Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2011:BV2703

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
06-12-2011
Datum publicatie
02-02-2012
Zaaknummer
07/276082-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

brandstichting

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE - LELYSTAD

Sector Strafrecht - Meervoudige Strafkamer

Parketnummer: 07.276082-10 (P)

Uitspraak: 6 december 2011

VONNIS IN DE STRAFZAAK VAN:

het openbaar ministerie

tegen

(verdachte)

geboren op (Geboortedatum+Geboorteplaats)

wonende te (Adres+Woonplaats)

ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 22 november 2011.

De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. P.L. Hellinga, advocaat te Zwolle.

Als officier van justitie was aanwezig mr. R. Schoo.

TENLASTELEGGING

De verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 10 oktober 2010 te Lemele, gemeente Ommen, opzettelijk brand heeft gesticht op/aan één of meer benzinepompen van een benzinestation, immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk een brandende aansteker, in elk geval opzettelijk (open) vuur in aanraking gebracht met benzine, althans met (een) brandbare stof(fen), ten gevolge waarvan het plateau en/of een afvoerput behorende bij dat benzinestation geheel of gedeeltelijk is/zijn

verbrand, in elk geval brand is ontstaan,terwijl daarvan gemeen gevaar voor één of meer nabijgelegen panden en/of zich in die panden bevindende personen, in elk geval gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor één of meer personen, in elk geval levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen, te duchten was.

VOORVRAGEN

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in haar vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

BEWIJSMOTIVERING

Het standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot bewezen verklaring van de ten laste gelegde brandstichting waarvan gemeen gevaar voor goederen, levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft bepleit om, hoewel verdachte brand heeft gesticht, de verdachte van het ten laste gelegde vrij te spreken, omdat er naar haar oordeel geen sprake is geweest van de ten laste gelegde gevaarzetting voor goederen of personen.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank overweegt dat op grond van de hierna in voetnoten vermelde bewijsmiddelen - waarvan de onderdelen die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten hieronder zijn weergegeven - een bewezenverklaring van het ten laste gelegde kan volgen.

Aangever (Slachtoffer 1)heeft, zakelijk weergegeven, onder meer verklaard:

Ik ben eigenaar van de benzinepomp, gelegen aan de (plaats) te Lemele. Een persoon heeft benzine op de vloeistofdichte vloer laten vloeien en daarna in brand gestoken. (..) De put stond in brand en gelukkig niet de afleverzuil (pomp). Hierdoor is de brand beperkt gebleven en mogen we van geluk spreken dat niet de installatie vlam heeft gevat, temeer omdat zich op een afstand van 7 à 8 meter een woonhuis bevindt, waar op dat moment een vrouw sliep.

(Getuige 1) heeft, zakelijk weergegeven, onder meer verklaard:

Ik was op zaterdag 9 oktober 2010 omstreeks 23.00 uur bij (plaats). (..) Ik was daar met (verdachte) (..) Ik ben om ongeveer 02.00 uur met (verdachte) naar buiten gegaan. (..)

Toen we buiten waren liepen we richting een benzinepomp daar in de buurt. Bij die benzinepomp waren ook twee meisjes. (..) Toen ik zat te praten met die meisjes stonden ze plotseling op en schreeuwden dat (verdachte) gestoord was. Ik zag dat (verdachte) bij de pomp stond en benzine uit de slang had laten lopen. Hij liet dit voor de pomp op de grond lopen. (..)

Even later brandde het bij de pomp. Dit moet (verdachte) gedaan hebben, want hij was alleen bij die pomp. Toen de meisjes wegrenden ben ik achter (verdachte) aangegaan. Ik kreeg (verdachte) te pakken. Hij zei dat hij de benzine in brand had gestoken. (..) Het brandde heftig. (..) Kort daarop kwam de politie en moest (verdachte) mee. (..)

