Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2011:BV1333

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
05-12-2011
Datum publicatie
19-01-2012
Zaaknummer
07.660038-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijspraak van de ten laste gelegde zware mishandeling (artikel 302 van het Wetboek van Strafrecht). Bewezenverklaring van mishandeling (artikel 300 van het Wetboek van Strafrecht). Naar het oordeel van de rechtbank is er geen sprake van verlating van de grondslag van de tenlastelegging. De kern van het door de officier van justitie aan de verdachte gemaakte verwijt is immers dat hij mishandelend is opgetreden. Zowel het strafbare feit mishandeling als het in de tenlastelegging genoemde strafbare feit van het opzettelijk toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, zijn dan ook opgenomen in Titel XX van het tweede boek van het Wetboek van strafrecht, getiteld mishandeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Sector strafrecht

Parketnummer: 07.660038-11 (P)

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 5 december 2011

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats].

1 HET ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het onderzoek heeft plaatsgevonden ter openbare terechtzitting van 21 november 2011 te Lelystad, waarbij de verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. R.W.A. Offermanns, advocaat te Zeewolde.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. A. Drogt en van de standpunten door de raadsman van verdachte naar voren gebracht.

2 DE TENLASTELEGGING

De verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 05 december 2010 in de gemeente [plaats A] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer 1], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met (grote) kracht (met) een (bier)fles op/tegen het hoofd van voornoemde [slachtoffer 1] heeft (stuk)geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op of omstreeks 01 januari 2011 in de gemeente [plaats A] tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, aan een persoon genaamd [slachtoffer 2], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (een of meer kapotte kies/kiezen en/of een of meer wonden in het gezicht), heeft toegebracht, door deze opzettelijk voornoemde [slachtoffer 2] bij de handen/armen vast te pakken en/of (met grote kracht) een of meermalen in het gezicht, in elk geval tegen het hoofd te slaan/stompen;

althans, indien het vorenstaande onder 2 niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 01 januari 2011 in de gemeente [plaats A] met een ander of anderen, op of aan de openbare weg, [weg A], in elk geval op of aan een openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 2], welk geweld bestond uit het vastpakken van voornoemde [slachtoffer 2] en/of het slaan/stompen in het gezicht, in elk geval tegen het hoofd van die [slachtoffer 2], waarbij hij, verdachte, voornoemde [slachtoffer 2] in het gezicht/tegen het hoofd heeft geslagen/gestompt, en welk door hem gepleegd geweld enig lichamelijk letsel (een of meer kapotte kies/kiezen en/of een of meer wonden in het gezicht) voor die [slachtoffer 2] ten gevolge heeft gehad.

De rechtbank verbetert in de tenlastelegging een aantal kennelijke schrijffouten. De verdachte wordt blijkens het onderzoek ter terechtzitting daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

3 DE VOORVRAGEN

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in haar vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 DE BEWIJSMIDDELEN EN DE BEOORDELING DAARVAN

Inleiding

Feit 1.

Op 5 december 2010 omstreeks 01.30 uur vernemen verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] dat de bewoner van de [adres B] te [plaats A] is mishandeld. Ter plaatse constateren verbalisanten dat [slachtoffer 1] een bebloed gezicht en een snee van ongeveer vijf centimeter op zijn hoofd heeft. [slachtoffer 1] doet hierna aangifte van mishandeling. Naar aanleiding van de door aangever afgelegde verklaring wordt een aantal getuigen gehoord, wat uiteindelijk leidt tot de aanhouding van verdachte op 8 februari 2011 ten aanzien van onderhavige feit en het onder 2 ten laste gelegde feit.

Feit 2.

Op 1 januari 2011 omstreeks 01.00 uur zien verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 4] een open vuur op het midden van de weg op [weg A] ter hoogte van [nummer X] in [plaats A]. In de nabijheid treffen zij een groep personen bestaande onder meer uit verdachte, verdachtes vader, [getuige 1] en [getuige 2]. Verbalisanten zien vervolgens een meisje en een jongen wegfietsen. Verdachte verklaart aan verbalisanten dat hij aangifte wil doen van mishandeling, waarop verbalisanten verdachte meedelen dat hij op 2 januari 2011 aangifte kan doen op het politiebureau. Op 7 januari 2011 doet [slachtoffer 2] aangifte van mishandeling op 1 januari 2011, welke begaan zou zijn door verdachte.

Het standpunt van de officier van justitie

Feit 1.

