Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2012:1766

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
25-04-2012
Datum publicatie
12-09-2013
Zaaknummer
186073 / HL ZA 11-676
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Sector civiel recht

Locatie Lelystad

zaaknummer / rolnummer: 186073 / HL ZA 11-676

Vonnis van 25 april 2012

in de zaak van

[eiser] h.o.d.n. CONTENT 4 YOU,

wonende te [woonplaats]

eiser,

advocaat mr. S.G. Volbeda te Arnhem,

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

advocaat mr. J.M. van Raaijen te Almere.

Partijen zullen hierna [eiser]en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding

  • -

    de conclusie van antwoord

  • -

    de conclusie van repliek

  • -

    de conclusie van dupliek

  • -

    de akte uitlating producties.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[gedaagde] was, in ieder geval op 1 april 2009, enig directeur en aandeelhouder van RS Media Sales B.V. (hierna: RS Media).

2.2.

Content 4 You en RS Media hebben op 1 april 2009 een overeenkomst gesloten, waarbij Content 4 You aan RS Media – kort gezegd – een aantal licenties heeft verstrekt (hierna: de licentieovereenkomst). RS Media zou aan Content 4 You hiervoor in ieder geval een maandelijks bedrag van € 1.250,00 dienen te voldoen.

2.3.

RS Media is vanaf november 2009 in gebreke met betaling van de verschuldigde maandtermijnen.

2.4.

Op 2 maart 2010 heeft de raadsman van RS Media aan [eiser]een brief gestuurd, waarin onder meer staat:

“[…]

Zoals u bekend is, exploiteert cliënte een bedrijf dat zich bezighoudt met reclame en online advertising. Als gevolg van de economische crisis hebben de meeste klanten van mijn cliënte zich de afgelopen tijd genoodzaakt gezien hun uitgaven op het gebied van reclame en online advertising aanzienlijk te beperken, waardoor de omzet van cliënte drastisch is afgenomen.

Cliënte heeft de afgelopen tijd vergaande maatregelen genomen om haar bedrijf te kunnen voortzetten. Het bedrijf van cliënte is onlangs verhuisd naar een bedrijfsruimte die aanzienlijk goedkoper is dan de bedrijfsruimte waarvan cliënte tot voor kort gebruik maakte. […] De heer [gedaagde] zelf heeft zijn eigen salaris een jaar geleden reeds gehalveerd. Helaas zijn al deze maatregelen niet voldoende geweest om de continuïteit van het bedrijf te verzekeren. […]”

2.5.

Bij dagvaarding van 29 april 2010 heeft Content 4 You RS Media in rechte betrokken.

2.6.

Op 1 juni 2010 is RS Media in staat van faillissement verklaard met benoeming van mr. Doornbos tot curator die op 1 april 2011 werd opgevolgd door mr. Luinstra.

2.7.

Op 16 juni 2010 heeft de rechtbank RS Media bij verstek veroordeeld om aan Content 4 You te betalen een bedrag van € 108.437,50 vermeerderd met wettelijke rente, een bedrag van € 843,75 en de proceskosten.

2.8.

In het eerste faillissementsverslag van 9 juli 2010 heeft de curator over de oorzaken van het faillissement het volgende geschreven:

“[…]

Tot het voorjaar van 2009 liepen de activiteiten van de vennootschap nog naar wens. Dit bleek ondermeer uit het feit dat de vennootschap meerdere werknemers in dienst had en er winst werd gemaakt. De markt waarop de vennootschap zich echter begaf is in de loop van het jaar 2009 behoorlijk gewijzigd. […] Door de ontwikkelingen bleef er een veel kleinere markt voor de vennootschap over, zodat de omzet in de loop van het jaar 2009 en met name het jaar 2010 voor wat betreft de internetactiviteiten drastisch naar beneden is gegaan.