Getuige (Getuige 2) heeft, zakelijk weergegeven, onder meer verklaard:

Op zondag 10 oktober 2010 omstreeks 01.55 uur waren mijn vriendin (Getuige 3) en ik op de (Plaats) gemeente Ommen, in de buurt van de aldaar staande benzinepomp. (..) Op een gegeven moment liepen er twee jongemannen voor ons langs, een persoon met oorringen en een jonger uitziend persoon met een donkere capuchon op zijn hoofd. (..) Ik zag dat die jongen met capuchon op naar het tankstation liep. (..) Ik zag dat hij de brandstofslang pakte. (..) Ik zag dat er brandstof uitspoot en dat hij met de slang heen en weer ging. Ik zag dat deze brandstof op de grond spatte, vlak voor de brandstofslangen. (..)

Ik zag dat die jongen met capuchon een vlam in zijn hand had. Ik zag dat hij die vlam bij de plas brandstof hield welke op de grond lag. Ik zag toen een flinke grote vlam en ik zag tegelijk dat over enkele vierkante meters de vloer in brand stond. Ik zag ook dat een brandstofslang vlam had gevat. (..) Wij liepen keihard naar (Plaats) Wij hebben ons verhaal gedaan aan een van de beveiligers en zij zijn toen met brandblussers naar de benzinepomp gesprint (..)

(Getuige 3) heeft, zakelijk weergegeven, onder meer verklaard:

Op zondag 10 oktober 2010 omstreeks 01.55 uur bevond ik mij samen met mijn vriendin (Getuige 2) op de (plaats) gemeente Ommen. (..) Wij zaten ter hoogte van de aldaar staande benzinepomp. Op een gegeven moment liepen er twee jongemannen voor ons langs, een jonger persoon met een donkere capuchon op en een iets ouder persoon die oorringen in zijn oor had. (..) Ik zag dat de jongen met capuchon naar het tankstation liep. (..) Even later zag ik dat hij de eerste brandstofslang pakte. Ik zag dat er brandstof uitspoot en dat hij met deze slang heen en weer ging. Ik zag dat deze brandstof als een plas voor de pomp op de grond terecht kwam. (..) Ik zag dat de jongen met de capuchon een vlam in zijn hand had. Ik zag dat hij de vlam bij de brandstofplas hield. Ik zag vrijwel direct een hele grote vlam en ik zag dat de oppervlakte voor de benzinepomp over enkele vierkante meters vlam vatte. Ik zag ook dat de brandstofslang vlam vatte. (..)

Wij liepen hard naar (plaats)Wij hebben een beveiliger ons verhaal gedaan en zij zijn vervolgens met brandblussers naar de benzinepomp gegaan. (..)

Door de verbalisanten (naam 1) en (naam 2) is het volgende omtrent hun bevindingen gerelateerd:

Op zondag 10 oktober 2010 kwam om 02.21 uur de melding van (de portier) Hij gaf aan dat bij het tankstation (Slachtoffer 1) aan de (Adres) brand was gesticht. Onbekenden hadden de slang van de tankautomaat op de grond gelegd en hierna de uitgelopen brandstof in brand gestoken. De portier had deze brand met een poederblusser geblust. Hierop zijn wij ter plaatse gegaan. Op zondag 10 oktober 2010 omstreeks 02.45 uur waren wij bij tankstation (Slachtoffer 1)aan de (Adres+Plaats). Aldaar zagen wij dat de tankplaats, met twee tankautomaten, volledig wit was met een poederachtige substantie. Ter plaatse rook het enorm naar brandstof. (..) (De portier) gaf aan dat hij aan het werk was . Hij werd door twee dames benaderd die hem vertelden dat er brand was bij het tankstation (Getuige 3) en (Getuige 2)). (De Portier) is hierop naar het tankstation gerend en zag dat het tankplateau in vuur en vlam stond en dat er vanuit de afvoerput een steekvlam kwam. Hij zag dat het vuur vlakbij de tankautomaten was. Hij heeft een poederblusser gepakt en heeft het vuur geblust. Het duurde even voordat hij de hele vuurzee uit had. Het hele plateau was in brand. (..)

