Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2011:BV7622

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
20-12-2011
Datum publicatie
02-03-2012
Zaaknummer
07.653152-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

gewapende overvallen, in vereniging, sterk verminderd toerekeningsvatbaar

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE - LELYSTAD

Sector Strafrecht - Meervoudige Strafkamer

Parketnummer : 07.653152-11 (P)

Uitspraak : 20 december 2011

VONNIS IN DE STRAFZAAK VAN:

het openbaar ministerie

tegen

(verdachte)

geboren (geboorteplaats)

wonende te (adres)

thans verblijvende in het P.P.C. te Amsterdam.

ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 6 december 2011.

De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. V.P.J. Tuma, advocaat te Amersfoort.

Als officier van justitie was aanwezig mr. A.E.M. Doedens.

TENLASTELEGGING

De verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 25 april 2011 te Deventer tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen geld, in elk geval enig geld, geheel of ten dele toebehorende aan tankstation (naam tankstation) in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader, welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen (slachtoffer), gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader

hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte, en/of zijn mededader:

- voorzien van (een) bivakmuts(en) en/of één of meerdere mes(sen), althans van (een) of meerdere steekvoorwerp(en) voornoemd tankstation is/zijn binnengelopen en/of (vervolgens)

- onder het tonen van één of meerdere mes(sen), althans van één of meerdere steekvoorwerp(en), opzettelijk dreigend die (slachtoffer) één of meermalen de woorden heeft/hebben toegevoegd: "Geld, geld, dit is een overval" en/of "We willen alle geld", althans woorden van gelijke aard en/of strekking en/of (vervolgens)

- geld uit de kassalade van voornoemd tankstation heeft/hebben weggenomen;

en/of

hij op of omstreeks 25 april 2011 te Deventer tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld (slachtoffer) heeft gedwongen tot de afgifte van een kassalade en/of geld, in elk geval van enig goed en/of geld, geheel of ten dele toebehorende aan tankstation (naam tankstation) (gevestigd (adres)), in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte en/of zijn mededader:

- voorzien van (een) bivakmuts(en) en/of één of meerdere mes(sen), althans van (een) of meerdere steekvoorwerp(en), voornoemd tankstation is/zijn binnengelopen en/of (vervolgens)

- onder het tonen van één of meerdere mes(sen), althans van één of meerdere steekvoorwerp(en), opzettelijk dreigend die (slachtoffer) één of meermalen de woorden heeft/hebben toegevoegd: "geld, geld, dit is een overval" en/of "We willen alle geld", althans woorden van gelijke aard en/of strekking en/of (daarbij)

- nadat die (slachtoffer) de kassa had geopend en/of (vervolgens) de kassalade op de toonbank had geplaatst, geld uit voornoemde kassalade heeft/hebben weggenomen;

2.

hij op of omstreeks 28 december 2010 te Deventer tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen geld, in elk geval enig geld, geheel of ten dele toebehorende aan (naam supermarkt) (gevestigd op/aan (adres)), in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader, welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen (slachteroffer 2) en/of (slachtoffer 3) en/of één of meerdere winkelmedewerker(s) en/of aldaar aanwezige klanten, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte, en/of één of meer van zijn mededader(s):

- voorzien van (deels) met (een) bivakmuts(en) en/of met zakdoek(en) bedekte gezicht(en) voornoemd winkelpand is/zijn binnengelopen en/of (vervolgens)

- onder het tonen van één of meerdere vuurwapen(s), althans van één of meerdere op (een) vuurwapen(s) gelijkende voorwerp(en), opzettelijk dreigend die (slachtoffer 2) en/of (slachtoffer 3) één of meermalen de woorden heeft/hebben toegevoegd: "Lade open, lade open" en/of "Lade open, of ik schiet jullie dood" , althans woorden van gelijke aard en/of strekking en/of (vervolgens)

- die (slachtoffer 2) een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, in/tegen de hals en/of nek heeft/hebben gedrukt en/of gedrukt gehouden en/of (daarbij) opzettelijk dreigend die (slachtoffer 2) de woorden heeft toegevoegd: "doe de kassa open", althans woorden van gelijke aard en/of strekking en/of (vervolgens)

- geld uit de kassalade(s) van voornoemde winkel heeft/hebben weggenomen en/of (vervolgens)

- een klant (krachtig) opzij heeft/hebben geduwd en/of gedrukt.

