in Nederland, één of meermalen (telkens) een afbeelding(en), te weten vier foto('s)en/of twee film(s) en/of (een) gegevensdrager(s), te weten een computer en/of een harddisk bevattende (een) afbeelding(en)heeft vervaardigd en/of verworven en/of in bezit gehad en/of zich daartoe door middel van een geautomatiseerd werk en/of met gebruikmaking van een communicatiedienst de toegang heeft verschaft terwijl op die afbeelding(en) (een) seksuele gedraging(en) zichtbaar is/zijn, waarbij (telkens) een persoon die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet had bereikt, was betrokken of schijnbaar was betrokken

welke voornoemde seksuele gedragingen bestonden uit het meerdere malen, in ieder geval éénmaal:

betasten en/of aanraken met de arm(en) en/of vinger(s) en/of hand(en) van de geslachtsdelen en/of de billen van een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaren nog niet heeft bereikt (foto met bestandsnaam [1])

en/of

geheel of gedeeltelijk naakt (laten) poseren van (een) persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaren nog niet heeft/hebben bereikt waarbij deze persoon gekleed en/of opgemaakt is en/of in een omgeving en/of in (een) (erotisch getinte) houding(en) poseert die niet bij haar leeftijd past en/of (waarna) door het camerastandpunt en/of de (onnatuurlijke) pose en/of de wijze van kleden van deze persoon en/of de uitsnede van de afbeelding(en)/film(s) nadrukkelijk de (ontblote) geslachtsdelen in beeld gebracht worden (waarbij) de afbeelding (aldus) een onmiskenbaar seksuele strekking heeft en/of strekt tot seksuele prikkeling (foto met bestandsnaam [2] en/of foto met bestandsnaam [3] en/of foto met bestandsnaam [4] en/of film met bestandnaam [5])

en/of

masturberen, in ieder geval het aanraken van zijn, verdachtes penis in de nabijheid van het lichaam van een perso(o)n(en) die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft/hebben bereikt (waarbij) de afbeelding (aldus) een onmiskenbaar seksuele strekking heeft en/of strekt tot seksuele prikkeling (film met bestandsnaam [6])

van welk(e) misdrijf/misdrijven hij, verdachte, al dan niet een gewoonte heeft gemaakt.

De rechtbank verbetert in de tenlastelegging een aantal kennelijke schrijffouten. De verdachte wordt blijkens het onderzoek ter terechtzitting daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

3 DE VOORVRAGEN

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in haar vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 DE BEWIJSMIDDELEN EN DE BEOORDELING DAARVAN

Inleiding

Op 15 december 2010 is telefonisch een melding gedaan van seksueel misbruik van een vijfjarig meisje. Nadat er een intakegesprek heeft plaatsgevonden, is er op 16 december 2010 aangifte gedaan door [ouder slachtoffer 1]. Op 20 december 2010 hebben er studioverhoren plaatsgevonden met [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2].

Naar aanleiding hiervan is verdachte op 21 december 2010 buiten heterdaad aangehouden.

Diezelfde dag heeft een doorzoeking ter inbeslagname plaats gevonden, waarbij verschillende goederen in beslag zijn genomen, waaronder laptops en externe harde schijven.

Het onderzoeksteam heeft er rekening mee gehouden dat er mogelijk meer kinderen van de kinderopvang slachtoffer waren geworden van seksueel misbruik. Onder leiding van de Burgemeester van de [gemeente A] is op 21 december 2010 een informatiebijeenkomst georganiseerd. Na afloop van de bijeenkomst hebben verschillende ouders te kennen gegeven dat zij het vermoeden hadden dat hun kind ook slachtoffer is geweest. Tevens is er een persconferentie geweest.

Uiteindelijk hebben meerdere ouders aangifte gedaan en zijn verschillende kinderen in een kindvriendelijke studio verhoord.

Door de afdeling Digitale Recherche van politie Flevoland zijn de opgeslagen gegevens van de in beslaggenomen computers en andere digitale gegevensdragers veiliggesteld en nader onderzocht.

Verdachte is meerdere malen verhoord.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft aangevoerd dat hetgeen aan verdachte onder 1 tot en met 5 ten laste is gelegd wettig en overtuigend bewezen kan worden. Zij heeft daartoe, zoals vervat in een schriftelijk requisitoir, het navolgende aangevoerd.

Feit 1:

De officier van justitie heeft gewezen op de aangifte van de vader van [slachtoffer 1], de verklaring van haar tante, de studioverhoren van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en het onderzoek door de Forensische polikliniek te Utrecht. De officier van justitie acht de verklaring van [slachtoffer 1] consistent en betrouwbaar. Zij heeft spontaan verklaard dat het zeer deed als verdachte met zijn vinger in haar gaatje kwam. Ook is zij heel beslist over de koude handen/vingers die zij voelde. De vingerbewegingen die zij heeft gemaakt op het moment dat zij vertelde dat verdachte met zijn vinger in haar wiebelde, zijn passend bij haar verhaal. Een meisje van 5 jaar oud bedenkt dit soort feiten niet. De stelling van de deskundige Prof. Dr. Van Koppen dat [slachtoffer 1] bij haar studioverhoor niet heeft verklaard dat het zeer deed en dat niet bekend is in welk gaatje verdachte is geweest, neemt de officier van justitie niet over, omdat [slachtoffer 1] daar wel over heeft verklaard.

Verdachte heeft de feiten ontkend, maar heeft de door [slachtoffer 1] beschreven feitelijke situaties wel bevestigd. Er is een autorit geweest waar [slachtoffer 1] op de bijrijderstoel heeft gezeten en ook heeft [slachtoffer 1] naast verdachte gezeten bij het televisie kijken.

Feit 2:

De officier van justitie heeft aangegeven dat de ten laste gelegde handelingen niet op zichzelf staand bekeken moeten worden, maar in onderling verband en samenhang. Daaruit komt een overlappend beeld van handelingen die ontuchtig zijn. Zij heeft daarbij gewezen op de verschillende aangiftes en studioverhoren.

Feit 3:

Het nichtje van verdachte heeft aangifte gedaan, omdat verdachte toen zij 10 jaar was bij het douchen de harde waterstraal van de douche tussen haar benen heeft gespoten en daarmee tussen haar schaamlippen en tegen haar clitoris. Verdachte heeft haar verteld dat dit lekker zou zijn. Het nichtje heeft tegen verdachte gezegd dat zij dat niet wilde. Voorts heeft het nichtje aangifte gedaan van een incident dat plaatsvond toen zij nog geen 12 jaar oud was. Verdachte heeft haar, wegens droge plekken op haar huid, ingesmeerd met een huidolie. Hierbij smeerde hij ook haar schaamstreek, haar hele vagina en tussen de schaamlippen in. Daarbij maakte hij de opmerking dat zij een dikke schaamheuvel had. Dat dit tweede feit zich heeft afgespeeld voor de 12e verjaardag van aangeefster, blijkt uit de omstandigheid dat aangeefster heeft verklaard dat haar ouders op dat moment een bepaalde auto hadden. Bij navraag bij de belastingdienst is komen vast te staan dat de bedoelde auto op 26 april 1998 is verkocht. Door deze incidenten is aangeefster in een medisch traject gekomen. Bij aangeefster is bekkenbodemhypertonie vastgesteld, dat door een vervelende seksuele ervaring zou zijn ontstaan.

Uit de verklaring van de moeder van aangeefster blijkt dat aangeefster het douche-incident vrij direct na de logeerpartij heeft verteld. Ook het insmeren met huidolie is door aangeefster aan haar moeder verteld. De moeder van aangeefster heeft in 1999 en in 2002 een gesprek gehad hierover met verdachte. Aangeefster heeft ook aan haar tante verteld over de twee incidenten. De officier van justitie acht de verklaringen van aangeefster betrouwbaar, omdat zij het verhaal niet groter heeft gemaakt en de genoemde incidenten passen in de verklaring van verdachte. Prof. Dr. Van Koppen heeft geen relevante punten benoemd die vragen over de betrouwbaarheid oproepen.

Verdachte heeft deze incidenten ontkend, maar hij heeft wel aangegeven dat hij aangeefster tijdens een logeerpartij heeft afgedoucht en daarbij ook haar vagina zal hebben gedoucht en dat hij haar heeft ingesmeerd met olie, maar slechts tot de rand van haar onderbroek. In raadkamer heeft verdachte voorts verklaard dat het mogelijk is dat hij gezegd heeft dat het lekker was om te douchen en dat zij een dikke schaamheuvel had. Verdachte heeft de schaamheuvel echter slechts waar kunnen nemen indien de onderbroek van aangeefster uit was.

De officier van justitie heeft voorts aangevoerd dat het bewijs voor de seksuele lading is gelegen in het feit dat er geen noodzaak was om de waterstraal in de vagina te spuiten en de vagina van aangeefster in te smeren terwijl daar geen eczeem zat. Ook de daarbij geuite opmerkingen over hoe lekker het is en dat zij een dikke schaamheuvel had, zijn bewijzend voor de seksuele lading.

Tevens heeft de officier van justitie gewezen op een arrest van de Hoge Raad van 18 mei 2010, waaruit volgt dat met de vingers tussen de schaamlippen komen al als seksueel binnendringen kan worden betiteld, zodat het spuiten met een harde waterstraal tussen de schaamlippen ook als zodanig kan worden betiteld.

Feit 4:

De moeder van de 8-jarige tweelingbroers heeft in haar aangifte verklaard dat de broers op enig moment op de laptop van verdachte naaktfoto´s hebben gezien van de vrouw van verdachte. Verdachte zou de jongens bij de laptop hebben geroepen en de foto´s hebben laten zien. Toen de vrouw van verdachte erbij kwam, heeft verdachte de foto´s weg geklikt. Bij de studioverhoren van beide jongens hebben zij verklaard dat zij naaktfoto´s hebben gezien op de laptop. Één van hen heeft tevens verklaard dat hij door verdachte was geroepen.

De moeder van een 10 jarig jongetje heeft verklaard dat haar zoon heeft verteld dat hij op de laptop foto´s heeft gezien van een meisje in indianenkleding zonder onderbroek.

Verdachte heeft bekend dat het is voorgekomen dat de twee jongens naaktfoto´s van zijn vrouw hebben gezien, maar dat de jongens ze zelf hebben gevonden op de laptop. De officier van justitie heeft aangegeven dat de foto´s op de computers vrij toegankelijk waren voor de kinderen en dat zij de foto´s op aangeven van verdachte hebben gezien, zodat het feit wettig en overtuigend te bewijzen is.

