Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2011:BV1880

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
07-12-2011
Datum publicatie
08-03-2012
Zaaknummer
183488 / HZ ZA 11-383
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Weigering uitkering verzekering nadat verzekerde woning in brand heeft gestoken. Vraag of sprake is van merkelijke schuld. Aansprakelijkheid van rechtsbijstandsverlener na het laten verlopen van de verjaringstermijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
S&S 2012/128
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Sector civiel recht

Locatie Zwolle

zaaknummer / rolnummer: 183488 / HZ ZA 11-383

Vonnis van 7 december 2011

in de zaak van

1. [eiser],

wonende te [woonplaats],

2. [eiseres],

wonende te [woonplaats],

eisers,

advocaat mr. M. Kremer te Groningen,

tegen

maatschap

[gedaagde],

gevestigd te [woonplaats],

gedaagde,

advocaat mr. E.M. van Orsouw te Amsterdam.

Partijen zullen hierna [eisers] en [gedaagde], dan wel afzonderlijk [eiser] en [eiseres] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- het herstelexploot

- de conclusie van antwoord

- de conclusie van repliek

- de conclusie van dupliek.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. [eisers] bewoonden sinds [datum] het woonhuis aan de [adres].

2.2. [eiser] heeft in juni 2008 voor deze woning een woonhuisverzekering bij [Interpolis] afgesloten. In artikel 4 lid 1 van de bijbehorende bijzondere voorwaarden woonhuisverzekering van [Interpolis] staat:

"Wat is uitgesloten

(...) Verder is uitgesloten:

1 Merkelijke schuld

Uitgesloten is schade die voortvloeit uit het handelen en/of nalaten van een verzekerde en die het gevolg is van diens merkelijke schuld. Het maakt hierbij niet uit of de veroorzaker een ander is dan degene die een beroep op de verzekering doet."

2.3. [eiser] heeft de woning op 21 december 2008 in brand gestoken. Op 22 december 2008 is de brandschade bij [Interpolis] gemeld.

2.4. Op 24 december 2008 is [eiser] opgenomen op de afdeling [B]. De aan dit centrum verbonden psychiater A.J. van der Ziel schrijft in een verwijzingsbrief d.d. 5 maart 2009 het volgende over [eiser]:

"Anamnese

Patient vertelt dat hij enkele dagen geleden zijn eigen woning in brand heeft gestoken nadat hij benzine had rondgestrooid. Hij heeft hier een nacht over nagedacht, gewacht tot een moment dat zijn vrouw afwezig was de volgende middag. Direct aansluitend heeft hij maatregelen getroffen om zichzelf en zijn oudste zoontje in veiligheid te brengen. (...) Wat hij van de GGZ zou willen is hulp bij het ontdekken van wat in hemzelf hem ertoe heeft aangezet zijn eigen huis in brand te steken. Achteraf vindt hij dat hij hierin 'stom bezig' is geweest, omdat hem dit niets oplevert. Hij heeft zijn daad een nacht overwogen, daags nadien gewacht op een gunstige gelegenheid toen hij met zijn oudste zoontje, die getuige was van de brand, alleen in de woning was.

Opnamediagnose

Opname op eigen verzoek na brandstichting, voorkomend uit gedeeltelijk controleverlies over krenking, reactief op een conflict met de gemeente over de begaanbaarheid van de toegangsweg tot zijn nieuwe, door hem zelf gerealiseerde woning.

(...)

Depressieve stoornis. (...)

Vermoedelijk cluster B-persoonlijkheidsproblematiek (krenkbaarheid, dysfunctionele coping)."

