Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2011:BV2156

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
12-10-2011
Datum publicatie
08-03-2012
Zaaknummer
174205 / HA ZA 10-1040
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vraag of sprake is van borgtocht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Sector civiel recht

Locatie Zwolle

zaaknummer / rolnummer: 174205 / HA ZA 10-1040

Vonnis van 12 oktober 2011

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

HEINEKEN NEDERLAND B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

eiseres,

advocaat mr. J. Bonnema te Leeuwarden,

tegen

1. [gedaagde sub 1],

wonende te [plaats],

2. [gedaagde sub 2],

wonende te [plaats],

gedaagden,

advocaat mr. M.H.J. Miltenburg te Leeuwarden.

Partijen zullen hierna ook Heineken, [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] genoemd worden.

De procedure tegen de gelijktijdig met [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] gedagvaarde Costa Horeca Beheer B.V., hierna te noemen: Costa, is als gevolg van de faillietverklaring van Costa van rechtswege geschorst.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 1 december 2010

- de brief d.d. 2 februari 2011 van de zijde van gedaagden met bijlage

- de brief d.d. 2 februari 2011 van de zijde van gedaagden met als bijlage de twee producties behorende bij de conclusie van antwoord

- het proces-verbaal van comparitie van 3 februari 2011

- de akte houdende overlegging producties van de zijde van Heineken

- de antwoordakte van de zijde van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2].

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] zijn gezamenlijk bestuurder alsmede enig aandeelhouder van Costa c.s.

2.2. Tussen Costa, toen nog een besloten vennootschap in oprichting, en Heineken is een overeenkomst van geldlening gesloten welke is vastgelegd in een onderhandse akte die door partijen is ondertekend d.d. 16 maart 2005. Ten tijde van de ondertekening werd Costa rechtsgeldig vertegenwoordigd door haar oprichters [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2]. De overeenkomst van geldlening, hierna kortweg te noemen: de overeenkomst, bevat - voor zover van belang - de navolgende bepalingen:

"De ondergetekenden:

1. ...;

2. COSTA HORECA BEHEER B.V. i.o., te vestigen te ZWOLLE, hierna te noemen de ondernemer, ten dezen rechtsgeldig vertegenwoordigd door haar oprichters [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2], die zich beiden reeds nu alsmede voor de periode na de oprichting hoofdelijk aansprakelijk stellen voor de nakoming van alle verplichtingen die voor de ondernemer uit deze overeenkomst voortvloeien, ...;

(...)

verklaren te zijn overeengekomen als volgt:

1. Geldlening

1.1 De brouwerij verstrekt aan de ondernemer ten behoeve van het bedrijf, gevestigd in het pand gelegen aan de [adres], hierna met inbegrip van alle aanhorigheden en terrassen aangeduid als het pand, een bedrag groot EUR 125,000,00 (éénhonderd vijfentwintigduizend euro). ...

(...)

1.8.1 Het is partijen bekend dat van het te verstrekken krediet een bedrag groot EUR 65.000,00 (vijfenzestigduizend euro) door de ondernemer gebruikt zal worden om de aandelen van Grand Cafe Max B.V., gevestigd te ZWOLLE over te nemen.

(...)

4.1 De in de tenaamstelling onder 2. genoemde natuurlijke personen en/of rechtspersonen die zich voor de ondernemer hoofdelijk aansprakelijk hebben gesteld, verklaren zich - ieder voor zich - door ondertekening van deze overeenkomst jegens de brouwerij hoofdelijk aansprakelijk voor alle voor de ondernemer uit deze overeenkomst voortvloeiende verplichtingen.

(...)"

2.3. Costa heeft nadien alle aandelen in Grand Café Max B.V. van de heer [A] gekocht. Grand Café Max B.V. is op 12 november 2008 in staat van faillissement verklaard. De exploitatie van Grand Café Max is toen voortgezet door Costa onder de naam Grand Café Samen, doch begin 2010 heeft Costa de exploitatie moeten staken.

2.4. Door Brand Bierbrouwerij B.V. zijn diverse leveranties verricht aan Costa voor een bedrag van EUR 3.824,72.

2.5. Heineken heeft na daartoe verkregen verlof conservatoir beslag op onroerende zaken van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] laten leggen.