VOORVRAGEN

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in haar vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

BEWIJSMOTIVERING

Het standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft ter terechtzitting betoogd dat hetgeen onder 1 en 2 ten laste is gelegd wettig en overtuigend bewezen kan worden en heeft ter terechtzitting de veroordeling van verdachte gevorderd ten aanzien van hetgeen onder voornoemd feit ten laste is gelegd.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft zich voor wat betreft de bewezenverklaring gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank overweegt, op grond van de hierna in voetnoten vermelde bewijsmiddelen, het navolgende.

De rechtbank overweegt dat ten aanzien van de feiten 1 en 2 sprake is van een bekennende verdachte in de zin van artikel 359, derde lid, laatste volzin van het Wetboek van Strafvordering. De rechtbank zal daarom volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen die tot de bewezenverklaring hebben geleid.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen hetgeen verdachte ten laste is gelegd, gelet op (onder meer) de volgende bewijsmiddelen:

Feit 1

Het proces-verbaal van aangifte door (slachtoffer) d.d. 25 april 2011 ;

Het proces-verbaal van verhoor van verdachte d.d. 9 mei 2011 ;

Het proces-verbaal van verhoor van medeverdachte (medeverdachte) d.d. 3 mei 2011 ;

De verklaring van verdachte ter terechtzitting d.d. 6 december 2011, kort samengevat inhoudende dat hij zich op 25 april 2011 samen met een ander heeft schuldig gemaakt aan een overval op het (naam tankstation) tankstation aan de (adres) te Deventer.

Feit 2

Het proces-verbaal van aangifte door (naam aangever) d.d. 30 december 2010 ;

Het proces-verbaal van aangifte door (slachtoffer 3) d.d. 15 juni 2011 ;

Het proces-verbaal van aangifte door (slachtoffer 2) d.d. 16 juni 2011 ;

Het proces-verbaal van verhoor van verdachte d.d. 9 mei 2010 ;

Het proces-verbaal van verhoor van medeverdachte (medeverdachte) d.d. 11 mei 2011

Het proces-verbaal van verhoor van (naam) d.d. 28 december 2010 .

BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht derhalve wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 1 en 2 ten laste is gelegd, met dien verstande dat

1.

hij op 25 april 2011 te Deventer tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen geld, toebehorende aan tankstation (NAAM TANKSTATION), welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld tegen (slachtoffer), gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, welke bedreiging met geweld hierin bestond dat hij, verdachte, en/of zijn mededader:

- voorzien van een bivakmuts en messen voornoemd tankstation is/zijn binnengelopen en vervolgens

- onder het tonen van messen opzettelijk dreigend die (slachtoffer) meermalen de woorden heeft/hebben toegevoegd: "Geld, geld, dit is een overval" en "We willen alle geld", althans woorden van gelijke aard en/of strekking en vervolgens

- geld uit de kassalade van voornoemd tankstation heeft/hebben weggenomen.

2.

hij op 28 december 2010 te Deventer tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening, heeft weggenomen geld toebehorende aan (naam supermarkt) (gevestigd op/aan (adres)), welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen (slachtoffer 2) en/of (slachtoffer 3) en/of aldaar aanwezige klanten, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader de vlucht mogelijk te maken, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte, en/of één of meer van zijn mededaders:

- voorzien van (deels) met een bivakmuts en/of met zakdoeken bedekte gezichten voornoemd winkelpand is/zijn binnengelopen en vervolgens

- onder het tonen van één of meerdere vuurwapen(s), althans van één of meerdere op (een) vuurwapen(s) gelijkende voorwerp(en), opzettelijk dreigend die (slachtoffer 2) en/of (slachtoffer 3) één of meermalen de woorden heeft/hebben toegevoegd: "Lade open, lade open" en "Lade open, of ik schiet jullie dood", althans woorden van gelijke aard en/of strekking en vervolgens

- die (slachtoffer 2) een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, tegen de hals en/of nek heeft/hebben gedrukt en (daarbij) opzettelijk dreigend die (slachtoffer 2) de woorden heeft toegevoegd: "doe de kassa open", althans woorden van gelijke aard en/of strekking en vervolgens

- geld uit de kassalade(s) van voornoemde winkel heeft/hebben weggenomen en vervolgens

- een klant (krachtig) opzij heeft geduwd.