2.5. Op verzoek van het Openbaar Ministerie Assen heeft de psychiater R. Vriesema, na inzage van de gerechtelijke stukken, een psychiatrisch onderzoek ingesteld omtrent de persoon van [eiser]. In het daarvan opgemaakte rapport van [datum] staat onder meer:

"Op zondag [datum] omstreeks [tijd] uur, heeft betrokkene zijn eigen woning in brand gestoken. Hij heeft bij een dragende constructiepaal in het midden van de woonkamer opzettelijk brand gesticht met behulp van onder andere benzine en houtsnippers. Daarna heeft hij de woning verlaten en er bleef niemand in de woning achter. (...) Betrokkene heeft problemen met de gemeente Westerveld en financiële problemen naar aanleiding van de bouw van zijn woning. Hij zag geen uitweg om deze problemen op te lossen. In het verleden zou hij behandeld zijn voor depressief gedrag. (...) Omdat er geen oplossing kwam over de zandweg heeft hij zijn woning te koop aangeboden, terwijl ze tevens een bungalow, waar ze eerst woonden in een bungalowpark te [woonplaats], al twee jaar te koop hadden staan. Er kwam een koper voor hun woning, maar deze koop is op [datum] niet door gegaan. Vanaf die tijd werd betrokkene stiller en gaf aan het niet meer te zien zitten. Hij wilde op huwelijkse voorwaarden verder, want als het bedrijf failliet zou gaan, dan zouden de kinderen en zij daar geen nadeel van hebben. Op [datum] heeft betrokkene met zijn vrouw alle financiën op een rij gezet en er zou nog voor [bedrag] Euro aan rekeningen moeten worden betaald. Volgens zijn vrouw was de financiële situatie niet onoverkoombaar. Op [datum] was betrokkene in zichzelf gekeerd en toe zij even later met het jongste zoontje naar huis liep, kwam ze haar man in de auto tegen en zei hij: "ik heb het huis in de fik gestoken". (...)

In de brief van het [C] over het trajectconsult op [datum] in het kantoor van het [C] te [woonplaats], zegt betrokkene dat hij in de aanloop van het tenlastegelegde weken niet had geslapen; hij was emotioneel, huilde veel en voelde zich somber en zag het helemaal niet meer zitten. Hij had keihard gewerkt om zijn huis af te krijgen, na het werk zat hij vooral futloos voor de tv. Eten en drinken deed hij nauwelijks overdag.

(...)

In het psychiatrische onderzoek zijn er geen anwijzingen voor psychotische kenmerken maar de stemming is somber en het affect is vrij vlak.

Geconcludeerd wordt dat ten tijde van het tenlastegelegde sprake was van een depressieve stoornis.

(...)

Betrokkene vertelt dat hij het een aantal weken voor het tenlastegelegde allemaal niet meer zag zitten:

Hij had [bedrag] in het huis gestoken. [bedrag] euro geleend van zijn zwager in verband met lekkage van het dak, had geen werk en een potentiële koper had een negatief bouwkundig advies gekregen omdat er iets niet goed was met de dakconstructie. Hij was hiervoor niet verzekerd.

Betrokkene zegt, dat hij al maanden onder stress had gewerkt om het huis klaar te krijgen. Hij at en sliep nauwelijks en er waren problemen met de gemeente over een aanvoerweg.

(...)

In de nacht voorafgaande aan het tenlastegelegde had hij weer wakker gelegen en hij had weer dat gevoel dat hij alles zelf op moest lossen, maar dat hij het niet kon: "Ik wilde er van af, het interesseerde me niet meer, paniek". Hij zou niet hebben nagedacht over de consequenties: "Een half uur later stond ik huilend bij de buurman en kwam ik tot zinnen."

(...)

2. Is betrokkene lijdende aan een ziekelijke stoornis en/of gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens en zo ja, hoe is dat dan in diagnostische zin te omschrijven?

2. Bij betrokkene is sprake van een ziekelijke stoornis in de zin van een vitale depressie met suïcidale gedachten, slapeloosheid, concentratieverlies en algehele uitputting.

3. Hoe was dit ten tijde van het plegen van het telastegelegde?

3. Hiervan was sprake ten tijde van het plegen van het tenlastegelegde en zeer waarschijnlijk was er ten tijde van het tenlastegelegde sprake van een zeer depressieve stemming met totale gevoelloosheid.

4. Beïnvloedde de eventuele ziekelijke stoornis/gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens betrokkenes gedragskeuzes, c.q. gedragingen, ten tijde van het telastegelegde zodanig dat het telastegelegde daaruit (mede) verklaard kan worden?

Zo ja, kan de deskundige dan gemotiveerd aangeven:

a. Op welke manier dat geschiedde

b. In welke mate het geschiedde

c. Welke conclusie met betrekking tot de toerekeningsvatbaarheid

op grond hiervan te adviseren is.

