Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2011:BU9394

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
13-12-2011
Datum publicatie
27-12-2011
Zaaknummer
07.660154-11 + 07.660221-10 (vtvv) + 07.660178-11 (gev.ttz) (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank is van oordeel dat er op het moment dat verdachte in het nauw gedreven werd en aangever op hem intrapte geen mogelijkheid was om te vluchten. Door met een mes te steken in het been van aangever kon verdachte vluchten. Verdachte heeft zich mogen verdedigen tegen deze ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding. De rechtbank is van oordeel dat het middel - het steken met een mes- proportioneel was en tevens voldeed aan de eisen van subsidiairiteit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE – LELYSTAD

Sector Strafrecht - Meervoudige Strafkamer

Parketnummers: 07.660154-11, 07.660221-10 (vtvv) en 07.660178-11 (gev. ttz.) (P)

Uitspraak: 13 december 2011

VONNIS IN DE STRAFZAAK VAN:

het openbaar ministerie

tegen

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland.

HET ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg. Het onderzoek ter terechtzitting is aangevangen op 4 oktober 2011 en is op voornoemde datum geschorst. Op 28 november 2011 is het onderzoek ter terechtzitting hervat en heeft de inhoudelijke behandeling plaatsgevonden. Verdachte is verschenen, bijgestaan door zijn raadsman mr. Th. U. Hiddema, advocaat te Maastricht.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie,

mr. C.J.W.M. Janssen, en van hetgeen verdachte en diens raadsman naar voren hebben gebracht.

DE TENLASTELEGGING

De verdachte is ten laste gelegd dat:

Parketnummer 07.660154-11:

hij op of omstreeks 29 mei 2011 te Emmeloord, gemeente Noordoostpolder, met een ander of anderen, op of aan de openbare weg, [straat], in elk geval op of aan een openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [aangever 1] en/of [aangever2 ], welk geweld bestond uit

- het meermalen trappen tegen het lichaam van die [aangever 1] en/of [aangever 2] en/of

- het steken met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in het been van die [aangever 1],

waarbij hij, verdachte, voornoemde [aangever 1] met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp in het been heeft gestoken, en welk door hem gepleegd geweld enig lichamelijk letsel (vleeswond) voor voornoemde [aangever 1] ten gevolge heeft gehad.

Parketnummer 07.660178-11:

1.

hij op of omstreeks 18 juni 2011 te Emmeloord, gemeente Noordoostpolder, opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [aangever 3]), met kracht met zijn vuisten in het gezicht en/of tegen het hoofd heeft geslagen/gestompt, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

2.

hij op of omstreeks 18 juni 2011 te Emmeloord, gemeente Noordoostpolder, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, aan een persoon genaamd [aangever 3], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet voornoemde [aangever 3] met geschoeide voet meermalen met kracht in het gezicht en/of tegen het hoofd en/of tegen het lichaam heeft geschopt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien het vorenstaande onder 2 niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 18 juni 2011 te Emmeloord, gemeente Noordoostpolder, met een ander of anderen, op of aan de openbare weg, [straat], in elk geval op of aan een openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [aangever 3], welk geweld bestond uit het meermalen met kracht met geschoeide voet trappen en/of schoppen in het gezicht en/of tegen het hoofd en/of tegen het lichaam van die [aangever 3].

De rechtbank nummert het bij dagvaarding met parketnummer 07.660154-11 ten laste gelegde als feit 1 en de bij dagvaarding met parketnummer 07.660178-11 onder 1 en 2 primair en subsidiair ten laste gelegde feiten als de feiten 2 en 3.

DE VOORVRAGEN

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

DE BEWIJSMIDDELEN EN DE BEOORDELING DAARVAN

Inleiding

Feit 1:

Op 29 mei 2011 kregen verbalisanten de melding dat er een steekpartij had plaatsgevonden aan [straat] te Emmeloord, ter hoogte van restaurant [naam restaurant]. Verbalisanten kregen via de meldkamer te horen in welke richting de twee verdachten liepen. Verbalisanten kwamen aan bij de mogelijke verdachten, waarop de hen ambtshalve bekende verdachte begon te rennen.