Feit 5:

De officier van justitie heeft gesteld dat op een van de in beslaggenomen computers en op een harddisk kinderpornografisch materiaal is aangetroffen. Daarvoor heeft zij verwezen naar het proces-verbaal kinderporno-onderzoek. Tevens heeft de officier van justitie verwezen naar de verklaring van verdachte, waarin hij bekent de foto´s en filmpjes te hebben gemaakt. Verdachte heeft van de films die hij op de kinderdagopvang heeft gemaakt, enkele snapshots gemaakt van een kind dat zijn onderbroek naar beneden heeft. Dit geeft aan, aldus de officier van justitie, dat verdachte bewust naar de films heeft gekeken en bewust deze foto´s heeft gemaakt.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft betoogd dat verdachte van het onder 1 tot en met 5 ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken. Zij heeft daartoe - zoals vervat in de pleitnota - het volgende aangevoerd.

Feit 1:

Met betrekking tot de inhoud van de verschillende verklaringen en in hoeverre op basis daarvan de ten laste gelegde feitelijkheden vastgesteld kunnen worden, heeft de raadsvrouw verwezen naar het rapport van Prof. Dr. Van Koppen. De raadsvrouw heeft geconcludeerd dat de verklaringen teveel mogelijkheden open laten met betrekking tot hetgeen daadwerkelijk gebeurd zou zijn. Voorts heeft de raadsvrouw aangegeven dat de verklaringen van de vader en de tante van [slachtoffer 1] zijn gebaseerd op dezelfde bron, te weten [slachtoffer 1] zelf. Gelet op een arrest van de Hoge Raad d.d. 26 januari 2010 (LJN: BK5597) mag van een bewijsmiddel niet een tweede bewijsmiddel worden gemaakt en mag een bewezenverklaring niet worden gebaseerd op bewijsmiddelen die allen terug te voeren zijn op de verklaring van één getuige.

Ook het medisch verslag vormt geen bewijs, omdat uit het medisch onderzoek niet is komen vast te staan dat er sprake is geweest van penetratie.

Subsidiair heeft de raadsvrouw betoogd dat indien de rechtbank van mening is dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte over de buik van [slachtoffer 1] heeft gekriebeld, dit handelen niet kan worden betiteld als ontuchtig handelen. Het kriebelen op de buik werd niet gedaan met enige seksuele intentie en bovendien vond dit kriebelen plaats in aanwezigheid van andere kinderen.

Feit 2:

Met betrekking tot de aangiftes geldt dat deze niet als op zichzelf staande bewijsmiddelen of als steunbewijs kunnen worden gebruikt, omdat de ouders de verhalen van hun kinderen hebben vernomen. Voor de verklaringen van de kinderen heeft de raadsvrouw verwezen naar het rapport van Prof. Dr. Van Koppen, waaruit volgt dat de verklaringen van [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] niet kunnen gelden als bewijsmiddel, omdat de studioverhoren van slechte kwaliteit en suggestief waren. De verhoren van de andere kinderen zijn beperkt bruikbaar.

Ten aanzien van het primair onder A ten laste gelegde heeft de raadsvrouw opgemerkt dat kan worden vastgesteld dat verdachte naakt in de kleedruimte van het zwembad was, maar dat van expliciet tonen van zijn geslachtsdeel geen sprake was. Ook kan vastgesteld worden dat verdachte de kinderen na het zwemmen insmeerde met crème en dat zijn rug ook wel eens is ingesmeerd door de kinderen. Deze feitelijkheden kunnen volgens de raadsvrouw echter niet worden aangemerkt als ontuchtige handelingen gelet op de omstandigheden, te weten na het zwemmen afdrogen en aankleden. Met betrekking tot het laten betasten van de ontblote penis, heeft de raadsvrouw wederom verwezen naar het rapport van Prof. Dr. Van Koppen, die concludeert dat de kinderen spelenderwijs aan de penis van verdachte trokken en dat dit niet was om hem te bevredigen.

Ten aanzien van het primair onder B ten laste gelegde heeft de raadsvrouw bepleit dat verdachte nimmer actief zijn ontblote penis heeft getoond aan de kinderen, het aaien van de kinderen over de buik geen seksuele strekking heeft gehad, er geen bewijs is dat verdachte met zijn hand of vingers over een onderbroekje, schaamstreek of vagina heeft gewreven en dat bij de kwestie van de bezemsteel de kinderen hun onderbroeken aanhadden en de bezemsteel enkel door de gulp is gestoken om deze beter op de plek te houden voor de foto. Voor het primair ten laste gelegde is volgens de raadsvrouw dan ook geen bewijs, zodat vrijspraak moet volgen. Datzelfde geldt voor het subsidiair ten laste gelegde, omdat niet blijkt dat verdachte opzet heeft gehad op het schenden van de eerbaarheid.

Feit 3:

Met betrekking tot het onder A ten laste gelegde, te weten het douchen, heeft de raadsvrouw gesteld dat verdachte ontkent dat hij bij het douchen een harde waterstraal in of tegen de vagina van aangeefster heeft gespoten en/of haar hardhandig te hebben afgedroogd. Verdachte zal wel de vagina hebben langs gespoeld. Deze handelingen kunnen echter niet worden betiteld als seksueel binnendringen of ontuchtig. Er was geen sprake van binnendringen. Aangeefster zelf heeft verklaard dat het water niet in de opening van haar vagina kwam.

Tevens heeft verdachte het insmeren van de geslachtsdelen van aangeefster ontkend, zoals is ten laste gelegd onder B. Deze feitelijkheid kan derhalve niet worden vastgesteld.

Voorts heeft de raadsvrouw bepleit dat de getuigen slechts van aangeefster hebben gehoord wat er is gebeurd. Deze verklaringen zijn derhalve direct afgeleid van de verklaringen van aangeefster zelf, zodat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is.

Feit 4:

De raadsvrouw heeft bepleit dat voor een bewezenverklaring van dit feit sprake moet zijn van opzet. Er moet sprake zijn van het ´tonen´ en dat vereist een actieve handeling. Uit de verklaringen van verdachte en van de twee kinderen blijkt dat er geen sprake was van tonen door verdachte, maar dat de kinderen de foto´s tegenkwamen op de computer. Doordat er geen sprake is van ´tonen´ van de foto´s door verdachte aan de kinderen kan dit feit niet wettig en overtuigend bewezen worden verklaard.

Feit 5:

De raadsvrouw heeft er allereerst op gewezen dat zich op de onder verdachte in beslaggenomen gegevensdragers in totaal 230.572 bestanden bevonden, waarvan er slechts 6 aangemerkt konden worden als kinderpornografisch.

De foto met bestandsnaam [1] toont een kind op de arm van verdachte. Verdachte raakt of betast de geslachtsdelen van dit kind niet, zodat het ten laste gelegde ten aanzien van dit bestand niet bewezen kan worden verklaard.

De foto met bestandsnaam [2] heeft op de laptop van een van de zoons van verdachte gestaan. Verdachte zelf heeft deze foto nooit gezien. Van deze foto kan niet gesteld worden dat deze in het bezit is geweest van verdachte.

Over de foto´s met de bestandsnamen [3] en [4] heeft verdachte verklaard dat hij het geen fraaie poses vond en dat hij de bestanden had willen verwijderen van de computer.

Met betrekking tot de films heeft de raadsvrouw bepleit dat de film met bestandsnaam [5] ongelukkige beelden zijn, maar dat verdachte hierbij geen enkele bijbedoeling had zoals is gesuggereerd. Op de film met bestandsnaam [6] is te zien dat de riem van de broek van verdachte los zit en dat hij met een doek over zijn buik veegt. Er is geen sprake van masturberen en de aanwezige kinderen zijn op enkele meters verwijderd met meubilair tussen hen en verdachte. Op het bewegende beeld van de film is het geslachtsdeel van verdachte niet te zien. De raadsvrouw heeft dan ook gesteld dat dit feit niet bewijsbaar is.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft kennisgenomen van de inhoud van de stukken van het onderliggende strafdossier en van hetgeen bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gebracht.

De rechtbank volgt Prof. Dr. Van Koppen waar deze stelt dat de studioverhoren van [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] buiten beschouwing dienen te blijven, omdat door de suggestieve manier van verhoren de betekenis van wat zij hebben verklaard, onbepaald wordt.

Met betrekking tot meerdere aan verdachte ten laste gelegde feiten wordt gesproken over ontuchtige handelingen. De rechtbank verstaat hieronder het volgende.

Uit de Memorie van Toelichting (kamerstukken 1988-1989, 20930, nr. 3, p. 2) volgt dat bij ontuchtige handelingen gedacht moet worden aan handelingen, gericht op seksueel contact, althans contact van seksuele aard in strijd met de sociaal-ethische norm, zonder dat het om buitengewone afschuwwekkende daden zou gaan. Uit een arrest van het Gerechtshof Leeuwarden d.d. 6 mei 2010 (LJN: BM3948) volgt dat de omstandigheden van het geval daarbij van grote betekenis zijn, omdat de begeleidende omstandigheden een seksuele gedraging tot een ontuchtige gedraging maakt.

Feit 1:

De tante van [slachtoffer 1] bracht [slachtoffer 1] op 14 december 2010 naar bed en hoorde haar toen zeggen dat ze de volgende dag niet naar de kinderopvang van verdachte wilde. Zij vroeg haar of verdachte soms aan haar billen zat. [slachtoffer 1] antwoordde dat dit het geval was en voegde daar spontaan aan toe dat dat met die vinger wel heel zeer deed. [slachtoffer 1] wees daarbij in de richting van haar vagina en voegde toe dat die vinger in haar gat zeer deed. Dit zou in het zwembad gebeurd zijn.

Voorts hoorde tante [slachtoffer 1] verklaren dat dit ook voor de televisie gebeurde. Hierbij maakte [slachtoffer 1] een beweging met haar hand die vanaf de bovenkant van haar pyjamabroek naar haar schaamstreek ging. Zij deed daarbij haar hand in haar pyjamabroek.

Nadat tante dit verhaal had gehoord heeft zij de vader van [slachtoffer 1] gebeld en ingelicht.

Naar aanleiding van wat hij van zijn zus had gehoord, heeft [ouder slachtoffer 1] met zijn dochter [slachtoffer 1] gesproken. Zij vertelde hem dat verdachte met zijn vingers in haar voorste billen had gezeten en dat hij met de vingers naar binnen was geweest terwijl zij een dvd keken. Verdachte was met zijn hand in haar broekje gegaan, terwijl er nog andere kinderen aanwezig waren. Ook zou verdachte dit gedaan hebben toen zij in de auto zaten en ook in het kleedhokje van het zwembad. [ouder slachtoffer 1] heeft voorts verklaard dat in het gezin zowel de billen als de schaamstreek met billen worden aangeduid en dat het hem al was opgevallen dat [slachtoffer 1] de laatste tijd niet meer graag naar de opvang ging en dat zij klaagde over buikpijn. Hij heeft haar gevraagd of verdachte met zijn vingers in haar voorste billen was geweest en of daar de buikpijn van kwam. [slachtoffer 1] heeft dit bevestigd.