4a. Na een langdurige periode van mentale en fysieke overbelasting en uitputting kon betrokkene niet meer helder denken en is in een zeer depressieve stemming met totale gevoelloosheid tot het tenlastegelegde gekomen.

4b. Vanuit zijn niet reële denken raakte hij overspoeld door gevoelens van hopeloze uitzichtloosheid en kwam het tot acting out.

4c. Betrokkene was niet psychotisch, maar er was wel sprake van een ernstige realiteitsvertekening en hij kon geen weerstand bieden aan de daaruit voortvloeiende acting out. In verband hiermee acht ik betrokkene verminderd toerekeningsvatbaar."

2.6. Vriesema heeft vanuit psychiatrisch oogpunt geadviseerd aan [eiser] een voorwaardelijke straf op te leggen met als voorwaarde reclasseringscontact voor de duur van twee jaar, binnen welke periode hij eerst de behandeling gericht op zijn depressie dient af te maken met daarna behandeling bij de AFPN. Op 9 april 2009 is door het Openbaar Ministerie aan [eiser] een Kennisgeving Voorwaardelijke Niet Vervolging gezonden.

2.7. Bij brief van 23 april 2009 heeft [Interpolis] het verzoek van [eisers] tot vergoeding van de brandschade afgewezen op grond van merkelijke schuld in de zin van artikel 4 lid 1 van de bijzondere voorwaarden woonhuisverzekering omdat uit de verklaring van [eiser] blijkt dat de brand door hem zelf gesticht is.

2.8. [Interpolis] heeft de verzekeringsovereenkomst met [eiser] op 9 maart 2009 opgezegd.

2.9. Bij brief van 23 september 2009 heeft de door [eisers] ingeschakelde advocaat mr. S. Tofoletto aan [Interpolis] verzocht haar afwijzende standpunt met betrekking tot de dekking te herzien, waarna [Interpolis] op [datum] heeft geantwoord dat zij bij haar afwijzing blijft. [Interpolis] heeft zich daarbij gebaseerd op een advies van haar medisch adviseur L. Buisman, verzekeringsarts die in een advies van 16 juli 2009 schrijft:

"Op basis van informatie van psychiater Vriesema (ingeschakeld door de officier van justitie) kan geoordeeld worden dat betrokkene ten tijde van de brandstichting verminderd toerekeningsvatbaar was. Van volledige ontoerekeningsvatbaarheid is echter geen sprake".

2.10. [eisers] heeft zich vervolgens voor een second opinion gewend tot [gedaagde] waar [D] (verder: [D]) als [functie] werkzaam is. [D] heeft geadviseerd nadere vragen te stellen aan de psychiater/psychotherapeut

G. Schuthof.

2.11. G. Schuthof schrijft in zijn brief aan [D]:

"1. Er is ten tijde van de brandstichting duidelijk een ernstig depressief toestandsbeeld vastgesteld, bevestigd door duidelijke uitspraken ten aanzien van de symptomen door een referente namelijk meneer [eiser] zijn echtgenote en aansluitend bevestigd in het psychiatrisch ziekenhuis.

De ernst van de psychiatrische diagnose is te vinden vanuit psychiatrische symptomatologie namelijk dat er sprake is van een zogenaamd "vitaal depressief syndroom";dat wil zeggen dat naast een sombere stemming, door verstoring van neurotransmittersystemen ook lichaamsfuncties gemankeerd raken zoals een ernstig verstoorde slaap, concentratieverlies, eetlustverlies, libidoverlies, verstoring van de darmmotiliteit waardoor obstipatie optreedt, extreme vermoeidheid en daarnaast ook ernstige oordeels en kritiekstoornissen zoals een zeer negatieve kleuring van op zich vaak minder ernstige negatieve feiten, zoals echtgenote dit ook beschrijft. Uit de verdere uitspraken is ook een duidelijk schuldgevoel aanwezig vaak optredend bij ernstige depressieve beelden. Dus een verkenning van de realiteit van de ernst van zijn situatie. Daarnaast was er sprake van suïcidale gedachtes met duidelijke plannen over de uitvoering (voor de trein springen) hetgeen later uitmondde in een daadwerkelijke ernstige suïcidepoging waarbij doorgaans verondersteld wordt dat wanneer pezen zijn doorgesneden dat dit geen suïcidegeste genoemd kan worden.

