Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2011:BU9115

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
21-12-2011
Datum publicatie
23-12-2011
Zaaknummer
07.662128-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft samen met zijn medeverdachten meerdere personen door middel van afpersing dan wel oplichting bewogen tot het afsluiten van dure telefoonabonnementen en/of leningen. Zij hebben dit gedaan binnen het kader van een criminele organisatie, waarvan verdachte als één van de leiders kan worden aangemerkt. De rechtbank heeft verdachte veroordeeld ter zake van als leider deelnemen aan een criminele organisatie, meerdere afpersingen, meerdere oplichtingen en gewoontewitwassen. De verdachte is veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 4 jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Sector strafrecht

Parketnummer: 07.662128-11 (P)

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 21 december 2011

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

gedetineerd in de [Penitentiaire Inrichting].

1 HET ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het onderzoek heeft plaatsgevonden ter openbare terechtzitting van 23 juni 2011,

13 september 2011 en op 6 en 7 december 2011 te Lelystad. Op laatstgenoemde data heeft de inhoudelijke behandeling van de strafzaak plaatsgevonden, waarbij de verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. M. van Delft, advocaat te Amsterdam.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr.

J. Zeilstra en van de standpunten door de raadsvrouw van verdachte naar voren gebracht.

2 DE TENLASTELEGGING

De verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij in of omstreeks de periode van 1 juni 2003 tot en met 22 maart 2011 in de gemeente Lelystad en/of de gemeente Almere, in elk geval in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, te weten een duurzaam samenwerkingsverband dat werd gevormd door hem, verdachte en/of [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] en/of (een) ander(e) pers(o)on(en), welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk

- met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld, dwingen van personen tot de afgifte van mobiele telefoons en/of geld en/of andere goederen en/of tot het afsluiten van mobiele telefoonabonnementen en/of het aangaan van leningen (strafbaar gesteld in artikel 317 van het Wetboek van Strafrecht)

- met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van valse namen en van valse hoedanigheden en door listige kunstgrepen en door een samenweefsel van verdichtsels, bewegen van personen tot de afgifte van telefoons en/of geld en/of andere goederen en/of tot het afsluiten van mobiele telefoonabonnementen en/of tot het aangaan van leningen (strafbaar gesteld in artikel 326 van het Wetboek van Strafrecht)

- een gewoonte maken van het plegen van witwassen (strafbaar gesteld in artikel 420bis juncto 420ter van het Wetboek van Strafrecht)

zulks terwijl hij, verdachte, leider van die organisatie was;

2.

hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 juni 2003 tot en met 22 maart 2011, in de gemeente Almere en/of Lelystad en/of Amsterdam en/of Zeewolde en/of Heerenveen en/of Arnhem en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, (telkens) met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld

1. (zaak 3)

[aangever 1] heeft gedwongen tot de afgifte van een of meer mobiele telefoons, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan die [aangever 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en/of het aangaan van een of meer schulden (bij een of meer telefoonwinkels en/of telecomproviders)

2. (zaak 4)

[aangever 2] heeft gedwongen tot de afgifte van een of meer mobiele telefoons, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan die [aangever 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en/of het aangaan van een of meer schulden (bij een of meer telefoonwinkels en/of telecomproviders)

3. (zaak 5)

[aangever 3] heeft gedwongen tot de afgifte van een of meer mobiele telefoons, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan die [aangever 3], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en/of het aangaan van een of meer schulden (bij een of meer telefoonwinkels en/of telecomproviders)

4. (zaak 6)

[aangever 4] heeft gedwongen tot de afgifte van een of meer mobiele telefoons, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan die [aangever 4], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en/of het aangaan van een of meer schulden (bij een of meer telefoonwinkels en/of telecomproviders)

5. (zaak 8)

[aangever 5] heeft gedwongen tot de afgifte van een of meer mobiele telefoons, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan die [aangever 5], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en/of het aangaan van een of meer schulden (bij een of meer telefoonwinkels en/of telecomproviders en/of Primeline en/of Media Markt)

6. (zaak 9)

[aangever 6] heeft gedwongen tot de afgifte van een of meer mobiele telefoons, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan die [aangever 6], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en/of het aangaan van een of meer schulden (bij een of meer telefoonwinkels en/of telecomproviders)

7. (zaak 10)

[aangever 7] heeft gedwongen tot de afgifte van een of meer mobiele telefoons, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan die [aangever 7], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en/of het aangaan van een of meer schulden (bij een of meer telefoonwinkels en/of telecomproviders)

8. (zaak 12)

[aangever 8] heeft gedwongen tot de afgifte van een of meer mobiele telefoons, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan die [aangever 8], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en/of het aangaan van een of meer schulden (bij een of meer telefoonwinkels en/of telecomproviders en/of Primeline en/of It’s)

9. (zaak 14)

[aangever 9] heeft gedwongen tot de afgifte van een of meer mobiele telefoons, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan die [aangever 9], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en/of het aangaan van een of meer schulden (bij een of meer telefoonwinkels en/of telecomproviders)

10. (zaak 19)

[aangever 10] heeft gedwongen tot de afgifte van een of meer mobiele telefoons, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan die [aangever 10], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en/of het aangaan van een of meer schulden (bij een of meer telefoonwinkels en/of telecomproviders)

