Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2011:BV6714

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
22-09-2011
Datum publicatie
08-03-2012
Zaaknummer
189299 / KG ZA 11-375
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Auteursrecht. Vraag of het auteursrecht op een door de werknemer vervaardigd werk aan de werkgever dan wel de werknemer toekomt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2012-0229
XpertHR.nl 2013-398915
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Sector civiel recht

Locatie Lelystad

zaaknummer / rolnummer: 189299 / KG ZA 11-375

Vonnis in kort geding van 20 september 2011

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

BCM ACADEMY B.V.,

gevestigd te Nunspeet,

eiseres,

advocaat mr. A. Foppen te Harderwijk,

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

advocaat mr. J.R. Bügel te Dronten.

Partijen zullen hierna BCM en [gedaagde] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met 10 producties

- de fax van 8 september 2011 van BCM met productie 11

- de fax van 8 september 2011 van [gedaagde] met 3 producties

- de mondelinge behandeling

- de pleitnota van BCM

- de pleitnota van [gedaagde].

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Tussen partijen heeft een arbeidsovereenkomst bestaan op grond waarvan [gedaagde] de functie van 'Principal Educational Services' heeft bekleed.

2.2. Partijen zijn gedurende de looptijd van de arbeidsovereenkomst op 15 november 2007 een relatiebeding overeengekomen. Deze luidt als volgt:

'De medewerker, wiens dienstverband met werkgever is geëindigd dient, na het einde van het dienstverband, een redelijke mate van zorgvuldigheid te betrachten jegens werkgever. Het (doen) verrichten van werkzaamheden die liggen op het terrein van de werkzaamheden van werkgever in de ruimste zin van het woord, voor eigen rekening of via een derde, bij, ten behoeve van, of gericht op relaties van BCM Academy, is gedurende een periode van één jaar, vanaf het moment dat de arbeidsovereenkomst is geëindigd, zonder schriftelijke toestemming van werkgever niet geoorloofd (onderstr. vzr.). Deze toestemming zal slechts worden verleend, indien voldoende zekerheid kan worden verkregen, dat de belangen van werkgever niet worden geschaad door vorenbedoelde werkzaamheden. Een lijst van dergelijke relaties zal bij einde van het dienstverband door werkgever worden opgesteld.'

2.3. De kantonrechter heeft bij beschikking van 30 november 2010 de arbeidsovereenkomst pro forma ontbonden met ingang van 1 januari 2011. Partijen zijn daarnaast op 26 november 2010 een vaststellingsovereenkomst overeengekomen. De vaststellingsovereenkomst bepaalt in artikel 13:

'Tot de arbeidsovereenkomst behoort het concurrentie- en relatiebeding als opgenomen en door de partijen getekend in de allogne bij de arbeidsovereenkomst van 15 november 2007. Deze blijft onverkort van kracht.

De relaties die de heer [gedaagde] in dit kader zonder schriftelijke toestemming van BCM niet mag benaderen gedurende één jaar na beëindiging van de arbeidsovereenkomst zijn opgenomen in een lijst die als bijlage 4 aan deze vaststellingsovereenkomst wordt gehecht. Ten aanzien daarvan wordt nader opgemerkt dat de heer [gedaagde] bij of in een onderneming werkzaam mag zijn die gelijke activiteiten ontplooit als BCM Academy, en wel in de functie van manager, doch pertinent niet in de functie van trainer (onderstr. vzr.).'

2.4. Artikel 8 van de vaststellingsovereenkomst bepaalt:

'De heer [gedaagde] zal alle aan hem in het kader van de arbeidsovereenkomst ter beschikking gestelde zaken en/of bescheiden conform het overzicht (bijlage 3) uiterlijk 1 januari 2011 aan BCM ter hand te stellen. BCM zal aan de heer [gedaagde] zijn persoonlijke bezittingen, voor zover nog op het bedrijf van BCM aanwezig, afgeven.'

2.5. Bijlage 3 bij de vaststellingsovereenkomst noemt onder meer passwords, toegangscodes en digitale bestanden als zaken en bescheiden die [gedaagde] aan BCM ter hand dient te stellen.

