Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2011:BW1445

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
18-11-2011
Datum publicatie
10-04-2012
Zaaknummer
2011-W013
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Wraking. Deels niet-ontvankelijk, deels ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

beslissing

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Wrakingskamer

Zaaknummer: 2011-W013

Datum: 18 november 2011

Beslissing op het verzoek tot wraking ex artikel 36 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering

in de zaak van

[verzoeker],

wonende te [plaats],

verzoeker,

tegen

MR. [A], in haar hoedanigheid van kantonrechter.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het op 24 oktober 2011 per fax ingediende wrakingsverzoek

- de schriftelijke reactie van mr. [A] van 31 oktober 2011

- de mondelinge behandeling op 4 november 2011.

Bij de mondelinge behandeling zijn verschenen:

- verzoeker, vergezeld van zijn broer, [broer verzoeker].

1.2. Mr. [A] heeft laten weten niet te zullen verschijnen.

1.3. Verzoeker heeft op deze zitting zijn standpunt toegelicht aan de hand van pleitaantekeningen, die aan de rechtbank zijn overgelegd en heeft geantwoord op vragen van de rechtbank.

2. De feiten

2.1. [dochter verzoeker], dochter van verzoeker (hierna: [dochter verzoeker]), is bij beschikking van deze rechtbank van 27 juni 2007 (dossiernummer: BM 2371) onder bewind gesteld met benoeming van verzoeker tot bewindvoerder.

2.2. Bij brief van 22 augustus 2010, ingekomen ter griffie op 27 augustus 2010, heeft [dochter verzoeker] verzocht om ontslag van verzoeker tot bewindvoerder alsmede om benoeming van een andere bewindvoerder.

2.3. Verzoeker heeft bij fax van 13 september 2010 een verzoek tot ondercuratelestelling van [dochter verzoeker] gedaan. Dit verzoek heeft hij bij fax van 11 oktober 2010 aangevuld door overlegging van een ingevuld formulier "Verzoek tot ondercuratelestelling in plaats van bewind en/of mentorschap".

2.4. Op 10 november 2010 heeft inzake beide verzoeken een zitting plaatsgevonden. Zowel verzoeker, vergezeld van zijn advocaat, als [dochter verzoeker] waren daarbij aanwezig. Behandelend rechter was mr. [B].

2.5. Op 23 maart 2011 heeft een vervolgzitting plaatsgevonden met mr. [A] als behandelend rechter. Ook hierbij waren verzoeker en [dochter verzoeker] aanwezig.

2.6. Bij beschikking van 19 april 2011 van mr. [A] is verzoeker ambtshalve ontslagen als bewindvoerder, onder gelijktijdige benoeming van een provisioneel bewindvoerder.

2.7. Eveneens bij beschikking van 19 april 2011 van mr. [A] is ten aanzien van het verzoek tot omzetting van het bewind in ondercuratelestelling een deskundige benoemd ter beantwoording van een viertal vragen.

3. Het wrakingsverzoek

3.1. Het verzoek tot wraking is gericht tegen mr. [A] als rechter in het dossier met nummer BM 2371 (hierna: de hoofdzaak).

Verzoeker heeft zijn verzoek tot wraking tevens gericht tegen het bewindsbureau.

3.2. Verzoeker heeft blijkens het schriftelijke verzoek, zoals toegelicht bij de mondelinge behandeling, gesteld dat mr. [A] vooringenomen en partijdig is en dat zij verzoeker niet serieus neemt. De gronden die verzoeker hiertoe naar voren heeft gebracht zullen hierna worden besproken.

3.3. Mr. [A] heeft laten weten niet in de wraking te berusten en heeft verweer gevoerd. Dat verweer wordt hierna zover nodig besproken.

4. De beoordeling

4.1. De wet voorziet niet in een mogelijkheid tot wraking van andere functionarissen dan rechters. Verzoeker zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard voor zover het verzoek strekt tot wraking van het bewindsbureau.