Uit diverse verklaringen is gebleken dat er een vechtpartij heeft plaatsgevonden tussen drie Poolse mannen en twee andere personen.

[aangever 1] heeft aangifte gedaan. Hij zou door een persoon met een mes gestoken zijn.

Feiten 2 en 3:

Uit diverse verklaringen volgt dat er in de nacht van 18 juni 2011 te Emmeloord een geweldsincident heeft plaatsgevonden in shoarmazaak [naam shoarmazaak] (feit 2), en enige tijd later buiten voornoemde zaak (feit 3), welk geweld zou zijn aangewend tegen aangever [aangever 3]. Aangever heeft verdachte in de shoarmazaak op enig moment ‘Roodkapje’ genoemd, hetgeen de aanleiding zou zijn geweest voor de geweldsincidenten.

Aangever [aangever 3] heeft verklaard dat hij in voornoemde shoarmazaak in zijn gezicht is geslagen door een jongen met een rode capuchon. Aangever is op enig moment naar buiten gegaan, naar de jongen die hem had geslagen. Aangever kan zich verder niet veel herinneren.

Ten aanzien van hetgeen zich in en buiten voornoemde shoarmazaak heeft afgespeeld, zijn diverse getuigen gehoord.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht feit 1 wettig en overtuigend bewezen. Drie Poolse mannen stonden tegenover verdachte en [getuige]. Deze personen geraakten allen in een soort vechtpartij. Verdachte had een mes vast, hetgeen enig lichamelijk letsel ten gevolge heeft gehad. Het letsel is een gevolg van het gepleegde geweld. Dit is een geobjectiveerd bestanddeel.

De officier van justitie acht de feiten 2 en 3 primair eveneens bewezen, gelet op diverse getuigenverklaringen en de verklaring van aangever. De eigenaar van de shoarmazaak is de enige persoon die heeft verklaard dat aangever als eerste zou hebben geslagen. Deze verklaring staat haaks op een groot aantal andere verklaringen. Ten aanzien van het onder 3 primair tenlastegelegde kan wettig en overtuigend bewezen worden dat verdachte het feit tezamen en in vereniging met een ander heeft gepleegd. Diverse getuigen hebben verklaard dat aangever door verdachte tegen het hoofd en tegen het lichaam werd geschopt, terwijl aangever op de grond lag.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich ten aanzien van een bewezenverklaring van de feiten 1, 2 en 3 gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Het oordeel van de rechtbank

Feit 1:

De rechtbank is, met de officier van justitie en de raadsman van verdachte, van oordeel dat het onder 1 tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen. De rechtbank verwijst daarvoor naar de in de Inleiding opgenomen verklaring van aangever [aangever 1]. Voorts wijst de rechtbank op de verklaring van getuige [getuige 2] , die op die dag werkzaam was in [naam restaurant], de verklaring van [getuige] , zijnde de persoon met wie verdachte openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd, en de verklaring van verdachte.

Gelet op voornoemde verklaringen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen personen, hetgeen enig lichamelijk letsel ten gevolge heeft gehad, zoals hierna omschreven.

Feiten 2 en 3:

De rechtbank acht, gelet op de verklaring van aangever (onder verwijzing naar de Inleiding), de verklaring van getuige [getuige 1] de verklaring van getuige [getuige 2], de verklaring van getuige [getuige 3], de verklaring van getuige [getuige 3] en de verklaring van verdachte tijdens het onderzoek ter terechtzitting - inhoudende dat verdachte klappen heeft gegeven aan aangever in de betreffende shoarmazaak - wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 2 tenlastegelegde mishandeling en het onder 3 primair tenlastegelegde medeplegen van een poging tot zware mishandeling, wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna omschreven.