2.6. [gedaagde] heeft vanaf 1 januari 2011 enkele relaties van BCM zoals vermeld op de hiervoor genoemde lijst van bijlage 4 benaderd. Daarnaast heeft [gedaagde] een onderneming gestart met de naam 'BCxPert'. Volgens het uittreksel uit het Handelsregister betreft deze onderneming een bedrijfsorganisatie-adviesbureau dat zich bezighoudt met het ontwikkelen en implementeren van business continuity management ('BCM') processen.

2.7. [gedaagde] heeft voorts een pocketboek uitgebracht met de titel 'Practice makes Perfect' met als ondertitel 'Testen in het business continuity management-proces'

3. Het geschil

3.1. BCM vordert - samengevat - dat de voorzieningenrechter bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis:

I. [gedaagde] verbiedt om vanaf de dag van betekening van het in deze zaak te wijzen vonnis, relaties van BCM als vermeld op bijlage 4 bij de vaststellingsovereenkomst tot 1 januari 2012 te contacteren en/of te benaderen, noch bij, ten behoeve van, of gericht op deze relaties werkzaamheden te (doen) verrichten die liggen op het terrein van de werkzaamheden van BCM in de ruimste zin van het woord dan wel bij of in een onderneming die gelijke activiteiten als BCM ontplooit werkzaam te zijn in de functie van trainer en/of opleider;

II. [gedaagde] veroordeelt om vanaf de dag van betekening van het in deze zaak te wijzen vonnis de publicatie, verspreiding en/of verveelvoudiging van het in juni 2010 (vzr: bedoeld wordt: 2011) uitgegeven pocketboek genaamd 'Practice makes Perfect' (met de ondertitel 'testen in het business continuity management-proces') te staken en gestaakt te houden;

III. [gedaagde] veroordeelt om binnen tien dagen vanaf het in deze zaak te wijzen vonnis aan BCM, onder overlegging van bewijsstukken, opgaaf te doen van het aantal uitgegeven (gedrukte) exemplaren van het onder II vermelde pocketboek, alsmede het aantal nog in zijn bezit zijnde exemplaren en het aantal verspreide exemplaren;

IV. [gedaagde] veroordeelt om binnen tien dagen vanaf het in deze zaak te wijzen vonnis de nog in zijn bezit zijnde exemplaren van het onder II vermelde pocketboek te vernietigen en BCM daarvan bewijs van vernietiging te verstrekken;

V. [gedaagde] veroordeelt om binnen tien dagen vanaf het in deze zaak te wijzen vonnis de verspreide exemplaren van het onder II vermelde pocketboek bij de ontvangers ervan op te vragen en hen de boekjes te laten retourneren, en - vervolgens - binnen één week na terugontvangst de betreffende exemplaren te vernietigen en BCM bewijs van het aantal terugontvangende exemplaren en de vernietiging daarvan te verstrekken;

VI. [gedaagde] veroordeelt om binnen zeven dagen vanaf het in deze zaak te wijzen vonnis de (digitale) bestanden en overige bescheiden die hij nog van BCM onder zich heeft aan BCM af te geven;

Het onder I tot en met V gevorderde op straffe van verbeurte van een dwangsom van EUR 10.000,00, en het onder VI gevorderde op straffe van verbeurte van een dwangsom van EUR 5.000,00, voor iedere dag of gedeelte van een dag dat [gedaagde] in gebreke blijft met de gehele of gedeeltelijke nakoming van het in deze zaak te wijzen vonnis, alsmede met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten ten bedrage van EUR 5.000,00.

3.2. [gedaagde] voert verweer.

3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. De vorderingen van BCM zijn in te delen in drie onderwerpen. De voorzieningenrechter zal ze hierna afzonderlijk bespreken.

Relatiebeding

4.2. Ter onderbouwing van haar vordering sub I stelt BCM het volgende. [gedaagde] heeft in strijd met het relatiebeding gehandeld door binnen één jaar na het eindigen van de arbeidsovereenkomst zonder toestemming van BCM haar relaties te benaderen. Dat heeft [gedaagde] gedaan door sollicitatiebrieven te sturen naar diverse relaties van BCM. [gedaagde] heeft voorts een eigen onderneming opgericht die dezelfde activiteiten als BCM verricht, zodat [gedaagde] ook op dat punt in strijd met het concurrentie- en relatiebeding handelt.