11. (zaak 20)

[aangever 11] heeft gedwongen tot de afgifte van een of meer mobiele telefoons en/of (een) laptop(s), (een) televisie(s), in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan die [aangever 11], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en/of het aangaan van een of meer schulden (bij een of meer telefoonwinkels en/of telecomproviders en/of elektronicawinkels en/of Primeline)

12. (zaak 23)

[aangever 12] heeft gedwongen tot de afgifte van een geldbedrag van 1000 euro, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan die [aangever 12], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte

13. (zaak 26)

[aangever 13] heeft gedwongen tot de afgifte van (een) geldbedrag(en) en/of een of meer mobiele telefoons, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan die [aangever 13], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en/of het aangaan van een of meer schulden (bij een of meer telefoonwinkels en/of telecomproviders en/of Comfort Card en/of Primeline)

14. (zaak 29)

[aangever 14] heeft gedwongen tot de afgifte van een of meer mobiele telefoons, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan die [aangever 14], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en/of het aangaan van een of meer schulden (bij een of meer telefoonwinkels en/of telecomproviders)

15. (zaak 30)

[aangever 15] heeft gedwongen tot de afgifte van een of meer mobiele telefoons en/of een Imac en/of een spiegelreflexcamera, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan die [aangever 15], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en/of het aangaan van een of meer schulden (bij een of meer telefoonwinkels en/of telecomproviders en/of elektronicawinkels en/of Primeline)

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte en/of zijn mededader(s)

1. (zaak 3)

tegen die [aangever] heeft/hebben gezegd dat zij telefoonabonnementen moest afsluiten en/of dat zij de telefoons moest afgeven en/of (daarbij) dreigend tegen die [aangever] gezegd dat zij anders de woning niet zou mogen verlaten en/of haar iets zou worden aangedaan als zij niet mee zou werken, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking, en/of (aldus) een voor die [aangever] bedreigende situatie heeft/hebben geschapen

2. (zaak 4)

tegen die [aangever 2] heeft/hebben gezegd dat zij telefoonabonnementen moest afsluiten en/of dat zij de telefoons moest afgeven en/of (daarbij) dreigend tegen die [aangever 2] gezegd: “We hebben niet voor niets die 500 euro overgemaakt naar mijn oom, ik weet waar je woont, als je naar de politie gaat weet ik je te vinden, dus zeg het maar”, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking, en/of (aldus) een voor die [aangever 2] bedreigende situatie heeft/hebben geschapen

3. (zaak 5)

tegen die [aangever 3] heeft/hebben gezegd dat hij telefoonabonnementen moest afsluiten en/of dat hij de telefoons moest afgeven en/of (daarbij) dreigend tegen die [aangever 3] gezegd dat hij niet meer terug kon en dat de enige manier om weg te komen was in zes planken, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking, en/of (aldus) een voor die [aangever 3] bedreigende situatie heeft/hebben geschapen

4. (zaak 6)

tegen die [aangever 4] heeft/hebben gezegd dat zij telefoonabonnementen moest afsluiten en/of dat zij de telefoons moest afgeven en/of (daarbij) een mes aan die [aangever 4] heeft/hebben getoond en/of (daarbij) dreigend tegen die [aangever 4] gezegd: “Je sluit zoveel mogelijk abonnementen af. Als je het niet doet heb je een probleem”, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking, en/of (aldus) een voor die [aangever 4] bedreigende situatie heeft/hebben geschapen

5. (zaak 8)

tegen die [aangever 5] heeft/hebben gezegd dat hij telefoonabonnementen moest afsluiten en/of dat hij de telefoons moest afgeven en/of (daarbij) dreigend tegen die [aangever 5] gezegd dat als hij het niet zou doen ze hem wisten te vinden en ze wisten waar hij en zijn vrienden woonden en/of dat als hij het niet zou doen hij zou worden neergestoken, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking, en/of (daarbij) een mes aan die [aangever 5] heeft/hebben getoond, en/of (daarbij) dreigend tegen die [aangever 5] gezegd dat hij het snel moest doen en hij anders zou worden neergeschoten, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking en/of (daarbij) een op een vuurwapen gelijkend voorwerp aan die [aangever 5] heeft/hebben getoond en/of (aldus) een voor die [aangever 5] bedreigende situatie heeft/hebben geschapen

6. (zaak 9)

de woning waar die [aangever 6] verbleef is/zijn binnengedrongen, althans is/zijn binnengegaan en/of terwijl die [aangever 6] nog in zijn bed lag tegen die [aangever 6] heeft/hebben gezegd dat hij telefoonabonnementen moest afsluiten en/of dat hij de telefoons moest afgeven en/of (daarbij) dreigend tegen die [aangever 6] gezegd dat al in hem was geïnvesteerd en dat het geen fijne jongens waren en dat ze zijn huis zouden verbouwen en hem zouden opzoeken als hij niet mee zou werken, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking, en/of (aldus) een voor die [aangever 6] bedreigende situatie heeft/hebben geschapen