Van het onder 1 en 2 meer of anders ten laste gelegde zal de verdachte worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet wettig en overtuigend bewezen acht.

DE STRAFBAARHEID VAN HET FEIT

Het bewezene levert op:

1.

Diefstal, voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen,

strafbaar gesteld bij artikel 312 juncto artikel 310 van het Wetboek van Strafrecht.

2.

Diefstal, voorafgegaan en vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader de vlucht mogelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen,

strafbaar gesteld bij artikel 312 juncto artikel 310 van het Wetboek van Strafrecht.

Er zijn geen feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluiten. Dit levert de genoemde strafbare feiten op.

DE STRAFBAARHEID VAN DE VERDACHTE

Er zijn ook geen feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is derhalve strafbaar.

OPLEGGING VAN STRAF EN/OF MAATREGEL

Het standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden met aftrek van het voorarrest, waarvan 24 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren met als bijzondere voorwaarden reclasseringstoezicht en klinische behandeling van maximaal 2 jaar bij de FPA Wolfheze.

Voorts heeft de officier van justitie ter zitting de onttrekking aan het verkeer gevorderd van de bivakmuts en het vleesmes die onder verdachte in beslag zijn genomen.

Met betrekking tot de benadeelde partijen heeft de officier van justitie ter terechtzitting gevorderd:

- de hoofdelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij (slachtoffer 3) tot een bedrag van € 2.468,80 voor de geleden materiële en immateriële schade;

- de hoofdelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij (slachtoffer 2) tot een bedrag van €796,-- voor de geleden immateriële schade;

- niet ontvankelijkheid voor wat betreft het overig door benadeelde partijen gevorderde;

- oplegging van de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36 Sv ten behoeve van de benadeelde partijen (slachtoffer 3) en (slachtoffer 2).

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft aangevoerd dat het zwaartepunt van de op te leggen straf zou moeten liggen bij de behandeling van verdachte. Verdachte is sterk verminderd toerekeningsvatbaar. Uit de gedragskundige rapportages vloeit voort dat het van belang is dat de behandeling van verdachte zo spoedig mogelijk aanvangt. Dit is zowel goed voor verdachte alsook voor de maatschappij. Verdachte is zeer gemotiveerd om met de behandeling te beginnen. Hij is zich er van bewust dat hij een fout heeft gemaakt en hij ziet de noodzaak in van een psychische behandeling. De raadsman verzoekt de rechtbank verdachte een gevangenisstraf van zodanige duur op te leggen dat het voorwaardelijke deel en daarmee de behandeling in januari 2012 van start zal gaan. Voorts verzoekt de raadsman de rechtbank de bijzondere voorwaarden op te leggen zoals neergelegd in het reclasseringsrapport.

Met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij (slachtoffer 2) refereert de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank. De raadsman heeft met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij (slachtoffer 3) aangevoerd dat er geen directe relatie bestaat tussen het ten laste gelegde en het afbreken van de opleiding en dat de vordering van schade als gevolg van het verlies van arbeidsvermogen onvoldoende is onderbouwd. De raadsman verzoekt de rechtbank voorts om de vordering tot vergoeding van immateriële schade op basis van de daarvoor bestaande richtlijnen te matigen tot €1.500,--.

Het oordeel van de rechtbank

Gelet op de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden

waaronder verdachte zich daaraan heeft schuldig gemaakt en op de persoon van verdachte,

zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht de rechtbank de

na te noemen beslissing passend.