DE BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 1, 2 en 3 primair ten laste is gelegd, met dien verstande dat:

1.

hij op 29 mei 2011 te Emmeloord, gemeente Noordoostpolder, met een ander, op of aan de openbare weg, [straat], openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [aangever 1] en [aangever2 ], welk geweld bestond uit

- het meermalen trappen tegen het lichaam van die [aangever 1] en [aangever 2] en

- het steken met een mes in het been van die [aangever 1],

waarbij hij, verdachte, voornoemde [aangever 1] met een mes in het been heeft gestoken, en welk door hem gepleegd geweld enig lichamelijk letsel (vleeswond) voor voornoemde [aangever 1] ten gevolge heeft gehad.

2.

hij op 18 juni 2011 te Emmeloord, gemeente Noordoostpolder, opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [aangever 3]), met kracht met zijn vuisten in het gezicht en tegen het hoofd heeft gestompt, waardoor deze letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden.

3. primair

hij op 18 juni 2011 te Emmeloord, gemeente Noordoostpolder, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander aan een persoon genaamd [aangever 3] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet voornoemde [aangever 3] met geschoeide voet meermalen tegen het hoofd en tegen het lichaam heeft geschopt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Van het onder 1, 2 en 3 primair meer of anders ten laste gelegde zal de verdachte worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet wettig en overtuigend bewezen acht.

DE KWALIFICATIE

Het bewezene levert op:

Feit 1:

Openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen, terwijl het door hem gepleegde geweld enig lichamelijk letsel ten gevolge heeft.

Feit 2:

Mishandeling.

Feit 3:

Medeplegen van poging tot zware mishandeling.

DE STRAFBAARHEID

Feit 1:

De raadsman van verdachte heeft een gemotiveerd beroep op noodweer, subsidiair noodweerexces gedaan, zoals vervat in de ter terechtzitting overgelegde pleitnotitie (pagina’s 1 tot en met 5 van die pleitnotitie).

De rechtbank overweegt dat voor een geslaagd beroep op noodweer ten eerste dient te worden vastgesteld of er sprake was van een noodweersituatie, te weten een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding gericht tegen eigen of andermans lijf, eerbaarheid of goed.

Verdachte en diens medeverdachte, te weten de 14-jarige [getuige], hebben beiden verklaard dat er drie mannen achter hen aan kwamen lopen en op enig moment achter hen aan kwamen rennen. De aanleiding zou zijn geweest dat één van die mannen had gefloten, waarop [getuige] had teruggefloten. Op enig moment kwamen die drie personen bij verdachte en [getuige] en zodoende stonden er drie volwassen mannen voor hen. Die drie personen begonnen met het geweld, te weten duwen, schoppen en slaan, zo hebben verdachte en [getuige] verklaard. Verdachte heeft verklaard dat hij zichzelf, maar ook zijn 14-jarige vriend over wie hij de verantwoordelijkheid had, heeft moeten verdedigen tegen de drie Poolse mannen, die bovendien dronken waren.

Getuige [getuige 3], zijnde een onafhankelijke getuige, heeft verklaard dat er twee personen passeerden – uit het dossier blijkt dat dit verdachte en [getuige] moeten zijn geweest – waarna er eveneens twee Poolse mannen kwamen aanlopen die riepen naar verdachte en [getuige]. De vier voornoemde personen maakten op enig moment trapbewegingen naar elkaar. Er kwam vervolgens een derde Poolse man bij. Eén van de Poolse mannen gooide een stoel naar verdachte.

Gelet op het voorgaande stelt de rechtbank vast dat er reeds geweld is gebruikt door de betrokken personen, voordat verdachte met het mes heeft gestoken. Getuige [getuige 2] heeft verklaard dat hij naar het groepje is gelopen toen er een stoel van restaurant [naam restaurant] werd gegooid naar verdachte en [getuige]. Op het moment dat voornoemde getuige naar buiten kwam, had verdachte de stoel in zijn handen en gaf deze aan voornoemde getuige. Daarop liepen 2 van de 3 Poolse mannen om getuige heen naar verdachte en [getuige], waarbij één van die mannen trachtte de man met het mes – zijnde verdachte – te trappen. Hierop renden verdachte en [getuige] weg en renden er twee mannen achter hen aan.

