Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2011:BU9715

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
20-09-2011
Datum publicatie
29-12-2011
Zaaknummer
07.696214-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank is van oordeel dat niet naleving van de Aanwijzing opsporing seksueel misbruik, niet een zodanig ernstig vormverzuim oplevert dat de studioverhoren van het bewijs dienen te worden uitgesloten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Sector strafrecht

Parketnummer: 07. 696214-10 (P)

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 20 september 2011

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

wonende te [adres]

1 HET ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het onderzoek heeft plaatsgevonden achter gesloten deuren op 6 september 2011 te Lelystad, waarbij verdachte, bijgestaan door mr. H.M.A.W. Erven, is verschenen.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. M. Kamper en van de standpunten door de raadsvrouw van verdachte naar voren gebracht.

2 DE TENLASTELEGGING

De verdachte is, ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 25 juni 2009 te Almere, (althans) in de gemeente Almere, met een meisje, genaamd [slachtoffer], geboren op [geboortedatum], die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, een of meer handeling(en) heeft gepleegd, die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer], hebbende verdachte zijn, verdachte's penis, althans een dik voorwerp in de mond van die [slachtoffer] geduwd/gebracht

3 DE VOORVRAGEN

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is en dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak.

De raadsvrouw heeft aan het einde van haar pleidooi primair geconcludeerd dat de officier van justitie niet ontvankelijk zou zijn in haar vervolging. De rechtbank acht dit verweer onvoldoende onderbouwd en ziet ook overigens geen reden om te komen tot een niet-ontvankelijkverklaring van de officier van justitie.

Ten slotte ziet de rechtbank ook geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 DE BEWIJSMIDDELEN EN DE BEOORDELING DAARVAN

4.1 Inleiding

Nadat op 21 juli 2009 een intake gesprek heeft plaatsgevonden doet [aangever] op 22 juli aangifte van misbruik van haar dochter [slachtoffer] geboren op [geboortedatum]. Uit de aangifte komt naar voren dat [slachtoffer] samen met haar oudere zus [zus slachtoffer] op 25 juni 2009 door de zus van aangeefster, [tante] (hierna “[tante]”), van school is gehaald. De kinderen hebben die middag op het pleintje achter de tuin van [tante] gespeeld, samen met hun neefjes [neef 1] en [neef 2] en andere kinderen uit de buurt. Aangeefster heeft haar dochters die dag omstreeks 18.00 opgehaald bij [tante] en toen niets bijzonders aan hen gemerkt.

Enkele dagen later komt haar dochter [zus slachtoffer] met het verhaal dat [slachtoffer] aan haar neefje [neef 1] heeft verteld dat [verdachte] zijn piemel in haar mond had gestopt tijdens een spelletje “tien in de rimboe”. [neef 1] had dit verhaal aan [zus slachtoffer] verteld. Als aangeefster vervolgens aan [slachtoffer] vraagt of het verhaal van [zus slachtoffer] klopt dan antwoord zij bevestigend. Via haar zus krijgt aangeefster te horen dat [neef 1] bevestigt dat [slachtoffer] inderdaad aan hem heeft verteld dat [verdachte] zijn piemel in haar mond had gedaan.

Weer enkele dagen later heeft [slachtoffer] het verhaal meer in detail aan haar moeder verteld. Ze vertelt dan dat ze aan het spelen was op het pleintje en dat [verdachte] haar toen mee vroeg naar het prikkelbos en tegen haar zei dat ze op haar hurken moest gaan zitten en haar ogen dicht moest doen. Ze vertelt aan haar moeder dat ze stiekem haar ogen een klein beetje had open gedaan en ze toen zag dat hij zijn piemel in haar mond deed. Ze heeft toen tegen hem gezegd dat hij zijn piemel in haar mond had gestopt. Hij zei tegen haar dat dit niet zo was en zij heeft toen tegen hem gezegd dat hij een jokkebrok was.

Op 29 juli 2009 is vervolgens [tante] oftewel [tante] gehoord. Zij bevestigt de verklaring zoals door de moeder van [slachtoffer] afgelegd. Op 25 juni heeft [slachtoffer] achter haar huis samen met haar zus [zus slachtoffer], neefjes en andere kinderen uit de buurt gespeeld. Nadat zij op 28 juni door haar zus is opgebeld, heeft [neef 1] aan haar bevestigd dat [slachtoffer] hem heeft verteld dat [verdachte] zijn piemel in haar mond heeft gestopt.

Op 19 augustus 2009 is [slachtoffer] zelf in een kindvriendelijke hoorstudio over het feit gehoord. Ook is op 19 augustus 2009 [neef 1] in een kindvriendelijke studio gehoord.