R.R. Beth, forensisch gedragsdeskundige, orthopedagoog heeft d.d. 5 september 2011 een rapportage over de verdachte uitgebracht, inhoudende – zakelijk weergegeven – als conclusie:

“Tijdens het onderzoek werden, naast aanwijzingen voor anti-sociaal gedrag, tevens aanwijzingen voor low level core borderproblematiek gezien met sterke schizotypische trekken, sterke impulsiviteit, kille acting-out en sterk verzet tegen sociale conventies, in samenhang met een gebrek aan remmingen en destructief gedrag. Uit het onderzoek komen aanwijzingen dat betrokkene in het jaar voor de delicten psychisch in toenemende mate slechter ging functioneren en dat het zeer wel mogelijk is dat de low level borderline persoonlijkheidsorganisatie zich toen reeds sluipenderwijs, mede door toedoen van excessief cannabisgebruik, tot een psychose kan hebben ontwikkeld, maar dat de symptomen daarvan niet (door de ouders) zijn herkend. Betrokkene lijkt op een zwakbegaafd intelligentieniveau te functioneren. Met betrokkene kon niet worden gesproken over het delict (de delicten) en over de aanwezigheid en ernst van de psychotische ontwikkeling. Derhalve kan geen advies worden gegeven over de mate van toerekeningsvatbaarheid en recidivekans van betrokkene.

Van een (deels) voorwaardelijke detentiestraf gaat mogelijk een recidivebeperkende werking uit; met als bijzondere voorwaarde begeleiding door Reclassering Nederland, waarbij betrokkene zich te richten heeft naar de aanwijzingen van de reclassering, ook als dit een klinische behandeling binnen een Forensische Psychiatrische Kliniek (FPK) betekent. Als behandeldoelen van een psychiatrische behandeling kunnen, onder andere, het (verder) stabiliseren van de psychose zijn. Het behandelen van de gedragsproblematiek met in het verlengde daarvan het versterken van de identiteit, het versterken van de gewetensfunctie, het vergroten van het zelfvertrouwen en de zelfstandigheid. Tevens dient aandacht te worden besteed aan de middelenafhankelijkheid van betrokkene.”

F.M.J. Bruggeman, psychiater, heeft d.d. 4 september 2011 een rapportage over de verdachte uitgebracht, inhoudende – zakelijk weergegeven – als conclusie:

“Betrokkene is een 21-jarige jongen met een psychotische stoornis, afhankelijkheid van cannabis, afhankelijkheid van alcohol en een moeizame sociaal maatschappelijke positie van het gezin. Al geruime tijd was er bij betrokkene sprake van psychotisch functioneren. Er is bij betrokkene voorafgaand aan beide tenlasteleggingen sprake van psychisch en sociaal afglijden. Tevens was betrokkene onder invloed van zowel weed als alcohol. Alcohol staat bekend om het feit dat het de drempel verlaagt tot impulsief gedrag. Betrokkene had minder controle over zijn impulsen maar door zijn psychotisch functioneren, extra verstrekt door het cannabisgebruik, kende hij een gestoorde realiteitstoetsing. Betrokkene heeft besef van normen en waarden. Bij betrokkene is sprake van intacte gewetensfuncties echter ten tijde van het ten laste gelegde was hij niet in staat om conform deze normen en waarden te handelen. Er is bij betrokkene sprake van een verband tussen zijn psychisch functioneren, zijn middelengebruik en de daardoor veroorzaakte financiële schulden en de tenlasteleggingen. Betrokkene kent oordeels- en kritiekstoornissen. Betrokkene hoorde geen stemmen die hem opdracht gaven tot het plegen van deze delicten. Wel kan men stellen dat door het psychotisch functioneren van betrokkene hij onvoldoende in staat was om de gevolgen van zijn daden te overzien. Betrokkene heeft wel het strafwaardige van het ten laste gelegde kunnen inschatten echter hij heeft op basis van zijn stoornis niet volgens dit inzicht kunnen handelen. Op basis van het bovenstaande is er bij betrokkene sprake van sterke verminderd toerekeningsvatbaarheid.”

Geadviseerd wordt een voorwaardelijk strafdeel op te leggen met bijzondere voorwaarden en een proeftijd van twee jaar. Binnen deze bijzondere voorwaarden zal een klinische behandeling in een forensisch psychiatrische kliniek moeten worden aangeboden. De behandeling zal zich moeten richten op onder andere diagnostiek, behandeling van de psychotische stoornis, afhankelijkheid van middelen (cannabis en alcohol), scholing en werk. De Reclassering dient toezicht te houden op de voorwaarden.

