Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2012:1759

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
19-12-2012
Datum publicatie
28-01-2014
Zaaknummer
189270 - HZ ZA 11-919
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vordering tot opheffing onrechtmatige toestand verjaard

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

189270 / HZ ZA 11-91919 december 2012

Sector civiel recht

Locatie Zwolle

zaaknummer / rolnummer: 189270 / HZ ZA 11-919

Vonnis van 19 december 2012

in de zaak van

de publiekrechtelijke rechtspersoon

PROVINCIE OVERIJSSEL,

zetelend te Zwolle,

eiseres,

advocaat mr. W.E.M. Klostermann te Zwolle,

tegen

de vereniging

[gedaagde],

gevestigd te [plaats],

gedaagde,

advocaat mr. C. Borstlap te Zwolle.

Partijen zullen hierna de provincie en de [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 26 september 2012

  • -

    de akte na tussenvonnis van de provincie

  • -

    de antwoordakte na tussenvonnis van de [gedaagde].

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De verdere beoordeling

2.1.

In voormeld tussenvonnis heeft de rechtbank de provincie in de gelegenheid gesteld te reageren op het door de [gedaagde] bij dupliek gevoerde verjaringsverweer ex artikel 3:314 lid 1 BW.

2.2.

De provincie heeft onder verwijzing naar artikel 128 lid 3 Rv aangevoerd dat het verjaringsverweer ex artikel 3:314 lid 1 BW als tardief gedaan buiten beschouwing gelaten had moeten worden. De rechtbank ziet daarvoor geen aanleiding. De [gedaagde] heeft in de conclusie van antwoord verweer gevoerd, waaronder een beroep op verjaring, waarna pas bij dupliek het verjaringsverweer ex artikel 3:314 lid 1 BW uit de verf is gekomen. Het ware wenselijker geweest dat zulks al bij antwoord (expliciet) was gebeurd, maar het leidt er nog niet toe dat het recht om dit verweer bij dupliek te voeren is vervallen.

2.3.

Ten aanzien van dit verjaringsverweer geldt het volgende. De rechtbank volgt de provincie niet in haar stelling dat een toestand slechts als onrechtmatig jegens haar kan worden bestempeld wanneer zij die toestand zelf als zodanig heeft aangemerkt. Het betoog van de provincie dat er geen onrechtmatige situatie bestond omdat er een ontheffing voor het specifieke gebruik door de [gedaagde] gold en de [gedaagde] “juridisch houder” van de ontheffing is geworden gaat niet op. Vaststaat immers dat de ontheffing indertijd aan de gemeente, en niet aan de [gedaagde] is verleend. Weliswaar werd deze verleend ten behoeve van de huisvesting van de [gedaagde], maar dit leidt rechtens nog niet tot het gevolg dat na de verkoop door de gemeente van de ark aan de [gedaagde] de ontheffing op laatstgenoemde is overgegaan. Dit brengt mee dat sinds 1980 een onrechtmatige toestand heeft bestaan en de rechtsvordering tot opheffing daarvan in 2000 is verjaard. Dat de provincie nog over de ontheffing met de [gedaagde] heeft gecommuniceerd, maakt het voorgaande alleen al niet anders, omdat deze communicatie plaatsvond (ver) nadat de vordering tot opheffing van de onrechtmatige toestand was verjaard.

2.4.

Ten slotte heeft de provincie gesteld dat een beroep op artikel 3:314 lid 1 BW naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. De rechtbank onderkent dat een geslaagd beroep op deze bepaling een lastige situatie in het leven kan roepen, maar dat is min of meer inherent aan een dergelijk geslaagd beroep en brengt nog niet mee dat een beroep op bedoelde bepaling onredelijk zou zijn. De enkele omstandigheid dat de eigendomsituatie buiten het gezichtsveld van de provincie is gewijzigd en er daardoor een voor de provincie niet kenbare onrechtmatige toestand is ontstaan leidt er naar het oordeel van de rechtbank evenmin toe dat de [gedaagde] geen beroep op vermelde bepaling mocht doen.

2.5.

Slotsom is dat de vorderingen die zien op het verwijderen en verwijderd houden van de ark afgewezen dienen te worden. Zoals in het tussenvonnis in r.o. 4.7 is overwogen kan de vordering tot verwijdering van de rondom de ligplaats aangebrachte voorzieningen wel worden toegewezen, op de wijze zoals hierna in het dictum zal worden vermeld. Voor het opleggen van een dwangsom ziet de rechtbank geen aanleiding, te meer daar de [gedaagde] geen bezwaar heeft gemaakt tegen de verwijdering ervan.

2.6.

Aangezien het debat zich in hoofdzaak op de (ligplaats van de) ark heeft toegespitst, en de provincie op dat punt in het ongelijk wordt gesteld, zal de rechtbank de provincie als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de kosten van de procedure van de [gedaagde] veroordelen. De kosten voor de extra akte worden overigens voor rekening van de [gedaagde] gelaten, omdat die veroorzaakt zijn door een verweer dat eerder gevoerd had kunnen worden.

De kosten aan de zijde van de [gedaagde] worden begroot op:

- griffierecht 560,00

- salaris advocaat 904,00 (2,0 punten × tarief € 452,00)

Totaal €  1.464,00

3 De beslissing

De rechtbank

3.1.

veroordeelt de [gedaagde] om binnen twee weken na betekening van dit vonnis de voorzieningen te verwijderen die zij heeft aangebracht op de grond naast de ligplaats, een en ander als nader omschreven in r.o. 4.7 van het tussenvonnis,

3.2.

veroordeelt de provincie in de proceskosten, aan de zijde van de [gedaagde] tot op heden begroot op € 1.464,00,

3.3.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

3.4.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.B.E.M. Rikaart-Gerard en in het openbaar uitgesproken op 19 december 2012.