Verdachte heeft zowel bij de politie als ter terechtzitting ontkend dat hij zijn piemel bij [slachtoffer] in haar mond heeft gestopt of proberen te stoppen. Hij verklaart dat hij wel vaker speelde op het pleintje bij de [straat]. Hij speelde vaak met [neef 2], [naam], en [neef 1]. Op een dag deden ook de nichtjes van [neef 2] mee. Hij weet zelf niet hoe [slachtoffer] eruit ziet, maar anderen zeiden dat zij er ook was.

Verder heeft een vriend van verdachte genaamd [naam] op 20 april 2010 een verklaring afgelegd. Hij verklaart dat ze wel vaker met allemaal kinderen spelletjes in de bosjes deden. Dit waren kinderen van het hofje en een keer vorig jaar in de lente of zomer waren er twee meisjes bij. Die meisjes waren familie van elkaar en waren bij [neef 2]. Hij gelooft niet dat [verdachte] zijn piemel in de mond van het meisje heeft gedaan.

4.2 Het standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie van justitie heeft gevorderd verdachte ter zake het ten laste gelegde te veroordelen.

Naar het oordeel van de officier van justitie vindt de verklaring van [slachtoffer] zoals zij deze tijdens het studioverhoor heeft afgelegd voldoende steun in de verklaring van [neef 1] en de verklaring van haar moeder.

4.3 Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft betoogd dat verdachte van het ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken.

De raadsvrouw heeft daartoe - kort samengevat- aangevoerd dat er slechts de verklaring is van één enkele getuige namelijk [slachtoffer] en deze verklaring gelet op de jeugdige leeftijd van de getuige en tegenstrijdigheden in haar verklaring geen overtuigend bewijs kan opleveren. De overige verklaringen in het dossier zijn alleen van horen zeggen.

Voorts heeft de raadsvrouw aangevoerd dat de studioverhoren van [slachtoffer] en [neef 1] niet voor het bewijs kunnen worden gebezigd nu hieraan procedurele gebreken kleven. De raadsvrouw heeft daarbij gewezen op de Aanwijzing opsporing en vervolging betreffende seksueel misbruik. Conform deze aanwijzing dient het proces-verbaal binnen 30 dagen naar het Openbaar Ministerie gezonden te zijn en binnen drie maanden moet er volgens door het Openbaar Ministerie een beslissing tot vervolging worden genomen. Ook blijkt niet of de betreffende interviewers gespecialiseerd zijn in het horen van minderjarigen en is verder onduidelijk waarom geen externe deskundige is geraadpleegd alsmede waarom gelet op de jonge leeftijd van [slachtoffer] en [neef 1] de zaak niet is voorgelegd aan de landelijke Expertisegroep. Ook is in het dossier niet de schriftelijke toestemming door de ouders aangetroffen tot het horen van hun kinderen.

4.4 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft kennisgenomen van de inhoud van de stukken van het onderliggende strafdossier en van hetgeen bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gebracht.

Voordat de rechtbank toekomt aan beantwoording van de vraag of er voldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is om te komen tot een bewezenverklaring van het ten laste gelegde ziet zij zich eerst voor de vraag geplaatst of de studioverhoren van [neef 1] en [slachtoffer] voor het bewijs kunnen worden gebezigd. De rechtbank beantwoordt deze vraag, anders dan de raadsvrouw, bevestigend. De rechtbank is van oordeel dat niet-naleving van de Aanwijzing opsporing seksueel misbruik op de punten als door de raadsvrouw naar voren gebracht, niet een zodanig ernstig vormverzuim oplevert dat dit moet leiden tot de vergaande sanctie van uitsluiting van bewijs. Er is immers niet gebleken van onregelmatigheden bij de verhoren waardoor aan de betrouwbaarheid van de afgelegde verklaringen zou kunnen worden getwijfeld en de belangen van de verdachte zouden zijn geschaad. Dit is overigens ook niet door de raadsvrouw gesteld. De rechtbank zal de verklaringen dan ook bezigen voor het bewijs.

[slachtoffer] heeft bij de politie verklaard dat ze komt vertellen over [verdachte]. Ze vertelt dat ze verstoppetje speelden in de struikenbosjes bij [neef 1] en [neef 2] en dat [verdachte] toen tegen haar heeft gezegd dat ze haar mond open moest doen en haar ogen dicht. En dat [verdachte] toen zijn tollie in haar mond heeft gedaan. Later verklaart zij dat ze dit diezelfde dag nog aan haar vriendje [neef 1] heeft verteld. De verklaring van [slachtoffer] vindt steun in de verklaring van [neef 1] zoals hij deze in het studioverhoor heeft afgelegd. Hij vertelt dat hij een keertje tin tin in de rimboe aan het spelen was samen met [slachtoffer], [zus slachtoffer], [verdachte] en andere kinderen. Hij vertelt dat hij van [slachtoffer] heeft gehoord dat [verdachte] haar had meegenomen in de bosjes en dat [verdachte] tegen haar had gezegd dat ze haar mond open moest doen en haar ogen dicht en dat hij toen zijn pik in haar mond heeft gestopt. Hij verklaart dat [slachtoffer] dit dezelfde dag nog aan hem heeft verteld

Ook aan haar moeder heeft [slachtoffer] enkele dagen na het gebeuren op grotendeels gelijkluidende wijze verteld over het gebeuren, zoals hiervoor bij de inleiding is weergegeven.