4.2. Een rechter kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.

Uitgangspunt daarbij is dat de rechter uit hoofde van zijn aanstelling wordt vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet, die een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat een rechter jegens een partij bij een geding een vooringenomenheid koestert. De vrees dat dit het geval zal zijn, dient objectief gerechtvaardigd te zijn. Dat betekent dat sprake moet zijn van concrete feiten en omstandigheden waaruit objectief de vrees voor partijdigheid van de rechter kan worden afgeleid.

Daarnaast kan er onder omstandigheden reden zijn voor wraking, indien geheel afgezien van de persoonlijke opstelling van de rechter in de hoofdzaak de bij een partij bestaande vrees voor partijdigheid van die rechter objectief gerechtvaardigd is, waarbij rekening moet worden gehouden met uiterlijke schijn.

4.3. Geen van de door verzoeker naar voren gebrachte gronden, zoals hierna besproken, leidt, naar het oordeel van de rechtbank, tot toewijzing van het wrakingsverzoek.

4.4. Verzoeker heeft gesteld dat hij door mr. [A] op een andere manier wordt behandeld dan zijn dochter. Verzoeker krijgt mr. [A] telefonisch niet te spreken, [dochter verzoeker] wel; tijdens de zitting van 23 maart 2011 werd er niet naar hem geluisterd en kreeg hij van mr. [A] geen antwoord op zijn vragen terwijl de vragen van [dochter verzoeker] wel door de rechter werden beantwoord.

De rechtbank overweegt dat niet is gebleken dat mr. [A] telefonisch heeft gesproken met [dochter verzoeker]. Verzoeker heeft geen concrete feiten en omstandigheden naar voren gebracht waaruit dit blijkt, terwijl mr. [A] dit uitdrukkelijk heeft betwist en daarbij heeft gesteld dat er alleen telefonisch contact heeft plaatsgevonden tussen een secretaris en [dochter verzoeker].

Ten aanzien van de zitting van 23 maart 2011 is niet gebleken dat verzoeker zijn standpunt niet naar voren heeft kunnen brengen. Verzoeker heeft gesteld dat zijn vraag (wie is verantwoordelijk en wie is aansprakelijk voor [dochter verzoeker] haar veiligheid en haar omgeving evenals bij wie (financiële) schade kan worden verhaald) niet door mr. [A] is beantwoord maar hij heeft nagelaten te stellen welke vragen van [dochter verzoeker] wel zijn beantwoord. Hiermee heeft verzoeker niet voldoende feiten en omstandigheden naar voren gebracht waaruit partijdigheid of vooringenomenheid kan worden opgemaakt. Overigens is een rechter niet verplicht te antwoorden op vragen die ter zitting worden gesteld.

4.5. Verzoeker heeft aangevoerd dat de rechter vooringenomen en partijdig is omdat de adviezen en rapportages, die verzoeker ter onderbouwing bij zijn verzoek tot ondercuratelestelling had gevoegd, door de rechter als partijdig en eenzijdig afkomstig van verzoeker zijn gekwalificeerd.

Niet duidelijk is of verzoeker hiermee doelt op een kwalificatie gedaan door mr. [A] of door mr. [B], de behandelend rechter van de zitting van 10 november 2010. Voor zover het verzoek zich richt tegen mr. [B] is verzoeker niet-ontvankelijk, aangezien zij niet meer de behandelend rechter is.

Voor zover verzoeker doelt op een kwalificatie van mr. [A] overweegt de rechtbank het volgende. In haar verweerschrift heeft mr. [A] naar voren gebracht dat blijkens de aantekeningen van de zitting van 10 november 2010 door mr. [B] is besproken dat verzoeker niet kon volstaan met de verwijzing naar de in het verleden opgemaakte rapportages van de (voormalige) behandelende artsen van [dochter verzoeker], omdat [dochter verzoeker] het verzoek van verzoeker tot omzetting van het bewind in curatele betwist. Om de noodzaak van de curatele te kunnen beoordelen diende een actuele rapportage van een onafhankelijke deskundige te worden overgelegd. Uit de wet volgt dat dit een onafhankelijk deskundige is en dan ook geen arts, bij wie de betrokkene onder behandeling is of is geweest. Verzoeker zou voor een dergelijke actuele rapportage zorgen, maar heeft dat nagelaten. Naar aanleiding van hetgeen ter zitting van 23 maart 2011 is besproken heeft mr. [A] bij beschikking van 19 april 2011 een deskundige benoemd.