Bij het studioverhoor heeft [slachtoffer 1] herhaald dat verdachte de hele tijd kriebelde. Dat gebeurde in de auto, in het zwembad en bij het video kijken. Zij verklaarde tevens dat hij koude handen had en dat toen hij zeep gebruikte dat pijn deed. [slachtoffer 1] heeft verklaard dat verdachte haar bij haar billen kriebelde en dat zij met die billen plast. Hij gaat dan met zijn vingers in haar gaatje en dat voelt koud en niet lekker. [slachtoffer 1] heeft ook verklaard dat verdachte zijn vingers dan bewoog en dat hij daarmee wiebelde. Als zij zijn hand wegduwt, dan doet hij het daarna gelijk toch nog een keer.

Naar het oordeel van de rechtbank kan de verklaring van [slachtoffer 1] niet anders opgevat worden dan dat [slachtoffer 1] met haar voorste billen, waarmee zij plast, haar vagina heeft bedoeld.

Ook het zusje van [slachtoffer 1], [slachtoffer 2] is verhoord. Zij heeft verklaard dat haar zusje vertelde dat verdachte in haar gaatje heeft gezeten. Met gaatje bedoelde zij het gaatje in de billen waar de plas uit komt.

Uit de forensisch-medische rapportage blijkt dat in de fossa navicularis (de onderwand van de voorhof van de vagina) een rode lijnvormige verkleuring van circa 0,5 centimeter lang zichtbaar is. Dit kan een krab-of krasletsel betreffen, passend bij inwerking van uitwendig geweld met of door een voorwerp met scherprandige delen, zoals bijvoorbeeld een nagel.

Verdachte heeft verklaard dat hij met [slachtoffer 1] in het zwembad heeft gezeten en haar bikinibroekje heeft vastgemaakt , dat [slachtoffer 1] op de terugweg van het zwembad naar het kinderdagverblijf voorin op de passagiersstoel heeft gezeten en dat hij tussen de kinderen op de kussens zat, waarbij hij hen dan ook aaide en kriebelde over het hoofd, een been of datgene dat tegen hem aanlag. Hij kriebelde ook tot de rand van een T-shirt of op de rug.

Met betrekking tot de bevindingen van Prof. Dr. Van Koppen, merkt de rechtbank op dat Prof. Dr. Van Koppen heeft aangegeven dat de verhoren over het algemeen van goede kwaliteit waren. Volgens Prof. Dr. Van Koppen is niet duidelijk of [slachtoffer 1] spreekt over haar vagina, haar anus of een gat in haar kleding als zij verklaart over het ten laste gelegde feit, omdat in het gezin het woord billen zowel voor de achterkant als voor de voorkant van het lichaam wordt gebruikt. De rechtbank is van oordeel dat voldoende duidelijk is dat [slachtoffer 1] haar vagina heeft bedoeld, omdat zij spreekt over haar voorste billen waarmee zij plast. Ook heeft zij verklaard dat die vinger in het gat zeer deed. Dit komt ook bij het studioverhoor ter sprake. De rechtbank volgt Prof. Dr. Van Koppen in deze dus niet. Dat geldt ook voor de stelling van Prof. Dr. Van Koppen dat niet duidelijk wordt wat door tante is verteld en wat door [slachtoffer 1] spontaan is verteld. Uit het verhoor van tante blijkt immers duidelijk dat tante vroeg of verdachte aan haar billen zat, maar dat [slachtoffer 1] toen uit zichzelf zei: “dat met die vinger doet wel heel zeer hoor”.

De rechtbank is van oordeel dat uit de verklaringen van de tante en de vader van [slachtoffer 1], in combinatie met de verklaring van [slachtoffer 1] zelf, blijkt dat [slachtoffer 1] consistent en geloofwaardig heeft verklaard. Door de raadsvrouw is aangevoerd dat de verklaringen van de tante en de vader uit één bron komen, te weten [slachtoffer 1] en dat er om die reden onvoldoende wettig bewijs is. De rechtbank is echter van oordeel dat deze verklaringen weliswaar uit één bron komen, maar dat er voorts naast deze bron nog andere bewijsmiddelen aanwezig zijn. De verklaring van [slachtoffer 1] wordt naar het oordeel van de rechtbank verder ondersteund door de forensisch-medische rapportage en de verklaring van verdachte dat hij met [slachtoffer 1] in het zwembad, in de auto en op de kussens is geweest en dat hij [slachtoffer 1] heeft gekriebeld. Deze bewijsmiddelen in samenhang beschouwd leveren voldoende wettig en overtuigend bewijs dat verdachte het onder 1 ten laste gelegde feit heeft gepleegd.

Met betrekking tot het alternatief ten laste gelegde merkt de rechtbank op dat het seksuele binnendringen van het lichaam tevens een ontuchtige handeling inhoudt, zodat ook het alternatief ten laste gelegde wettig en overtuigend is bewezen.

Feit 2:

De rechtbank verwijst voor het onder feit 2 onder A ten laste gelegde naar een arrest van de Hoge Raad d.d. 30 november 2004 (LJN: AQ0950) waaruit volgt dat de enkele omstandigheid dat seksuele gedragingen zijn verricht in het bijzijn van de minderjarigen nog geen ontucht plegen met die minderjarigen oplevert in de zin van artikel 247 en 249 van het Wetboek van Strafrecht. Gelet op dit arrest zal de rechtbank verdachte van het onder feit 2 onder A eerste, tweede en vijfde gedachtestreepje ten laste gelegde vrijspreken.

Met betrekking tot het derde gedachtestreepje heeft [slachtoffer 2] verklaard dat twee meisjes aan de penis van verdachte hebben getrokken. Verdachte heeft verklaard dat [slachtoffer 4] een keer zijn penis heeft beetgepakt toen hij een tas aan het inpakken was, maar dat hij direct tegen haar heeft gezegd dat dit niet was toegestaan.

Hoewel vaststaat dat in elk geval één kind de ontblote penis van verdachte heeft vastgepakt, is de rechtbank van oordeel dat niet gesteld kan worden dat deze aanraking een ontuchtig karakter heeft gehad, omdat het erop lijkt dat dit aanraken spelenderwijs heeft plaatsgevonden tijdens het omkleden na het zwemmen. De rechtbank zal verdachte van het derde gedachtestreepje vrijspreken.

Ten aanzien van het vierde gedachtestreepje heeft enkel [slachtoffer 7] verklaart dat verdachte heeft gevraagd om zijn penis en billen in te smeren. Verdachte heeft dit ontkend. Enkel voor het insmeren van de rug van verdachte door de kinderen is voldoende wettig bewijs in het dossier te vinden. De rechtbank oordeelt echter dat het insmeren van de rug van verdachte niet aan te merken valt als een ontuchtige handeling, nu het ontuchtig karakter ontbreekt. Ook van dit vierde gedachtestreepje zal de rechtbank verdachte derhalve vrijspreken.

Voor het onder feit 2 onder B eerste, tweede en derde gedachtestreepje ten laste gelegde is onvoldoende bewijs aanwezig, zodat verdachte hiervan zal worden vrijgesproken.

Gelet op de verklaringen van [slachtoffer 1], [slachtoffer 5] en verdachte zelf kan bewezen worden verklaard dat verdachte over de buik van kinderen heeft geaaid. De rechtbank is echter van oordeel dat sec deze handeling onvoldoende is om te spreken van een ontuchtige handeling, zodat verdachte ook van dit onderdeel van de tenlastelegging zal worden vrijgesproken.

[slachtoffer 5] heeft tevens verklaard dat verdachte tijdens dat aaien over haar buik telkens van onder naar boven ging en de rechtbank begrijpt haar verklaring aldus dat verdachte daarbij steeds lager begon, steeds meer in de richting van haar plassertje. Verdachte zou daarbij ook haar kleertjes omhoog hebben gedaan. Hij zou haar over haar onderbroek hebben geaaid in de buurt van haar plassertje. Verdachte heeft verklaard dat het mogelijk is dat hij een keer over de onderbroek van [slachtoffer 5] heeft gestreken, maar dat hij niet in haar onderbroek is geweest. Hij kriebelde langs de rand van haar broek. Ook [slachtoffer 1] heeft verklaard dat verdachte haar bij haar voorste billen kriebelde. Verdachte heeft ook hierover verklaard dat hij tussen de kinderen op de kussens zat, waarbij hij hen dan ook aaide en kriebelde over het hoofd, een been of datgene dat tegen hem aanlag. Hij kriebelde ook tot de rand van een T-shirt of op de rug. De rechtbank is van oordeel dat deze gedraging ontuchtig is en dat daarmee het vijfde gedachtestreepje wettig en overtuigend kan worden bewezen.

Met betrekking tot het zesde gedachtestreepje heeft [slachtoffer 6] verklaard dat verdachte zei dat zij hun onderbroek uit moesten doen, omdat dit anders te zien was. [slachtoffer 6] en [slachtoffer 5] hebben daarop hun onderbroek uitgedaan. Wel hadden zij een gewone broek aan. Vervolgens heeft verdachte een bezemsteel door de rits van de broek gestoken en liet deze (naar de rechtbank begrijpt) aan de achterkant van de broek weer eruit komen. Over de broek droegen zij ook nog een jurk. Verdachte heeft verklaard dat hij de bezemsteel vanaf de achterkant, via een pijpje van hun onderbroek in de onderbroek heeft gedaan en de bezemsteel via het andere pijpje aan de voorkant er weer uit liet komen. Vervolgens stonden de kinderen met die bezemsteel in hun onderbroek op de tafels op ongeveer 180 cm hoogte. De bezemsteel bevond zich derhalve in de schaamstreek van de kinderen. De rechtbank acht deze handelingen gericht op contact van seksuele aard, welke in strijd is met de sociaal-ethische norm, zodat het zesde gedachtestreepje wettig en overtuigend bewezen kan worden.

Aangeefster [moeder slachtoffer 9] heeft verklaard dat haar dochter [slachtoffer 9] haar heeft verteld dat verdachte haar had opgetild en haar op haar kop had omgedraaid. Terwijl verdachte haar vast had, schoof hij haar broek en onderbroek van haar billen af. [slachtoffer 9] had tegen verdachte gezegd dat hij moest stoppen, maar dat heeft hij toen niet gedaan. Verdachte heeft hierover verklaard dat het is gebeurd dat hij [slachtoffer 9] bij haar benen optilde en op de kop hield en dat daarbij haar broek naar beneden schoof waardoor de rand van haar billen te zien was. Hij had haar dan even later weer naar beneden laten zakken. Gelet op de omstandigheid dat verdachte [slachtoffer 9] niet direct op de grond heeft gezet toen haar broek van haar billen schoof en zij aangaf dat verdachte moest stoppen, heeft verdachte er bewust voor gekozen om [slachtoffer 9] gedurende enige tijd met een ontbloot onderlichaam te laten zijn, welke handeling een ontuchtig karakter heeft. Het zevende gedachtestreepje is derhalve wettig en overtuigend bewezen.