De rechtbank overweegt dat op het moment dat getuige [getuige 2] tussen de betrokkenen in kwam staan, er een rustmoment is geweest, waarop het gevecht heeft kunnen eindigen. Echter, de Poolse mannen zochten op dat moment (wederom) de aanval. De Poolse mannen kwamen om voornoemde getuige heen lopen. Uit deze verklaring lijkt te volgen dat verdachte en [getuige] in het nauw werden gedreven en er geen vluchtmogelijkheid voor hen was. Op het moment dat aangever trapte, heeft verdachte in het been van aangever gestoken, zoals reeds bewezen is verklaard, en was het mogelijk voor verdachte en [getuige] om weg te rennen. De rechtbank is van oordeel dat er, gelet op het voorgaande, een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding was jegens verdachte alsmede, gelet op het eerder toegepaste geweld, een dreiging daarvan voor zijn 14-jarige vriend, waartegen verdachte zich heeft mogen verdedigen.

Ten tweede dient de rechtbank vast te stellen of de wijze van verdediging voldoet aan de eisen van subsidiariteit en proportionaliteit. Daarbij is de aard van het geschonden rechtsgoed van belang.

Gelet op de verschillende verklaringen die zich in het dossier bevinden, heeft verdachte eerst andere, minder vergaande middelen aangewend om zich tegen de Poolse mannen te verdedigen. Zo heeft één van die Poolse mannen, te weten [aangever2 ], verklaard dat verdachte het mes liet zien en dat verdachte zei dat hij weg moest gaan. Toen hij het mes wilde afpakken, werd hij door verdachte geschopt. Tot op dat moment heeft verdachte het mes enkel gebruikt om de Poolse mannen op afstand te houden en heeft verdachte hen verzocht weg te gaan. Voorts heeft die [aangever2 ] verklaard dat het misschien anders was gelopen als hij niet had gedronken.

Uit meerdere verklaringen is gebleken dat de Poolse mannen aangeschoten, dan wel dronken waren. Zie lieten zich niet afschrikken toen verdachte andere middelen hanteerde om het geweld af te wenden, ook niet toen hij met een mes zwaaide. Integendeel, zij zochten de confrontatie op door te trachten het mes uit de handen van verdachte te schoppen in plaats van weg te gaan. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de wijze van verdediging voldoet aan de eisen van subsidiariteit.

In deze zaak heeft de wijze van verdediging, te weten het steken met een mes, niet tot onaanvaardbare onevenredige gevolgen geleid. Verdachte heeft aangever immers gestoken, in zijn onderbeen op het moment dat aangever hem schopte, terwijl van blijvend letsel geen sprake is. De rechtbank acht de wijze van verdediging aldus voldoen aan de eisen van proportionaliteit.

De rechtbank volgt de verdediging in het ter zake gevoerde verweer en is van oordeel dat verdachte ten aanzien van het onder 1 bewezen verklaarde feit heeft gehandeld uit noodweer.

De rechtbank zal verdachte ten aanzien van het hem onder 1 tenlastegelegde ontslaan van alle rechtsvervolging.

De feiten 2 en 3:

De onder 2 en 3 bewezenverklaarde feiten en de verdachte zijn strafbaar, nu geen feiten of omstandigheden gebleken zijn die die strafbaarheid zouden opheffen of uitsluiten.

DE STRAFOPLEGGING

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte ter zake het hem onder 1, 2 en 3 primair tenlastegelegde te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht, waarvan 10 maanden voorwaardelijk en met een proeftijd van 2 jaren. Als bijzondere voorwaarde dient te worden gesteld dat verdachte zich houdt aan de aanwijzingen van Tactus Reclassering Flevoland, ook indien dat inhoudt het zich houden aan een meldingsgebod en ook indien dat inhoudt een klinische behandeling bij Forensische GGZ Groot Batelaar.

