Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2011:BV2702

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
22-11-2011
Datum publicatie
02-02-2012
Zaaknummer
07/680046-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

gewapende overval

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE - LELYSTAD

Sector Strafrecht - Meervoudige Strafkamer

Parketnummer : 07.680046-11 (P)

Uitspraak : 22 november 2011

VONNIS IN DE STRAFZAAK VAN:

het openbaar ministerie

tegen

(Verdachte),

geboren op (Geboortedatum) te (Geboorteplaats),

wonende te 1505 (Adres),

thans verblijvende in de (verblijfplaats).

ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 26 oktober en 8 november 2011. De verdachte is op 8 november 2011 verschenen, bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. P.A.Th. Lemmers, advocaat te Amsterdam. Als officier van justitie was aanwezig mr. R. Verheul.

TENLASTELEGGING, zoals gewijzigd ter terechtzitting

De verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 12 juli 2011 te Hardenberg tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een geldbedrag van 2620 euro, althans enig geldbedrag en/of 45 cadeaucards (naam bedrijf), in elk geval enig(e) goed(eren), geheel of ten dele toebehorende aan (naam bedrijf), in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen (Slachtoffers), gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte en/of zijn mededader:

- een vuurwapen althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp op het lichaam van (Slachtoffer1)heeft gericht en heeft geroepen 'Dit is een overval. Stil!' en/of 'Op de grond!' en/of

- die (Slachtoffer1) hierbij op de grond heeft geduwd en/of

- die (Slachtoffer1) in diens rug en/of op het lichaam heeft geschopt en/of

- de handen van die (Slachtoffer1) op zijn rug heeft vastgebonden en/of

- een vuurwapen althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp op het hoofd en/of het lichaam van (Slachtoffer2)heeft gericht en/of

- die (Slachtoffer2) bij de arm heeft gegrepen en/of heeft meegetrokken en/of

- de handen van die (Slachtoffer2) op haar rug heeft vastgebonden;

2.

hij op of omstreeks 12 juli 2011 te Hardenberg, althans in Nederland, een wapen van de categorie I onder 7, te weten een nabootsing van een pistool dat voor wat betreft de vorm en de afmeting daarvan sprekende gelijkenis vertoont met een vuurwapen (pistool, merk: Stig Sauer, model: P226), voorhanden heeft gehad.

VOORVRAGEN

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

BEWIJSMOTIVERING [1]

Het standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd de veroordeling van verdachte ter zake het onder 1 en 2 ten laste gelegde.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft betoogd dat verdachte de feiten heeft bekend, doch zij wenst daarbij aan te tekenen dat de rol van de medeverdachte aanmerkelijk groter is geweest dan die van verdachte. Zij heeft zich voor wat de bewezenverklaring betreft gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank overweegt, op grond van de hierna in voetnoten vermelde bewijsmiddelen[1], het volgende.

Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde

Aangever (Slachtoffer1)heeft met betrekking tot de overval – onder meer – het volgende verklaard.

Op dinsdag 12 juli 2011, omstreeks 09.30 uur, werd de overval gepleegd. (Slachtoffer1) en zijn collega (Slachtoffer2) waren in de winkel. Er werd op de achterdeur geklopt. (Slachtoffer1) deed open. “Direct daarop kwamen er twee jongemannen naar binnen en ik zag dat een van hen direct een wapen op mijn lichaam richtte. Dit werd gedaan door persoon nr. 1. (…) Het was een pistool. (…) Ik hoorde dat persoon 1 tegen mij zei: ‘Dit is een overval. Stil!’ en ‘Op de grond’ en daarbij duwde hij mij tegen de grond. (…) Ik voelde toen ook dat hij het wapen tegen mijn rug duwde. Hierna bond hij mijn handen op mijn rug vast. (…) Daarna hoorde ik dat persoon nr. 1 mij vroeg om de kluissleutel. Ik zei tegen hem dat (…) mijn collega die had. (…) Ik heb [(Slachtoffer2), Rb] toen enkele keren geroepen. (…) (Slachtoffer2) kwam vervolgens vanuit de winkel het magazijn in. Zij werd toen direct door nr. 2 beet gepakt en tegen de grond gewerkt. (…) Vermoedelijk lag de opbrengst aan contant geld van twee weken in de kluis. Ik schat dat het om een bedrag van 2.500,-- a 3.000,-- euro zal gaan. Het geld zal verpakt hebben gezeten in papieren enveloppen met het opschrift ‘naam bedrijf’.”.