Een ondercuratelestelling is een verstrekkende maatregel. Uit het inschakelen van een onafhankelijke deskundige blijkt geen partijdigheid dan wel vooringenomenheid van mr. [A], maar blijkt juist een zorgvuldige en objectieve behandeling van het verzoek van verzoeker.

4.6. Volgens verzoeker heeft mr. [A] zijn bezwaar dat een GGZ-arts niet kan worden gekwalificeerd als deskundige voor de problematiek die speelt bij [dochter verzoeker] niet serieus genomen.

De rechtbank overweegt hiertoe dat bij beschikking van 19 april 2011 tot deskundige is benoemd: dr. A. Wunderink, psychiater bij de GGZ te Leeuwarden. De deskundigheid vloeit voort uit het feit dat dr. Wunderink psychiater is. Een psychiater, ook één die werkzaam is bij een GGZ-instelling, zoals dr. Wunderink, wordt naar het oordeel van de rechtbank geacht te kunnen beoordelen of iemand in staat is zijn belangen behoorlijk te behartigen. Uit de benoeming van dr. Wunderink tot onafhankelijk deskundige blijkt geen vooringenomenheid of partijdigheid van mr. [A].

4.7. De klacht van verzoeker dat zowel de deskundige als de benoemde provisioneel bewindvoerder een bevriende (zakelijke) relatie van mr. [A] is, is niet onderbouwd met concrete feiten en omstandigheden.

Mr. [A] heeft daarentegen uitdrukkelijk gesteld dat zij de GGZ arts zakelijk noch persoonlijk kent, dat deze deskundige is gevonden door het landelijke deskundigenregister te raadplegen en dat niet zij maar een secretaris vooraf contact met de deskundige heeft opgenomen om hem te vragen of hij de juiste deskundigheid heeft om over de vraag welke beschermingsmaatregel voor [dochter verzoeker] de geschikte is een advies uit te brengen. Ten aanzien van de provisioneel bewindvoerder heeft mr. [A] naar voren gebracht dat zij deze man niet persoonlijk kent, maar dat hij zelf curator is voor zijn dochter en in die hoedanigheid ervaring heeft. Zij heeft samen met haar collega een kennismakingsgesprek met de provisioneel bewindvoerder gehad (zoals dat met alle nieuwe professionele bewindvoerders/curatoren wordt gevoerd) in verband met het feit dat hij ook als professioneel curator/bewindvoerder benoembaar wilde zijn. Tijdens dat kennismakingsgesprek is mr. [A] op de hoogte geraakt van zijn specifieke ervaring.

Nu verzoeker zijn stelling niet heeft onderbouwd of aannemelijk gemaakt, bestaat geen aanleiding aan de verklaring van mr. [A] te twijfelen.

4.8. Ten aanzien van de stellingen van verzoeker dat zowel de behandeling van zijn verzoek tot omzetting van bewind in curatele als het deskundigenonderzoek (te) lang duurt en dat dit aan mr. [A] is te wijten, overweegt de rechtbank als volgt.

Mr. [A] is pas vanaf de zitting van 23 maart 2011 de behandelend rechter. Deze (extra) zitting was kennelijk noodzakelijk aangezien verzoeker, anders dan ter zitting van 10 november 2010 was afgesproken, had afgezien van het inschakelen van een deskundige. Deze vertraging kan mr. [A] niet worden aangerekend. Dat het deskundigenonderzoek zeven in plaats van twee maanden in beslag heeft genomen is betreurenswaardig, maar evenmin te wijten aan de rechter. Immers, de vertraging is opgetreden omdat de deskundige niet meer in het bezit was van het dossier. Hieruit blijkt geen partijdigheid of vooringenomenheid van mr. [A].