7. (zaak 10)

de woning waar die [aangever 7] verbleef is/zijn binnengedrongen, althans is/zijn binnengegaan en/of terwijl die [aangever 7] nog in zijn bed lag tegen die [aangever 7] heeft/hebben gezegd dat hij telefoonabonnementen moest afsluiten en/of dat hij de telefoons moest afgeven en/of (daarbij) dreigend tegen die [aangever 7] gezegd dat al in hem was geïnvesteerd en dat ze wisten waar hij woonde en/of dat ze naar zijn huis zouden komen, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking, en/of (aldus) een voor die [aangever 7] bedreigende situatie heeft/hebben geschapen

8. (zaak 12)

tegen die [aangever 8] heeft/hebben gezegd dat hij telefoonabonnementen moest afsluiten en/of dat hij de telefoons moest afgeven en/of (daarbij) dreigend tegen die [aangever 8] gezegd dat hij niet meer terug kon en dat hij echt een probleem zou hebben als hij ruzie met verdachte en/of zijn mededader(s) zou krijgen, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking, en/of (aldus) een voor die [aangever 8] bedreigende situatie heeft/hebben geschapen

9. (zaak 14)

tegen die [aangever 9] heeft/hebben gezegd dat hij telefoonabonnementen moest afsluiten en/of dat hij de telefoons moest afgeven en/of (daarbij) dreigend tegen die [aangever 9] gezegd dat al in hem was geïnvesteerd en/of dat als hij niet mee zou werken hij een probleem had, omdat zijn naam al was genoemd en/of als hij niet mee zou werken hij zou worden bewerkt met een mes, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking, en/of (aldus) een voor die [aangever 9] bedreigende situatie heeft/hebben geschapen

10. (zaak 19)

tegen die [aangever 10] heeft/hebben gezegd dat hij (een) telefoonabonnement(en) moest afsluiten en/of dat hij de telefoon(s) moest afgeven en/of (daarbij) dreigend tegen die [aangever 10] gezegd dat hij anders problemen zou krijgen en in elkaar zou worden getrapt, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking, en/of (aldus) een voor die [aangever 10] bedreigende situatie heeft/hebben geschapen

11. (zaak 20)

tegen die [aangever 11] heeft/hebben gezegd dat hij telefoonabonnementen en/of leningen moest afsluiten en/of dat hij de telefoons en/of (een laptop(s), (een) televisie(s), moest afgeven en/of (daarbij) dreigend tegen die [aangever 11] gezegd dat hij in elkaar zou worden geslagen als hij het niet zou doen, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking, en/of (aldus) een voor die [aangever 11] bedreigende situatie heeft/hebben geschapen

12. (zaak 23)

tegen die [aangever 12] heeft/hebben gezegd dat zij 1000 euro moest betalen en/of (daarbij) dreigend tegen die [aangever 12] gezegd dat anders haar vader wat aan zou worden gedaan, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking, en/of (aldus) een voor die [aangever 12] bedreigende situatie heeft/hebben geschapen

13. (zaak 26)

tegen die [aangever 13] heeft/hebben gezegd dat hij geld moest afgeven en/of midden in de nacht bij hem thuis is gekomen en/of met vrienden aan de deur is gekomen en/of dreigend tegen die [aangever 13] gezegd dat hij in elkaar zou worden geslagen als hij niet zou meewerken, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking, en/of bij het afsluiten van de telefoonabonnementen voor in de winkel bleef wachten en/of (aldus) een voor die [aangever 13] bedreigende situatie heeft/hebben geschapen

14. (zaak 29)

tegen die [aangever 14] heeft/hebben gezegd dat hij (een) telefoonabonnement(en) moest afsluiten en/of dat hij de telefoon(s) moest afgeven en/of (daarbij) dreigend tegen die [aangever 14] gezegd dat hij anders problemen zou krijgen en dat zij met veel personen waren en dat hij echt geen problemen wilde met hen en dat ze wisten waar hij woonde en dat als hij niet mee zou werken zijn vriendin niet meer veilig zou zijn, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking, en/of (aldus) een voor die [aangever 14] bedreigende situatie heeft/hebben geschapen

15. (zaak 30)

tegen die [aangever 15] heeft/hebben gezegd dat hij (een) telefoonabonnement(en) en/of leningen moest afsluiten en/of dat hij de telefoon(s) en/of andere goederen moest afgeven en/of (daarbij) dreigend tegen die [aangever 15] gezegd dat hij maar beter mee kon werken en dat hij kon worden opgespoord en er dan wat ergs zou kunnen gebeuren, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking, en/of (aldus) een voor die [aangever 15] bedreigende situatie heeft/hebben geschapen

en/of

hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 juni 2003 tot en met 22 maart 2011, in de gemeente Almere en/of Lelystad en/of Emmeloord en/of Amsterdam en/of Zeewolde en/of Heerenveen en/of Arnhem en/of Harderwijk en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, (telkens) met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels,

1. (zaak 1)

[aangever 16] heeft bewogen tot de afgifte van een of meer mobiele telefoons en/of het aangaan van een of meer schulden (bij een of meer telefoonwinkels en/of telecomproviders)

2. (zaak 2)

[aangever 17] heeft bewogen tot de afgifte van een of meer mobiele telefoons en/of het aangaan van een of meer schulden (bij een of meer telefoonwinkels en/of telecomproviders)

3. (zaak 3)

[aangever] heeft bewogen tot de afgifte van een of meer mobiele telefoons en/of het aangaan van een of meer schulden (bij een of meer telefoonwinkels en/of telecomproviders)