Getuige (Slachtoffer2)heeft – onder meer – verklaard dat toen zij naar de magazijndeur liep, de deur werd open gedaan en zij een man zag “die gelijk een pistool op mijn hoofd richtte. Ik keek in de loop of hoe noem je zo’n ding. (…) De man met het pistool greep mij in de winkel bij de linkerarm en trok mij naar het magazijn. (…) Ik moest op de grond gaan liggen. (…) Ik zag nog dat een van de mannen l [(Slachtoffer1)] een trap in de rug gaf. (…) Toen ik op de grond lag met het gezicht naar beneden bond iemand mijn handen vast op de rug. (…) De man heeft toen de kluissleutel uit mijn broekzak gehaald. (…) Ik kon horen dat de man of mannen achter naar het magazijn liepen, waar de kluis staat. Ik hoorde gerommel bij de kluis en neem aan dat ze het geld dat in de kluis lag hebben weggehaald. (…) Ik zie dat op de kassauitdraai staat dat er 2.620,-- euro in de kluis moet zitten. (…) Dat geld zit in verschillende enveloppen met het opschrift ‘(nnam bedrijf)’.”.

Aangever (Slachtoffer1) en getuige (Slachtoffer2) hebben beiden verklaard dat zij met veters vastgebonden zijn.

In het dossier zit een aantal verklaringen van getuigen die de (vermoedelijke) overvallers in de richting van het station hebben zien lopen en in een bus hebben zien stappen . Het laatste is even¬eens gezien op camerabeelden.

Verdachten zijn in/bij de bus aangehouden. Op de plek waar de medeverdachte (Medeverdachte)had gezeten, hebben de verbalisanten – onder meer – een nylon tas aangetroffen, met daarin – onder meer – een zwart pistool, 6 enveloppen met het opschrift ‘(naam bedrijf)’ en 45 cadeaucards. Bij fouillering van verdachte is een paar rubberen handschoenen en een veter aangetroffen. Naar aanleiding van de camerabeelden in de bus, waarop te zien is dat mede¬verdachte (Medeverdachte) kennelijk iets in zijn handen had, dat hij naast de zitting helemaal rechts in de bus stopte, hebben de verbalisanten tussen de zitting en de binnenkant van de bus een sleutel aangetroffen.

Getuige (Getuige), regiomanager van (naam bedrijf), heeft de 6 enveloppen met daarop het opschrift ‘(naam bedrijf)’ herkend als de enveloppen met daarin de dagopbrengsten en heeft het gestolen bedrag van € 2.620,-- in de enveloppen aangetroffen. De in de bus aangetroffen sleutel heeft hij herkend als de kluissleutel van de winkel.

Verdachte heeft op 12 juli 2011 een bekennende verklaring afgelegd, in zoverre dat hij heeft verklaard dat hij de overval samen met de medeverdachte (Medeverdachte) heeft gepleegd . Volgens verdachte is hij als eerste de (naam bedrijf)binnen gegaan. Hij heeft het pistool op de man in de winkel gericht en gezegd: ‘Dit is een overval.’ en hij heeft gezegd dat de man op de grond moest liggen. Verdachte heeft voorts verklaard dat hij de man heeft vastgebonden met een veter. Toen de collega van de man bij de deur van het magazijn was aangekomen, heeft hij haar bij de arm gepakt en naar het magazijn gebracht. Hij heeft haar (ook) vastgebonden. Op de vraag of hij het pistool ook op haar heeft gericht, heeft verdachte verklaard: ‘Het kan best zijn dat ik het op haar heb gericht, ik heb het ook bij die jongen gedaan, maar ik weet het niet meer.’. Medeverdachte (Medeverdachte) heeft volgens verdachte de kluissleutel uit haar broekzak gehaald en de kluis in een tas geleegd. Daarna zijn ze samen weggerend. Het pistool heeft hij in de tas gedaan. Op 13 en 14 juli 2011 en ter terechtzitting heeft verdachte een en ander bevestigd.

