Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2011:BV7700

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
25-03-2011
Datum publicatie
05-03-2012
Zaaknummer
Awb 10/1997
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2012:BW3869, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vaststelling projectplan Emmertochtsloot; bevoegdheidsgebrek; tussenuitspraak.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Sector Bestuursrecht

Registratienummer: Awb 10/1997

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

A te B,,

en

het dagelijks bestuur van het Waterschap Groot Salland,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 29 april 2010 heeft het algemeen bestuur van het Waterschap Groot Salland het projectplan Emmertochtsloot vastgesteld.

Het daartegen gemaakte bezwaar is bij besluit van 14 oktober 2010 door het dagelijks bestuur van het Waterschap Groot Salland ongegrond verklaard. Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.

Het beroep is ter zitting van 10 februari 2011 behandeld. Eiser is in het bijzijn van (…)r ter zitting verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door J. Klooster en ing. W.Valk.

Overwegingen

1. Het projectplan Emmertochtsloot bestaat uit de aanleg van 4 waterbergingen van in totaal 4 hectare en het vispasseerbaar maken van drie bestaande stuwen. Eiser is eigenaar en exploitant van een geregistreerde eendenkooi. De stuwen en het perceel waarop waterberging 4 is voorzien zijn gelegen binnen de afpalingskring van de eendenkooi van eiser.

2. Ingevolge artikel 5.4, eerste lid, van de Waterwet geschiedt de aanleg of wijziging van een waterstaatswerk door of vanwege de beheerder overeenkomstig een daartoe door hem vast te stellen projectplan. Met de aanleg of wijziging van een waterstaatswerk wordt gelijkgesteld de uitvoering van een werk tot beïnvloeding van een grondwaterlichaam.

Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, van de Waterwet is de toepassing van deze wet gericht op:

a.voorkoming en waar nodig beperking van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste, in samenhang met

b.bescherming en verbetering van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen en

c.vervulling van maatschappelijke functies door watersystemen.

3. Gesteld noch gebleken is dat het projectplan niet in overeenstemming is met de doelstellingen van de Waterwet, zoals neergelegd in artikel 2.1, eerste lid, van die wet. De beroepsgrond dat er voor waterberging 4 geschiktere locaties zouden zijn treft geen doel, omdat de rechtbank in beginsel heeft te oordelen over het projectplan zoals dat is vastgesteld. Overigens is namens verweerder aangegeven dat de locatie van genoemde waterberging om verschillende redenen wel de meest logische is.

Verder stelt eiser slechts dat niet is gebleken dat rekening is gehouden met het bepaalde in de Flora en faunawet (Ffw), zonder aan te voeren op welke punten het projectplan met de Ffw in strijd is. Wel wijst eiser in dit verband op het ontbreken van de op grond van artikel 59, tweede lid, van de Ffw vereiste toestemming van eiser als kooiker voor het verrichten van handelingen waardoor eenden binnen de afpalingskring kunnen worden verontrust. Deze grief betreft niet het besluit tot vaststelling van het projectplan, maar de wijze van uitvoering van het plan. Deze wijze van uitvoering staat hier niet ter beoordeling. De rechtbank wijst er op dat ten aanzien van eisers standpunt dat verweerder voor de aanleg van waterberging 4 binnen de afpalingskring van de eendenkooi eisers toestemming nodig heeft, de gang naar de civiele rechter openstaat of heeft opengestaan.

Omdat eiser eerst ter zitting bij de rechtbank heeft gesteld en toegelicht dat de aanleg en de aanwezigheid van de waterberging een verstorend effect op de eendenpopulatie van de eendenkooi zal hebben, en schade daarvan het gevolg zal zijn, kan dit niet in de beoordeling worden betrokken.

4. Het beroep is in zoverre ongegrond.

5. De bestreden beslissing op bezwaar is genomen door het dagelijks bestuur van het waterschap Groot Salland. Hieraan ligt het besluit van het algemeen bestuur van het waterschap ten grondslag van 29 april 2010 tot delegatie van het afhandelen van bezwaar tegen door het algemeen bestuur vastgestelde projectplannen zoals bedoeld in artikel 5.4 van de Waterwet.

Zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State eerder heeft overwogen (zie onder meer haar uitspraak van 30 januari 2002, LJN AD 9417) voorziet de bezwaarprocedure, als neergelegd in de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet in de mogelijkheid om het nemen van een beslissing op een ingevolge artikel 7:1 van de Awb ingediend bezwaar over te dragen aan een ander bestuursorgaan dan het bestuursorgaan dat het primaire besluit heeft genomen. De bevoegdheid om in de plaats van het bestuursorgaan dat het primaire besluit heeft genomen te beslissen behoeft een uitdrukkelijk tot afwijking van de Awb strekkende grondslag in een formele wet. Een zodanige grondslag wordt niet geboden door de algemene bepalingen in de Waterschapswet inzake de overdracht van bevoegdheden. Verweerder heeft zijn bevoegdheid te beslissen derhalve ten onrechte op het overgelegde delegatiebesluit van het algemeen bestuur gebaseerd.

De rechtbank ziet aanleiding om, ter bevordering van een definitieve beslechting van het aan haar voorgelegde geschil, met toepassing van artikel 8:51a, eerste lid, van de Awb verweerder in de gelegenheid te stellen het gebrek in het bestreden besluit te herstellen en te bewerkstelligen dat het algemeen bestuur het bestreden besluit, alsmede alle in onderhavige beroepsprocedure door verweerde verrichte handelingen, voor zijn rekening neemt. De termijn waarbinnen verweerder het gebrek kan herstellen wordt door de rechtbank bepaald op vier weken na de datum van verzending van deze tussenuitspraak.

De rechtbank verzoekt verweerder om zo spoedig mogelijk aan haar kenbaar te maken of gebruik wordt gemaakt van de gelegenheid om het bevoegdheidsgebrek te herstellen.

Indien verweerder geen gebruik maakt van de gelegenheid om het gebrek in het bestreden besluit te herstellen, of de termijn die daarvoor is bepaald ongebruikt is verstreken, zal de behandeling van het beroep op de gewone wijze worden voortgezet.

6. De rechtbank neemt thans nog geen beslissing over de vergoeding van het betaalde griffierecht en de gemaakte proceskosten.

Beslissing

De rechtbank:

-stelt verweerder in de gelegenheid om binnen vier weken na verzending van deze uitspraak het in rechtsoverweging 5 genoemde gebrek in het bestreden besluit te herstellen en daarvan schriftelijk mededeling te doen aan de rechtbank, zulks met inachtneming van hetgeen de rechtbank heeft overwogen;

-houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.H.M. Hesseling, rechter, en door hem en mr. A. Landstra als griffier ondertekend. Uitgesproken in het openbaar op

Afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze tussenuitspraak kan alleen hoger beroep worden ingesteld tegelijk met het hoger beroep tegen de einduitspraak.