4. (zaak 4)

[aangever 2] heeft bewogen tot de afgifte van een of meer mobiele telefoons en/of het aangaan van een of meer schulden (bij een of meer telefoonwinkels en/of telecomproviders)

5. (zaak 5)

[aangever 3] heeft bewogen tot de afgifte van een of meer mobiele telefoons en/of het aangaan van een of meer schulden (bij een of meer telefoonwinkels en/of telecomproviders)

6. (zaak 7)

[aangever 18] heeft bewogen tot de afgifte van een of meer mobiele telefoons en/of het aangaan van een of meer schulden (bij een of meer telefoonwinkels en/of telecomproviders)

7. (zaak 9)

[aangever 6] heeft bewogen tot de afgifte van een of meer mobiele telefoons en/of het aangaan van een of meer schulden (bij een of meer telefoonwinkels en/of telecomproviders)

8. (zaak 10)

[aangever 7] heeft bewogen tot de afgifte van een of meer mobiele telefoons en/of het aangaan van een of meer schulden (bij een of meer telefoonwinkels en/of telecomproviders)

9. (zaak 12)

[aangever 8] heeft bewogen tot de afgifte van een of meer mobiele telefoons en/of het aangaan van een of meer schulden (bij een of meer telefoonwinkels en/of telecomproviders)

10. (zaak 13)

[aangever 19] heeft bewogen tot de afgifte van een of meer mobiele telefoons en/of het aangaan van een of meer schulden (bij een of meer telefoonwinkels en/of telecomproviders)

11. (zaak 14)

[aangever 9] heeft bewogen tot de afgifte van een of meer mobiele telefoons en/of het aangaan van een of meer schulden (bij een of meer telefoonwinkels en/of telecomproviders)

12. (zaak 16)

[aangever 20] heeft bewogen tot de afgifte van een of meer mobiele telefoons en/of het aangaan van een of meer schulden (bij een of meer telefoonwinkels en/of telecomproviders)

13. (zaak 17)

[aangever 21] heeft bewogen tot de afgifte van een of meer mobiele telefoons en/of het aangaan van een of meer schulden (bij een of meer telefoonwinkels en/of telecomproviders)

14. (zaak 18)

[aangever 22] heeft bewogen tot de afgifte van een of meer mobiele telefoons en/of het aangaan van een of meer schulden (bij een of meer telefoonwinkels en/of telecomproviders en/of de Belastingdienst en/of de Postbank)

15. (zaak 20)

[aangever 11] heeft bewogen tot de afgifte van een of meer mobiele telefoons en/of (een) laptop(s), (een) televisie(s) en/of het aangaan van een of meer schulden (bij een of meer telefoonwinkels en/of telecomproviders en/of elektronicawinkels en/of Primeline)

16. (zaak 21)

[aangever 23] heeft bewogen tot de afgifte van een of meer mobiele telefoons en/of een laptop en/of een Comfort Card en/of het aangaan van een of meer schulden (bij een of meer telefoonwinkels en/of telecomproviders en/of Comfort Card)

17. (zaak 22)

[aangever 24] heeft bewogen tot de afgifte van een of meer mobiele telefoons en/of een laptop en/of een televisie en/of een videocamera en/of het aangaan van een of meer schulden (bij een of meer telefoonwinkels en/of telecomproviders en/of Prime-Line en/of Expert en/of It’s)

18. (zaak 23)

[aangever 12] heeft bewogen tot de afgifte van een of meer mobiele telefoons en/of het aangaan van een of meer schulden (bij een of meer telefoonwinkels en/of telecomproviders)

19. (zaak 24)

[aangever 25] heeft bewogen tot de afgifte van een of meer mobiele telefoons en/of (een) laptop(s) en/of een Comfort Card en/of het aangaan van een of meer schulden (bij een of meer telefoonwinkels en/of telecomproviders en/of comfort Card)

20 (zaak 25)

[aangever 26] heeft bewogen tot de afgifte van een of meer mobiele telefoons en/of (een) laptop(s) en/of een Comfort Card en/of het aangaan van een of meer schulden (bij een of meer telefoonwinkels en/of telecomproviders en/of Comfort Card)

21. (zaak 27)

[aangever 27] heeft bewogen tot de afgifte van een of meer mobiele telefoons en/of het aangaan van een of meer schulden (bij een of meer telefoonwinkels en/of telecomproviders)

22. (zaak 28)

[aangever 28] heeft bewogen tot de afgifte van een of meer mobiele telefoons en/of (een) laptop(s) en/of een of meer geldbedragen en/of het aangaan van een of meer schulden (bij een of meer telefoonwinkels en/of telecomproviders en/of Primeline)

23. (zaak 29)

[aangever 14] heeft bewogen tot de afgifte van een of meer mobiele telefoons en/of het aangaan van een of meer schulden (bij een of meer telefoonwinkels en/of telecomproviders)

24. (zaak 30)

[aangever 15] heeft bewogen tot de afgifte van een of meer mobiele telefoons en/of een Imac en/of een spiegelreflexcamera en/of het aangaan van een of meer schulden (bij een of meer telefoonwinkels en/of telecomproviders en/of Primeline en/of Mediamarkt)

25. (zaak 31)