De officier van justitie acht het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, gelet op de verklaringen van aangever [slachtoffer 1] in combinatie met de verklaringen van [getuige 1], [getuige 3] en [getuige 4] en het bij aangever geconstateerde letsel.

Feit 2.

De officier van justitie heeft vrijspraak van het primair ten laste gelegde gevorderd, aangezien er geen sprake is van zwaar lichamelijk letsel.

De officier van justitie acht het subsidiair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, gelet op de aangifte van [slachtoffer 2], de verklaring van [getuige 2] en getuige [getuige 5] en de bekennende verklaring van verdachte.

Het standpunt van de verdediging

Feit 1.

De raadsman heeft vrijspraak bepleit van het ten laste gelegde, wegens gebrek aan overtuigende bewijsmiddelen. Uit de verklaringen van [slachtoffer 1] blijkt dat na zijn mishandeling er veelvuldig contact heeft plaatsgevonden om te achterhalen wie aangever heeft geslagen met een fles. De verschillende getuigen zijn echter twee maanden na het ten laste gelegde gehoord en verklaren onderling tegenstrijdig en zijn derhalve ongeloofwaardig.

Feit 2.

De raadsman heeft (partieel) vrijspraak bepleit van het ten laste gelegde, wegens gebrek aan overtuigende bewijsmiddelen. Er is onvoldoende bewijs om te komen tot een bewezenverklaring van het vasthouden van aangever [slachtoffer 2], terwijl verdachte aangever [slachtoffer 2] sloeg.

Het oordeel van de rechtbank

Feit 1.

[slachtoffer 1] verklaart op 5 december 2010, vlak na het ten laste gelegde, dat hij een harde klap van een hard voorwerp op zijn hoofd voelde. Voorts verklaart [slachtoffer 1] dat hij niet weet hoe de dader eruit ziet.

Op 10 december 2010 verklaart [slachtoffer 1] dat hij een klap op zijn hoofd voelde, waarna hij op de grond viel en dat hij op de grond van meerde kanten is geslagen en geschopt. [slachtoffer 1] verklaart dan dat hij van ene [getuige 6] heeft gehoord dat [getuige 1] zou hebben verklaard dat verdachte [slachtoffer 1] met een fles heeft geslagen.

Op 4 februari 2011 heeft [slachtoffer 1] wederom een verklaring afgelegd. [slachtoffer 1] verklaart dat hij zag dat verdachte op zijn vaders schouder leunde en hem daarna met een fles op zijn hoofd sloeg.

De rechtbank is naar aanleiding van de drie door [slachtoffer 1] afgelegde verklaringen van oordeel dat [slachtoffer 1] niet consistent is in de door hem afgelegde verklaringen. De rechtbank acht de eerste verklaring van [slachtoffer 1] – direct afgelegd na het ten laste gelegde – authentiek en derhalve de meest betrouwbare verklaring. Van de nadien afgelegde verklaringen is niet ondenkbaar dat deze verklaringen zijn ingegeven door de nadien door [slachtoffer 1] gedane speculaties over wie hem op het hoofd heeft geslagen.

[getuige 3] – gehoord op 9 februari 2011 – heeft verklaard dat hij zag dat verdachte [slachtoffer 1] een klap heeft gegeven met een grote drankfles. Voorts verklaart [getuige 3] dat [slachtoffer 1] direct daarna zijn woning is binnengegaan en hij geen bloed bij [slachtoffer 1] heeft gezien.

De rechtbank constateert dat enkel [getuige 3] heeft verklaard dat hij heeft waargenomen dat verdachte degene is geweest die [slachtoffer 1] met een fles tegen zijn hoofd heeft geslagen. [getuige 3] verklaart echter niet overeenkomstig [slachtoffer 1], aangezien [slachtoffer 1] heeft verklaard dat hij na de klap van verdachte op de grond is gevallen en daarna meermalen is geslagen en geschopt, terwijl [getuige 3] hieromtrent niets heeft verklaard. De rechtbank is derhalve van oordeel dat de verklaring van [getuige 3] niet voor het bewijs gebezigd kan worden, daar deze getuige eveneens geruime tijd na de mishandeling is gehoord en zijn verklaring niet overeenstemt met de door [slachtoffer 1] afgelegde verklaring.

De overige gehoorde getuigen, onder meer [getuige 7], [getuige 8], [getuige 4] en [getuige 1] hebben verklaard de mishandeling van [slachtoffer 1] niet te hebben waargenomen. Uit de verklaring van [getuige 4] blijkt dat hij heeft gehoord dat verdachte [slachtoffer 1] met een fles op zijn hoofd heeft geslagen.

