Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2011:BV2141

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
26-10-2011
Datum publicatie
08-03-2012
Zaaknummer
179448 / HA ZA 10-1704
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARL:2013:BZ3275, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

- Informatie-/ zorgplicht openbaar bestuur

- Causaliteit

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 162
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JA 2012/59
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Sector civiel recht

Locatie Zwolle

zaaknummer / rolnummer: 179448 / HA ZA 10-1704

Vonnis van 26 oktober 2011

in de zaak van

de maatschap naar burgerlijk recht

[eiseres],

wonende te [woonplaats],

eiseres,

advocaat mr. A.H.J. Damminga te Zwolle,

tegen

de publiekrechtelijke rechtspersoon

HET WATERSCHAP GROOT SALLAND,

zetelende te Zwolle,

gedaagde,

advocaat mr. W.E.M. Klostermann te Zwolle.

Partijen zullen hierna [eiseres] en het waterschap genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de akte tot rectificatie van [eiseres]

- de conclusie van antwoord

- de conclusie van repliek

- de conclusie van dupliek

- de akte uitlating productie tevens houdende bewijsaanbod van [eiseres]

- de pleidooien en de ter gelegenheid daarvan overgelegde stukken.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Bij een door het waterschap op 29 mei 2008 van [eiseres] ontvangen

meldingsformulier heeft [eiseres] melding gedaan van een grondwateronttrekking ten behoeve van een bouwputbemaling in verband met de bouw van een varkensschuur op het perceel [adres] te [woonplaats].

2.2. Blijkens deze melding zou het onttrekken van grondwater geschieden met 4 pompen, een capaciteit van de pomp(en) van 55 m3 per uur gedurende een tijdsduur van plm. 100 dagen, welke gegevens bij vermenigvuldiging leiden tot de uitkomst van

132.000 m3 in totaal te onttrekken grondwater.

2.3. Bij brief van 28 mei 2008 van het waterschap, houdende bevestiging dat [eiseres] heeft voldaan aan de meldingsplicht als bedoeld in artikel 11 lid 1 van de Grondwaterwet, heeft het waterschap [eiseres] tevens erop gewezen dat de grondwateronttrekking mogelijk belastingplichtig is voor de grondwaterbelasting, in welk geval [eiseres] als houder van de inrichting voor de Belastingdienst belastingplichtige wordt gezien, alsmede dat dit een aangiftebelasting betreft.

2.4. Het waterschap heeft een afschrift van voornoemde brief gezonden aan de Belastingdienst. De bevindingen tijdens waarnemingen ter plaatse door een lid van het Landelijk Milieubelastingteam Arnhem op 14 en 23 juli 2008 hebben ertoe geleid dat de Belastingdienst bij brief van 19 november 2008 [eiseres] heeft medegedeeld dat de wateronttrekking, gelet op de totale hoeveelheid onttrokken grondwater (van 221.407 m3 in minder dan 2 maanden), is belast voor de grondwaterbelasting, welke zal worden nageheven.

2.5. De opgelegde naheffingsaanslag is uiteindelijk vastgesteld op een bedrag van

EUR 34.000,00.

3. Het geschil

3.1. [eiseres] vordert - samengevat - veroordeling van het waterschap tot betaling van EUR 34.000,00, vermeerderd met de wettelijke rente en kosten.

3.2. Het waterschap voert verweer.

3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. [eiseres] heeft aan haar vordering ten grondslag gelegd dat het waterschap jegens haar een onrechtmatige daad heeft begaan, erin gelegen dat het waterschap toerekenbaar is tekortgeschoten in de op hem jegens [eiseres] rustende informatieplicht, zijnde een nalaten in strijd met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt.

Als gevolg van deze onrechtmatige daad heeft [eiseres] schade geleden, omvattende het bedrag van de belastingaanslag ad EUR 34.000,00.

4.2. [eiseres] heeft daartoe betoogd dat, gelet op het feit dat bij het waterschap kennis aanwezig was omtrent de uitzonderlijkheid van (de samenstelling van) de bodem en de daarmee verband houdende (aanmerkelijke kans op) hoge waterdoorlatendheid van de grindlagen ter plaatse (dat wil zeggen in het gebied van de [A]), en in aanmerking genomen zijn publieke fuctie en zijn deskundigheid, op het waterschap de (zorg)plicht rustte om [eiseres] op de mogelijkheid van hoge waterdoorlatendheid te wijzen. Door zulks na te laten heeft het waterschap zijn informatie- en/of zorgplicht geschonden volgens [eiseres].

Bedoelde kennis was uniek omdat alleen het waterschap daarover beschikte en kon beschikken, zo heeft [eiseres] gesteld.

4.3. [eiseres] heeft de causaliteit tussen het nalaten van het waterschap en de ontstane schade onderbouwd met de stelling dat, zo het waterschap wel aan zijn informatieplicht zou hebben voldaan, [eiseres] zou hebben moeten besluiten en zou hebben besloten een ander bouwplan - één zonder mede een kelder omvattend - te realiseren dan voorgenomen dan wel een andere bouwplanning zou hebben gemaakt.