[aangever 29] heeft bewogen tot de afgifte van een of meer mobiele telefoons en/of het aangaan van een of meer schulden (bij een of meer telefoonwinkels en/of telecomproviders)

26. (zaak 32)

[aangever 30] heeft bewogen tot de afgifte van een of meer mobiele telefoons en/of het aangaan van een of meer schulden (bij een of meer telefoonwinkels en/of telecomproviders)

hebbende verdachte en/of zijn mededader(s) met vorenomschreven oogmerk – zakelijk weergegeven – (telkens) valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid

1. (zaak 1)

aan voornoemde [aangever 16] verteld, terwijl [aangever 16] een laag IQ en PDD-NOS heeft:

- dat hij geld zou/kon krijgen/verdienen voor/met het afsluiten van telefoonabonnementen

- dat er al geld in hem was geïnvesteerd

- dat hij niet bang hoefde te zijn dat er elke maand geld van zijn rekening zou worden afgeschreven

- dat zijn naam door iemand uit de systemen van de telecomprovider(s) zou worden verwijderd

2. (zaak 2)

aan voornoemde [aangever 17] verteld, terwijl [aangever 17] een verstandelijke beperking heeft:

- dat zij geld zou/kon krijgen/verdienen voor/met het afsluiten van telefoonabonnementen

- dat zij niet bang hoefde te zijn dat er elke maand geld van zijn rekening zou worden afgeschreven

3. (zaak 3)

aan voornoemde [aangever] verteld:

- dat zij geld zou/kon krijgen/verdienen voor/met het afsluiten van telefoonabonnementen

- dat haar naam door een oom uit de systemen van de telecomprovider(s) zou worden verwijderd

- dat zij geen rekeningen van de telefoonabonnementen thuis zou krijgen

4. (zaak 4)

aan voornoemde [aangever 2] verteld:

- dat zij geld zou/kon krijgen/verdienen voor/met het afsluiten van telefoonabonnementen

- dat er al geld in haar was geïnvesteerd

- dat haar naam door een oom uit de systemen van de telecomprovider(s) zou worden verwijderd

- dat zij geen rekeningen van de telefoonabonnementen thuis zou krijgen

5. (zaak 5)

aan voornoemde [aangever 3] verteld, terwijl [aangever 3] (een) verstandelijke beperking(en) heeft:

- dat hij geld zou/kon krijgen/verdienen voor/met het afsluiten van telefoonabonnementen

- dat er al geld in hem was geïnvesteerd

- dat zijn naam door een oom uit de systemen van de telecomprovider(s) zou worden verwijderd

- dat hij geen rekeningen van telefoonabonnementen thuis zou krijgen

6. (zaak 7)

aan voornoemde [aangever 18] verteld:

- dat zij geld zou/kon krijgen/verdienen voor/met het afsluiten van telefoonabonnementen

- dat haar naam door een oom uit de systemen van de telecomprovider(s) zou worden verwijderd

7. (zaak 9)

aan voornoemde [aangever 6] verteld:

- dat hij geld zou/kon krijgen/verdienen voor/met het afsluiten van telefoonabonnementen

- dat zijn naam door iemand uit de systemen van de telecomprovider(s) zou worden verwijderd

- dat er al geld in hem was geïnvesteerd

8. (zaak 10)

aan voornoemde [aangever 7] verteld:

- dat hij geld zou/kon krijgen/verdienen voor/met het afsluiten van telefoonabonnementen

- dat zijn naam door iemand uit de systemen van de telecomprovider(s) zou worden verwijderd

- dat er al geld in hem was geïnvesteerd

9. (zaak 12)

aan voornoemde [aangever 8] verteld:

- dat hij geld zou/kon krijgen/verdienen voor/met het afsluiten van telefoonabonnementen

- dat zijn naam door iemand uit de systemen van de telecomprovider(s) zou worden verwijderd

- dat er al geld in hem was geïnvesteerd

- dat de persoon die de telefoons zou kopen niet was komen opdagen en [aangever 8] daarom nog een schuld had in te lossen

10. (zaak 13)

aan voornoemde [aangever 19] verteld:

- dat zij geld zou/kon krijgen/verdienen voor/met het afsluiten van telefoonabonnementen

- dat haar naam door iemand uit de systemen van de telecomprovider(s) zou worden verwijderd

11. (zaak 14)

aan voornoemde [aangever 9] verteld:

- dat hij geld zou/kon krijgen/verdienen voor/met het afsluiten van telefoonabonnementen

- dat er al geld in hem was geïnvesteerd

- dat zijn naam door iemand uit de systemen van de telecomprovider(s) zou worden verwijderd

12. (zaak 16)

aan voornoemde [aangever 20] verteld:

- dat hij geld zou/kon (terug)verdienen met het afsluiten van telefoonabonnementen

- dat zijn naam door een oom van [medeverdachte 3] uit de systemen van de telecomprovider(s) zou worden verwijderd

13. (zaak 17)

aan voornoemde [aangever 21] verteld:

- dat hij geld zou/kon krijgen/verdienen voor/met het afsluiten van telefoonabonnementen

- dat zijn naam door iemand uit de systemen van de telecomprovider(s) zou worden verwijderd

14. (zaak 18)

aan voornoemde [aangever 22] verteld:

- dat hij geld zou/kon krijgen/verdienen voor/met het afsluiten van telefoonabonnementen

- dat zijn naam door iemand genaamd [naam] uit de systemen van de telecomprovider(s) zou worden verwijderd

- dat hij iemand nodig had die voor het weekend een auto op naam kon zetten

- dat de auto maar voor twee dagen op naam van [aangever 22] zou staan

- dat er voor [aangever 22] geen enkel risico aan zou zitten

- dat de mensen die alles uit de computer haalden betaald moesten worden

- dat [naam] de papieren van de lening bij de Postbank zou laten verdwijnen

15. (zaak 20)

aan voornoemde [aangever 11] verteld:

- dat hij geld zou/kon krijgen/verdienen voor/met het afsluiten van telefoonabonnementen

- dat zijn naam door een oom uit de systemen van de telecomprovider(s) zou worden verwijderd

16. (zaak 21)

aan voornoemde [aangever 23] verteld:

- dat hij geld zou/kon krijgen/verdienen voor/met het afsluiten van telefoonabonnementen en/of leningen

- dat zijn naam door een oom uit de systemen van de telecomprovider(s) en/of andere systemen zou worden verwijderd

17. (zaak 22)

aan voornoemde [aangever 24] verteld:

- dat hij geld zou/kon krijgen/verdienen voor/met het afsluiten van telefoonabonnementen en/of leningen

- dat zijn naam door een oom uit de systemen van de telecomprovider(s) en/of andere systemen zou worden verwijderd

18. (zaak 23)

aan voornoemde [aangever 12] verteld:

- dat zij geld zou/kon krijgen/verdienen voor/met het afsluiten van telefoonabonnementen

- dat het voor een oom van een vriend was

- dat zijn naam door die oom uit de systemen van de telecomprovider(s) zou worden verwijderd

19. (zaak 24)

aan voornoemde [aangever 25] verteld:

- dat hij geld zou/kon krijgen/verdienen voor/met het afsluiten van telefoonabonnementen en/of leningen

- dat het legaal was

- dat zijn naam door iemand uit de systemen zou worden verwijderd

- dat hij met de 1000 euro goederen zou kopen en met winst zou doorverkopen en die [aangever 25] daar dan geld van zou krijgen en

- dat hij de telefoons zou doorverkopen en met dat geld de leningen bij Comfort Card en Primeline zou gaan betalen

20 (zaak 25)

aan voornoemde [aangever 26] verteld:

- dat hij het geld dat hij van voornoemde [aangever 26] had geleend kon terug betalen als zij overging tot het afsluiten van telefoonabonnementen en/of leningen

- dat haar naam door een oom uit de systemen van de telecomprovider(s) en/of andere systemen zou worden verwijderd

21. (zaak 27)

aan voornoemde [aangever 27] verteld:

- dat zij geld zou/kon krijgen/verdienen voor/met het afsluiten van telefoonabonnementen

- dat haar naam door iemand uit de systemen van de telecomprovider(s) zou worden verwijderd

-dat zij niet voor de abonnementen zou hoeven te betalen

22. (zaak 28)

aan voornoemde [aangever 28] verteld:

- dat hij geld zou/kon krijgen/verdienen voor/met het afsluiten van telefoonabonnementen en/of leningen

- dat zijn naam door iemand uit de systemen van de telecomprovider(s) en van Primeline zou worden verwijderd en/of

- dat hij met de creditcard van Primeline geld moest opnemen omdat degene die de abonnementen uit de systemen verwijdert ook mee moest profiteren van de constructie

23. (zaak 29)

aan voornoemde [aangever 14] verteld:

- dat hij geld zou/kon krijgen/verdienen voor/met het afsluiten van telefoonabonnementen

- dat zijn naam door een oom uit de systemen van de telecomprovider(s) zou worden verwijderd

24. (zaak 30)

aan voornoemde [aangever 15] verteld:

- dat hij geld zou/kon krijgen/verdienen voor/met het afsluiten van telefoonabonnementen

- dat ze het geld nodig hadden voor een zieke vriend en

- dat zijn naam door iemand uit de systemen van de telecomprovider(s) zou worden verwijderd

25. (zaak 31)

aan voornoemde [aangever 29] verteld:

- dat zij geld zou/kon krijgen/verdienen voor/met het afsluiten van telefoonabonnementen

- dat haar naam door iemand uit de systemen van de telecomprovider(s) zou worden verwijderd

26. (zaak 32)

aan voornoemde [aangever 30] verteld:

- dat hij geld zou/kon krijgen/verdienen voor/met het afsluiten van telefoonabonnementen

- dat zijn naam door iemand uit de systemen van de BKR en/of telecomprovider(s) zou worden verwijderd

- dat als het fout zou gaan er iemand garant zou staan

- dat hij geen keus had en het gewoon moest doen

waardoor die [aangever 16] en [aangever 17] en [aangever] en [aangever 2] en [aangever 3] en [aangever 18] en [aangever 6] en [aangever 7] en [aangever 8] en [aangever 19] en [aangever 9] en [aangever 20] en [aangever 21] en [aangever 22] en [aangever 11] en [aangever 23] en [aangever 24] en [aangever 12] en [aangever 25] en [aangever 26] en [aangever 27] en [aangever 28] en [aangever 14] en [aangever 15] en [aangever 29] en [aangever 30] (telkens) werd(en) bewogen tot bovenomschreven afgifte en tot het aangaan van bovenomschreven schuld;

3.

