Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2012:2171

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
19-12-2012
Datum publicatie
29-05-2015
Zaaknummer
204168/ KL ZA 12-353
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Sector civiel recht

Locatie Lelystad

zaaknummer / rolnummer: 204168/ KL ZA 12-353

Vonnis in kort geding van 19 december 2012

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

advocaat mr. F. Heidinga te Almere,

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

advocaat mr. D.G. Nagel te Almere.

Partijen zullen hierna de man en de vrouw genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met productie;

- een brief met producties d.d. 30 november 2012 van de vrouw, en

- de mondelinge behandeling op 5 december 2012.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Partijen hebben een affectieve relatie gehad van augustus 2010 tot februari 2012.

2.2.

Het minderjarig kind van partijen is [kind], geboren te [geboorteplaats] op [2012]

[2012]. De minderjarige is door de man erkend.

2.3.

De vrouw is belast met het eenhoofdig gezag over de minderjarige. De

minderjarige heeft haar hoofdverblijfplaats bij de vrouw.

3 Het geschil

3.1.

De man vordert - samengevat - een voorlopige omgangsregeling waarbij de

minderjarige elke woensdag van 16:30 uur tot 18:30 uur alsmede elke zaterdag van 10:00

uur tot 12:00 uur bij hem verblijft, waarbij de omgangsregeling op zaterdag elke week met

een uur zal worden uitgebreid zodat de minderjarige uiteindelijk elke zaterdag van 10:00 uur

tot 17:00 uur bij de man zal verblijven.

3.2.

De vrouw voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

De man stelt ter onderbouwing van zijn vordering dat het in het belang van het

hechtingsproces van de minderjarige is dat het contact tussen hem en de minderjarige zo

spoedig mogelijk wordt hersteld. Er zijn wat hem betreft geen redenen die ertoe zouden

moeten leiden dat er geen omgang zou moeten plaatsvinden.

4.2.

Het aanhangig maken van dit kort geding is noodzakelijk geweest omdat het

partijen niet is gelukt om in onderling overleg afspraken te maken. Op het voorstel van de

man om in mediation te gaan, heeft de vrouw afwijzend gereageerd. De man erkent dat de

vrouw voorgesteld heeft om Stichting Roots te betrekken, maar de man heeft de strekking

van dit voorstel niet begrepen. Voorts had de man aanvankelijk een andere advocaat die een

kort gedingprocedure aanhangig zou maken, maar dit is niet van de grond gekomen. Toen

de man zijn huidige advocaat in de arm heeft genomen, heeft het nog enige tijd geduurd

voordat het dossier werd overgedragen en onderhavige procedure kon worden gestart.

4.3.

De man erkent dat hij een roerig verleden heeft, maar sinds anderhalf jaar gaat het

heel goed. Van een verslaving is geen sprake meer. Het is juist dat hij tweemaal is

opgenomen geweest en dat hij twee keer een terugval gehad, maar sinds partijen uit elkaar

zijn, gebruikt hij geen softdrugs meer. Met het gebruik van harddrugs was hij al eerder

gestopt. De man gebruikt nog wel alcohol, maar dat zijn twee keer twee consumpties per

week die hij bij zijn ouders krijgt. Zijn financi├źn worden beheerd door zijn ouders. De man

erkent ook dat het ten tijde van de geboorte van de minderjarige een troep was in huis, maar

daarvan is eveneens geen sprake meer. Ook erkent de man dat hij in een aangeschoten bui

een jongen een duw heeft gegeven waarvoor hij een boete heeft gekregen en dat hij op een

lompe wijze met de minderjarige is omgegaan.

4.4.

De man staat open voor begeleide omgang door een professionele instantie. Hij

geeft de voorkeur aan Humanitas omdat bij Stichting Roots er een lange wachtlijst is en

Humanitas ook rapporteert.

4.5.

De vrouw stelt zich op het standpunt dat de man niet-ontvankelijk is in zijn

vordering omdat het spoedeisend belang ontbreekt. Zij heeft in juni een voorstel aan de man

gedaan om zich aan te melden bij Stichting Roots voor een begeleide omgangsregeling en

ter overbrugging een omgangsregeling waarbij er iedere woensdag en zaterdag omgang zou

zijn in haar aanwezigheid. De man heeft daarop in augustus afwijzend gereageerd. In de

afgelopen maanden heeft er geen overleg meer plaatsgevonden, hetgeen wel voor de hand

had gelegen alvorens een kort geding procedure aanhangig te maken. De man had al eerder

een procedure aanhangig kunnen maken als hij het contact met de minderjarige zo snel

mogelijk had willen herstellen.