3. Alvorens een verminderde toerekenbaarheid in strafrechtelijke zin verondersteld kan worden, moet er sprake zijn van een duidelijk ernstige vermindering van de sturingsmogelijkheden van willen en handelen. Een sterk verminderde toerekenbaarheid en volledige ontoerekenbaarheid worden zelden uitgesproken en zijn gereserveerd voor psychiatrische beelden waarbij bijvoorbeeld waandenkbeelden of opdrachtgevende akoestische hallucinaties de sturing nog ernstiger beïnvloeden. Dus hoewel er zwaardere categorieën zijn voor de bepaling van verminderd verschulden is een zogenaamde "verminderde toerekenbaarheid" reeds een ernstige verstoring van het denken, willen en handelen.

4.Uit het pro-justitiarapport wordt verder duidelijk dat een oogmerk van reële opzet om de verzekering op te lichten niet aan de orde kan zijn geweest. Zijn daad is niet verhuld, ongepland en op een dusdanige manier uitgevoerd en meteen aan zijn ega meegedeeld dat direct duidelijk is, dat er sprake is van een kortsluitingreactie met een sturing die uit somberheid en paniek is ontstaan naar aanleiding van irreële gedachtegangen om tot een oplossing te komen. Hij zegt:"ik wilde er gewoon vanaf, het was een gek idee. Ik zag het niet meer zitten, maar ik ben maar doorgegaan."

(...)

Conclusie:

Naar mening van o.g. is er uit de stukken duidelijk aangetoond dat er ten tijde van de brandstichting sprake was van een vitaal depressief beeld. Dit psychiatrisch toestandsbeeld veroorzaakt regelmatig, zoals ook bij Dhr. [eiser], een ernstige verstoring van het willen en handelen, die berust op een ernstige oordeels en kritiekstoornis.

Op grond van bovenstaande is o.g. van mening dat de rechtbank, na weging van de feiten en omstandigheden, een uitspraak zou mogen doen die Dhr. [eiser] ontslaat van "merkelijke schuld" ten tijde van de brandstichting."

2.12. [D] heeft [Interpolis] vervolgens van de bevindingen van Schuthof op de hoogte gebracht. Bij brief van 29 juni 2010 geeft [Interpolis] te kennen dat de aanspraken van [eisers] inmiddels zijn verjaard.

2.13. [eisers] heeft [gedaagde] op 9 augustus 2010 aansprakelijk gesteld voor het feit dat [D] de vordering op [Interpolis] heeft laten verjaren. De beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar van [gedaagde] heeft de beroepsfout van

[D] erkend.

2.14. De schade-expert van Achmea Schadeservice heeft het totale bedrag van de door [eisers] geleden brandschade (opstal, inboedel en verblijf tijdelijk elders) vastgesteld op EUR 167.000,00 incl. btw.

3. Het geschil

3.1. [eisers] vordert - samengevat - veroordeling van [gedaagde] tot betaling van EUR 167.000,00 in hoofdsom, vermeerderd met rente en betaling van een bedrag ad EUR 2.842,00 ter zake buitengerechtelijke kosten met haar veroordeling in de proceskosten en nakosten.

3.2. [gedaagde] voert verweer.

3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. Tussen partijen is niet in geschil dat [D] een beroepsfout heeft gemaakt door de lopende verjaringstermijn niet te stuiten en dat hij aldus bij het uitvoeren van zijn werkzaamheden als [functie] jegens [eisers] tekortgeschoten is in de nakoming van zijn verplichtingen. Kern van het geschil betreft uitsluitend de vraag of [eisers] als gevolg van die beroepsfout schade heeft geleden.

4.2. [gedaagde] betwist dat stellende dat [eisers] door die fout niet in een slechtere positie is komen te verkeren. [gedaagde] stelt dat de proceskansen van [eisers] in een gerechtelijke procedure tegen [Interpolis] tot betaling van schadevergoeding nihil zouden zijn geweest omdat sprake was van merkelijke schuld aan de zijde van [eiser].