3. De vordering

3.1. Heineken vordert - samengevat - bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, hoofdelijke veroordeling van gedaagden tot betaling aan Heineken van EUR 4.357,63 te vermeerderen met de contractuele rente over EUR 3.824,72 vanaf 7 juli 2010, tot betaling aan Heineken van EUR 116.580,64 te vermeerderen met de contractuele rente over EUR 111.287,62 vanaf 7 juli 2010, tot betaling aan Heineken van de buitengerechtelijke kosten ten bedrage van EUR 2.842,00 en hoofdelijke veroordeling van gedaagden in de kosten van de procedure waaronder begrepen de beslagkosten, met dien verstande dat als de één betaalt de ander zal zijn gekweten.

3.2. Heineken legt aan haar vordering ten grondslag de door haar verrichte leveranties en de overeenkomst. Aangezien Costa, [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hun verplichtingen jegens Heineken voortvloeiende uit de overeenkomst niet zijn nagekomen, heeft Heineken de overeenkomst met onmiddellijke ingang beëindigd conform artikel II.2 van de overeenkomst als gevolg waarvan de hoofdsom opeisbaar is geworden.

4. Het verweer

4.1. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] stellen zich op het standpunt dat er sprake is van een particuliere borgtocht. Op Heineken rustte daarom een verregaande zorgplicht. In strijd daarmee heeft Heineken zich de belangen van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] niet aangetrokken. Primair stellen [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] zich op het standpunt dat de particuliere borgtocht nietig is wegens strijd met de goede zeden, subsidiair is de borgtocht vernietigbaar wegens dwaling althans misbruik van omstandigheden. De borgtocht kan voorts nooit verder strekken dan EUR 125.000,00, gelet op artikel 4.3 in samenhang met artikel 1.1. van de overeenkomst.

4.2. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] zijn niet gehouden tot betaling aan Heineken van de overgelegde facturen ten bedrage van EUR 3.824,72 omdat die facturen afkomstig zijn van Brand Bierbrouwerij B.V. en niet van Heineken.

4.3. De buitengerechtelijke kosten zijn niet verschuldigd aangezien geen buitengerechtelijke werkzaamheden zijn verricht.

5. De beoordeling

5.1. Partijen verschillen van mening over de vraag hoe de verplichtingen die voor [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] voortvloeien uit de overeenkomst gekwalificeerd moeten worden. Voorts verschillen partijen van mening over de vraag of de overeenkomst geldt tussen [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] enerzijds en Heineken anderzijds. Alvorens deze laatste vraag te beantwoorden, zal de rechtbank eerst beoordelen of de overeenkomst ten opzichte van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] als borgtocht gekwalificeerd moet worden, zoals [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] stellen, of dat zij zelf contractspartij zijn bij de overeenkomst omdat zij ten tijde van het sluiten van de overeenkomst handelden namens een vennootschap in oprichting, zoals Heineken stelt. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hebben aangevoerd dat zij niet (meer) persoonlijk gebonden zijn daar de vennootschap (Costa) de rechtshandeling heeft bekrachtigd, welke bekrachtiging niet door Heineken is betwist. Met [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] is de rechtbank van oordeel dat de regeling in de overeenkomst bestempeld dient te worden als een borgtocht aangezien uit de overeenkomst blijkt dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] zich jegens Heineken hebben verbonden tot nakoming van de verplichtingen van Costa.

5.2. Vervolgens rijst de vraag hoe de borgtocht gekwalificeerd dient te worden: als een particuliere of als een zakelijke borgtocht. Van een particuliere borgtocht is, gelet op het bepaalde in artikel 7:857 BW, slechts dan sprake indien [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] niet handelden ten behoeve van de normale uitoefening van het bedrijf. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hebben ter onderbouwing van hun verweer dat zij niet handelden ten behoeve van de normale uitoefening van het bedrijf, aangevoerd dat zij ten tijde van het sluiten van de overeenkomst nog geen bedrijf uitoefenden en dat zij niet over de financiële middelen beschikten om de verplichtingen uit de borgtocht na te komen. Het verweer faalt. De borgtocht ziet op de financiering van een handeling om een onderneming te verwerven. Een dergelijke rechtshandeling pleegt in de normale uitoefening van een bedrijf te worden verricht. Bij het aangaan van de borgtocht handelden [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] ten behoeve van de normale uitoefening van het bedrijf, waarvan zij enig aandeelhouder en bestuurder waren, zodat niet van een particuliere borgtocht kan worden gesproken.

5.3. Thans komt de rechtbank toe aan de beantwoording van de vraag of de borgtocht geldt tussen partijen gelet op het door [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] gevoerde verweer dat de borgtocht nietig is wegens strijd met de goede zeden althans vernietigbaar wegens dwaling dan wel misbruik van omstandigheden, in welk kader door [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] een beroep is gedaan op schending van de zorgplicht door Heineken.