(zaak 11)

hij in of omstreeks de periode van 21 mei 2010 tot en met 26 mei 2010 in de gemeente Zeewolde en/of Utrecht, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [aangever 31] heeft gedwongen tot de afgifte van een of meer mobiele telefoons en/of een Apple Imac in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan die [aangever 31] in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) en/of het aangaan van een of meer schulden (bij een of meer telefoonwinkels en/of telecomproviders en/of de Media Markt), welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte en/of zijn mededader(s) tegen die [aangever 31] heeft/hebben gezegd dat hij in elkaar zou worden gebeukt als hij het niet zou doen, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking en/of (aldus) een voor die [aangever 31] een bedreigende situatie heeft/hebben geschapen

althans, indien het vorenstaande onder 3 niet tot een veroordeling leidt:

hij in of omstreeks de periode van 21 mei 2010 tot en met 26 mei 2010 in de gemeente Zeewolde en/of Utrecht, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met smaad, smaadschrift of openbaring van een geheim [aangever 31] heeft gedwongen tot de afgifte van een of meer mobiele telefoons en/of een Apple Imac in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan die [aangever 31] in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) en/of het aangaan van een of meer schulden (bij een of meer telefoonwinkels en/of telecomproviders en/of de Media Markt), welk bedreiging hierin bestond dat hij en/of zijn mededader(s) heeft/hebben gedreigd aan zijn tennisleraar te vertellen dat [aangever 31] wiet gebruikt en verkoopt;

4.

hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 juni 2003 tot en met 22 maart 2011, in de gemeente Lelystad en/of Almere, in elk geval in Nederland, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers heeft hij, verdachte, (een) voorwerp(en), te weten (onder andere) telefoons en televisies en laptops en andere (luxe) goederen en één of meer geldbedrag(en) verworven, voorhanden gehad, overgedragen en/of omgezet, althans van (een) voorwerp(en), te weten (onder andere) telefoons en televisies en laptops en andere (luxe) goederen en één of meer geldbedrag(en) gebruik gemaakt, terwijl hij wist dat bovenomschreven goederen en geldbedrag(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf.

De rechtbank verbetert in de tenlastelegging een aantal kennelijke schrijffouten. De verdachte wordt blijkens het onderzoek ter terechtzitting daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

3 DE VOORVRAGEN

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 DE BEWIJSMIDDELEN EN DE BEOORDELING DAARVAN

Inleiding

In de maand december 2010 is er bij de politie Flevoland een aantal aangiften opgenomen ter zake van oplichting dan wel afpersing. De aangevers verklaarden telefoonabonnementen te hebben moeten afsluiten, welke vervolgens met de bijgeleverde telefoons moesten worden afgegeven aan andere personen, de latere verdachten. Door een aantal van de aangevers werden foto’s overhandigd, waarop de door hen in de aangifte genoemde personen waren afgebeeld. Door wijkagent [verbalisant] van de politie Flevoland werden de personen op de foto’s herkend als verdachte, medeverdachte [medeverdachte 1] en medeverdachte [medeverdachte 2].

Naar aanleiding van voornoemde informatie is het onderzoek “[onderzoek]” gestart en zijn diverse bedrijfsprocessensystemen van de politie geraadpleegd. Daaruit bleek dat er vanaf 2006 meerdere aangiften zijn gedaan ter zake van soortgelijke feiten, waarvan de politie het vermoeden had dat deze ook betrekking hadden op één of meerdere van voornoemde verdachten. Tijdens dit onderzoek kwam tevens de naam van medeverdachte [medeverdachte 3] naar voren.

Eén van de aangevers, [aangever 20], is op 28 maart 2011 aangehouden en gehoord als verdachte.

Op 22 maart 2011 zijn verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] aangehouden, op 29 maart 2011 [medeverdachte 3] en op 5 april 2011 [medeverdachte 2].

Verder is onderzoek verricht naar door aangevers afgesloten kredieten bij Primeline, heeft een doorzoeking plaatsgevonden in de woning aan de [adres] (zijnde de verblijfplaats van verdachte en medeverdachten 2 en 1), heeft een financieel onderzoek plaatsgevonden en is onderzoek gedaan naar de mobiele telefoons en de afnemer(s) van deze telefoons. Naar aanleiding van laatstgenoemd onderzoek is op 16 mei 2011 [medeverdachte 4] aangehouden. Op 6 april 2011 is de getuige [getuige 1] gehoord.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte vrij te spreken van de zaaksdossiers 6 en 29, zoals ten laste gelegd onder feit 2. De officier van justitie heeft aangevoerd dat de overige aan de verdachte ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend kunnen worden bewezen.

De officier van justitie heeft daartoe in zijn algemeenheid gesteld dat tegen de aangevers een verhaal is verteld, wettelijk een verdichtsel, om ze ertoe over te halen een abonnement af te sluiten en de bijbehorende telefoon af te geven.

Aangevers zijn bewogen tot iets dat zij bij de juiste kennis van zaken niet gedaan zouden hebben. Dat zij zich hebben laten overhalen is een gevolg geweest van hun leeftijd, soms hun specifieke kwetsbaarheid en de indringendheid waarmee zij werden benaderd, waartegen zij geen weerstand konden bieden.