4.3. Bij de beantwoording van de vraag of, en zo ja, in welke mate, de cliënt als gevolg van een beroepsfout schade heeft geleden, moet worden beoordeeld hoe - bij stuiting van de verjaringstermijn - op de vordering in een eventuele gerechtelijke procedure had behoren te worden beslist, althans het te dier zake toewijsbare bedrag moet worden geschat aan de hand van de goede en kwade kansen die de cliënt zou hebben gehad (zie Hoge Raad 19 januari 2007, JA 2007, 42 en Hoge Raad 24 oktober 1997, NJ 1998, 257). Deze maatstaf moet aldus worden verstaan dat voor toewijzing van een schadevergoeding primair dient te worden vastgesteld waartoe het instellen van een vordering jegens [Interpolis] zou hebben geleid. Indien moet worden geoordeeld dat de stuiting en het instellen van de vordering gebaat zou hebben c.q. [eisers] niet gebaat zou hebben, zal toewijzing respectievelijk afwijzing van de schadevordering dienen te volgen. Indien de rechter niet voldoende zekerheid verkrijgt over de vraag of het instellen van de vordering een positief resultaat zou hebben gehad, dan betekent dat nog niet dat aansprakelijkheid voor schade afgewezen dient te worden. In dat geval kan er toch een kans zijn op een betere situatie dan die actuele verloren gegane kans. Dat verlies, dus die kansschade, komt ook in aanmerking voor een vergoeding en wordt ook wel aangeduid als proportionele aansprakelijkheid. Deze vergoeding dient op de voet van artikel 6:97 BW te worden berekend. Daarbij vormen de omvang van de daadwerkelijk geleden schade (het verschil tussen de hypothetische en actuele situatie) en de grootte van de kans de rekenfactoren. Die grootte dient te worden vastgesteld op basis van een schatting van de goede en kwade kansen die er voor de cliënt zouden zijn geweest indien de verjaring tijdig was gestuit en de vordering was ingesteld.

4.4. Anders dan [eisers] bij de rechtbank ingang wil doen vinden, moet dus eerst beoordeeld worden hoe, in de hypothetische situatie dat [eisers] een vordering tot vergoeding van de brandschade jegens [Interpolis] had ingesteld, op die vordering zou zijn beslist. Hoewel artikel 7:952 Burgerlijk Wetboek bepaalt dat een verzekeraar geen schade vergoedt aan een verzekerde die de schade met opzet en roekeloosheid heeft veroorzaakt, is die bepaling van regelend recht en mogen partijen daarvan contractueel afwijken. Dat is hier ook gebeurd nu ingevolge artikel 4 lid 1 van de bijbehorende bijzondere voorwaarden woonhuisverzekering is uitgesloten schade die voortvloeit uit het handelen en/of nalaten van een verzekerde die het gevolg is van diens merkelijke schuld. De vraag is wat onder merkelijke schuld moet worden verstaan en dat is een kwestie van uitleg van die bepaling.

4.5. Uit het processuele debat van partijen volgt dat zij bij de uitleg van het begrip merkelijke schuld van artikel 4 lid 1 beiden aansluiting zoeken bij de rechtspraak over de bepaling aangaande merkelijke schuld van artikel 294 Wetboek van Koophandel (oud), zodat de rechtbank die jurisprudentie bij de uitleg tot haar uitgangspunt zal nemen. Voor merkelijke schuld moet blijkens die (vaste) rechtspraak sprake zijn van een ernstige mate van schuld. Daarvan is ook sprake, aldus de Hoge Raad, indien het gaat om een gedraging die, al is de verzekerde zich daarvan niet bewust, naar objectieve maatstaven een zodanig aanmerkelijke kans op schade met zich brengt dat de betrokken verzekerde zich van dat gevaar bewust had behoren te zijn en door zich van die gedraging niet te onthouden in ernstige mate tekortschiet in zorg ter voorkoming van schade (Hoge Raad 4 april 2003,

NJ 2004, 536). Niet vereist is opzettelijk handelen door een verzekerde of handelen dat daaraan grenst. Voor het aannemen van merkelijke schuld is wel vereist dat sprake is van verwijtbaarheid (Hoge Raad 27 maart 1987, NJ 1987, 659). Dat betekent dat een beroep op merkelijke schuld in ieder geval niet opgaat indien het handelen of nalaten de verzekerde niet kan worden verweten op grond van een geestesstoornis.

