Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2011:BV0348

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
20-12-2011
Datum publicatie
06-01-2012
Zaaknummer
07.620158-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank is van oordeel dat er geen sprake is geweest van een oogst van hennep voor veroordeelde en wijst de vordering tot ontneming af.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE - LELYSTAD

Sector Strafrecht

Parketnummer: 07.620158-09

Datum: 20 december 2011

Beslissing op de vordering ex artikel 36e Wetboek van Strafrecht

d.d. 19 oktober 2011 van de officier van justitie in de zaak tegen:

[veroordeelde],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen veroordeelde.

Het onderzoek heeft plaatsgevonden ter openbare terechtzitting van 22 november 2011 te Lelystad, waarbij de verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. E. Oversier, advocaat te Hoofddorp.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken van het voorbereidend onderzoek, te weten:

- een in de wettelijke vorm opgemaakt Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel, opgemaakt en ondertekend op 25 oktober 2010 door [verbalisant], brigadier van Politie Flevoland, Divisie Recherche, Financiële Recherche Dienst;

- het vonnis van de meervoudige strafkamer van deze rechtbank d.d. 6 december 2011 in de onderliggende strafzaak met parketnummer 07.620158-09;

- de stukken behorende tot het dossier in de strafzaak met parketnummer 07.620158-09.

OVERWEEGT

De officier van justitie heeft gevorderd dat de veroordeelde zal worden veroordeeld tot betaling aan de Staat van het geschatte voordeel dat hij heeft genoten door middel van of uit de baten van het feit, zoals ten laste gelegd in de strafzaak met opgemeld parketnummer, en/of soortgelijke feiten, waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door de veroordeelde zijn begaan, welk voordeel door de officier van justitie na een ter terechtzitting gedane aanpassing wordt geschat op € 13.500,00.

De raadsman heeft bovenvermelde schatting bestreden met dien verstande dat vrijspraak is bepleit van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten, zodat de veroordeelde ook geen voordeel zou kunnen worden ontnomen. Subsidiair heeft de raadsman bepleit de vordering af te wijzen omdat, gelet op de aannemelijke en geloofwaardige verklaring van de veroordeelde, niet aannemelijk is geworden dat de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel heeft genoten.

De rechtbank heeft de veroordeelde in de onderliggende strafzaak met opgemeld parketnummer bij vonnis van 6 december 2011 veroordeeld ter zake van medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod.

De rechtbank overweegt als volgt.

De verklaring van de veroordeelde dat hij sinds januari 2009 de hennepplanten water en groeimiddelen heeft gegeven acht de rechtbank geloofwaardig en derhalve aannemelijk. Het opgemaakte procesdossier bevat geen indicaties die er op duiden dat de veroordeelde ooit vóór deze datum in de woning zou zijn geweest. De rechtbank stelt voorts vast dat de aangetroffen hennepplanten op 13 maart 2009 ongeveer 8 weken oud waren. Terugrekenend betekent dit dat de hennepplanten halverwege januari 2009 moeten zijn geplant.

De verklaring van de veroordeelde dat hij eerst voor zijn diensten betaald zou worden als er zou zijn geoogst acht de rechtbank, bij gebreke van indicaties die anders zouden doen vermoeden, eveneens geloofwaardig.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank de verklaring van de veroordeelde dat er nimmer sprake is geweest van een oogst van de hennepplanten en de veroordeelde derhalve geen wederrechtelijk verkregen voordeel heeft genoten aannemelijk.

Het feit dat de veroordeelde een geldbedrag van € 2.200,00 cash bij zich had ten tijde van zijn aanhouding maakt het voor de rechtbank niet aannemelijk dat hij toch voor zijn diensten betaald zou zijn. Allereerst is er geen directe link tussen dat in beslag genomen geld en de door de veroordeelde verrichte diensten komen vast te staan. Bovendien acht de rechtbank de verklaring van de veroordeelde, inhoudende dat hij dat geld bij zich had om zijn raadsman te betalen, geloofwaardig, temeer daar zijn raadsman dit ter zitting heeft bevestigd.

De rechtbank zal derhalve de vordering van de officier van justitie tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel afwijzen.

BESLISSING

De rechtbank wijst de vordering van de officier van justitie tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel af.

Aldus gewezen door mr. R.M. van Vuure, voorzitter, mr. A.C. Schroten en mr. L.P. de Haas, rechters, in tegenwoordigheid van mr. R.G. Dees als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 20 december 2011.