De officier van justitie heeft daarbij gewezen op een vonnis van de meervoudige strafkamer van deze rechtbank d.d. 18 februari 2011, alwaar aan verdachte voor soortgelijke feiten een forse gevangenisstraf is opgelegd, waarvan een deel voorwaardelijk. Uit de rapportages blijkt voorts dat er een hoge kans op recidive bestaat.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht geen hogere gevangenisstraf op te leggen dan de reeds ondergane voorlopige hechtenis. Voorts heeft de raadsman aangevoerd dat hij, indien de rechtbank het beroep op noodweer(exces) zou passeren, zich kan vinden in de eis van de officier van justitie.

Het oordeel van de rechtbank

Gelet op de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden waaronder verdachte zich daaraan heeft schuldig gemaakt en op de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht de rechtbank de na te noemen beslissing passend.

De rechtbank is in dit geval van oordeel dat een (deels) onvoorwaardelijke vrijheidsstraf noodzakelijk is, omdat de aard en ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, gelet ook op het strafrechtelijke verleden van de verdachte, door een lichtere strafrechtelijke afdoening van de zaak miskend zouden worden. Bijzondere omstandigheden die tot een ander oordeel zouden moeten voeren, acht de rechtbank niet aanwezig.

Namens de verdachte is door de raadsman aangevoerd dat er sprake is van een voortgezette handeling als bedoeld in artikel 56 van het Wetboek van Strafrecht. Naar het oordeel van de rechtbank is ten aanzien van de feiten 2 en 3 primair geen sprake van een voortgezette handeling. Bij dat oordeel heeft de rechtbank betrokken dat in dit geval geen sprake is van achtereenvolgende handelingen en voorts dat niet zonder meer kan worden vastgesteld dat de handelingen voortvloeien uit één ongeoorloofd wilsbesluit. Nadat verdachte aangever [aangever 3] in de shoarmazaak heeft gestompt en vervolgens naar buiten is gegaan, is laatstgenoemde verdachte naar buiten gevolgd, waarna verdachte hem heeft geschopt. Het bewezenverklaarde zal dan ook worden gekwalificeerd als meerdaadse samenloop als bedoeld in artikel 57 van het Wetboek van Strafrecht.

Bij haar beslissing heeft de rechtbank daarnaast rekening gehouden met het volgende.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan ernstige geweldsdelicten. Op het moment dat het slachtoffer bewegingloos op de grond lag, heeft verdachte hem meermalen met geschoeide voet geschopt tegen het hoofd. De rechtbank zal echter een lagere gevangenisstraf opleggen dan door de officier van justitie is geëist, aangezien de rechtbank ten aanzien van het onder 1 bewezenverklaarde het beroep op noodweer heeft gehonoreerd. De rechtbank zal geen hoger onvoorwaardelijk strafdeel opleggen dan de tijd die verdachte reeds in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. De rechtbank zal voorts een voorwaardelijk strafdeel opleggen ter voorkoming van recidive. Daarbij zullen de na te noemen bijzondere voorwaarden worden opgelegd, onder meer gelet op het Reclasseringsadvies van Tactus Reclassering Flevoland d.d. 15 november 2011 (opgesteld door Reclasseringswerker P.E. Booij) en het Indicatieadvies van het NIFP d.d. 10 oktober 2011 (opgesteld door B. Goting, forensisch psychiater IFZ, NIFP Arnhem).

Bij haar beslissing heeft de rechtbank voorts rekening gehouden met een de verdachte betreffend uittreksel justitiële documentatie d.d. 3 oktober 2011, waaruit blijkt dat verdachte eerder ter zake van geweldsdelicten is veroordeeld, alsmede de overige stukken van het de verdachte betreffende persoonsdossier.