4.6.

Indien de man wel ontvankelijk is, stelt de vrouw zich op het standpunt dat van een

onbegeleide omgangsregeling geen sprake kan zijn omdat de veiligheid van de minderjarige

onvoldoende wordt gewaarborgd. De man heeft immers een alcohol- en drugsverslaving

gehad. Voordat partijen een relatie hadden, is de man een aantal keer opgenomen geweest in

een afkickkliniek, maar hier is hij niet clean uitgekomen. De man stelt weliswaar dat hij

geen drugs meer gebruikt en nog maar zelden en in beperkte hoeveelheden alcohol gebruikt,

maar uit de overgelegde stukken blijkt dat er rond de geboortedatum van de minderjarige

nog drugs in huis was. De vrouw erkent dat ook zij harddrugs heeft gebruikt, maar daarmee

is zij al ruim voor de zwangerschap gestopt. Met het blowen is zij gestopt toen zij wist dat

zij zwanger was. Naast het drugs- en alcoholgebruik van de man maakt de vrouw zich

zorgen over de manier waarop de man met de minderjarige zal omgaan. Uit de overgelegde

verklaring van de schoonzus van de vrouw blijkt immers dat de man direct na de geboorte

nogal hardhandig met de minderjarige omging.

4.7.

De vrouw staat open voor omgang tussen de man en de minderjarige indien dit

wordt begeleid door Stichting Roots. Zij is zich bewust van een wachtlijst, maar zij kiest

uitdrukkelijk voor Stichting Roots omdat deze stichting rapporteert en deze informatie

relevant is voor de bodemprocedure.

De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

4.8.

Van het spoedeisende belang bij het gevorderde is naar het oordeel van de

voorzieningenrechter in voldoende mate gebleken. Immers is tijdens de mondelinge

behandeling voldoende aannemelijk geworden dat er al een aantal maanden geen omgang

heeft plaatsgevonden tussen de man en de minderjarige, dat het partijen niet is gelukt om in

onderling overleg afspraken te maken en dat de man vervolgens direct een kort

gedingprocedure aanhangig heeft proberen te maken via zijn advocaat. Toen dit niet van de

grond kwam, heeft de man met veel moeite het dossier overgedragen gekregen naar zijn

huidige advocaat en direct onderhavige procedure aanhangig gemaakt.

4.9.

Tussen partijen is niet in geschil dat er omgang tussen de man en de minderjarige

dient plaats te vinden. Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat de man open staat

voor begeleide omgang zoals door de vrouw is voorgesteld. Partijen verschillen echter van

mening over de vraag welke instantie de omgang dient te begeleiden. Met de man is de

voorzieningenrechter van oordeel dat de omgang wel op een zo kort mogelijke termijn moet

starten. Voorts is de voorzieningenrechter met de vrouw van oordeel dat het van belang is

dat de begeleidende instantie aan verslaglegging doet, ondermeer voor de bodemprocedure.

Aangezien Humanitas niet aan dossiervorming doet en de lengte van de wachtlijst bij

Stichting Roots mede afhankelijk is van de beschikbaarheid van de betrokken partijen en het

uit recente informatie bekend is dat de omgang op een doordeweekse dag eerder kan starten

dan in het weekend, zal de voorzieningenrechter bepalen dat de omgang dient te worden

begeleid door Stichting Roots, waarbij de duur, de frequentie en de opbouw aan het beleid

van Stichting Roots zal worden overgelaten. Derhalve zal worden beslist als volgt.

4.10.

De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding afte wijken van het uitgangspunt dat

gelet op de relatie tussen partijen de proceskosten tussen hen zullen worden gecompenseerd,

in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

stelt een door Stichting Roots te begeleiden omgangsregeling tussen de man en de

minderjarige vast, waarbij de duur, de frequentie en de opbouw aan het beleid van Stichting

Roots wordt overgelaten,

5.2.

wijst het meer of anders gevorderde af,

5.3.

compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere

partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. F.G. van Arem en in het openbaar uitgesproken op

19 december 2012.