De vennootschap heeft er alles aan gedaan om de teruglopende omzet op te vangen. Aan de ene kant werd getracht de omzet met name in het andere segment (het verkopen van advertentieruimte in magazines) te vergroten. Aan de andere kant werd er hard gesaneerd in de kosten. Zo werden alle leaseauto’s de deur uitgedaan, is de vennootschap verhuisd naar het pand van waaruit zij laatstelijk haar activiteiten heeft gerealiseerd waardoor de kosten voor het huren van een bedrijfspand drastisch werden verlaagd en heeft [gedaagde] zijn eigen salaris met de helft verminderd.

De terugslag in omzet was echter dusdanig dat het resultaat van de vennootschap nog steeds negatief bleef. […] De vennootschap heeft de Rabobank ervan trachten te overtuigen dat er nog toekomst in haar onderneming die door de vennootschap werd geëxploiteerd zat, maar hiervoor wel eerst extra geld nodig was. Uiteindelijk bleek de Rabobank echter niet bereid extra financiële middelen ter beschikking te stellen. Daardoor kon de vennootschap niet langer aan haar verplichtingen voldoen en zag zij geen andere optie dan haar eigen faillissement aan te vragen.

[…]”

2.9.

Op 3 en 4 mei 2011 is namens [eiser]beslag gelegd op aan [gedaagde] toekomende vermogensbestanddelen.

2.10.

In een brief gedateerd 18 mei 2011 schrijft de curator aan de raadsvrouwe van Hoogerhuis:

“[…]

De door uw cliënte gestelde onrechtmatige daad in combinatie met de Beklamel-norm zie ik niet. Op het moment dat de vennootschap de overeenkomst met uw cliënte sloot, was er geenszins sprake van dat de vennootschap wist of behoorde te weten dat zij de met uw cliënte aangegane verplichting niet kon nakomen.

3 Het geschil

3.1.

[eiser]vordert  samengevat - veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 113.394,70, vermeerderd met rente en kosten waaronder begrepen de beslagkosten.

3.2.

[gedaagde] voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

[eiser]stelt dat [gedaagde] als bestuurder van RS Media jegens hem onrechtmatig heeft gehandeld. Hij verwijt [gedaagde] ten eerste dat deze bij het aangaan van de licentieovereenkomst wist althans behoorde te begrijpen dat RS Media niet in staat zou zijn deze na te komen. Hij verwijst ter onderbouwing naar de brief van de advocaat van RS Media van 2 maart 2010, naar de gepubliceerde balansen van RS Media van 2007, 2008 en 2009 en naar het eerste faillissementsverslag. De curator heeft daarin vermeld dat de activiteiten van de vennootschap tot het voorjaar 2009 nog naar wens verliepen. [eiser]stelt dat de licentieovereenkomst op verzoek van RS Media pas op 1 juni 2009 is ingegaan, zodat uit de vermelding van de curator volgt dat de vennootschap na het voorjaar van 2009 en dus vóór de datum van het sluiten van de licentieovereenkomst, niet of niet binnen een redelijke termijn aan haar verplichtingen kon voldoen.

Ten tweede verwijt [eiser][gedaagde] dat hij op onzorgvuldige wijze heeft bewerkstelligd of toegelaten dat de vennootschap de eerder door haar aangegane verplichting met [eiser]niet nakomt, terwijl hij wist of behoorde te begrijpen dat deze handelwijze tot gevolg had dat RS Media haar verplichtingen niet na zou komen en ook geen verhaal zou bieden voor de dientengevolge opgetreden schade. Volgens [eiser]was sprake van privé-onttrekkingen door [gedaagde] althans van dubieuze vorderingen van RS Media op [gedaagde], waardoor externe crediteuren benadeeld werden. Hij verwijst ter onderbouwing naar het tweede faillissementsverslag.

4.2.