Op grond van de onder 4.1 en 4.4 genoemde wettige bewijsmiddelen heeft de rechtbank de overtuiging bekomen dat het ten laste gelegde feit door verdachte is gepleegd.

5 BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

hij op 25 juni 2009 te Almere met een meisje, genaamd [slachtoffer], geboren op [geboortedatum], die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, een handeling heeft gepleegd, die bestond uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer], hebbende verdachte zijn, verdachte's penis in de mond van die [slachtoffer] geduwd/gebracht.

Van het meer of naders ten laste gelegde zal verdachte worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet wettig en overtuigend bewezen acht.

6 KWALIFICATIE

Het bewezene levert op:

Met iemand beneden de leeftijd van twaalf jaren handelingen plegen die mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, strafbaar gesteld bij artikel 244 van het Wetboek van Strafrecht.

7 STRAFBAARHEID

Het feit en verdachte zijn strafbaar, nu geen feiten of omstandigheden zijn gebleken die die strafbaarheid zouden opheffen of uitsluiten.

8 STRAFOPLEGGING

8.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een leerstraf Seksualiteit individuele training alsmede een werkstraf voor de duur van 15 uren geheel voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en als bijzondere voorwaarde contact met de jeugdreclassering.

8.2 Het standpunt van de verdediging

Door de raadsvrouw van verdachte is vrijspraak bepleit en heeft zich over de strafmaat niet uitgelaten.

8.3 Het oordeel van de rechtbank

Gelet op de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden waaronder verdachte zich daaraan heeft schuldig gemaakt en op de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht de rechtbank de na te noemen beslissing passend.

De rechtbank stelt voorop dat het een ernstig feit betreft, gezien de jeugdige leeftijd waarop het slachtoffer aan de in de tenlastelegging genoemde en bewezen verklaarde handeling is onderworpen en de gevolgen die dit in de toekomst mogelijk zal hebben voor haar (seksuele) ontwikkeling en gedrag. Door het handelen van verdachte is de lichamelijke integriteit van een erg jong meisje geschonden.

In beginsel acht de rechtbank voor een dergelijk feit, mede in aanmerking genomen de jeugdige leeftijd van verdachte, in ieder geval een langdurige werkstraf op zijn plaats.

De rechtbank is echter van oordeel dat inbreuk is gemaakt op het recht van verdachte op berechting binnen een redelijke termijn, nu sinds de inverzekeringstelling van verdachte meer dan 16 maanden zijn verstreken. De rechtbank acht dit gezien de aard van het feit in combinatie met de jeugdige leeftijd van verdachte een zeer kwalijke zaak. Temeer nu het proces verbaal al eind april 2010 bij het parket is binnen gekomen.

Dit alles in aanmerking genomen zal de rechtbank aan verdachte enkel een taakstraf, te weten de leerstraf seksuele training individueel opleggen zoals door de Raad voor de kinderbescherming in haar rapportages d.d. 10 mei 2010 en 23 augustus 2011is geadviseerd. De rechtbank acht deze straf in het belang van een goede ontwikkeling van verdachte.

9 TOEPASSELIJKHEID WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op de artikelen 77a, 77g, 77h, 77m, 77n en 244 van het Wetboek van Strafrecht, zoals de artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

10 BESLISSING

Het ten laste gelegde is bewezen zoals hiervoor aangegeven en levert het strafbare feit op, zoals hiervoor vermeld. De verdachte is deswege strafbaar.

Het meer of anders ten laste gelegde is niet bewezen en de verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

De rechtbank legt aan verdachte op een taakstraf, te weten de leerstraf Seksualiteit individuele training gedurende 25 uren, te voltooien binnen 6 maanden na het onherroepelijk worden van dit vonnis.

De rechtbank beveelt dat voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet of niet naar behoren verricht de taakstraf wordt vervangen door 12 dagen jeugddetentie, althans een aantal dagen jeugddetentie dat evenredig is aan het niet verrichte aantal uren taakstraf.

De tijd, door verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, zal bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde taakstraf in mindering worden gebracht, berekend naar de maatstaf van 2 uren taakstraf per dag.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.J. van Dijk, voorzitter, tevens kinderrechter, mrs. M. Iedema en F.H. Schormans, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A. Seuters, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 20 september 2011.

Mr. F.H. Schormans is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.