DE BENADEELDE PARTIJEN

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd:

- de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] toe te wijzen tot een bedrag van € 363,56. De immateriële schadepost dient niet-ontvankelijk te worden verklaard aangezien deze post niet eenvoudig is vast te stellen en gelet op het eigen aandeel van de benadeelde partij;

- de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] toe te wijzen tot een bedrag van € 433,30. De materiële schadepost die ziet op de vergoeding van de steunzolen, dient niet-ontvankelijk te worden verklaard aangezien deze schadepost niet in rechtstreeks verband staat met de feiten en daarnaast al voor 18 juni 2011 last had van zijn enkel.

- voornoemde bedragen toe te wijzen met toepassing van de wettelijke rente en de

schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] niet- ontvankelijk te verklaren, aangezien verdachte ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

De raadsman heeft verzocht de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] te matigen. De steunzolen komen niet voor vergoeding in aanmerking, aangezien er geen rechtstreeks verband is tussen de pijn in de enkel en het handelen van verdachte. Voorts dient de immateriële schadepost gematigd te worden, aangezien het de vraag is in hoeverre deze schade aan verdachte kan worden toegeschreven.

Het oordeel van de rechtbank

Benadeelde partij [benadeelde partij 1]:

Voor aanvang van de terechtzitting heeft [benadeelde partij 1] zich als benadeelde partij in dit geding gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van schade ten gevolge van het aan verdachte onder 1 ten laste gelegde feit. De hoogte van die schade wordt door de benadeelde partij begroot op een bedrag van € 593,56.

De benadeelde partij [benadeelde partij 1] dient in de vordering niet-ontvankelijk te worden verklaard nu de verdachte van het hem onder 1 ten laste gelegde zal worden ontslagen van alle rechtsvervolging, aangezien verdachte heeft gehandeld uit noodweer.

Benadeelde partij [benadeelde partij 2]:

Voor aanvang van de terechtzitting heeft [benadeelde partij 2] zich als benadeelde partij in dit geding gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van schade ten gevolge van de aan verdachte onder 2 en 3 ten laste gelegde feiten. De hoogte van die schade wordt door de benadeelde partij begroot op een bedrag van € 598,30.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat de benadeelde partij

[benadeelde partij 2] rechtstreeks schade heeft geleden ten gevolge van de onder 2 en 3 bewezen verklaarde feiten. De hoogte van die schade is genoegzaam komen vast te staan tot een bedrag van € 433,30, vermeerderd met de kosten die – tot op heden – worden begroot op nihil.

De vordering van de benadeelde partij, die in die vordering ontvankelijk is, is in die zin toewijsbaar.

De schadepost die ziet op steunzolen komt niet voor vergoeding in aanmerking, aangezien die schade niet rechtstreeks is veroorzaakt door de bewezenverklaarde feiten. De rechtbank zal derhalve bepalen dat de benadeelde partij in de vordering voor dat deel niet-ontvankelijk is en dat de vordering ter zake dit deel slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

De verdachte is voor de schade, voor zover toegewezen, naar burgerlijk recht hoofdelijk aansprakelijk.

De rechtbank zal voorts aan de verdachte op de voet van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een geldsom van € 433,30 ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 2].

DE VORDERING TENUITVOERLEGGING

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft de tenuitvoerlegging gevorderd van de bij vonnis van de meervoudige strafkamer van deze rechtbank d.d. 18 februari 2011 voorwaardelijk opgelegde straf, te weten een gevangenisstraf voor de duur van 43 dagen.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht de bij voornoemd vonnis aan de voorwaardelijk opgelegde werkstraf verbonden proeftijd te verlengen met één jaar.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht, gelet op het bepaalde in artikel 14f van het Wetboek van Strafrecht, termen aanwezig de bij vonnis van de meervoudige strafkamer in deze rechtbank d.d. 18 februari 2011 aan de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf verbonden proeftijd te verlengen met één jaar. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf de na te noemen bijzondere voorwaarden zou doorkruisen. De rechtbank is van oordeel dat verdachte zo snel mogelijk moet kunnen beginnen met de op te leggen klinische behandeling. Voorts wordt verdachte hierdoor gecompenseerd voor de reeds ondergane voorlopige hechtenis.