[gedaagde] betwist dat de ingangsdatum van de licentieovereenkomst is verplaatst naar 1 juni 2009. [gedaagde] betwist ook dat hij op 1 april 2009 wist of had behoren te begrijpen dat de vennootschap haar verplichtingen niet na zou kunnen komen en ook geen verhaal zou bieden voor de dientengevolge te lijden schade. Hij voert daartoe aan dat het enkele feit dat zijn salaris in 2009 als bezuinigingsmaatregel werd gehalveerd nog niet betekent dat het toen al duidelijk was of had moeten zijn dat de vennootschap haar verplichtingen jegens [eiser]niet na zou kunnen komen. De bezuinigingen waren nu juist bedoeld om de onderneming te saneren. Ter onderbouwing van zijn verweer verwijst [gedaagde] naar de hiervoor in rechtsoverweging 2.8. geciteerde passage uit het eerste faillissementsverslag en naar de in rechtsoverweging 2.10. geciteerde passage uit de brief van de curator van 18 mei 2011.

[gedaagde] betwist voorts dat hij heeft bewerkstelligd of toegelaten dat de vennootschap de eerder met Content 4 You aangegane verplichtingen niet nakwam. Het feit dat hij een rekening-courant verhouding met RS Media had, is volgens [gedaagde] volstrekt gebruikelijk. Hij had een vordering uit hoofde van een pensioenvoorziening die hij met de schuld in rekening-courant heeft verrekend. Hij heeft tevens een auto van RS Media overgedragen gekregen waarbij de koopprijs is geboekt in rekening-courant. Na verrekening van de diverse vorderingen heeft hij over het restant van zijn schuld in rekening-courant betalingsafspraken met de curator gemaakt. De curator heeft hierin volgens [gedaagde] ook geen onregelmatigheden geconstateerd.

Tot slot stelt [gedaagde] dat hij recht heeft op vergoeding van de volledig door hem gemaakte proceskosten, omdat de vordering ten onrechte is ingesteld, nu de raadsvrouwe van [eiser]wist dat de vordering ten onrechte was ingesteld, hetgeen zij aan de curator zou hebben meegedeeld.

4.3.

In zijn arrest van 8 december 2006 (LJN: AZ0758) heeft de Hoge Raad overwogen dat een bestuurder van een vennootschap aansprakelijk kan zijn in twee categorieën van gevallen, namelijk indien i) de bestuurder namens de vennootschap verbintenissen is aangegaan terwijl hij wist of redelijkerwijs behoorde te weten dat de vennootschap niet aan haar verplichtingen zou kunnen voldoen en geen verhaal zou bieden, behoudens door de bestuurder aan te voeren omstandigheden op grond waarvan de conclusie gerechtvaardigd is dat hem ter zake van de benadeling geen persoonlijk verwijt kan worden gemaakt (de zogenaamde Beklamelnorm) en ii) wanneer een bestuurder heeft bewerkstelligd of toegelaten dat de vennootschap haar contractuele verplichtingen niet nakomt waarbij het er op aankomt of het handelen of nalaten van de bestuurder ten opzichte van de schuldeiser in de gegeven omstandigheden zodanig onzorgvuldig is dat hem persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Van een dergelijk ernstig verwijt zal in ieder geval sprake kunnen zijn als komt vast te staan dat de bestuurder wist of redelijkerwijs behoorde te begrijpen dat de door hem bewerkstelligde of toegelaten handelwijze van de vennootschap tot gevolg zou hebben dat deze haar verplichtingen niet zou nakomen en ook geen verhaal zou bieden voor de als gevolg daarvan optredende schade, maar er kunnen zich ook andere omstandigheden voordoen op grond waarvan een ernstig verwijt kan worden aangenomen.

4.4.

De verwijten die [eiser][gedaagde] maakt vallen in beide categorieën. De rechtbank zal ze hieronder afzonderlijk behandelen.