Medeverdachte (Medeverdachte) heeft op 2 november 2011 een bekennende verklaring afgelegd, in zoverre dat hij heeft verklaard dat hij de overval samen met verdachte heeft gepleegd.

Gelet op de hierboven genoemde bewijsmiddelen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft gepleegd.

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde

Op de plek waar de medeverdachte (Medeverdachte)in de bus had gezeten, hebben de verbalisanten – onder meer – een nylon tas aangetroffen, met daarin – onder meer – een zwart (op een) pistool (gelijkend voorwerp).

Verdachte heeft op 12, 13 en 14 juli 2011 en ter terechtzitting verklaard dat hij het pistool bij de overval heeft gebruikt en na de overval in de tas heeft gedaan.

Uit onderzoek is gebleken dat voormeld aangetroffen wapen een nabootsing is van een pistool dat voor wat betreft vorm, afmetingen en kleur een sprekende gelijkenis vertoond met een bestaand vuurwapen, namelijk een pistool van het merk Sig Sauer, model P226, zodat sprake is van een wapen in de zin van artikel 2 lid 1 categorie 1 onder 7 van de WWM, gelet op artikel 3 onder a van de RWM.

Op grond van deze bewijsmiddelen acht de rechtbank ook het onder 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.

BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht derhalve wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 1 en 2 ten laste is gelegd, met dien verstande dat:

1.

hij op 12 juli 2011 te Hardenberg tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een geldbedrag van 2620 euro en

45 cadeaucards (naam bedrijf), toebehorende aan (naam bedrijf), welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen (Slachtoffer1)en

(Slachtoffer2), gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestonden dat verdachte en/of zijn mededader:

- een op een vuurwapen gelijkend voorwerp op het lichaam van (Slachtoffer1)heeft gericht en heeft geroepen 'Dit is een overval. Stil!' en 'Op de grond!' en

- die (Slachtoffer1) hierbij op de grond heeft geduwd en

- die (Slachtoffer1) in diens rug en/of op het lichaam heeft geschopt en

- de handen van die (Slachtoffer1) op zijn rug heeft vastgebonden en

- een op een vuurwapen gelijkend voorwerp op het hoofd en/of het lichaam van (Slachtoffer2)heeft gericht en

- die (Slachtoffer2) bij de arm heeft gegrepen en heeft meegetrokken en

- de handen van die (Slachtoffer2) op haar rug heeft vastgebonden;

2.

hij op 12 juli 2011 te Hardenberg, een wapen van de categorie I onder 7, te weten een nabootsing van een pistool dat voor wat betreft de vorm en de afmeting daarvan sprekende gelijkenis vertoont met een vuurwapen (pistool, merk: Stig Sauer, model: P226), voorhanden heeft gehad.

Van het onder 1 en 2 meer of anders ten laste gelegde zal de verdachte vrijgesproken worden aangezien de rechtbank dat niet wettig en overtuigend bewezen acht.

DE STRAFBAARHEID VAN HET FEIT

Het bewezene levert op:

1. Diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen,

strafbaar gesteld bij artikel 312 juncto artikel 310 van het Wetboek van Strafrecht.

2. Handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet Wapens en Munitie, strafbaar gesteld bij artikel 55 van de Wet Wapens en Munitie.

Er zijn geen feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluiten. Dit levert de genoemde strafbare feiten op.