TOEPASSELIJKHEID WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 14f, 14h, 14i, 14j, 27, 36f, 41, 45, 47, 57, 141, 300 en 302 van het Wetboek van Strafrecht, zoals de artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het onder 1 ten laste gelegde is bewezen zoals hiervoor aangegeven en levert het strafbare feit op, zoals hiervoor vermeld, doch verdachte is niet strafbaar.

De rechtbank ontslaat de verdachte te dier zake van alle rechtsvervolging.

Het onder 2 en 3 primair ten laste gelegde is bewezen zoals hiervoor aangegeven en levert de strafbare feiten op, zoals hiervoor vermeld. De verdachte is deswege strafbaar.

Het onder 2 en 3 primair meer of anders ten laste gelegde is niet bewezen en de verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden.

De tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, zal bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering worden gebracht.

Van de gevangenisstraf zal een gedeelte, groot 2 maanden, niet worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond van het feit dat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 jaar aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of gedurende die proeftijd de hierna te melden bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd.

Als bijzondere voorwaarde wordt gesteld dat de verdachte zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen, hem te geven door of namens Tactus Reclassering Flevoland, ook indien dit inhoudt:

- een meldingsgebod, waarbij verdachte zich moet melden bij Tactus Reclassering Flevoland en zich gedurende bepaalde perioden blijft melden zo frequent als dat gedurende die perioden nodig wordt geacht;

- het volgen van een klinische behandeling bij de Forensische GGZ Groot Batelaar te Lunteren,

zulks zolang deze instelling of een door haar aan te wijzen andere reclasseringsinstelling dat gedurende de proeftijd nodig oordeelt, met opdracht aan die instelling als bedoeld in artikel 14d van het Wetboek van Strafrecht.

Benadeelde partij [benadeelde partij 1]:

De rechtbank bepaalt dat de benadeelde partij [benadeelde partij 1] in zijn vordering niet-ontvankelijk is en dat hij zijn vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Benadeelde partij [benadeelde partij 2]:

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde partij 2], wonende te Emmeloord, van een bedrag van € 433,30 (zegge: vierhonderd en drieëndertig euro en dertig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente sinds de dag waarop de thans onder 2 en 3 bewezenverklaarde feiten jegens de benadeelde partij werden gepleegd, te weten 18 juni 2011, tot die van de voldoening, hoofdelijk, met dien verstande dat indien en voor zover verdachtes mededader/mededaders betaalt/betalen, verdachte in zoverre van deze verplichting zal zijn bevrijd, met veroordeling tevens van verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

De rechtbank legt op aan verdachte de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 433,30 ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 2] voornoemd, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 8 dagen hechtenis.

De rechtbank bepaalt dat, indien verdachte en/of zijn mededader/mededaders heeft/hebben voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat, daarmee verdachtes verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde partij 2] in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien verdachte en/of zijn mededader/mededaders heeft/hebben voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde partij 2], daarmee verdachtes verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

De rechtbank bepaalt dat de benadeelde partij [benadeelde partij 2] wat het meer gevorderde betreft in zijn vordering niet-ontvankelijk is en dat hij zijn vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Ten aanzien van de vordering tenuitvoerlegging

De rechtbank verlengt de bij vonnis van de meervoudige strafkamer in deze rechtbank d.d. 18 februari 2011 aan de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf verbonden proeftijd met één jaar.

Aldus gewezen door mr. R.F. van Aalst, voorzitter, mr. L.P. de Haas en mr. M. Iedema, rechters, in tegenwoordigheid van mr. D.J. Laanstra als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 13 december 2011.

Mr. Iedema, voornoemd, is buiten staat het vonnis mede te ondertekenen.