Ten aanzien van het onder feit 2 alternatief ten laste gelegde is de rechtbank van oordeel dat het eerste gedachtestreepje geen oneerbare handeling inhoudt, omdat een kleedruimte bedoeld is om je om te kleden, wat met zich brengt dat je enige tijd ontbloot zult zijn. Voor de doucheruimte en onder de douche geldt mutatis mutandis hetzelfde. Verdachte zal dan ook van dit onderdeel worden vrijgesproken.

Dit wordt anders op het moment dat er jonge kinderen bij aanwezig zijn zoals onder het tweede gedachtestreepje is genoemd. [slachtoffer 1] heeft verklaard dat zij het ontblote geslachtsdeel van verdachte heeft gezien in de kleedruimte van het zwembad. Ook [slachtoffer 2] heeft verklaard dat zij bij het omkleden in het zwembad het ontblote geslachtsdeel van verdachte heeft gezien en dat op dat moment ook [slachtoffer 3] en nog een meisje aanwezig waren die aan het ontblote geslachtdeel van verdachte hebben gezeten. [slachtoffer 8] en [slachtoffer 7] hebben verdachte ook naakt gezien bij het omkleden in het zwembad. Verdachte ontkent dit feit niet. Op de vraag of verdachte kan verklaren waarom [slachtoffer 4] heeft gezegd dat zij het ontblote geslachtdeel van verdachte heeft gezien, heeft verdachte geantwoord dat dit mogelijk is omdat zij verschillende keren mee is geweest met het zwemmen.

Met betrekking tot de Kinderopvang “[X]” heeft verdachte verklaard dat hij niet goed meer weet of hij zich heeft uitgekleed terwijl er kinderen bij hem in de buurt waren. Hij heeft verklaard dat hij zich dan snel heeft omgekleed en dat hij denkt dat hij met zijn rug naar de kinderen toe heeft gestaan. Tevens heeft hij verklaard dat hij van mei tot oktober geen onderbroek draagt. [slachtoffer 2] heeft verklaard dat zij gezien heeft dat verdachte bij het verven een andere broek aan ging doen, dat hij geen onderbroek aanhad en dat zij toen zijn ontblote geslachtsdeel kon zien. [slachtoffer 5] heeft verklaard dat zij verdachte na het douchen op de kinderdagopvang heeft ingesmeerd en dat hij op dat moment naakt was, waarbij zij ook zijn ontblote geslachtdeel heeft gezien.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank het tweede en derde gedachtestreepje wettig en overtuigend bewezen.

Feit 3:

Aangeefster heeft verklaard dat toen zij 10 jaar oud was, zij bij verdachte en zijn vrouw logeerde. Verdachte heeft toen haar haren gewassen, waarbij hij de douchekop in zijn hand hield. Hij draaide aan de douchekop zodat het één harde straal werd. Verdachte deed de douchekop vervolgens naar beneden tussen de benen van aangeefster. Hij spoot met een harde straal, water in de vagina van aangeefster. De douchekop was op dat moment 10 tot 15 centimeter van haar vagina verwijderd. Het water kwam tegen haar clitoris en tussen haar schaamlippen, maar volgens aangeefster niet in de opening van de vagina. Aangeefster herinnert zich dat zij dit niet lekker vond voelen, maar dat verdachte zei dat dit lekker was. Toen aangeefster aangaf dat zij er klaar mee was, stopte verdachte niet direct. Verdachte heeft aangeefster tevens afgedroogd, waarbij hij haar ook tussen haar benen, bij haar vagina en billen afdroogde.

Voorts heeft aangeefster verklaard dat toen zij bijna 12 jaar oud was, verdachte haar heeft ingesmeerd, omdat zij een huidaandoening had. Verdachte heeft haar onderkleding uitgetrokken en aangeefster voelde dat verdachte haar gehele vagina van boven tot onder begon in te smeren. Hierbij heeft verdachte ook Vital tussen de schaamlippen en op de clitoris van aangeefster gesmeerd. Tevens heeft hij gezegd dat aangeefster een dikke schaamheuvel had, waarbij hij daar met zijn vinger op prikte.

De moeder van aangeefster heeft verklaard dat zij vrij snel nadat het douche-incident had plaatsgevonden hierover had gehoord van aangeefster. Aangeefster had haar verteld dat verdachte de douchekop op haar vagina had gericht. Ook heeft aangeefster aan haar moeder verteld dat verdachte haar had ingesmeerd.

Uit de medische gegevens van aangeefster blijkt dat zij vanaf haar 12e in elk geval twee keer bij de Meregaard in behandeling is geweest in verband met seksueel misbruik. Door een gynaecoloog is vastgesteld dat zij lijdt aan bekkenbodemhypertonie, hetgeen veroorzaakt kan worden door een nare seksuele ervaring. Zij is vervolgens behandeld door een seksuoloog.

Verdachte heeft verklaard dat hij aangeefster helemaal heeft afgedoucht en dat hij daarbij ook haar vagina langsgespoeld zal hebben. Tevens heeft verdachte verklaard dat hij aangeefster op haar buik, rug en benen heeft ingesmeerd met Vital. Volgens verdachte had zij op dat moment gewoon haar onderbroek aan. Ongeveer een jaar later hebben de zus en zwager van verdachte met verdachte besproken dat aangeefster zich niet prettig had gevoeld bij het insmeren.

Tijdens het onderzoek in de strafraadkamer heeft verdachte verklaard dat het kan zijn dat hij gezegd heeft dat het lekker is om te douchen en dat hij iets gezegd heeft over een dikke schaamheuvel.

Tijdens een tweede verhoor heeft aangeefster, met betrekking tot het feit dat zij door verdachte werd ingesmeerd met Vital, verklaard dat haar ouders op dat moment een blauwe [auto] hadden die kort erna is verkocht en dat het rond de verjaardag van een van de zoons van verdachte plaatsvond. De bedoelde zoon van verdachte is jarig op 24 maart. Aangeefster, die op [in het jaar 1986] is geboren, zou op dat moment nog geen 12 jaar zijn geweest.

Uit nader onderzoek is gebleken dat voor de [auto] tot en met 26 april 1998 motorrijtuigenbelasting is betaald en dat vanaf 24 april 1998 motorrijtuigenbelasting is betaald voor een auto met een ander kenteken.

De rechtbank oordeelt dat hieruit volgt dat het incident waarbij aangeefster werd ingesmeerd door verdachte heeft plaatsgevonden rond 24 maart 1998 en dat aangeefster toen nog geen 12 jaar oud was.

De rechtbank stelt vast dat aangeefster vrij spoedig na het gebeuren haar ouders heeft ingelicht en dat haar moeder het verhaal van aangeefster ondersteunt. Aangeefster heeft meerdere keren aandacht gevraagd voor de gebeurtenissen. Zo heeft zij in 2002 een brief geschreven aan verdachte waarin zij de handelingen, zoals in de aangifte aangegeven, exact benoemt. Ook heeft zij met zus [persoon] van verdachte gesproken. Gelet op het voorgaande en de medische gegevens van aangeefster, waaruit blijkt dat zij op haar 12e reeds in behandeling is geweest in verband met seksueel misbruik, acht de rechtbank de verklaring van aangeefster betrouwbaar. De enkele stelling van Prof. Dr. Van Koppen dat het mogelijk is dat aangeefster het verhaal indertijd heeft aangedikt, volgt de rechtbank niet.

Nu ook verdachte heeft verklaard dat hij aangeefster heeft afgespoeld onder de douche en haar heeft ingesmeerd met Vital, ziet de rechtbank zich voor de vraag geplaatst hoe ver de handelingen van verdachte zijn gegaan.

De rechtbank overweegt daartoe dat uit het arrest van de Hoge Raad d.d. 18 mei 2010 (LJN: BK6910) volgt dat reeds het wrijven tussen de schaamlippen gekwalificeerd wordt als het seksueel binnendringen van het lichaam. Aangeefster heeft verklaard dat bij het douchen de waterstraal tussen haar schaamlippen is gekomen. Nu verdachte heeft verklaard dat hij ook de vagina van aangeefster heeft afgespoeld en dat het zou kunnen dat hij heeft gezegd dat het douchen lekker was, is de rechtbank van oordeel dat dit feit wettig en overtuigend bewezen is.

Met betrekking tot het insmeren met Vital heeft aangeefster verklaard dat verdachte haar ook tussen haar schaamlippen heeft ingesmeerd. De verklaring van verdachte dat aangeefster al die tijd haar onderbroek aan heeft gehad acht de rechtbank niet geloofwaardig, omdat verdachte tevens heeft verklaard dat het mogelijk is dat hij toen iets heeft gezegd over een dikke schaamheuvel. De rechtbank kan zich niet goed voorstellen dat deze opmerking is gemaakt terwijl aangeefster haar onderbroek aan had. Dit sterkt de rechtbank in de overtuiging dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft gepleegd, zodat ook dit feit wettig en overtuigend bewezen is.

Met betrekking tot de zowel onder 3.A. als onder 3. B. alternatieve tenlastelegging merkt de rechtbank op dat het seksuele binnendringen van het lichaam tevens een ontuchtige handeling inhoudt, zodat ook de alternatief ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend zijn bewezen. De rechtbank acht het afdrogen van aangeefster niet ontuchtig.

Feit 4:

[slachtoffer 11] heeft bij zijn verhoor verklaard dat hij op de computer van verdachte naaktfoto’s heeft gezien van de vrouw van verdachte en dat verdachte hem en de anderen riep om te komen kijken. Ook [slachtoffer 7] heeft tijdens zijn studioverhoor verklaard dat hij foto’s heeft gezien van de vrouw van verdachte met ontblote borsten en vagina. Hij heeft echter niet verklaard dat verdachte hem geroepen heeft om deze foto’s te bekijken. Verdachte zelf heeft bekend dat [slachtoffer 7] en [slachtoffer 11] deze foto’s hebben gezien, maar dat zij de foto’s zelf hebben gevonden op de computer. Ook met betrekking tot foto’s waarop kinderen te zien zijn met een ontblote vagina en/of billen is geen verklaring afgelegd dat verdachte deze foto’s heeft getoond aan de kinderen.