4.6. Partijen verschillen van mening of bij [eiser] ten tijde van de brandstichting sprake is geweest van een stoornis van de geestvermogens en of al dan niet sprake was van een erkend psychiatrisch ziektebeeld. Naar het oordeel van de rechtbank kan op grond van de psychiatrische rapportages van Vriesema en Schuthof als vaststaand worden aangenomen, immers is dat niet door [gedaagde] betwist, dat [eiser] ten tijde van de brandstichting leed aan een zogenaamd "vitaal depressief syndroom". Volgens de psychiater Schuthof houdt dit in dat sprake is van een sombere stemming en van gemankeerde lichaamsfuncties en daarnaast ook van ernstige oordeels- en kritiekstoornissen, zoals een zeer negatieve kleuring van op zich vaak minder ernstige negatieve feiten. De psychiater Vriesema schrijft dat sprake is van een ziekelijke stoornis in de zin van een vitale depressie met suïcidale gedachten, slapeloosheid, concentratieverlies en algehele uitputting. [eiser] wordt door beiden niet volledige ontoerekeningsvatbaar, maar wel verminderd toerekeningsvatbaar geacht, welke conclusie niet is betwist, zodat de rechtbank daarvan zal uitgaan. Partijen twisten over de consequenties van die beoordeling voor de verwijtbaarheid.

4.7. Bij die beoordeling dient het volgende vooropgesteld te worden. Aangezien door [eisers] wordt gesteld dat de brandstichting heeft plaatsgevonden onder invloed van een stoornis van de geestvermogens van [eiser], zodat dit hem niet valt te wijten, draagt [eisers] ter zake van die stoornis de bewijslast (Hoge Raad 27 maart 1987, NJ 1987, 658 en 659).

4.8. [eisers] betoogt, onder verwijzing naar de rapportage van de adviserend psychiater, de Reclassering en het Openbaar Ministerie dat het beroep van [Interpolis] op merkelijke schuld in een eventuele gerechtelijke procedure zou zijn gepasseerd omdat - wat er ook onder merkelijk schuld moet worden verstaan - de daarvoor vereiste ernstige mate van verwijtbaarheid van het gedrag van [eiser] heeft ontbroken. Hij wijst op de antwoorden die de psychiater Vriesema heeft gegeven op de vragen 2,3 en 4 en dan met name het antwoord op de vraag 4c en de conclusie dat hij verminderd toerekeningsvatbaar is geacht. [gedaagde] heeft gesteld dat bij de beoordeling van de vraag of sprake is van merkelijke schuld een objectieve toets moet worden aangelegd. Op grond daarvan en gelet op de verklaringen van [eiser], dient geoordeeld te worden dat sprake is geweest van handelingen door [eiser] waarvan moet worden aangenomen dat een redelijk denkend en redelijk bekwaam verzekerde de gevolgen, namelijk het uitbreken van brand, kon en mocht veronderstellen. [eiser] leed op het moment van brandstichting niet aan een stoornis van zijn geestvermogens en zo daarvan wel sprake was, is niet gebleken dat [eiser] geen enkel verwijt zou treffen, aldus [gedaagde].