De rechtbank neemt de conclusies omtrent de door de deskundigen vastgestelde diagnoses en de strafadviezen op de in de rapporten aangedragen gronden over. De rechtbank beschouwt verdachte op basis van de rapportage van deskundige Bruggeman voornoemd als sterk verminderd toerekeningsvatbaar en zal daar rekening mee houden bij de op te leggen straf.

Bij het nemen van haar beslissing heeft de rechtbank voorts rekening gehouden met:

- een de verdachte betreffend uittreksel justitiële documentatie d.d. 28 april 2011;

- een de verdachte betreffend indicatieadvies van het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie d.d. 17 november 2011 opgesteld door B. Gotink, forensisch psychiater IFZ, en H. Mulder, Coördinator IFZ;

- een de verdachte betreffend reclasseringsadvies d.d. 26 augustus 2011 opgemaakt door N. Gouw, reclasseringswerker.

Verdachte en zijn medeverdachten hebben een overval gepleegd op een (NAAM TANKSTATION)-tankstation en een (naam supermarkt). Volgens de oriëntatiepunten van het landelijk overleg van voorzitters van de strafsectoren van de gerechtshoven en de rechtbanken (LOVS) wordt voor een dergelijke overval in de regel als uitgangspunt genomen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 2 jaar wanneer sprake is van licht geweld of bedreiging met geweld en een gevangenisstraf van 3 jaar wanneer sprake is van ander geweld. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan niet één maar twee overvallen. In strafverzwarende zin weegt de rechtbank nog mee, dat verdachte en zijn medeverdachten tijdens de overvallen hun gezichten (deels) bedekt hadden en dat verdachte en zijn medeverdachten gewapend waren, in het geval van de overval op de (NAAM TANKSTATION) met grote messen en in het geval van de overval op de (naam supermarkt) met een op een vuurwapen gelijkend voorwerp. De rechtbank acht het een feit van algemene bekendheid dat een dergelijk bedreigend handelen voor slachtoffers traumatische gevolgen kan hebben en in de maatschappij veel onrust teweeg brengt.

Toch zal de rechtbank een aanzienlijk lagere straf dan de straf die bij kille toepassing van de LOVS-richtlijn voor deze twee overvallen passend zou zijn te achten, opleggen. Dat is met name gelegen in het feit dat verdachte sterk verminderd toerekeningsvatbaar wordt beschouwd en dat de rechtbank het met het oog op de toekomst van het grootste belang acht dat verdachte, zoals door de deskundigen wordt geadviseerd, wordt behandeld. De rechtbank acht de eis van de officier van justitie dan ook passend en zal de aanbevolen klinische behandeling van verdachte in de FPA te Wolfheze als bijzondere voorwaarde bij een voorwaardelijk strafdeel in het vonnis opnemen.

Beslag

Gebleken is dat verdachte het onder 1 bewezen verklaarde feit heeft begaan met behulp van het in beslag genomen vleesmes en de bivakmuts. De rechtbank zal deze voorwerpen aan het verkeer onttrekken nu ze vatbaar zijn voor onttrekking, aangezien met behulp van deze voorwerpen het onder 1 bewezen geachte is begaan en deze voorwerpen van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet en het algemeen belang nu de voorwerpen kunnen dienen tot het begaan of de voorbereiding van soortgelijke feiten.

De rechtbank zal de teruggave aan verdachte gelasten van de blijkens de aan dit vonnis gehechte beslaglijst in beslag genomen voorwerpen genummerd 1 tot en met 9, 11, 12 en 14, te weten

1. 1.00 STK Theedoek;

2. 1.00 STK Jas, zwart met bruine bontkraag;

3. 1.00 STK Sportschoenen, wit NIKE;

4. 1.00 STK Jas, zwart, glimmende stof;

5. 1.00 STK Jas, zwart, MOCLER;

6. 1.00 STK Mobiele telefoon, rood;

7. 1.00 STK Simkaart, Lyca;

8. 1.00 STK Rugzak, Motorola;

9. 1.00 STK Jas, zwart;

11. 1.00 STK Jas, zwart jas/vest met goudkleurige print;

12. 1.00 STK Contractbevestiging T-mobile;

14. 1.00 STK Bandana, rood/wit.