De rechtbank stelt vast dat het ongepast is om dergelijke (naakt)foto’s op een computer in een kinderdagverblijf te plaatsen en deze foto’s zodanig op te slaan dat zij relatief eenvoudig te vinden zijn ook voor jonge kinderen. Echter voor een bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit is een actieve handeling van verdachte vereist. Nu slechts [slachtoffer 11] heeft verklaard dat verdachte hen heeft geroepen om de foto’s te bekijken, is daarvoor onvoldoende bewijs. Het feit kan niet wettig en overtuigend bewezen worden, zodat verdachte van het onder 4 ten laste gelegde zal worden vrijgesproken.

Feit 5:

Op de foto met bestandsnaam [1] is niet te zien dat verdachte met zijn arm, vinger of hand de geslachtsdelen of billen van een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaren nog niet heeft bereikt heeft betast of aangeraakt. De rechtbank heeft dit zelf niet waargenomen op de foto’s en ook uit de omschrijving van deze foto volgt dat niet. Ook op de film met bestandsnaam [6] heeft de rechtbank het aan verdachte ten laste gelegde, te weten het masturberen, niet waar kunnen nemen. Noch blijkt dit uit de omschrijving die van deze film is gegeven. Verdachte zal dan ook van deze onderdelen van de tenlastelegging worden vrijgesproken.

Op de foto met bestandsnaam [2] is weliswaar een naakt meisje te zien dat kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft bereikt, maar de rechtbank heeft geconstateerd dat deze foto zich bevond in een back-up bestand van een van de zoons van verdachte. Voorts heeft verdachte verklaard dat hij deze foto niet eerder had gezien. Gelet op de jurisprudentie, zoals van de Hoge Raad d.d. 28 februari 2006 LJN AU9104, moet er sprake zijn van opzet op het in bezit hebben van het bestand. Nu verdachte heeft ontkend dat hij de foto eerder heeft gezien en deze op de externe harde schijf heeft gezet, is niet uit te sluiten dat een ander dan verdachte deze foto heeft geplaatst. Er kan dan ook niet worden aangenomen dat verdachte opzet heeft gehad op het in bezit hebben van dit betreffende bestand, zodat verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.

De foto of foto’s met de bestandsnamen [3] en [4] en de film met bestandsnaam [5] zijn naar het oordeel van de rechtbank wel kinderpornografisch van aard. Op de foto’s is de blote vagina van [slachtoffer 4], een 6-jarig meisje, duidelijk zichtbaar en op de film is te zien dat verdachte een meisje ondersteboven aan haar broek vasthoudt waardoor haar broek en onderbroek naar haar enkels schuiven. Vervolgens wordt het meisje zo in de richting van de camera gedraaid dat daarmee haar blote billen en vagina duidelijk zichtbaar zijn. Verdachte heeft verklaard dat hij deze foto’s uit een filmpje heeft gehaald en dat de foto’s daarna automatisch in een map werden geplaatst. Hij heeft de foto’s bekeken en vond het geen fraaie pose. Verdachte denkt dat hij de film en foto’s later verwijderd heeft van zijn laptop. Met betrekking tot het filmpje heeft verdachte verklaard dat het meisje op deze film [slachtoffer 5] betreft. Het filmpje is gemaakt met de camera van de laptop. Verdachte heeft aangegeven dat hij [slachtoffer 5] niet bewust naar de camera heeft gedraaid.

De rechtbank acht het verhaal van verdachte dat hij de film van [slachtoffer 4] van de computer had willen verwijderen niet geloofwaardig, omdat verdachte juist van het moment waarop haar onderlichaam ontbloot was snapshots heeft gemaakt. Dit duidt erop dat verdachte bewust op zoek is geweest naar dit soort beelden in de film. Ook de verklaring van verdachte dat hij [slachtoffer 5] niet bewust met haar ontblote onderlichaam naar de camera heeft gedraaid acht de rechtbank niet aannemelijk nu verdachte wist waar de camera stond en juist door het handelen van verdachte de blote billen en vagina in beeld kwamen. De rechtbank acht deze feiten dan ook wettig en overtuigend bewezen.

5 BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat:

1.

hij op meerdere tijdstippen in de periode van 1 juni 2010 tot en met 21 december 2010 te [plaats A], in de gemeente [gemeente A] en in de gemeente [plaats B] en elders in Nederland, als eigenaar van Kinderopvang "[X]",

met de aan zijn zorg en waakzaamheid toevertrouwde [slachtoffer 1], geboren op [in het jaar 2005], die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, telkens een of meer handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 1], hebbende verdachte telkens

- zijn, verdachtes, hand in het broekje van die [slachtoffer 1] gebracht en vervolgens zijn vinger(s) in haar vagina gebracht en/of vervolgens haar zogenoemd gevingerd;

en

hij op meerdere tijdstippen in de periode van 1 juni 2010 tot en met 21 december 2010 te [plaats A], in de gemeente [gemeente A] en in de gemeente [plaats B] en elders in Nederland, als eigenaar van Kinderopvang "[X]",

met de aan zijn zorg en waakzaamheid toevertrouwde [slachtoffer 1], geboren op [in het jaar 2005], die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, telkens ontuchtige handelingen heeft gepleegd, hebbende verdachte telkens

- de schaamstreek/onderbuik van die [slachtoffer 1] betast/aangeraakt en

- zijn, verdachtes, hand in het broekje van die [slachtoffer 1] gebracht en vervolgens met zijn vinger(s) haar vagina en/of de schaamstreek betast/gestreeld/aangeraakt;

2.

hij op meerdere tijdstippen in de periode van 1 augustus 2008 tot en met 21 december 2010 te [plaats A], in de gemeente [gemeente A] en in de gemeente [plaats B] als eigenaar van Kinderopvang "[X]",

met de aan zijn zorg en waakzaamheid toevertrouwde

- [slachtoffer 1], geboren op [in het jaar 2005] en

- [slachtoffer 5], geboren op [in het jaar 2001] en

- [slachtoffer 6], geboren op [in het jaar 1999] en

- [slachtoffer 9], geboren [in het jaar 2003]

die toen telkens de leeftijd van zestien jaren nog niet hadden bereikt, buiten echt, telkens ontuchtige handelingen heeft gepleegd,

hebbende verdachte (aan/bij/door) een en/of meerdere van voornoemde kinderen eenmaal of meermalen

B.

in de Kinderopvang “[X]” te [plaats A]

- met zijn, verdachtes, hand en/of vingers over het onderbroekje gewreven/geaaid en aldus over de schaamstreek en/of vagina gewreven/geaaid en

- gezegd dat ze hun onderbroek uit moesten doen hetgeen de kinderen ook gedaan hebben, waarna de kinderen de overbroek weer hebben aangedaan en vervolgens een bezemsteel tussen de benen door de gulp van de overbroek heen gestoken zodat de bezemsteel zich in de schaamstreek bevond en

- opgetild en haar op de kop gedraaid en vervolgens haar broek en onderbroek van de billen geschoven waardoor de ontblote schaamstreek en billen zichtbaar werden

en

hij in de periode van 1 augustus 2008 tot en met 21 december 2010 te [plaats A], in de gemeente [gemeente A] en in de gemeente [plaats B], als eigenaar van Kinderopvang “[X]”,

zich opzettelijk oneerbaar

- op een niet openbare plaats, te weten in de kleedruimte van een zwembad te [plaats B], met ontbloot geslachtsdeel heeft bevonden, terwijl daarbij meerdere kinderen jonger dan zestien jaar huns ondanks tegenwoordig waren en

- op een niet openbare plaats, te weten in de Kinderopvang “[X]”, met ontbloot geslachtsdeel heeft bevonden, terwijl daarbij meerdere kinderen jonger dan zestien jaar huns ondanks tegenwoordig waren;

3.

A.

hij in de periode van 23 april 1996 tot en met 22 april 1998 te [plaats A], gemeente [gemeente A], met de aan zijn zorg en waakzaamheid toevertrouwde minderjarige [slachtoffer 10] (geboren op [in het jaar 1986]), die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, een handeling heeft gepleegd, die bestond uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 10], hebbende verdachte

- een harde waterstraal vanuit een douchekop in de ontblote vagina van die [slachtoffer 10] gespoten

en

hij in de periode van 23 april 1996 tot en met 22 april 1998 te [plaats A], gemeente [gemeente A], met de aan zijn zorg en waakzaamheid toevertrouwde [slachtoffer 10] (geboren op [in het jaar 1986]), die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, een ontuchtige handeling heeft gepleegd, hebbende verdachte

- een harde waterstraal vanuit een douchekop in de ontblote vagina van die [slachtoffer 10] gespoten

en

B.

hij in de periode van 23 april 1996 tot en met 22 april 1998 te [plaats A], gemeente [gemeente A], met [slachtoffer 10] (geboren op [in het jaar 1986]), die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, een handeling heeft gepleegd, die bestond uit of mede bestond uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 10], hebbende verdachte

- de ontblote schaamstreek en in de vagina en clitoris van die [slachtoffer 10] betast/getast en ingesmeerd/ingewreven (met olie en/of zalf);

en

hij in de periode van 23 april 1996 tot en met 22 april 1999 te [plaats A], gemeente [gemeente A] met [slachtoffer 10] (geboren op [in het jaar 1986]), die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, een ontuchtige handeling heeft gepleegd, hebbende verdachte

- de ontblote schaamstreek en vagina en clitoris van die [slachtoffer 10] betast en ingesmeerd/ingewreven (met olie en/of zalf);

5.

hij in de periode van 1 augustus 2006 tot en met 21 december 2010 te [plaats A], in de gemeente [gemeente A], afbeeldingen, te weten foto's en film en een gegevensdrager, te weten een computer bevattende afbeeldingen heeft vervaardigd en in bezit gehad terwijl op die afbeeldingen seksuele gedragingen zichtbaar zijn, waarbij telkens een persoon die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet had bereikt, was betrokken

welke voornoemde seksuele gedragingen bestonden uit het:

gedeeltelijk naakt laten poseren van een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaren nog niet heeft bereikt waarbij door het camerastandpunt en de onnatuurlijke pose nadrukkelijk de ontblote geslachtsdelen in beeld gebracht worden waarbij de afbeelding aldus een onmiskenbaar seksuele strekking heeft en strekt tot seksuele prikkeling (foto met bestandsnaam [3] en foto met bestandsnaam [4] en film met bestandnaam [5])

Van het onder feit 1 eerste en tweede alternatief, feit 2 eerste alternatief onder B en tweede alternatief, feit 3 onder A eerste en tweede alternatief, feit 3 onder B eerste en tweede alternatief en feit 5 tweede alternatief meer of anders ten laste gelegde zal verdachte worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet wettig en overtuigend bewezen acht.