4.9. Het feit dat [eiser] verminderd toerekenbaar is geacht, is naar het oordeel van de rechtbank niet van doorslaggevend belang voor de beoordeling van de vraag of in casu sprake is van verwijtbaarheid of merkelijke schuld. Het strafrechtelijk (sanctie)stelsel brengt met zich mee dat de strafrechter onderzoekt of de daad aan de dader kan worden toegerekend. Daartoe dient de dader door een forensisch gedragsdeskundige te worden onderzocht. In het licht van iemands specifieke stoornis dient dan te worden beoordeeld of de daad wel of niet c.q. in mindere mate valt toe te rekenen of dat sprake is van een schulduitsluitingsgrond. De strafrechter zal de dader dan, zo het tot een strafzaak komt, naar de mate van lichtere schuld (corresponderende met de verminderde toerekenbaarheid) lichter straffen. Dat neemt niet weg dat er ook omstandigheden denkbaar zijn dat een daad aan een dader, ondanks zijn psychisch gezonde geestvermogens, sterk verminderd wordt toegerekend omdat de verwijtbaarheid naar menselijke maatstaven op grond van de bijzondere omstandigheden miniem is geweest en geen redelijk denkend mens van de dader kon vergen dat hij aan zijn invoelbare drift weerstand bood, waarmee de schuld in algemene zin als buitengewoon gering te achten is. Uit het vorenstaande volgt dat het feit dat een daad in strafrechtelijke zin verminderd kan worden toegerekend, nog niet maakt dat geen sprake kan zijn van verwijtbaarheid of merkelijke schuld. Dat laatste lijkt de psychiater Schuthof echter wel te betogen blijkens zijn conclusie. Deze gedragsdeskundige, die expertise heeft op het vakgebied van de psychiatrie/psychologie, dient zich evenwel uitsluitend bezig te houden met de vraag of een persoon op het moment van het delict toerekenbaar of in enigerlei mate verminderd toerekenbaar moet worden geacht vanwege een psychische stoornis of een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens. Gesteld noch gebleken is immers dat hij ook beschikt over de benodigde juridische kennis, in het bijzonder aangaande de door de Hoge Raad geformuleerde maatstaf, zoals weergegeven onder 4.7. en de andere rechtspraak daarover. Het vorenstaande laat onverlet dat wel waarde kan worden gehecht aan de psychiatrische expertise van Schuthof en aan wat hij uit hoofde van zijn vakgebied heeft gerapporteerd (2.11.).

4.10. Waar het naar het oordeel van de rechtbank om gaat is of [eiser] ondanks de vastgestelde ziekelijke stoornis toch een ernstige verwijt valt te maken van de gedragingen die hij heeft uitgevoerd (de brandstichting). Bij de beantwoording van de vraag welke mate van zorg van een verzekerde zoals [eiser] mag worden verlangd door een verzekeraar, geldt immers als uitgangspunt dat hij zich dient te onthouden van gedragingen waarvan hij weet of behoort te weten dat een aanmerkelijke kans bestaat dat deze tot schade zullen leiden. De vraag is of de psychiatrische stoornis waar [eiser] aan leed dat heeft belet.

4.11. Uit de verklaringen van [eiser], die hij tegenover de psychiaters Van der Ziel en Vriesema heeft afgelegd en die in zoverre niet zijn betwist en hierboven onder 2.4. en 2.5. zijn weergegeven, volgt dat hij gedurende de nacht over zijn situatie en de brandstichting heeft nagedacht. Hij heeft de volgende dag uitvoering gegeven aan zijn voornemen om brand te stichten door benzine en houtsnippers in brand te steken. Enerzijds staat vast dat geen sprake is geweest van de situatie dat de sturing van denken, willen en handelen bij [eiser] helemaal heeft ontbroken, bijvoorbeeld door een psychose of waandenkbeelden, maar anderzijds heeft de psychiater vastgesteld dat die sturing als gevolg van het "vitaal depressief beeld" wel in een ernstige mate verstoord is geweest. Zo heeft Vriesema opgemerkt in zijn rapport dat bij [eiser] sprake was van een ziekelijke stoornis in de zin van een vitale depressie met suïcidale gedachten, slapeloosheid, concentratieverlies en algehele uitputting. Dat oordeel vindt steun in de brief van Schuthof (2.11. onder 3 en conclusie). Daar komt bij dat [eiser] onderbouwd heeft gesteld, namelijk dat Vriesema heeft geconstateerd, dat hij niet in staat is geweest om zich van die gedragingen die tot de brandstichting hebben geleid te onthouden. In het antwoord van Vriesema op vraag 4c staat namelijk: "Betrokkene was niet psychotisch, maar er was wel sprake van een ernstige realiteitsvertekening en hij kon geen weerstand bieden aan de daaruit voortvloeiende acting out." Schuthof heeft daarover geschreven (2.11 onder 4): "Uit het pro-justitiarapport wordt verder duidelijk dat een oogmerk van reële opzet om de verzekering op te lichten niet aan de orde kan zijn geweest. Zijn daad is niet verhuld, ongepland en op een dusdanige manier uitgevoerd en meteen aan zijn ega meegedeeld dat direct duidelijk is, dat er sprake is van een kortsluitingreactie met een sturing die uit somberheid en paniek is ontstaan naar aanleiding van irreële gedachtegangen om tot een oplossing te komen. (...) Dit psychiatrisch toestandsbeeld veroorzaakt regelmatig, zoals ook bij Dhr. [eiser], een ernstige verstoring van het willen en handelen, die berust op een ernstige oordeels en kritiekstoornis".