Categorie i) De rechtbank zal als eerste de vraag beantwoorden welke datum relevant is voor de beoordeling van de stelling dat [gedaagde] bij het aangaan van de licentieovereenkomst wist of had moeten weten dat RS Media haar verplichtingen hieruit niet na zou kunnen komen. [eiser]heeft zijn stelling dat de overeenkomst op 1 juni 2009 is aangegaan, wat er verder ook van zij, onvoldoende onderbouwd, nu dit door [gedaagde] gemotiveerd wordt betwist. De rechtbank gaat er bij de verdere beoordeling dan ook vanuit dat de licentieovereenkomst op 1 april 2009 is aangegaan en dat voor aansprakelijkheid van [gedaagde] op deze grond de wetenschap op dat moment van belang is.

[eiser]heeft zijn stelling dat [gedaagde] op het moment van het aangaan van de licentieovereenkomst wist of behoorde te weten, naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende onderbouwd, zeker in het licht van de gemotiveerde betwisting van [gedaagde] die daarin door de curator wordt ondersteund. Het feit dat [gedaagde] als bezuinigingsmaatregel zijn salaris heeft laten halveren, is daartoe onvoldoende. De rechtbank overweegt hierbij dat de gestelde onrechtmatige daad waaruit kwade trouw valt af te leiden niet valt te rijmen met het halveren van het eigen salaris. Ook uit de overgelegde balansen van RS Media blijkt niet van de gestelde wetenschap van [gedaagde]. Immers, het enkele feit dat het eigen vermogen in de loop van de jaren is verminderd en de schuldenlast is toegenomen, maakt nog niet dat de vennootschap geen overlevingskansen heeft, laat staan dat [gedaagde] op 1 april 2009 wist dat dit zo was. Nu [eiser]geen andere feiten of omstandigheden heeft gesteld die zijn stelling dat [gedaagde] ten tijde van het aangaan van de licentieovereenkomst wist of had behoren te weten dat RS Media haar verplichtingen niet na zou kunnen komen onderbouwen, kan deze grondslag de vordering niet dragen.

Categorie ii) Naar het oordeel van de rechtbank heeft [eiser]onvoldoende onderbouwd gesteld dat sprake was van privé onttrekkingen of dubieuze transacties die er de oorzaak van waren dat de facturen van Content 4 You onbetaald werden gelaten en dat [gedaagde] daarvan persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Het verrekenen van een schuld in rekening-courant met een vordering uit hoofde van een pensioenvoorziening is op zichzelf niet verwijtbaar. Bijzondere omstandigheden zouden kunnen maken dat dit anders ligt, maar dat hiervan sprake is, is gesteld noch gebleken. De rechtbank neemt hierbij mede in aanmerking dat de curator in deze transacties kennelijk ook geen aanleiding heeft gezien om [gedaagde] aansprakelijk te stellen en dat [gedaagde] bovendien het restant van de rekening-courant schuld aan de curator heeft voldaan. [eiser]heeft geen andere feiten en omstandigheden gesteld die tot de conclusie moeten leiden dat [gedaagde] heeft bewerkstelligd of toegelaten dat de vennootschap haar verplichtingen uit hoofde van de licentieovereenkomst niet is nagekomen, zodat ook deze grond de vordering niet kan dragen.

4.5.

Gesteld noch gebleken is dat sprake is van andere gronden die de vordering van [eiser]kunnen dragen, zodat de rechtbank deze af zal wijzen.

4.6.

[eiser]zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten zullen op de gebruikelijke wijze worden begroot, nu [gedaagde] zijn door [eiser]betwiste stelling dat het duidelijk was dat een onterechte vordering werd ingesteld, wat er voor het overige ook van zij, onvoldoende heeft onderbouwd. De kosten aan de zijde van [gedaagde] worden begroot op:

- griffierecht € 1.414,00

- salaris advocaat 2.842,00 (2,0 punten × tarief € 1.421,00)

Totaal €  4.256,00

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt [eiser]in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op € 4.256,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag met ingang van de achtste dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.3.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.P. Lunter en in het openbaar uitgesproken op 25 april 2012.