6 KWALIFICATIE

Het bewezene levert op:

Feit 1:

Met iemand beneden de leeftijd van twaalf jaren handelingen plegen die bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, terwijl het feit is begaan tegen een aan zijn zorg en waakzaamheid toevertrouwde minderjarige, meermalen gepleegd;

en

Met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen, terwijl het feit is begaan tegen een aan zijn zorg en waakzaamheid toevertrouwde minderjarige, meermalen gepleegd.

Feit 2:

(Eerste alternatief) onder B:

Met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen, terwijl het feit is begaan tegen een aan zijn zorg en waakzaamheid toevertrouwde minderjarige, meermalen gepleegd;

en (tweede alternatief):

schennis van de eerbaarheid op een niet openbare plaats, terwijl een ander daarbij zijns ondanks tegenwoordig is, meermalen gepleegd.

Feit 3:

A: Met iemand beneden de leeftijd van twaalf jaren handelingen plegen die bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, terwijl het feit is begaan tegen een aan zijn zorg en waakzaamheid toevertrouwde minderjarige;

en

Met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen, terwijl het feit is begaan tegen een aan zijn zorg en waakzaamheid toevertrouwde minderjarige;

en

B: Met iemand beneden de leeftijd van twaalf jaren handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam;

en

Met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen.

Feit 5 tweede alternatief:

Een afbeelding, of een gegevensdrager bevattende een afbeelding, van een seksuele gedraging, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, is betrokken, vervaardigen en in bezit hebben.

7 STRAFBAARHEID

De feiten en verdachte zijn strafbaar, nu geen feiten of omstandigheden zijn gebleken die die strafbaarheid zouden opheffen of uitsluiten.

8 STRAFOPLEGGING

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van de door haar bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 42 maanden, met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht, waarvan 18 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 5 jaren met de bijzondere voorwaarden dat verdachte een behandeling bij de Tender of een soortgelijke instelling ondergaat in verband met zijn seksuele problematiek, reclasseringscontact, een locatiegebod door middel van GPS, inhoudende dat verdachte niet zonder medeweten van de reclassering buiten zijn erf mag komen, een locatieverbod inhoudende dat verdachte zich niet in de dorpskern van [plaats A] mag begeven en een contactverbod middellijk of onmiddellijk met de kinderen die gebruik hebben gemaakt van de kinderopvang, alsmede een contactverbod met kinderen die de leeftijd van 18 jaren nog niet hebben bereikt.

De officier van justitie heeft daartoe overwogen dat het om meerdere voltooide feiten betreffende seksueel binnendringen gaat, om ontuchtige handelingen met kinderen op een professionele kinderopvang en om kinderporno. Verdachte heeft misbruik gemaakt van de afhankelijkheidsrelatie tussen hem en de kinderen en hij heeft zich op geen enkel moment gerealiseerd wat het effect van zijn handelen was.

De officier van justitie heeft rekening gehouden met de over verdachte opgemaakte rapportages en met zijn blanco strafblad.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft bepleit dat verdachte van het hem ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken. Subsidiair heeft de raadsvrouw ten aanzien van een op te leggen straf bepleit dat verdachte reeds 11 maanden en 11 dagen in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht en dat hij geen justitiële documentatie heeft. Voorts moet rekening worden gehouden met het reclasseringsrapport, de Pro Justitia rapportages en de omstandigheid dat verdachte enorme schade heeft geleden en zal lijden vanwege alle (media-)aandacht.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank overweegt dat ter zake de onder 1 eerste en tweede alternatief, 3A eerste en tweede alternatief en 3B eerste en tweede alternatief ten laste gelegde en bewezen verklaarde feiten sprake is van eendaadse samenloop als bedoeld in artikel 55 van het Wetboek van Strafrecht en dat zij – gelet op het bepaalde in voornoemd artikel – bij de bepaling van de strafmaat zal uitgaan van de strafbepaling waarop de zwaarste hoofdstraf is gesteld.

Gelet op de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden waaronder verdachte zich daaraan heeft schuldig gemaakt en op de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht de rechtbank de na te noemen beslissing passend.

De rechtbank heeft in het bijzonder in aanmerking genomen dat verdachte zich meermalen schuldig heeft gemaakt aan het seksueel binnendringen van een meisje dat slechts vijf jaar oud was en van een meisje van tien respectievelijk elf jaar oud, alsmede dat hij zich meermalen schuldig heeft gemaakt aan het plegen van ontucht met kinderen beneden de leeftijd van twaalf jaren. Hij had in zijn hoedanigheid als eigenaar van een kinderdagverblijf en als oom het vertrouwen van de ouders en van de slachtoffers. Dat hij dit vertrouwen ernstig heeft beschaamd door op de bewezenverklaarde wijze ontuchtige handelingen te plegen, wekt verontwaardiging en afkeer op bij een ieder en ook woede en verdriet bij de slachtoffers en hun naasten. Verdachte heeft met zijn handelingen een grove inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van de slachtoffers, waarbij hij louter oog heeft gehad voor zijn eigen lustgevoelens en voorbij is gegaan aan de gevolgen voor de slachtoffers. Het is immers een feit van algemene bekendheid dat hierdoor vaak langdurige en ernstige beschadiging kan optreden van de geestelijke en lichamelijke gezondheid van de slachtoffers en dat dit eens te meer geldt voor hele jonge kinderen.

Voorts weegt de rechtbank, in het voordeel van verdachte mee dat verdachte, gelet op een de verdachte betreffend uittreksel justitiële documentatie d.d. 6 december 2011, niet eerder met politie en justitie in aanraking is geweest.

Ook houdt de rechtbank rekening met het feit dat verdachte het kinderdagverblijf niet verder zal kunnen exploiteren en hij dientengevolge financiële schade lijdt.

Tevens houdt de rechtbank rekening met het feit dat verdachte in de aanloop naar de terechtzitting te maken heeft gehad met grote belangstelling vanuit de media voor zijn strafzaak en hiervan onevenredig veel hinder heeft ondervonden.

Ook wordt meegewogen dat het onder 3 bewezen verklaarde, oudere feiten betreffen.

De rechtbank heeft voorts rekening gehouden met het reclasseringsadvies d.d. 5 januari 2012 opgemaakt door A. de Haan en A. van de Boer, respectievelijk reclasseringswerker en leidinggevende van Reclassering Nederland. De reclassering heeft gesteld dat verdachte het probleemgedrag lijkt te bagatelliseren en de verantwoordelijkheid met betrekking tot het eigen gedrag te externaliseren. Er lijkt geen sprake te zijn van inlevingsvermogen met betrekking tot de slachtoffers. Dat verdachte de grenzen van het betamelijke als professional heeft overschreden, lijkt hij niet te beseffen. Er is sprake van een persoonlijkheidsstoornis NAO met afhankelijke en narcistische trekken. Omdat verdachte het ten laste gelegde heeft ontkend, kan er geen inschatting van het recidiverisico worden gemaakt. De reclassering heeft zijn zorgen uitgesproken over de beeldvorming en toekomstplannen van verdachte met betrekking tot het vervolgen van zijn werkzaamheden binnen de kinderopvang. Daarnaast brengt de ontkennende houding van verdachte met zich mee dat een geïndiceerde dagbehandeling bij de Tender mogelijk geen doorgang kan vinden; ook mede vanwege het gebrek aan intrinsieke motivatie. De reclassering heeft geadviseerd om een gedeeltelijk voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen met als bijzondere voorwaarden een meldingsgebod, behandelverplichting, locatiegebod en –verbod en een beroepsverbod.

Op 17 juli 2011 heeft dr. L.H.W.M. Kaiser, psychiater in opdracht van de rechter-commissaris over verdachte gerapporteerd. De psychiater heeft vastgesteld dat er sprake is van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in de vorm van narcistische persoonlijkheidskenmerken, grenzend aan de persoonlijkheidsstoornis. Het komt tegenstrijdig over dat hij zich enerzijds wel bewust was dat hij rekening moest houden met grenzen in het contact met de kinderen maar dat hij zich anderzijds naïef opstelde als hij bloot in het kleedhokje met hen was. Verdachte koos ervoor om bloot te zijn. Op de psychiater komt verdachte exhibitionistisch over. Er is een stoornis in zijn mannelijke identiteitsontwikkeling. Door de ontkenning van verdachte heeft de psychiater geen uitspraak kunnen doen over de toerekeningsvatbaarheid van verdachte, maar stelt hij wel dat verdachte zijn wil mogelijk licht verminderd kon bepalen. De psychiater heeft geadviseerd om bij een voorwaardelijke straf als bijzondere voorwaarde op te leggen dat verdachte zich zal gedragen naar de voorschriften van de reclassering gedurende lange tijd, waarbij de psychiater een periode van vijf jaar noemt. Tevens zal verdachte zich onder behandeling van een forensische dagbehandeling gericht op seksuele problematiek moeten stellen.

Op 21 juli 2011 heeft drs. M. van Heteren, Gz psycholoog en vast gerechtelijk deskundige, gerapporteerd over verdachte. De psycholoog heeft vastgesteld dat bij verdachte sprake is van gebrekkige ontwikkeling en mogelijk van een ziekelijke stoornis. Hij heeft een persoonlijkheidsstoornis NAO met afhankelijke en narcistische trekken. De diagnose pedofilie niet exclusieve type moest worden uitgesteld, omdat hieromtrent onvoldoende informatie kon worden verkregen. Ten gevolge van de persoonlijkheidsstoornis is verdachte impulsief en egocentrisch waarbij hij weinig inlevingsvermogen in de ander heeft ontwikkeld. Bovendien is zijn masculien zelfbeeld niet sterk ontwikkeld. Verdachte legt alles buiten zichzelf en heeft de irreële hoop door te kunnen gaan met de kinderopvang. Het kan zo zijn dat verdachte weer situaties creëert waar hij in vrije situaties met kinderen alleen is. De psycholoog heeft geadviseerd om verdachte licht verminderd toerekeningsvatbaar te achten. Verdachte is gebaat bij een behandeling waarbij niet alleen grensoverschrijdingen en cognitieve vervormingen aan bod moeten komen, maar ook zijn intimiteit en seksualiteitsbeleving. Hierbij heeft de psycholoog geadviseerd om een deels voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen met een lange proeftijd met als bijzondere voorwaarde dat verdachte zich houdt aan de aanwijzingen van de reclassering ook als dat inhoudt een behandeling bij de Tender.

De rechtbank neemt de in voornoemd psychologisch rapport d.d. 21 juli 2011 vervatte conclusie betreffende de licht verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte op de daarvoor in het rapport bijeengebrachte gronden over en maakt deze tot de hare.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte vooral gebaat is bij een behandeling in verband met zijn seksuele problematiek en dat daarvoor bij een forse voorwaardelijke gevangenisstraf een lange proeftijd vereist is.