Overigens heeft de bij beschikking van 19 april 2011 benoemde provisioneel bewindvoerder alle bevoegdheden toegekend gekregen die een curator krachtens de wet heeft, zodat de belangen van [dochter verzoeker] gedurende de behandeling van beide verzoeken zijn gewaarborgd.

4.9. Volgens verzoeker is de in de beschikking van 19 april 2011 opgenomen tijdelijke maatregel tot ontslag van verzoeker als bewindvoerder een "straf" van de rechter omdat hij de ID-kaart niet aan [dochter verzoeker] wilde afgeven. Naar het oordeel van de rechtbank kan de juistheid van deze beslissing op zichzelf niet door middel van een wrakingsverzoek aan de orde worden gesteld. Dat kan alleen door een rechtsmiddel (hoger beroep) tegen de beslissing aan te wenden.

Concrete feiten en omstandigheden waaruit volgt dat mr. [A] bij het geven van deze beslissing vooringenomen was tegen verzoeker of objectief gerechtvaardigde vrees daarvoor bestond, heeft verzoeker niet aangevoerd. Uit het enkele feit dat mr. [A] in het nadeel van verzoeker heeft beslist kan de rechtbank geen vooringenomenheid afleiden.

4.10. Verzoeker heeft gesteld dat mr. [A] hem het contact met zijn dochter onthoudt. Hij heeft dit gebaseerd op een telefonische mededeling van [dochter verzoeker] op 16 oktober 2011, inhoudende dat zij van zowel de rechter als de provisioneel bewindvoerder niet haar woonadres en mobiele telefoonnummer aan verzoeker mag geven.

Mr. [A] heeft hiertegenover gesteld dat zij nooit het contact tussen [dochter verzoeker] en verzoeker heeft tegengehouden. Dat [dochter verzoeker] gedurende enige tijd geen contact heeft opgenomen met verzoeker is haar eigen beslissing geweest. Als zij geen contact met haar vader wil, is er geen reden om haar daar wel toe te dwingen en haar privacy daarmee aan te tasten. [dochter verzoeker] is een volwassen vrouw. Haar handicap maakt dat niet anders. [dochter verzoeker] heeft in de afgelopen periode wel contact gehad met haar moeder, aldus mr. [A].

De rechtbank oordeelt dat verzoeker zijn stelling niet met nadere feiten en omstandigheden heeft onderbouwd terwijl mr. [A] die stelling gemotiveerd heeft betwist. De rechtbank is dan ook van oordeel dat niet is komen vast te staan dat mr. [A] [dochter verzoeker] heeft verboden of afgeraden om contact met verzoeker op te nemen.

4.11. Verzoeker heeft nog naar voren gebracht dat hij twee maal als direct belanghebbende het complete procesdossier heeft opgevraagd. Beide verzoeken zijn door mr. [A] geweigerd. Uit beide weigeringen valt volgens verzoeker op te maken dat het procesdossier het daglicht niet kan verdragen en dat er klaarblijkelijk onjuistheden en belastende zaken voor de rechter in staan waaruit vooringenomenheid en partijdigheid valt op te maken, aldus verzoeker.

De rechtbank oordeelt als volgt. Mr. [A] heeft de inzage van verzoeker in het dossier geweigerd vanwege het recht op privacy van [dochter verzoeker]. Het feit dat inzage in het dossier is geweigerd, getuigt op zichzelf nog niet van partijdigheid of vooringenomenheid. De rechtbank volgt verzoeker dan ook niet in zijn veronderstelling dat uit de enkele weigering tot inzage moet worden geconcludeerd dat de inhoud van het dossier het daglicht niet kan verdragen.

4.12. De conclusie is dat het wrakingsverzoek zal worden afgewezen.

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek tot wraking van het bewindsbureau;

5.2. wijst het verzoek tot wraking van mr. [A] af.

Deze beslissing is gegeven door mr. C.H. de Haan, voorzitter, mr. F. Koster en mr. W.P.M. Elderman in tegenwoordigheid van de griffier mr. S.W. de Boer en in het openbaar uitgesproken op 18 november 2011.