4.3. [gedaagde] stelt dat hij het relatiebeding is nagekomen. Daartoe voert hij dan dat partijen met het overeenkomen van de vaststellingsovereenkomst de reikwijdte van het relatiebeding is ingeperkt. Het is [gedaagde] hierdoor wel toegestaan relaties van BCM te benaderen. Slechts voorzover dat benaderen gericht zou zijn op het verrichten van werkzaamheden in de functie van trainer legt de vaststellingsovereenkomst hem een verbod op. [gedaagde] stelt dat het hem uitdrukkelijk wel is toegestaan werkzaam te zijn voor relaties van BCM in de functie van manager. Nu BCM aldus [gedaagde] geen feiten of omstandigheden heeft aangevoerd waaruit blijkt dat [gedaagde] de in het relatiebeding verboden werkzaamheden heeft verricht, dient de vordering te worden afgewezen.

[gedaagde] stelt voorts dat het relatiebeding hem niet verbiedt een eigen onderneming op te richten die dezelfde diensten als BCM aanbiedt. Het is hem alleen niet toegestaan met deze onderneming het relatiebeding te overtreden. Daarvan is aldus [gedaagde] geen sprake.

Ten slotte stelt [gedaagde] dat het door BCM onder I gevorderde verbod te ruim is geformuleerd, zodat deze vordering geen rechtsgrond heeft.

4.4. De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

4.5. De vaststellingsovereenkomst bepaalt ten aanzien van het tussen partijen bestaande relatiebeding dat het [gedaagde] is toegestaan om bij of in een onderneming werkzaam te zijn die gelijke activiteiten als BCM ontplooit, zolang deze werkzaamheden zich beperken tot de functie van manager. Werkzaamheden in de functie van trainer zijn hem uitdrukkelijk verboden. De voorzieningenrechter is van oordeel dat enkel sprake kan zijn van handelen in strijd met het relatiebeding voor zover [gedaagde] werkzaamheden als trainer heeft verricht. BCM heeft niet gesteld dat [gedaagde] dergelijke werkzaamheden heeft verricht, zodat niet is komen vast te staan dat [gedaagde] in strijd met het relatiebeding heeft gehandeld. De vordering sub I zal daarom worden afgewezen.

Auteursrecht pocketboek

4.6. Ter onderbouwing van haar vorderingen sub II tot en met V stelt BCM dat haar op grond van artikel 7 Auteurswet het auteursrecht van het pocketboek toekomt. Daartoe voert BCM aan dat het idee van het boek van BCM afkomstig is en dat BCM [gedaagde] opdracht heeft gegeven om dit boek ten tijde van zijn dienstverband bij BCM te schrijven in het kader van een serie pocketboekjes waarvan er reeds twee waren verschenen. [Uit pagina 2 van het overgelegde concept volgt dat het een derde deel in een reeks van drie gaat. Zie opmerking onder 4.7.]

4.7. [gedaagde] stelt dat hem de auteursrechten van (de tekst van) het pocketboek toekomen. [gedaagde] voert daartoe aan dat hij de auteur is, en hij de teksten op persoonlijke titel in zijn vrije tijd heeft geschreven. Omdat het schrijven van de teksten niet tot zijn takenpakket behoorde is [gedaagde] de maker en komt hem het auteursrecht toe. [gedaagde] stelt voorts dat BCM hem ook geen uitdrukkelijke opdracht gegeven om deze teksten te vervaardigen en dateren de teksten van vóór 2004, derhalve voordat [gedaagde] bij BCM in dienst trad. Bovendien heeft interimmanager [interimmanager BCM] verklaard dat [gedaagde] gedurende [interimmanager BCM]'s interimperiode bij BCM van januari [2008 of 2009, moeilijk leesbaar. Yvonne: bij jou wel te lezen? Fax Bügel van 8 september, productie 2] tot en met juli 2010 niet in opdracht van BCM aan een pocketboek heeft gewerkt.