Het blijkens de aan dit vonnis gehechte beslaglijst onder nummer 13 in beslag genomen magazijn voor een imitatie uzi behoort niet aan verdachte toe, maar aan medeverdachte (medeverdachte). De officier van justitie heeft ter zitting verklaard dat zij in de zaak tegen (medeverdachte) onttrekking aan het verkeer van dit voorwerp zal vorderen.

Benadeelde partijen

Benadeelde partij (slachtoffer 3)

Bij het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan, dat de benadeelde partij (slachtoffer 3) rechtstreeks schade heeft geleden ten gevolge van het ten laste van verdachte onder 2 bewezen verklaarde feit.

De hoogte van die schade is, gelet op de inhoud van het “voegingsformulier benadeelde partij in het strafproces” en gelet op hetgeen tijdens het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen, genoegzaam komen vast te staan tot tenminste een bedrag van € 1.643,80, vermeerderd met de kosten die -tot op heden- worden begroot op nihil. Het bedrag van

€ 1.643,80 bestaat uit de gemaakte reiskosten van € 42,80 en de kosten voor rechtsbijstand van € 101,--. De rechtbank begroot de geleden immateriële schade naar redelijkheid en billijkheid op een bedrag van tenminste € 1.500,--.

De vordering van de benadeelde partij (slachtoffer 3), die in die vordering ontvankelijk is, is in dier voege toewijsbaar tot een bedrag van € 1.643,80.

De verdachte is voor de schade, voor zover toegewezen, naar burgerlijk recht hoofdelijk aansprakelijk.

De vordering van de benadeelde partij (slachtoffer 3) is naar het oordeel van de rechtbank voor wat het meer gevorderde betreft niet van zo eenvoudige aard dat deze zich leent voor behandeling in het strafgeding. De rechtbank zal derhalve bepalen dat de benadeelde partij in die vordering voor dat deel niet ontvankelijk is en dat de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

De rechtbank zal voorts aan de verdachte op de voet van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van bovengenoemde geldsom van € 1.643,80 ten behoeve van het slachtoffer (slachtoffer 3).

Benadeelde partij (slachtoffer 2)

Bij het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan, dat de benadeelde partij (slachtoffer 2) rechtstreeks schade heeft geleden ten gevolge van het ten laste van verdachte onder 2 bewezen verklaarde feit.

De hoogte van die schade is, gelet op de inhoud van het “voegingsformulier benadeelde partij in het strafproces” en gelet op hetgeen tijdens het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen, genoegzaam komen vast te staan tot een bedrag van € 796,--, vermeerderd met de kosten die -tot op heden- worden begroot op nihil.

De vordering van de benadeelde partij, die in die vordering ontvankelijk is, is in dier voege toewijsbaar.

De verdachte is voor de schade, voor zover toegewezen, naar burgerlijk recht hoofdelijk aansprakelijk.

De rechtbank zal voorts aan de verdachte op de voet van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van bovengenoemde geldsom van € 796,00 ten behoeve van het slachtoffer (slachtoffer 2).

De oplegging van straf of maatregel is, behalve op de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften, gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 27, 36b, 36c, 36f, 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het onder 1 en 2 ten laste gelegde is bewezen zoals hiervoor aangegeven en levert de strafbare feiten op, zoals hiervoor vermeld. De verdachte is deswege strafbaar.

Het onder 1 en 2 meer of anders ten laste gelegde is niet bewezen en de verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden.

De tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, zal bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering worden gebracht.

Van de gevangenisstraf zal een gedeelte, groot 24 maanden, niet worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond van het feit dat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van twee jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of gedurende die proeftijd de hierna te melden bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd.

Als bijzondere voorwaarde wordt gesteld dat de verdachte zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen, te geven door of namens de Reclassering, zulks zolang deze instelling of een door haar aan te wijzen andere reclasseringsinstelling dat gedurende de proeftijd nodig oordeelt, met opdracht aan die instelling als bedoeld in artikel 14d van het Wetboek van Strafrecht.

Als bijzondere voorwaarde wordt voorts gesteld dat de verdachte zich klinisch zal laten behandelen in een forensisch psychiatrische afdeling (FPA) van Wolfheze of van een ander vergelijkbaar psychiatrisch centrum. De rechtbank bepaalt de duur van de klinische behandeling op maximaal twee jaar, of zoveel korter als de leiding van de FPA dit, in overleg met de reclassering, noodzakelijk oordeelt. De verdachte zal zich daarbij houden aan de regels die door of namens de leiding van de FPA zullen worden gegeven.