DE STRAFBAARHEID VAN DE VERDACHTE

Op 12 juli 2011 heeft verdachte verklaard dat hij door de medeverdachte (Medeverdachte) is bedreigd met een mes en zo is gedwongen om de overval te plegen. Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat deze verklaring in zoverre niet klopt, dat hij door de medeverdachte (Medeverdachte) niet is bedreigd. Vlak voor de overval stond de medeverdachte (Medeverdachte) wel met een mes achter hem, ‘maar dat mes was alleen bedoeld voor de overval, denk ik’, aldus verdachte.

Verdachte heeft verder verklaard dat de medeverdachte (Medeverdachte) hem wel heeft gepusht en dat hij in paniek is geraakt. Hij wist bij de Jumbo (ongeveer een uur voor de overval) dat het ‘goed mis’ was, maar hij is niet weggerend. Hij had geen geld voor de trein en wist niet waar hij het pistool moest laten. Hij werd pas wakker toen hij het pistool op aangever (Slachtoffer1)richtte, aldus verdachte.

Voor zover verdachte heeft bedoeld om hiermee te zeggen dat sprake is geweest van psychische overmacht, ziet de rechtbank daarvoor in de gegeven feiten en omstandigheden geen grondslag.

De rechtbank is evenmin gebleken van andere feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

Verdachte is derhalve strafbaar.

OPLEGGING VAN STRAF EN/OF MAATREGEL

Het standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van drie jaren met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht, waarvan één jaar voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren, met de bijzondere voorwaarden:

- dat verdachte zich zal gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen te geven door of namens de Reclassering,

- dat verdachte zich binnen drie dagen volgend op zijn invrijheidsstelling zal melden bij de Reclassering Nederland te Amsterdam, (adres),

- dat verdachte zal deelnemen aan de gedragsinterventies: cognitieve vaardigheids¬training (CoVa) en een leefstijltraining (kort),

- dat verdachte zich zal laten behandelen in een forensische psychiatrische deeltijd¬kliniek zoals De Waag in Amsterdam.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft betoogd dat verdachte zich inmiddels zwaar gestraft voelt door het isolement waarin hij zich in het Huis van Bewaring bevindt. Door het isolement ervaart hij angst en stress die zijn psychische problemen als hallucinaties en depressiviteit verergeren. Voorts heeft zij aangevoerd dat bij een lange onvoorwaardelijke gevangenisstraf een zekere verharding wordt gevreesd, waardoor hij minder goed behandelbaar wordt en de mogelijkheden voor gedragsbeïnvloeding afnemen. De raadsvrouw heeft de rechtbank verzocht hiermee rekening te houden en aan verdachte een straf gelijk aan het voorarrest op te leggen met daarnaast een flinke voorwaardelijke gevangenisstraf met de bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering zijn geformuleerd. De raadsvrouw heeft subsidiair verzocht aan verdachte een zo kort mogelijke onvoorwaardelijke straf op te leggen.

Het oordeel van de rechtbank

Gelet op de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden

waaronder verdachte zich daaraan heeft schuldig gemaakt en op de persoon van verdachte,

zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht de rechtbank de

hierna te noemen beslissing passend.

De rechtbank is in dit geval van oordeel dat een deels onvoorwaardelijke vrijheidsstraf noodzakelijk is, omdat de aard en ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, door een lichtere strafrechtelijke afdoening van de zaak miskend zouden worden. Bijzondere omstandigheden die tot een ander oordeel zouden moeten voeren, acht de rechtbank niet aanwezig.

De rechtbank rekent het verdachte zwaar aan dat hij de (naam bedrijf)heeft overvallen en zeer bedreigend heeft gehandeld ten opzichte van de in de winkel aanwezige medewerkers. Verdachte heeft een pistool op aangever (Slachtoffer1) en getuige (Slachtoffer2) gericht, hen bedreigend toegesproken en hen vastgebonden. Het is een feit van algemene bekendheid dat dergelijk bedreigend handelen voor de slachtoffers traumatische gevolgen kan hebben en in de maatschappij veel onrust teweeg brengt. Voorts houdt de rechtbank rekening met het feit dat verdachte geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid die hij op verschillende tijdstippen heeft gehad, om de voorgenomen overval niet tot uitvoering te brengen.

De oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk overleg van voorzitters van de strafsectoren van de gerechtshoven en de rechtbanken (LOVS) bieden voor een overval op een winkel met (substantieel) geweld als oriëntatiepunt: 3 jaren gevangenisstraf onvoor¬waardelijk.

Bij het nemen van haar beslissing heeft de rechtbank voorts rekening gehouden met:

- een de verdachte betreffend adviesrapport d.d. 28 oktober 2011, uitgebracht door C. Heutinck, Reclassering Nederland;

- een de verdachte betreffend uittreksel justitiële documentatie d.d. 30 september 2011.

Door Reclassering Nederland is geadviseerd om een (gedeeltelijk) voorwaardelijke gevange¬nisstraf op te leggen, met de volgende bijzondere voorwaarden:

- een meldingsgebod; verdachte moet zich melden bij en houden aan de aanwijzing die de reclassering hem geeft;

- verdachte moet deelnamen aan een Cognitieve vaardigheidstraining (CoVa) en een leefstijltraining (kort);

- verdachte wordt verplicht om zich voor agressieve uitingen c.q. relatieproblemen te laten behandelen in een Forensische psychiatrische deeltijdkliniek zoals De Waag te Amsterdam.

Ten voordele van verdachte heeft de rechtbank bij het bepalen van de strafmaat rekening gehouden met de jonge leeftijd van verdachte en het feit dat hij niet eerder voor strafbare feiten is veroordeeld.

Gelet op het advies van Reclassering Nederland, de jonge leeftijd van verdachte en het feit dat hij niet eerder voor straf¬bare feiten is veroordeeld, ziet de rechtbank in dit geval aanleiding om 3 jaren gevangenisstraf op te leggen, waarvan 1 jaar voorwaardelijk, en aan het voorwaardelijk deel de voorwaarden te verbinden, die door de Reclassering Nederland zijn geadviseerd. Dit is conform de eis van de Officier van Justitie.

De rechtbank beoogt hiermee verdachte enerzijds passend te straffen en anderzijds te voor¬komen dat verdachte in de toekomst opnieuw strafbare feiten pleegt.

De oplegging van deze straf is, behalve op de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften, gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 27 en 57 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het onder 1 en 2 ten laste gelegde is bewezen zoals hiervoor aangegeven en levert de strafbare feiten op, zoals hiervoor vermeld. Verdachte is deswege strafbaar.

Het onder 1 en 2 meer of anders ten laste gelegde is niet bewezen en verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

De rechtbank veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) jaren.

De tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voor¬lopige hechtenis doorgebracht, zal bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering worden gebracht.

Van de gevangenisstraf zal een gedeelte, groot 1 (één) jaar, niet worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond van het feit dat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van twee jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of gedurende die proeftijd de hierna te melden bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.

Als bijzondere voorwaarden worden gesteld:

- dat verdachte zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen, te geven door of namens de Reclassering Nederland, zulks zolang deze instelling of een door haar aan te wijzen andere reclasseringsinstelling dat gedurende de proeftijd nodig oordeelt, met opdracht aan die instelling als bedoeld in artikel 14d van het Wetboek van Strafrecht.

- dat verdachte zich binnen drie dagen volgend op zijn invrijheidsstelling zal melden bij Reclassering Nederland te Amsterdam, (adres),

- dat verdachte zal deelnemen aan de gedragsinterventies: cognitieve vaardigheids¬training (CoVa) en een leefstijltraining (kort),

- dat verdachte zich ambulant zal laten behandelen in een forensische psychiatrische deeltijdkliniek zoals De Waag in Amsterdam.

Aldus gewezen door mr. A.P.W. Esmeijer, voorzitter, mrs. G.A. Versteeg en F.E.J. Goffin, rechters, in tegenwoordigheid van W.F. Grotenhuis als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 22 november 2011.

De griffier, W.F. Grotenhuis, is buiten staat het vonnis mede te ondertekenen.