De verdachte heeft, zakelijk weergegeven, onder meer verklaard:

Ik ben gisteren naar (Plaats) gegaan. (..) Ik ben met (Getuige 1) naar buiten gegaan. (..) Ik ben naar de benzinepomp daar in de buurt gelopen. (..) Ik ben naar de pomp gelopen. Ik heb mijn pinpas gepakt, gepind en de pomp ingeschakeld. (..) Ik liet de benzine gewoon op de grond lopen. (..) Ik heb met mijn aansteker de benzine aangestoken. Het brandde gelijk heftig. (..) Ik ben daar met (getuige 1) weggegaan. (..)

Daarnaast heeft de verdachte ter terechtzitting van 22 november 2011 een bekennende verklaring afgelegd, in zoverre dat hij kort samengevat heeft verklaard dat hij op 10 oktober 2010 te Lemele op een tankstation benzine op de grond - de vloeistofdichte vloer - heeft laten stromen en vervolgens met een aansteker in brand heeft gestoken, waarna hij is weggelopen zonder een poging te doen de ontstane brand te blussen.

Door de verbalisant (naam 3) is het volgende omtrent zijn bevindingen gerelateerd:

Op 23 augustus 2011 heb ik een onderzoek ingesteld op locatie de (Adres+Plaats), gemeente Ommen, waarbij het volgende is bevonden:

Voor perceel is een pompstation gelegen voorzien van twee pompinstallaties. (..) De winkel/woning, perceel te Lemele welke achter de pomp is gelegen ligt op 5 meter van de pomp. In deze woning sliepen twee personen.

Daarachter staat een woning/schuur, perceel , aaneengesloten op perceel 4. Hierin woont een gezin, twee volwassenen en twee kinderen.

De rechtbank heeft tenslotte met betrekking tot het bewijs voor het gevaarzettend handelen door verdachte in haar overwegingen betrokken dat als feit van algemene bekendheid kan worden aangemerkt dat een brand op een tankstation explosiegevaar (bijvoorbeeld als de brand een afleverzuil bereikt/aantast) met zich meebrengt.

BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht derhalve wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte ten laste is gelegd, met dien verstande dat

hij op 10 oktober 2010 te Lemele, gemeente Ommen, opzettelijk brand heeft gesticht op een benzinestation, immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk een brandende aansteker in aanraking gebracht met benzine, ten gevolge waarvan brand is ontstaan,terwijl daarvan gemeen gevaar voor één of meer nabijgelegen panden en/of zich in die panden bevindende personen, in elk geval gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor één of meer personen, te duchten was.

Van het meer of anders ten laste gelegde zal de verdachte worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet wettig en overtuigend bewezen acht.

DE STRAFBAARHEID VAN HET FEIT

Het bewezene levert op:

Opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is,

strafbaar gesteld bij artikel 157 aanhef en onder 1° van het Wetboek van Strafrecht,

en

Opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is,

strafbaar gesteld bij artikel 157 aanhef en onder 2° van het Wetboek van Strafrecht.

Er zijn geen feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluiten. Dit levert het/de genoemde strafbare feit/feiten op.

DE STRAFBAARHEID VAN DE VERDACHTE

Er zijn geen feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is derhalve strafbaar.

OPLEGGING VAN STRAF EN/OF MAATREGEL

Het standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeelde tot:

- een werkstraf van 200 uren, subsidiair 100 dagen hechtenis,

- een gevangenisstraf van 3 maanden geheel voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft voor het geval het tot een bewezenverklaring zou komen bepleit om te volstaan met het opleggen van een werkstraf.

Het oordeel van de rechtbank

Gelet op de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden

waaronder verdachte zich daaraan heeft schuldig gemaakt en op de persoon van verdachte,

zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht de rechtbank de

na te noemen beslissing passend.