De rechtbank is van oordeel dat geen van de hiervoor genoemde getuigen, te weten [getuige 7], [getuige 8], [getuige 4] en [getuige 1] voor het bewijs gebezigd kunnen worden, daar de getuigen de mishandeling van [slachtoffer 1] niet hebben waargenomen en zij geruime tijd na de mishandeling zijn gehoord. Uit het dossier – onder meer uit de verklaring van [slachtoffer 1] zelf – blijkt dat er onderling veel is gesproken en gespeculeerd omtrent wie de mishandeling van [slachtoffer 1] heeft begaan.

Gelet op voorgaande overwegingen is onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden om te komen tot een bewezenverklaring van het aan verdachte ten laste gelegde. De rechtbank zal verdachte hiervan derhalve vrijspreken.

Feit 2.

[slachtoffer 2] heeft verklaard dat hij een klap op zijn gezicht kreeg van verdachte. Verdachte heeft bekend dat hij [slachtoffer 2] een klap in zijn gezicht heeft gegeven. Uit de geneeskundige verklaring van [slachtoffer 2] blijkt dat hij een wondje aan de binnenzijde van zijn bovenlip en een deukje aan de linkerzijde van zijn neusbot heeft opgelopen. De rechtbank is van oordeel dat het letsel van [slachtoffer 2] niet valt aan te merken als zwaar lichamelijk letsel in de zin van artikel 82 van het Wetboek van Strafrecht en evenmin in het gewone spraakgebruik is aan te merken als zwaar lichamelijk letsel.

De rechtbank acht evenwel – gelet op voorgaande bewijsmiddelen – wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 1 januari 2011 [slachtoffer 2] in het gezicht heeft geslagen dan wel gestompt waarbij [slachtoffer 2] lichamelijk letsel heeft bekomen. De rechtbank zal het feit zoals dat onder 2. is tenlastegelegd kwalificeren als mishandeling. Naar het oordeel van de rechtbank is er geen sprake van verlating van de grondslag van de tenlastelegging. De kern van het door de officier van justitie aan de verdachte gemaakte verwijt is immers dat hij mishandelend is opgetreden. Zowel het strafbare feit mishandeling als het in de tenlastelegging genoemde strafbare feit van het opzettelijk toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, zijn dan ook opgenomen in Titel XX van het tweede boek van het Wetboek van strafrecht, getiteld mishandeling.,

5 BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat:

2 primair.

hij op 01 januari 2011 in de gemeente [plaats A] aan een persoon genaamd [slachtoffer 2], opzettelijk lichamelijk letsel (wonden in het gezicht), heeft toegebracht, door voornoemde [slachtoffer 2] in het gezicht te slaan/stompen.

Van het onder 2 meer of anders ten laste gelegde zal verdachte worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet wettig en overtuigend bewezen acht.

6 KWALIFICATIE

Het bewezene levert op:

Feit 2.

Mishandeling.

7 STRAFBAARHEID

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen sprake is van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van verdachte waartegen hij zich diende te verweren. [getuige 2] heeft immers verklaard dat hij dacht dat [slachtoffer 2] hem zou slaan en daarom achteruit stapte.

Het standpunt van de verdediging

Ten aanzien het onder 2 ten laste gelegde stelt de raadsman zich op het standpunt dat sprake is van noodweer. Verdachte bekent dat hij aangever een klap heeft gegeven, maar dit was ter verdediging van [getuige 2]. [getuige 2] werd immers aangevallen door aangever, die uithaalde om te slaan. Er is derhalve sprake van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van een ander waartegen verdediging geboden was. Daarbij heeft verdachte zich gehouden aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit.

De raadsman heeft dan ook ontslag van alle rechtsvervolging bepleit.

Het oordeel van de rechtbank

Op grond van de stukken en de behandeling ter terechtzitting is onvoldoende aannemelijk geworden, dat – zo er al sprake zou zijn geweest van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding door aangever jegens verdachte – door verdachte is gehandeld binnen de grenzen van subsidiariteit. Niet gebleken is immers dat verdachte zich in een zodanig benarde positie bevond, dat hij niet weg heeft kunnen lopen van aangever of op andere wijze heeft kunnen handelen dan gericht in het gezicht van aangever te slaan.

De rechtbank verwerpt dan ook het beroep op noodweer.