5.4. Ter nadere feitelijke onderbouwing is door [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] aangevoerd dat zij ervan uit gingen dat een borgstelling niet in de overeenkomst zou worden opgenomen, zulks in verband met het navolgende. Gezien de voorwaarden verbonden aan een door de gemeente aan [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] verstrekte lening was het hun kort gezegd niet toegestaan in privé verplichtingen aan te gaan. Heineken was bekend met deze voorwaarden aangezien zij betrokken was geweest bij het overleg met de gemeente over het verstrekken van de betreffende lening. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] verkeerden in een slechte financiële positie, hetgeen Heineken bekend was. Het uitwinnen van de privé borgstelling zou onmiddellijk tot het faillissement van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] leiden. Desondanks heeft Heineken [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] voorgesteld om Grand Café Max B.V. over te nemen, waarbij Heineken voor de financiering zou zorgen en met behulp van een "bv-constructie" de voorwaarden in de lening van de gemeente konden worden omzeild. Voorafgaand aan de ondertekening van de overeenkomst hebben [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] nimmer een concept ontvangen en ten tijde van de ondertekening is de overeenkomst niet voorgelezen.

5.5. De rechter dient op grond van artikel 25 Rv ambtshalve de rechtsgronden aan te vullen. De rechtbank ziet in de door [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] aangevoerde feiten en omstandigheden aanleiding voor aanvulling van de rechtsgronden, zoals hierna te vermelden. Bij toepassing van artikel 25 Rv dient de rechter volgens vaste jurisprudentie rekening te houden met de partijautonomie (HR 5 januari 1996, NJ 1996, 449 m.nt. HER). Daartoe dient de rechter zich af te vragen of buiten redelijke twijfel is dat, in dit geval, [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] geacht kunnen worden de beoordeling van hun verweer op de nieuwe grondslag te hebben gewild. Ook dient de regel van hoor en wederhoor door de rechter in acht te worden genomen. De wederpartij mag niet zodanig verrast zijn door de nieuwe grondslag dat zij hiermee geen rekening heeft gehouden bij het formuleren van haar verweer.

5.6. De feitelijke stellingen van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] komen erop neer dat zij nooit een borgstelling overeen zijn gekomen met Heineken, simpelweg omdat zij dat niet mochten gelet op de voorwaarden in de lening van de gemeente en omdat hun financiële situatie dat niet toeliet. Ter gelegenheid van de comparitie is van de zijde van Costa c.s. gesteld (aantekeningen ter comparitie): "Heineken heeft [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] bewogen tot het ondertekenen van een overeenkomst waarin in strijd met hetgeen tussen [gedaagde sub 1], [gedaagde sub 2] en de heer [B] en [C] van [gedaagde sub 1] was besproken, een borgtocht was opgenomen.". Hetgeen door [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] naar voren is gebracht ter onderbouwing van hun juridische standpunt wijst - naar het oordeel van de rechtbank - veeleer in de richting van een (juridische) situatie waarbij sprake is van het ontbreken van wilsovereenstemming dan in de richting van een (juridische) situatie waarbij de wil van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] gebrekkig is gevormd door toedoen van Heineken of op een borgtocht die in strijd is met de goede zeden.

5.7. Gelet op het vorenstaande kwalificeert de rechtbank de door [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] aangevoerde feiten - onder aanvulling van de rechtsgronden - als een beroep op het ontbreken van wilsovereenstemming, in dier voege dat geen borgtocht tot stand is gekomen. De feitelijke gevolgen van deze nieuwe grondslag zijn gelijk aan die van de door [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] aangevoerde grondslagen - er is geen overeenkomst (meer) - waardoor de partijautonomie gewaarborgd is. Er is voor de rechtbank ook verder geen reden om aan te nemen dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hun verweer uitsluitend beoordeeld wensen te zien in het licht van de daaraan door hen verbonden juridische grondslag. Heineken kan bovendien niet geacht worden te zijn benadeeld in haar recht op hoor en wederhoor omdat de feitelijke stelling van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] - dat zij geen borgstelling in de overeenkomst hoefden te verwachten - onveranderd centraal blijft staan, ook bij de nieuwe grondslag.

5.8. Thans zal de rechtbank op basis van de aangevoerde feiten en omstandigheden beoordelen of er sprake is van een wilsontbreken.