4.12. Voormelde conclusies heeft [gedaagde] niet bestreden en kunnen naar het oordeel van de rechtbank niet anders worden verstaan dan dat [eiser], die leed aan algehele uitputting, de (onjuiste) gedachte dat de brandstichting een uitweg was om opnieuw te kunnen beginnen, niet heeft kunnen weerstaan, hetgeen zijn handelen slechts beperkt verwijtbaar maakt. Dat [eiser] zich, naar [gedaagde] nog gesteld heeft, bij het uitvoeren van die handelingen bewust is geweest van de gevaren van zijn gedragingen blijkens het feit dat hij zichzelf en zijn oudste kind na het aansteken van het vuur in veiligheid heeft gebracht, maakt dat oordeel niet anders. Volgens de rechtspraak over merkelijk schuld is immers niet vereist dat [eiser] heeft gehandeld in het bewustzijn dat de schade het gevolg van zijn handelen kan zijn. De conclusie is dan ook dat aan de zijde van [eisers] geen sprake is geweest van een ernstige mate van schuld en dat hem een onvoldoende verwijt kan worden gemaakt van de brandstichting. Aldus is geen sprake van merkelijke schuld in de zin van artikel 4 lid 1 en had [Interpolis] tot betaling van de schade-uitkering behoren over te gaan.

4.13. Op voormelde gronden zou het beroep van [Interpolis] op artikel 4 lid 1 gepasseerd zijn in een gerechtelijke procedure en zou aan [eisers] schadevergoeding zijn toegewezen. Daarmee heeft de beroepsfout van mr. [D] consequenties voor hun schade gehad. Dat door [eisers] brandschade is geleden tot een bedrag van

EUR 167.000,00 staat na het debat tussen partijen als onbetwist vast. Evenmin heeft [gedaagde] de ingangsdatum van de wettelijke rente betwist, zodat die vordering als na te melden zal worden toegewezen.

4.14. [eisers] heeft tevens vergoeding van buitengerechtelijke kosten gevorderd stellende dat de raadsman het onderhavige, lastige, dossier heeft moeten bestuderen. [gedaagde] heeft die vordering gemotiveerd betwist. Naar het oordeel van de rechtbank dient deze vordering afgewezen te worden nu de vergoeding van de door [eisers] gestelde werkzaamheden is vervat in de proceskostenveroordeling.

4.15. [gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eisers] worden begroot op:

- dagvaarding 90,81

- griffierecht 1.414,00

- salaris advocaat 2.842,00 (2 punt × tarief EUR 1.421,00)

Totaal EUR 4.346,81

4.16. De gevorderde veroordeling in de nakosten is in het kader van deze procedure slechts toewijsbaar voor zover deze kosten op dit moment reeds kunnen worden begroot. De nakosten zullen dan ook worden toegewezen op de wijze zoals in de beslissing vermeld.

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. veroordeelt [gedaagde] om aan [eisers] te betalen een bedrag van EUR 167.000,00 (honderdzevenenzestigduizend euro), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW daarover vanaf 21 december 2008 tot de dag van volledige betaling,

5.2. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [eisers] tot op heden begroot op EUR 4.346,81,

5.3. veroordeelt [gedaagde] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op EUR 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [gedaagde] niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van EUR 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak,

5.4. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.5. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.H.S. Lebens-de Mug, mr. A.A.A.M. Schreuder en mr. M. Willemse en in het openbaar uitgesproken op 7 december 2011.