[De opmerking op pagina 2 van de concepttekst ziet op de derde fase in het proces van business continuity management, welk proces uit 6 tot 7 fasen bestaat. NB: Niet relevant indien het auteursrecht aan [gedaagde] toekomt: in dat geval bij einde dienstverband geen rechten van BCM op de tekst, ondanks deze opmerking op pagina 2 van het concept]

4.8. De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

4.9. Het auteursrecht van een door een werknemer vervaardigd werk komt de werkgever toe indien de arbeid van werknemer voor werkgever bestaat in het vervaardigen van bepaalde werken. De vraag die voorligt is derhalve of het schrijven van de teksten van het pocketboek behoorde tot de taak van [gedaagde].

4.10. [gedaagde] was werkzaam in de functie van Principal Educational Services. Ter mondelinge behandeling heeft BCM verklaard dat [gedaagde] verantwoordelijk was voor training en opleiding en dat [gedaagde] daarnaast consultancywerkzaamheden verrichtte. Gezien deze toelichting, acht de voorzieningenrechter niet aannemelijk dat het vervaardigen van teksten voor een pocketboek tot de functie van [gedaagde] behoorde. Weliswaar heeft BCM gesteld dat zij [gedaagde] opdracht heeft gegeven de teksten te schrijven, maar gelet op de gemotiveerde betwisting van [gedaagde] is het bestaan van een uitdrukkelijke opdracht niet komen vast te staan. De voorzieningenrechter is van oordeel dat geen sprake is van een auteursrecht van BCM op de teksten van het pocketboek, zodat de vorderingen sub II tot en met V zullen worden afgewezen.

Afgifte digitale bestanden en overige bescheiden

4.11. Ter onderbouwing van haar vordering sub VI stelt BCM dat uit het feit dat [gedaagde] het pocketboek heeft uitgegeven en dus over digitale bestanden van BCM beschikte, kennelijk volgt dat [gedaagde] over meer digitale bestanden en bescheiden van BCM beschikt dan enkel de digitale teksten van het pocketboek. Dat impliceert aldus BCM dat [gedaagde] de vaststellingsovereenkomst niet nakomt. BCM vordert nakoming van de vaststellingsovereenkomst bestaande uit afgifte van alle digitale bestanden en overige bescheiden van BCM, waaronder het concept van het pocketboek.

4.12. [gedaagde] stelt dat hij de vaststellingsovereenkomst ten aanzien van de verplichting tot afgifte van digitale bestanden en overige bescheiden is nagekomen. Daartoe voert hij aan dat hij op 27 november 2010 alle eigendommen van BCM heeft overgedragen. [gedaagde] heeft op 1 december 2010 een inventarislijst van alle ingeleverde zaken opgesteld en aan BCM toegezonden. Van de conceptteksten van het pocketboek stelt [gedaagde] dat hem het auteursrecht toekomt, zodat hij deze niet aan BCM behoeft af te geven.

[gedaagde] stelt ten slotte dat BCM haar vordering onvoldoende heeft gespecificeerd. Buiten de concepttekst voor het pocketboek is onduidelijk welke bestanden [gedaagde] nog aan BCM zou moeten overdragen, zodat het voor [gedaagde] onmogelijk is aan deze vordering te voldoen.

4.13. De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

4.14. Nu de voorzieningenrechter van oordeel is dat het auteursrecht van de concepttekst van het pocketboek niet aan BCM toekomt, heeft BCM geen recht of belang bij deze vordering en dient zij op dit punt te worden afgewezen.

4.15. Ten aanzien van overige bescheiden en bestanden overweegt de voorzieningenrechter dat [gedaagde] gemotiveerd heeft betwist dat hij nog over overige bestanden van BCM beschikt. BCM heeft nagelaten te benoemen welke bestanden [gedaagde] nog aan haar dient over te dragen, zodat niet is komen vast te staan dat [gedaagde] de vaststellingsovereenkomst op dit punt niet nakomt. De vordering sub VI zal daarom worden afgewezen.

Proceskosten

4.16. BCM zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagde] worden begroot op:

- griffierecht EUR 260,00

- salaris advocaat 527,00

Totaal EUR 787,00

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1. wijst de vorderingen af,

5.2. veroordeelt BCM in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op EUR 787,00.

Dit vonnis is gewezen door mr. Y. Telenga en in het openbaar uitgesproken op 20 september 2011.