5.9. Heineken beroept zich op de rechtsgevolgen van de tussen partijen gesloten overeenkomst, in het bijzonder de daarin opgenomen borgtocht. Uit hoofde van die borgtocht vordert zij betaling van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2]. De bewijslast van het feit dat partijen een borgtocht overeen zijn gekomen rust op grond van de hoofdregel van artikel 150 Rv op Heineken.

5.10. Ter onderbouwing van haar vordering verwijst Heineken naar de tussen partijen gesloten overeenkomst waarin de borgtocht staat opgenomen, alsmede naar de bij akte overgelegde brief d.d. 30 juni 2005 waarin "de ondergetekende sub 2" zoals opgenomen in de overeenkomst is uitgebreid met Grand Café Max B.V. en waarin staat dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] zich "beiden hoofdelijk aansprakelijk stellen voor de nakoming van alle verplichtingen die voor de ondernemer uit deze overeenkomst voortvloeien". Ten blijke van hun instemming is de brief door [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] ondertekend, aldus Heineken.

5.11. De overeenkomst waarop Heineken zich beroept kan worden gekwalificeerd als een onderhandse akte. Hetzelfde geldt voor de brief d.d. 30 juni 2005. Ingevolge artikel 157 lid 2 Rv levert een onderhandse akte, behoudens de in de bepaling vermelde uitzondering, ten aanzien van de verklaring van een partij omtrent hetgeen de akte bestemd is ten behoeve van de wederpartij te bewijzen, tussen partijen dwingend bewijs op van de waarheid van die verklaring. Dwingend bewijs houdt in dat de rechter verplicht is de inhoud van deze onderhandse akte als waar aan te nemen. Tegenbewijs staat ingevolge artikel 151 lid 2 Rv vrij ook tegen dwingend bewijs, tenzij de wet het uitsluit. Voor het slagen van tegenbewijs is voldoende dat het bewijs wordt ontzenuwd.

5.12. Heineken heeft met de overgelegde overeenkomst in beginsel volledig bewijs geleverd van het bestaan van de borgtocht. Er is immers sprake van een akte waaraan dwingend bewijs toekomt. Dit wordt anders indien [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] erin slagen dit bewijs te ontzenuwen, door het aanvoeren van feiten en omstandigheden waaruit blijkt dat de borgtocht niet strookt met de werkelijke bedoeling van partijen. Thans zal de rechtbank de door [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] aangevoerde feiten en omstandigheden bespreken en de reactie daarop van Heineken.

5.13. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hebben aangevoerd dat Heineken op de hoogte was van de inhoud van de lening van de gemeente. Heineken heeft betwist dat zij ten tijde van het sluiten van de overeenkomst op de hoogte was van de voorwaarden en bepalingen waaronder de lening door de gemeente werd verstrekt, maar zij heeft tegelijkertijd wel erkend te hebben meegedacht tijdens het traject van kredietverstrekking door de gemeente. Naar het oordeel van de rechtbank is, gelet op de betrokkenheid van Heineken bij het traject, niet goed voorstelbaar dat Heineken niet op de hoogte was van de inhoud van de leningsovereenkomst temeer daar één van de voorwaarden een door Heineken af te geven borgtocht behelsde. Maar ook indien Heineken niet op de hoogte was van de inhoud van de leningsovereenkomst, dan had voor Heineken voldoende duidelijk moeten zijn dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] in privé geen borgstelling wensten af te geven. Onbetwist is immers dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] elders geen financiering konden krijgen juist omdat zij geen privé borgstelling konden en wilden afgeven en dat ook de financieringsmaatschappij van Heineken om die reden niet bereid was een financiering te verstrekken. Heineken heeft voorts niet uitdrukkelijk weersproken de stelling van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] dat zij in het voortraject uitdrukkelijk hebben aangegeven geen privé borgstelling te kunnen en willen afgeven. Daaruit volgt eveneens dat Heineken wist althans kon weten dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] geen privé borgstelling wilden afgeven. Als het vervolgens gaat om de vraag of partijen de borgstelling hebben afgesproken, hetgeen [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] gemotiveerd bestrijden, komt Heineken niet verder dan de stelling dat hoofdelijkheid moet worden afgesproken en de aanname dat dat in het geval van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] is gebeurd.