4.4. Partijen hebben uitvoerig stilgestaan bij verschillende aspecten van de door [eiseres] gestelde kennis van het waterschap, zoals de inhoud, status, actualiteit, aard en beschikbaarheid, zowel naar (de mate van) verkrijgbaarheid als afgezet tegen de tijdslijn der ontwikkelingen, van deze kennis.

4.5. Naar het oordeel van de rechtbank kan echter de vraag of en in hoeverre het waterschap beschikte over specifieke kennis omtrent de bodemgesteldheid ter plaatse van het bouwperceel en op welk moment hij daarover beschikte in relatie tot de bouw- c.q. waterontrekkingsactiviteiten van [eiseres], evenals de vraag of dit specifieke kennis betreft die enkel aan het waterschap was voorbehouden en aldaar voorhanden was, buiten nadere beschouwing blijven.

4.6. De rechtbank is namelijk van oordeel dat, daargelaten die vragen, een grondslag voor de door [eiseres] betoogde informatie- en/of zorgplicht van het waterschap door [eiseres] onvoldoende is onderbouwd. Tussen partijen is niet in geschil dat geen wettelijke bepaling ertoe strekt dat op het waterschap als publiekrechtelijk bestuursorgaan een verplichting rust om kennis te hebben van de bodemgesteldheid en om in het verlengde hiervan ingelanden (bij een melding als aan de orde) al dan niet bij wijze van waarschuwing te informeren omtrent de bodemgesteldheid ter plaatse van voorgenomen (bouw)activiteiten in relatie tot het daartoe onttrekken van grondwater. [eiseres] heeft wel betoogd, dat waar bij het waterschap in dit geval specifieke kennis aanwezig was omtrent het gebied waar de grondwateronttrekking zou plaatsvinden - inhoudende bekendheid met de aanwezige grove grindlagen in het gebied van de [A] en de mogelijk uitzonderlijke waterdoorlatendheid van de grond in dit gebied - de specifieke en de maatschappelijke rol (als overheids-instantie) van het waterschap meebrengen dat de maatschappelijke betamelijkheid hier als rechtsgrond heeft te gelden voor de gestelde informatieplicht.

4.7. De rechtbank volgt [eiseres] hierin niet.

De positie en de publieke functie van het waterschap brengen, in het geval hij een melding tot grondwateronttrekking ontvangt, niet mee dat hij vanuit een maatschappelijke zorgvuldigheidsnorm of bijzondere zorgplicht zich van de financiële belangen van de melder zou moeten vergewissen, die onder invloed van het risico van een grotere grondwateronttrekking dan geraamd, mogelijk nadelig zouden kunnen worden getroffen door een aanslag grondwaterbelasting. Dat is niet anders voor zover het waterschap al (ten tijde van de melding) kennis zou hebben omtrent de bodemgesteldheid van het gebied waarin de onttrekking is voorgenomen.

4.8. Van degene die grondwater aan de bodem wenst te onttrekken en daartoe een melding doet mag verwacht worden dat deze zich daaromtrent heeft geïnformeerd dan wel zich heeft laten informeren en adviseren, bijvoorbeeld door het voor de feitelijke uitvoering in de arm genomen bedrijf, dat geacht moet worden over de noodzakelijke expertise te beschikken. Bij de melding moet immers gerichte informatie worden verstrekt ten aanzien van de (omvang van) voorgenomen onttrekking. De mogelijkheid dat de onttrekking zich in de praktijk blijkt uit te strekken tot (veel) grotere hoeveelheden grondwater dan verwacht, is een omstandigheid die ligt in de risicosfeer van de onttrekker, welk risico [eiseres] in dit concrete geval overigens zelf mogelijk eerder en/of beter had kunnen onderkennen bij een adequate registratie van de bemaling van aanvang aan. Voor het afwentelen van de hier bedoelde verantwoordelijkheid op het waterschap op grond van de maatschappelijke betamelijkheid acht de rechtbank door [eiseres] geen draagkrachtige onderbouwing gegeven, en daarmee niet voor de gestelde onrechtmatige daad. De vordering van [eiseres] zal mitsdien worden afgewezen.

4.9. Ten overvloede overweegt de rechtbank nog dat [eiseres] ter zake van de causaliteit tussen het beweerdelijke onrechtmatige handelen van het waterschap en de (belasting)schade onvoldoende heeft gesteld. De enkele stelling dat [eiseres] ingeval het waterschap wel informatie zou hebben verstrekt, zij tot 11 juli 2008 de keuze zou hebben gehad een ander bouwplan te realiseren dan wel een andere bouwplanning te maken, waarmee niet een aanmerkelijk bedrag aan grondwaterbelasting zou zijn gemoeid, acht de rechtbank onvoldoende onderbouwd, zodat met die stelling de vereiste causaliteit derhalve niet is gegeven. Ook in zoverre zou de vordering van [eiseres] voor afwijzing gereedliggen.

4.10. [eiseres] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van het waterschap worden begroot op:

- griffierecht 1.165,00

- salaris advocaat 1.737,00 (3,0 punten × tarief EUR 579,00)

Totaal EUR 2.902,00

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. wijst de vordering af,

5.2. veroordeelt [eiseres] in de proceskosten, aan de zijde van het waterschap tot op heden begroot op EUR 2.902,00,

5.3. verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. J. van der Hulst en in het openbaar uitgesproken op 26 oktober 2011.