De rechtbank zal, in afwijking van de eis van de officier van justitie, gelet op het advies van de reclassering, tevens bepalen dat verdachte gedurende de proeftijd niet met kinderen mag werken. De rechtbank overweegt daarbij dat verdachte in de uitoefening van zijn beroep tot de bewezenverklaarde feiten is gekomen. Ook heeft verdachte meermalen aangegeven dat hij opnieuw een kinderdagverblijf op wil starten. Hoewel verdachte ter terechtzitting heeft verklaard dat hij niet opnieuw een kinderdagverblijf op zal starten, indien hij veroordeeld wordt, acht de rechtbank een dergelijk verbod toch noodzakelijk.

De rechtbank ziet geen aanleiding een locatiege- of verbod op te leggen.

De rechtbank legt een lichtere straf op dan door de officier van justitie geëist. Redengevend hiervoor is dat zij minder bewezen acht dan de officier van justitie, dat zij rekening houdt met de licht verminderde toerekeningsvatbaarheid, met de nadelige financiële gevolgen voor verdachte en met de media-aandacht.

Alles overwegende komt de rechtbank tot het oordeel dat de hierna te melden straf passend en geboden is.

9 BESLAG

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de computers waarop kinderporno is aangetroffen, dienen te worden onttrokken aan het verkeer.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft verzocht het in beslag genomene te retourneren aan verdachte, gelet op de bepleite vrijspraak.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat de op de “Lijst van inbeslaggenomen voorwerpen” d.d. 5 januari 2012 onder 1 tot en met 6 genoemde voorwerpen te weten 2 zwarte computers van het merk Acer, 1 zwarte computer van het merk Toshiba, 1 digitale camera, 1 harddisk met het opschrift “Eminemt” met voeding, 1 harddisk van het merk Western Digital met voeding en 1 geheugenkaart van het merk Scandisk Ultra, 2 gb, retour kunnen aan verdachte, omdat met deze voorwerpen geen strafbare feiten zijn gepleegd.

De bestanden zoals bewezen zijn verklaard onder feit 5 tweede alternatief zijn aangetroffen op de zwarte laptop van het merk XXODD met voeding. Deze laptop is niet opgenomen op de Lijst van inbeslaggenomen voorwerpen en het is de rechtbank tevens niet gebleken dat deze laptop reeds retour is gegaan aan verdachte. De rechtbank zal dat deze laptop onttrekken aan het verkeer, zijnde dit voorwerp voor onttrekking aan het verkeer vatbaar, aangezien het strafbare feit met behulp van dit voorwerp is begaan en het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang.

10 DE BENADEELDE PARTIJEN

Voor aanvang van de terechtzitting hebben [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] (daartoe vertegenwoordigd door [ouder slachtoffer 1]), [slachtoffer 3] (daartoe vertegenwoordigd door [slachtoffer 3]), [slachtoffer 5] (daartoe vertegenwoordigd door [ouder]), [slachtoffer 4] (daartoe vertegenwoordigd door [ouder]) en [slachtoffer 10] (daartoe vertegenwoordigd door mr. E. Lucas) zich als benadeelde partijen in dit geding gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van schade ten gevolge van de aan verdachte onder respectievelijk 1, 2, 3 en 5 ten laste gelegde feiten. De hoogte van die schade wordt door de benadeelde partijen begroot op bedragen van respectievelijk € 2.051,36, € 100,00, € 601,80, € 1.000,00, € 1.000,00 allen vermeerderd met de wettelijke rente en € 26.543,39.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd de vorderingen van [slachtoffer 1], [slachtoffer 2], [slachtoffer 5] en [slachtoffer 4] volledig toe te wijzen, met toepassing van de maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht.

Met betrekking tot de vordering van [slachtoffer 3] heeft de officier van justitie gevorderd deze vordering toe te wijzen tot een bedrag van € 201,80 met toepassing van de maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht. Hiertoe heeft zij overwogen dat de materiële schade geheel en de immateriële schade tot een bedrag van € 100,00 toewijsbaar is, gelet op de geringe confrontatie met de handelingen van verdachte.

Met betrekking tot de vordering van [slachtoffer 10] heeft de officier van justitie gevorderd deze vordering toe te wijzen tot een bedrag van € 13.089,93 met toepassing van de maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht. Hiertoe heeft de officier van justitie overwogen dat van de immateriële schade € 2.500,00 toewijsbaar is en van de materiële schade alles met uitzondering van de kosten voor de aanvullende ziektekostenverzekering en inkomensderving toewijsbaar is.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft primair verzocht de benadeelde partijen niet ontvankelijk te verklaren in hun vorderingen, in verband met de bepleite vrijspraken.

Subsidiair heeft de raadsvrouw met betrekking tot de vorderingen van [slachtoffer 1], [slachtoffer 2], [slachtoffer 3], [slachtoffer 5] en [slachtoffer 4] gesteld dat uit het rapport van Prof. Dr. Van Koppen is gebleken dat geen van de kinderen gebukt leek te gaan onder iets wat zij zouden hebben meegemaakt op de BSO, zodat ook dan een niet-ontvankelijkheid van de vordering dient te volgen.

Daarbij heeft zij met betrekking tot de vordering van [slachtoffer 1] tevens aangevoerd dat deze vordering niet eenvoudig van aard is, omdat uit het verslag van de GZ-psycholoog volgt dat [slachtoffer 1] ook nare herinneringen heeft gehad aan haar tijd in [land Y].

Met betrekking tot de vordering van [slachtoffer 10] heeft de raadsvrouw subsidiair gesteld dat de nummers uit de smartengeldgids waarnaar verwezen wordt, andere situaties betreffen. Voorts is niet gebleken waar de medische zorg noodzakelijk voor was, waarom slechts de laatste jaren een aanvullende ziektekostenverzekering nodig was, dat de klachten zijn veroorzaakt door het handelen van verdachte, dat er causaal verband is voor de opgetreden studievertraging en dat er causaal verband is met het verlies aan verdiencapaciteit en de vordering ook overigens te ingewikkeld is voor behandeling in het strafproces, zodat ook op deze grond een niet-ontvankelijkheid moet volgen.

Het oordeel van de rechtbank

Benadeelde partij [slachtoffer 1]

De rechtbank is van oordeel dat bij het onderzoek ter terechtzitting vast is komen te staan dat de benadeelde partij [slachtoffer 1] rechtstreeks schade heeft geleden ten gevolge van de onder 1 en 2 onder B bewezen verklaarde feiten.

De materiële kosten ad € 51,36, te weten de reiskosten, zijn voldoende onderbouwd en kunnen worden toegewezen.

Met betrekking tot de immateriële kosten is de rechtbank van oordeel dat deze niet geheel kunnen worden toegerekend, omdat het causaal verband met de bewezenverklaarde feiten slechts gedeeltelijk gebleken is, gelet op de verklaring van de vader van [slachtoffer 1] dat er ook binnen de familie problemen zijn, waar [slachtoffer 1] last van heeft.

De hoogte van de schade is genoegzaam komen vast te staan tot een bedrag van € 1.051,36, vermeerderd met de kosten die – tot op heden – worden begroot op nihil en vermeerderd met de wettelijke rente.

De vordering van de benadeelde partij, die in die vordering ontvankelijk is, is in dier voege bij wijze van voorschot toewijsbaar. Voor het meerdere zal de rechtbank [slachtoffer 1] in haar vordering niet-ontvankelijk verklaren en bepalen dat de vordering ter zake dit deel slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

De rechtbank zal voorts aan de verdachte op de voet van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een geldsom van € 1.051,36 ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1].

Benadeelde partij [slachtoffer 2]

Bij het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat de benadeelde partij [slachtoffer 2] rechtstreeks schade heeft geleden ten gevolge van het onder 2 tweede alternatief bewezen verklaarde feit. De hoogte van die schade is genoegzaam komen vast te staan tot een bedrag van € 100,00, vermeerderd met de kosten die – tot op heden – worden begroot op nihil en vermeerderd met de wettelijke rente.

De vordering van de benadeelde partij, die in die vordering ontvankelijk is, is in dier voege bij wijze van voorschot toewijsbaar.

De rechtbank zal voorts aan de verdachte op de voet van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een geldsom van € 100,00 ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 2].

Benadeelde partij [slachtoffer 3]

De rechtbank is van oordeel dat bij het onderzoek ter terechtzitting vast is komen te staan dat de benadeelde partij [slachtoffer 3] rechtstreeks schade heeft geleden ten gevolge van het onder 2 tweede alternatief bewezen verklaarde feit.

De materiële kosten ad € 101,80, te weten de reiskosten zijn voldoende onderbouwd en kunnen worden toegewezen.

Met betrekking tot de immateriële kosten is de rechtbank van oordeel dat deze niet geheel kunnen worden toegerekend, gelet op de geringe confrontatie met de handelingen van verdachte. De rechtbank acht een bedrag van € 100,00 voor de immateriële kosten passend.

De rechtbank zal derhalve bepalen dat de benadeelde partij in de vordering voor het meerdere niet-ontvankelijk is en dat de vordering ter zake dit deel slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

De hoogte van de schade is genoegzaam komen vast te staan tot een bedrag van € 201,80, vermeerderd met de kosten die – tot op heden – worden begroot op nihil en vermeerderd met de wettelijke rente.

De vordering van de benadeelde partij, die in die vordering ontvankelijk is, is in dier voege bij wijze van voorschot toewijsbaar.

De rechtbank zal voorts aan de verdachte op de voet van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een geldsom van € 201,80 ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 3].

Benadeelde partij [slachtoffer 5]

De rechtbank is van oordeel dat bij het onderzoek ter terechtzitting vast is komen te staan dat de benadeelde partij [slachtoffer 5] rechtstreeks schade heeft geleden ten gevolge van de onder 2 onder B en tweede alternatief en 5 bewezen verklaarde feiten.

De rechtbank is echter van oordeel dat de immateriële kosten niet geheel kunnen worden toegewezen, gelet op de relatief geringe confrontatie met de handelingen van verdachte. De rechtbank acht een bedrag van € 200,00 voor de immateriële kosten passend.

De rechtbank zal derhalve bepalen dat de benadeelde partij in de vordering voor het meerdere niet-ontvankelijk is en dat de vordering ter zake dit deel slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

De hoogte van de schade is genoegzaam komen vast te staan tot een bedrag van € 200,00, vermeerderd met de kosten die – tot op heden – worden begroot op nihil en vermeerderd met de wettelijke rente.

De vordering van de benadeelde partij, die in die vordering ontvankelijk is, is in dier voege bij wijze van voorschot toewijsbaar.

De rechtbank zal voorts aan de verdachte op de voet van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een geldsom van € 200,00 ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 5].