5.14. De rechtbank constateert dan ook dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] met kracht van argumenten naar voren hebben gebracht dat Heineken bekend was met hun slechte financiële situatie en met het feit dat zij in privé geen borgstelling konden afgeven. Om die reden wilden [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] ook geen borgstelling afgeven en hebben zij ook niet ingestemd met een borgstelling, aldus [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2]. Tegen deze achtergrond steekt het verweer van Heineken pover af. Met name het feit dat Heineken wist dan wel kon weten dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] geen privé borgstelling wilden afgeven in combinatie met Heinekens slechts in algemene bewoordingen geuite stelling dat hoofdelijkheid altijd wordt afgesproken, dus ook in dit geval, is voldoende om de juistheid van hetgeen is neergelegd in de overeenkomst in twijfel te trekken. Van Heineken had, de argumenten van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] indachtig, verwacht mogen worden dat zij meer en concretere informatie had verstrekt met betrekking tot het tot stand komen van de borgtocht. Voor de rechtbank is voorts redengevend geweest dat de overeenkomst is opgesteld door een centrale afdeling van Heineken en niet door één van partijen, dat onbetwist is dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] pas ten tijde van de ondertekening voor het eerst kennisnamen van de overeenkomst en dat de inhoud van de overeenkomst toen niet is doorgesproken. Daaraan doet niet af dat ten tijde van de ondertekening partijen aanvullende afspraken hebben gemaakt die zijn aangetekend op de overeenkomst. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hoefden immers niet alert te zijn op de in de tekst van de overeenkomst opgenomen borgtocht en begrijpelijk is dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] de borgtocht zoals opgenomen in artikel 4 van de overeenkomst op dat moment niet als zodanig hebben herkend.

5.15. De door [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] aangevoerde feiten en omstandigheden zoals hiervoor overwogen zijn ook van toepassing op de brief d.d. 30 juni 2005. Voor de brief geldt derhalve eveneens dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] erin zijn geslaagd dit bewijs te ontzenuwen, nog daargelaten de vraag of de brief tot bewijs kan dienen, nu deze is opgesteld ten behoeve van het vastleggen van de contractspartijen bij de overeenkomst en niet ten behoeve van het vastleggen van de aansprakelijkheid van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2].

5.16. Gelet op het vorenstaande is naar het oordeel van de rechtbank het dwingende bewijs van het bestaan van de borgtocht dat de overeenkomst en de brief d.d. 30 juni 2005 als onderhandse akten opleveren voldoende ontzenuwd door [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2]. Dit brengt met zich dat Heineken dus op een andere wijze aan de nog immer op haar rustende bewijslast van het bestaan van de borgtocht dient te voldoen. De rechtbank zal Heineken in de gelegenheid stellen bewijs te leveren van het feit dat partijen een borgtocht overeen zijn gekomen.

5.17. Bij het oproepen van de getuigen moet er rekening mee worden gehouden dat het verhoor van een getuige gemiddeld 60 minuten duurt. De namen en woonplaatsen van de getuigen en de tijdstippen waartegen zij zijn opgeroepen, dienen ten minste een week voor het verhoor aan de wederpartij en aan de griffier van de rechtbank te worden opgegeven.

5.18. Het gevorderde bedrag in hoofdsom groot EUR 3.824,72 ter zake van de verrichte leveranties zal bij eindvonnis worden afgewezen. Heineken heeft ter zitting erkend dat de desbetreffende facturen afkomstig zijn van Brand Bierbrouwerij B.V. en niet in het vermogen van Heineken vallen.

6. De beslissing

De rechtbank

6.1. draagt Heineken op te bewijzen dat tussen partijen een borgtocht is overeengekomen zoals opgenomen in de overeenkomst d.d. 16 maart 2005,

6.2. bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 26 oktober 2011 voor uitlating door Heineken of zij bewijs wil leveren door het overleggen van bewijsstukken, door het horen van getuigen en / of door een ander bewijsmiddel,

6.3. bepaalt dat Heineken, indien zij geen bewijs door getuigen wil leveren maar wel bewijsstukken wil overleggen, die stukken direct in het geding moet brengen,

6.4. bepaalt dat Heineken, indien zij getuigen wil laten horen, de getuigen en de verhinderdagen van de partijen en hun advocaten op maandagen, woensdagen en donderdagen in de maanden november 2011 tot en met januari 2012 direct moet opgeven, waarna dag en uur van het getuigenverhoor zullen worden bepaald,

6.5. bepaalt dat dit getuigenverhoor zal plaatsvinden op de terechtzitting van mr. I.F. Clement in het gerechtsgebouw te Zwolle aan de Luttenbergstraat 5,

6.6. bepaalt dat alle partijen uiterlijk twee weken voor het eerste getuigenverhoor alle beschikbare bewijsstukken aan de rechtbank en de wederpartij moeten toesturen,

6.7. houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. I.F. Clement en in het openbaar uitgesproken op 12 oktober 2011.