Verdachte heeft brand gesticht bij een tankstation. Hij heeft een hoeveelheid benzine op de grond/het tankplateau laten stromen en die benzine vervolgens in brand gestoken. In de directe nabijheid van het tankstation staan woonhuizen. Toen verdachte zag dat de benzine heftig brandde en het vuur groter werd dan hij had verwacht heeft hij geen pogingen gedaan het vuur te blussen, maar is van de plaats van de brand weggelopen. Verdachte heeft daarbij het risico voor lief genomen dat de brand had kunnen escaleren en dat de brand ook op andere objecten, zoals een woning die vlak naast het tankstation is gelegen, had kunnen overslaan. Een dergelijke brandstichting is een delict met een groot gevaarzettend karakter en dient als een zeer ernstig strafbaar feit te worden gekwalificeerd. Naast gevoelens van onrust en onveiligheid bij betrokkenen veroorzaakt brandstichting doorgaans ernstige schade. Door op deze wijze te handelen heeft verdachte zich misdragen en is hij volledig voorbijgegaan aan de belangen van eventuele benadeelden. Dat de schade in dit geval beperkt is gebleven, is niet aan verdachte te danken. Dit alles in aanmerking nemend is de oplegging van een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf in beginsel alleszins gerechtvaardigd.

De rechtbank heeft kennisgenomen van het door prof. dr. F. Koenraadt, gezondheids-psycholoog, op 25 oktober 2011 omtrent verdachte uitgebrachte rapport. Daarin wordt geconcludeerd dat er bij verdachte, wiens intelligentie op laag gemiddeld niveau ligt, weliswaar geen sprake is van een persoonlijkheidstoornis, doch dat er wel persoonlijkheidsproblematiek met vermijdende en afhankelijke trekken is aangetroffen. Hij dient als gevolg van genoemde beperkingen als enigszins verminderd toerekeningsvatbaar te worden aangemerkt. De deskundige acht de kans op recidive minimaal, omdat verdachte erg geschrokken lijkt van zijn handelen en dit handelen oprecht lijkt te betreuren. De deskundige is van mening dat een hulpverleningstraject in een strafrechtelijk afgedwongen kader niet nodig is en dat uit gedragskundig oogpunt kan worden volstaan met een werk- of leerstraf.

De rechtbank heeft voorts kennisgenomen van het door Tactus verslavingszorg op 15 november 2011 omtrent verdachte uitgebrachte rapport. Daarin wordt aangesloten bij de conclusies en het advies van dr. Koenraadt. Geadviseerd wordt een werkstraf op te leggen.

De rechtbank neemt de conclusie van de deskundige dr. Koenraadt betreffende de enigszins verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte op de daarvoor in diens rapport bijeengebrachte gronden over. De rechtbank is, ook overigens rekening houdend met de persoonlijkheid van de verdachte zoals in genoemde rapportages beschreven, en voorts omdat het recidiverisico door de deskundige minimaal wordt geacht en de (im)materiële gevolgen van de brandstichting zeer beperkt zijn gebleven, in dit geval van brandstichting van oordeel dat het opleggen van een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf achterwege kan blijven en kan worden volstaan met het opleggen van een substantiële werkstraf in combinatie met een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf.

De oplegging van straf of maatregel is, behalve op de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften, gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 57 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het ten laste gelegde is bewezen zoals hiervoor aangegeven en levert de strafbare feiten op, zoals hiervoor vermeld. De verdachte is deswege strafbaar.

Het meer of anders ten laste gelegde is niet bewezen en de verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden.

De gevangenisstraf zal niet worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond van het feit dat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 jaar aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

De rechtbank legt aan verdachte op een taakstraf, te weten de werkstraf het verrichten van onbetaalde arbeid gedurende 200 uren.

De rechtbank beveelt dat voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet of niet naar behoren verricht de taakstraf wordt vervangen door 100 dagen hechtenis, althans een aantal dagen hechtenis dat evenredig is aan het niet verrichte aantal uren taakstraf.

Aldus gewezen door mr. G.A. Versteeg, voorzitter, mrs. A.J. Louter en F.E.J. Goffin, rechters, in tegenwoordigheid van A. Samson als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 6 december 2011.