Beslag

De rechtbank verklaart onttrokken aan het verkeer het vleesmes en de bivakmuts opgenomen onder nummer 8 en 10 van de aan dit vonnis gehechte beslaglijst.

De rechtbank gelast de teruggave aan verdachte gelasten van de blijkens de aan dit vonnis gehechte beslaglijst in beslag genomen voorwerpen genummerd 1 tot en met 9, 11, 12 en 14, te weten:

1. 1.00 STK Theedoek;

2. 1.00 STK Jas, zwart met bruine bontkraag;

3. 1.00 STK Sportschoenen, wit NIKE;

4. 1.00 STK Jas, zwart, glimmende stof;

5. 1.00 STK Jas, zwart, MOCLER;

6. 1.00 STK Mobiele telefoon, rood;

7. 1.00 STK Simkaart, Lyca;

8. 1.00 STK Rugzak, Motorola;

9. 1.00 STK Jas, zwart;

11. 1.00 STK Jas, zwart jas/vest met goudkleurige print;

12. 1.00 STK Contractbevestiging T-mobile;

14. 1.00 STK Bandana, rood/wit.

Schadevergoeding

Benadeelde partij (slachtoffer 3)

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij (slachtoffer 3), wonende te Deventer, van een bedrag van € 1.643,80 (zegge: zestienhonderddrieenveertig euro en 80 eurocent) vermeerderd met de wettelijke rente sinds de dag waarop het thans onder 2 bewezen verklaarde feit jegens de benadeelde partij werd gepleegd, te weten 28 december 2010, tot die van de voldoening, hoofdelijk met dien verstande dat indien en voor zover (één van) zijn mededaders betaalt/betalen, verdachte in zoverre van deze verplichting zal zijn bevrijd.

De verdachte wordt voorts veroordeeld in de kosten, door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

De rechtbank legt op aan verdachte de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag, groot € 1.643,80, ten behoeve van het slachtoffer (slachtoffer 3), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 26 dagen hechtenis.

De rechtbank bepaalt dat, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

De rechtbank bepaalt dat de benadeelde partij (slachtoffer 3) voor wat het meer gevorderde betreft in haar vordering niet ontvankelijk is en dat zij haar vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

De rechtbank bepaalt dat, indien verdachte en/of zijn mededaders heeft/hebben voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat, daarmee verdachtes verplichting tot betaling aan de benadeelde partij (slachtoffer 3) in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien verdachte en/of zijn mededaders heeft/hebben voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij (slachtoffer 3), daarmee verdachtes verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Benadeelde partij (slachtoffer 2)

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij (slachtoffer 2), wonende te Schalkhaar, van een bedrag van € 796,-- (zegge: zevenhonderdzesennegentig euro) vermeerderd met de wettelijke rente sinds de dag waarop het thans onder 2 bewezen verklaarde feit jegens de benadeelde partij werd gepleegd, te weten 28 december 2010, tot die van de voldoening, hoofdelijk met dien verstande dat indien en voor zover (één van) zijn mededaders betaalt/betalen, verdachte in zoverre van deze verplichting zal zijn bevrijd.

De verdachte wordt voorts veroordeeld in de kosten, door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

De rechtbank legt op aan verdachte de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag, groot € 796,--, ten behoeve van het slachtoffer (slachtoffer 2), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 15 dagen hechtenis.

De rechtbank bepaalt dat, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

De rechtbank bepaalt dat, indien verdachte en/of zijn mededaders heeft/hebben voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat, daarmee verdachtes verplichting tot betaling aan de benadeelde partij (slachtoffer 2) in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien verdachte en/of zijn mededaders heeft/hebben voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij (slachtoffer 2), daarmee verdachtes verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Aldus gewezen door mr. A.J. Louter, voorzitter, mrs. G.A. Versteeg en F.E.J. Goffin, rechters, in tegenwoordigheid van mr. V.E.J.A. Heijckmann als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 20 december 2011.

Mr. A.J. Louter is buiten staat om dit vonnis mede te ondertekenen.