Benadeelde partij [slachtoffer 4]

De rechtbank is van oordeel dat bij het onderzoek ter terechtzitting vast is komen te staan dat de benadeelde partij [slachtoffer 4] rechtstreeks schade heeft geleden ten gevolge van de onder 2 tweede alternatief en 5 bewezen verklaarde feiten.

De rechtbank is echter van oordeel dat de immateriële kosten niet geheel kunnen worden toegewezen, gelet op de relatief geringe confrontatie met de handelingen van verdachte. De rechtbank acht een bedrag van € 150,00 voor de immateriële kosten passend.

De rechtbank zal derhalve bepalen dat de benadeelde partij in de vordering voor het meerdere niet-ontvankelijk is en dat de vordering ter zake dit deel slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

De hoogte van de schade is genoegzaam komen vast te staan tot een bedrag van € 150,00, vermeerderd met de kosten die – tot op heden – worden begroot op nihil en vermeerderd met de wettelijke rente.

De vordering van de benadeelde partij, die in die vordering ontvankelijk is, is in dier voege bij wijze van voorschot toewijsbaar.

De rechtbank zal voorts aan de verdachte op de voet van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een geldsom van € 150,00 ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 4].

Benadeelde partij [slachtoffer 10]

De rechtbank is van oordeel dat bij het onderzoek ter terechtzitting vast is komen te staan dat de benadeelde partij [slachtoffer 10] rechtstreeks schade heeft geleden ten gevolge van het onder 3 bewezen verklaarde feit.

De materiële kosten met betrekking tot de reiskosten ad € 176,80, zijn voldoende onderbouwd en kunnen worden toegewezen.

Met betrekking tot de immateriële kosten is de rechtbank van oordeel dat deze niet geheel kunnen worden toegerekend, omdat het causaal verband met de bewezenverklaarde feiten slechts gedeeltelijk gebleken is, nu er ook overigens problemen waren.

De hoogte van de schade is genoegzaam komen vast te staan tot een bedrag van € 1.176,80, vermeerderd met de kosten die – tot op heden – worden begroot op nihil.

De vordering van de benadeelde partij, die in die vordering ontvankelijk is, is in dier voege bij wijze van voorschot toewijsbaar.

De vordering van de benadeelde partij levert naar het oordeel van de rechtbank voor wat betreft het meer gevorderde een onevenredige belasting op van het strafgeding. De rechtbank zal derhalve bepalen dat de benadeelde partij in de vordering voor dat deel niet-ontvankelijk is en dat de vordering ter zake dit deel slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

De rechtbank zal voorts aan de verdachte op de voet van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een geldsom van € 1.176,80 ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 10].

12 TOEPASSELIJKHEID WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 27, 28, 33, 33a, 36f, 55, 57, 239, 240b, 244, 247 en 248 van het Wetboek van Strafrecht, zoals de artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

13 BESLISSING

De rechtbank:

Vrijspraak

- verklaart niet bewezen hetgeen onder feit 2 onder A, feit 4 en feit 5 eerste en derde alternatief aan verdachte is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

Bewezenverklaring

- verklaart het onder feit 1 eerste en tweede alternatief, feit 2 eerste alternatief onder B en tweede alternatief, feit 3 onder A eerste en tweede alternatief, feit 3 onder B eerste en tweede alternatief en feit 5 tweede alternatief ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 5 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat onder feit 1 eerste en tweede alternatief, feit 2 eerste alternatief onder B en tweede alternatief, feit 3 onder A eerste en tweede alternatief, feit 3 onder B eerste en tweede alternatief en feit 5 tweede alternatief meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart de bewezen verklaarde feiten strafbaar;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 22 maanden;

- bepaalt dat de tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

- bepaalt dat van de gevangenisstraf een gedeelte, groot 8 maanden, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond van het feit dat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 5 jaar aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of gedurende die proeftijd de hierna te melden bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;

- stelt als bijzondere voorwaarden dat de verdachte gedurende de proeftijd:

- zich zal gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen, hem te geven door of namens Reclassering Nederland, ook indien dit inhoudt het volgen van een behandeling bij de Tender, dan wel in een andere, soortgelijke instelling en ook indien dit inhoudt dat verdachte zich zal melden bij Reclassering Nederland zo frequent als Reclassering Nederland nodig acht, zulks zolang Reclassering Nederland of een door haar aan te wijzen andere reclasseringsinstelling dat gedurende de proeftijd nodig oordeelt, met opdracht aan die instelling als bedoeld in artikel 14d van het Wetboek van Strafrecht;

- geen werkzaamheden of activiteiten zal verrichten met minderjarigen die de leeftijd van 18 jaren nog niet hebben bereikt, noch beroepsmatig noch als vrijwilliger, met die uitzondering dat onder dit verbod niet is begrepen sociale contacten met kinderen in de familie- of relatiesfeer.

- heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis;

Beslag

- verklaart onttrokken aan het verkeer de zwarte laptop van het merk XXODD met voeding;

- gelast de teruggave aan de verdachte van de op de “Lijst van inbeslaggenomen voorwerpen” d.d. 5 januari 2012 onder 1 tot en met 6 vermelde voorwerpen, te weten 2 zwarte computers van het merk Acer, 1 zwarte computer van het merk Toshiba, 1 digitale camera, 1 harddisk met het opschrift “Eminemt” met voeding, 1 harddisk van het merk Western Digital met voeding en 1 geheugenkaart van het merk Scandisk Ultra, 2 gb;

Benadeelde partijen

[slachtoffer 1]

- veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 1], wonende te [plaats Z], van een bedrag van € 1.051,36 (zegge: duizendeenenvijftig euro en zesendertig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente sinds de dag waarop het thans bewezen verklaarde feit jegens de benadeelde partij werd gepleegd tot die van de voldoening;

- veroordeelt de verdachte voorts in de kosten, door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

- legt op aan verdachte de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 1.051,36 ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1] voornoemd, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 20 dagen hechtenis;

- bepaalt dat, indien verdachte (gedeeltelijk) heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat, daarmee verdachtes verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 1] (in zoverre) komt te vervallen en andersom dat, indien verdachte (gedeeltelijk) heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 1], daarmee verdachtes verplichting tot betaling aan de Staat (in zoverre) komt te vervallen;

- bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer 1] voor wat het meer gevorderde betreft in haar vordering niet-ontvankelijk is en dat zij haar vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

[slachtoffer 2]

- veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 2], wonende te [plaats Z], van een bedrag van € 100,00 (zegge: honderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente sinds de dag waarop het thans bewezen verklaarde feit jegens de benadeelde partij werd gepleegd tot die van de voldoening;

- veroordeelt de verdachte voorts in de kosten, door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

- legt op aan verdachte de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 100,00 ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 2] voornoemd, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 2 dagen hechtenis;

- bepaalt dat, indien verdachte (gedeeltelijk) heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat, daarmee verdachtes verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 2] (in zoverre) komt te vervallen en andersom dat, indien verdachte (gedeeltelijk) heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 2], daarmee verdachtes verplichting tot betaling aan de Staat (in zoverre) komt te vervallen;

[slachtoffer 3]

- veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 3], wonende te [plaats Y], van een bedrag van € 201,80 (zegge: tweehonderdeneen euro en tachtig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente sinds de dag waarop het thans bewezen verklaarde feit jegens de benadeelde partij werd gepleegd tot die van de voldoening;

- veroordeelt de verdachte voorts in de kosten, door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

- legt op aan verdachte de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 201,80 ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 3] voornoemd, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 4 dagen hechtenis;

- bepaalt dat, indien verdachte (gedeeltelijk) heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat, daarmee verdachtes verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 3] (in zoverre) komt te vervallen en andersom dat, indien verdachte (gedeeltelijk) heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 3], daarmee verdachtes verplichting tot betaling aan de Staat (in zoverre) komt te vervallen;

- bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer 3] voor wat het meer gevorderde betreft in haar vordering niet-ontvankelijk is en dat zij haar vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

[slachtoffer 5]

- veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 5], wonende te [plaats X], van een bedrag van € 200,00 (zegge: tweehonderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente sinds de dag waarop het thans bewezen verklaarde feit jegens de benadeelde partij werd gepleegd tot die van de voldoening;

- veroordeelt de verdachte voorts in de kosten, door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

- legt op aan verdachte de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 200,00 ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 5] voornoemd, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 4 dagen hechtenis;

- bepaalt dat, indien verdachte (gedeeltelijk) heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat, daarmee verdachtes verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 5] (in zoverre) komt te vervallen en andersom dat, indien verdachte (gedeeltelijk) heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 5], daarmee verdachtes verplichting tot betaling aan de Staat (in zoverre) komt te vervallen;

- bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer 5] voor wat het meer gevorderde betreft in haar vordering niet-ontvankelijk is en dat zij haar vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

[slachtoffer 4]

- veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 4], wonende te [plaats W], van een bedrag van € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro), vermeerderd met de wettelijke rente sinds de dag waarop het thans bewezen verklaarde feit jegens de benadeelde partij werd gepleegd tot die van de voldoening;

- veroordeelt de verdachte voorts in de kosten, door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

- legt op aan verdachte de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 150,00 ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 4] voornoemd, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 3 dagen hechtenis;

- bepaalt dat, indien verdachte (gedeeltelijk) heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat, daarmee verdachtes verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 4] (in zoverre) komt te vervallen en andersom dat, indien verdachte (gedeeltelijk) heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 4], daarmee verdachtes verplichting tot betaling aan de Staat (in zoverre) komt te vervallen;

- bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer 4] voor wat het meer gevorderde betreft in haar vordering niet-ontvankelijk is en dat zij haar vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

[slachtoffer 10]

- veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 10], domicilie kiezende te [plaats B], van een bedrag van € 1.176,80 (zegge: elfhonderdzesenzeventig euro en tachtig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente sinds de dag waarop het thans bewezen verklaarde feit jegens de benadeelde partij werd gepleegd tot die van de voldoening;

- veroordeelt de verdachte voorts in de kosten, door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

- legt op aan verdachte de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 1.176,80 ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 10] voornoemd, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 21 dagen hechtenis;

- bepaalt dat, indien verdachte (gedeeltelijk) heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat, daarmee verdachtes verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 10] (in zoverre) komt te vervallen en andersom dat, indien verdachte (gedeeltelijk) heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 10], daarmee verdachtes verplichting tot betaling aan de Staat (in zoverre) komt te vervallen;

- bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer 10] voor wat het meer gevorderde betreft in haar vordering niet-ontvankelijk is en dat zij haar vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

Dit vonnis is gewezen door mr. M.A.A. ter Meer-Siebers, voorzitter, mrs. M. Iedema en W.F. Roelink, rechters, in tegenwoordigheid van mr. B.T. Feenstra, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 24 januari 2012.