Het feit en verdachte zijn strafbaar, nu geen feiten of omstandigheden zijn gebleken die die strafbaarheid zouden opheffen of uitsluiten.

8 STRAFOPLEGGING

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van de door haar bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld (met toepassing van artikel 77b van het Wetboek van Strafrecht) tot een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden, met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht, waarvan een maand voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich onthouden van een standpunt omtrent een eventueel op te leggen straf en/of maatregel.

Het oordeel van de rechtbank

Gelet op de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden waaronder verdachte zich daaraan heeft schuldig gemaakt en op de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht de rechtbank de na te noemen beslissing passend.

Op 1 januari 2011 heeft verdachte [slachtoffer 2] op de openbare weg mishandeld. De rechtbank tilt zwaar aan dergelijk zinloos geweld. Het handelen van verdachte vormt dan ook een ernstige inbreuk op de lichamelijke en psychische integriteit van het slachtoffer. Dergelijke feiten hebben in het algemeen een grote impact op (het leven van) een slachtoffer, onder meer in de vorm van gevoelens van angst en onveiligheid.

De rechtbank houdt als aanknopingspunt voor de op te leggen straf voor deze feiten eveneens rekening met de richtlijnen van het Landelijk Overleg van Voorzitters Strafsectoren (verder te noemen: LOVS). Het LOVS heeft als oriëntatiepunt voor straftoemeting ten aanzien van een eenvoudige mishandeling (enig letsel ten gevolge hebbend) een geldboete van € 750,00 vastgesteld. Blijkens een op zijn naam gesteld uittreksel justitiële documentatie d.d. 17 oktober 2011 blijkt dat verdachte in 2009 is veroordeeld wegens mishandelingen. Nu er sprake is van relevante recidive acht de rechtbank een geldboete niet passend.

De rechtbank heeft tevens rekening gehouden met een de verdachte betreffend reclasseringsadvies d.d. 31 maart 2011 opgesteld door A. de Haan, reclasseringswerker van de Reclassering Nederland. De rechtbank ziet evenwel geen aanleiding om een deels voorwaardelijke straf op te leggen, gelet op de aard van het bewezenverklaarde en de relevante recidive.

Alles afwegend komt de rechtbank tot de conclusie dat voor het bewezenverklaarde kan worden volstaan met een werkstraf van na te vermelden duur.

9 DE BENADEELDE PARTIJ

Voor aanvang van de terechtzitting heeft [slachtoffer 1] zich als benadeelde partij in dit geding gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van schade ten gevolge van het aan verdachte onder 1 ten laste gelegde feit. De hoogte van die schade wordt door de benadeelde partij begroot op een bedrag van € 1.009,44.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd de vordering van de benadeelde partij toe te wijzen tot een bedrag van € 1.009,44, met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren, gezien de door hem bepleite vrijspraak van het onder 1 ten laste gelegde. Subsidiair heeft de raadsman verzocht rekening te houden met het eigen aandeel van de benadeelde partij in het ten laste gelegde wat zou moeten leiden tot een lager geschatte immateriële schade. Ten aanzien van de kleding is de schade onvoldoende onderbouwd, daar bloed uit kleding gewassen kan worden.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] niet-ontvankelijk, nu de verdachte van het hem onder 1 ten laste gelegde zal worden vrijgesproken.

10 TOEPASSELIJKHEID WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op de artikelen 22c, 22d, 27, 63 en 300 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

11 BESLISSING

De rechtbank:

Vrijspraak

- verklaart niet bewezen hetgeen onder 1 aan verdachte is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

Bewezenverklaring

- verklaart het onder 2 ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 5 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat onder 2 meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart het bewezen verklaarde feit strafbaar;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- legt aan verdachte op een werkstraf voor de duur van 30 uren;

- beveelt dat voor het geval de veroordeelde de werkstraf niet of niet naar behoren verricht de werkstraf wordt vervangen door 15 dagen hechtenis, althans een aantal dagen hechtenis dat evenredig is aan het niet verrichte aantal uren werkstraf;

- bepaalt dat de tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde werkstraf in mindering zal worden gebracht, berekend naar de maatstaf van 2 uren werkstraf per dag;

- heft op het (geschorste) bevel tot voorlopige hechtenis;

Benadeelde partij

- bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer 1] in zijn vordering niet-ontvankelijk is en dat hij zijn vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.C. Schroten, voorzitter, mr. L.G. Wijma en mr. R.M. van Vuure, rechters, in tegenwoordigheid van mr. R.G. Dees, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 5 december 2011.