Door de officier van justitie is in dat kader verwezen naar een tweetal uitspraken van respectievelijk de rechtbank Groningen en de rechtbank Dordrecht (LJN BP9439 en LJN BM1743).

Door de officier van justitie is aangevoerd dat hij de verklaring van de verdachte, inhoudende dat de aangevers geld in handen wilden hebben en dat het afsluiten van abonnementen en vervolgens de telefoons verkopen daar een goede manier voor is, ongeloofwaardig acht.

Vervolgens heeft de officier van justitie per ten laste gelegd zaaksdossier gewezen op het zich in het dossier bevindende bewijs en heeft hij voorts aangegeven of sprake is van afpersing dan wel oplichting. De officier van justitie heeft aangevoerd dat in die zaken waarin slechts de aangifte voorhanden is, tevens schakelbewijs voorhanden is. Hij heeft daartoe aangevoerd dat de overeenkomsten tussen de zaken zo groot zijn, dat de modus operandi van de bewezen zaken kunnen worden meegenomen als bewijs in de overige zaken. De officier van justitie heeft in dat kader gewezen op een arrest van de Hoge Raad van 15 november 2011 (LJN BQ8600). De officier van justitie acht 24 oplichtingen en 6 afpersingen wettig en overtuigend bewezen.

De officier van justitie heeft aangevoerd dat het witwassen wettig en overtuigend kan worden bewezen, nu de telefoons door de verdachte zijn overgedragen en verkocht.

Ten aanzien van de ten laste gelegde deelname aan een criminele organisatie heeft de officier van justitie aangevoerd dat door aangevers, die elkaar grotendeels niet kennen, hetzelfde wordt verklaard. Zij zijn benaderd om telefoonabonnementen af te sluiten, hen is verteld dat de abonnementen door een oom, althans door iemand achter de schermen van hun naam zouden worden gehaald en zij hebben de telefoons uiteindelijk moeten afgeven aan verdachte dan wel aan één van de medeverdachten. De officier van justitie heeft in dat kader gewezen op de verklaringen van de getuige [medeverdachte 4] en medeverdachte [medeverdachte 3]. Sinds mei 2010 zorgde [medeverdachte 3] met name voor het benaderen van de slachtoffers en het vergezellen van de slachtoffersbij het afsluiten van abonnementen. Deze rol is na diens vertrek overgenomen door [medeverdachte 1]. Voordat [medeverdachte 3] erbij betrokken raakte, werd deze rol door anderen verricht.

Door de officier van justitie is gewezen op de verklaringen van [medeverdachten 2 en 3] en de verklaring van [aangever 20], die hebben verklaard over de rol van verdachte. Voorts heeft de officier van justitie gewezen op de verklaring van de getuige [medeverdachte 4], die heeft verklaard over zijn contact met verdachte en [medeverdachte 2].

Concluderend heeft de officier van justitie aangevoerd dat in ieder geval sinds oktober 2007 sprake was van een samenwerkingsverband met duurzaamheid en structuur, waarbinnen verdachte een sturende en leidende rol had. De planmatigheid van de samenwerking blijkt volgens de officier van justitie uit het soort verhalen dat werd verteld, dat er afspraken waren over hoe te handelen als mensen klaagden over het feit dat rekeningen binnen kwamen en het in het vooruitzicht stellen van een beloning aan de verdachte als het goed ging met de telefoons.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft ten aanzien van de onder 2 en 3 ten laste gelegde feiten een vijftal algemene punten naar voren gebracht en heeft vervolgens de feiten per zaaksdossier besproken.

In de eerste plaats heeft de raadsvrouw aangevoerd dat in zijn algemeenheid noch van afpersing noch van oplichting kan worden gesproken.

De oplichting zou hebben bestaan uit een tweetal mededelingen, die een samenweefsel van verdichtsels zouden moeten opleveren. Van de eerste mededeling, inhoudende dat geld zou worden verdiend, kan niet worden gesteld dat deze telkens onwaar was, nu een aantal personen ook daadwerkelijk geld hebben ontvangen. Datzelfde geldt ten aanzien van de tweede mededeling, inhoudende dat oom [naam], althans iemand, de abonnementen zou kunnen verwijderen uit het systeem. Zelfs al zou deze tweede mededeling wel als een leugen kunnen worden beschouwd, dan geldt dat één enkele leugen geen samenweefsel van verdichtsels oplevert.

In veel zaken biedt het dossier aanwijzingen voor een alternatieve causaliteit, waardoor de strikte relatie van causaliteit tussen aanwenden van middelen (bedreiging dan wel oplichtingmiddelen) en gevolg niet bewezen kan worden verklaard. Door de raadsvrouw is in dat kader gewezen op het snel geld willen krijgen, uit liefde dan wel willen helpen tot handelen zijn overgegaan (“Ik geloofde het meteen al niet”), het moment van aangifte en op het feit dat een aantal aangevers stelt ernstig te zijn bedreigd en onder druk te zijn gezet, maar vervolgens de dagen erna wel weer contact zoekt met verdachte(n).

Door de raadsvrouw is aangegeven dat de wetgever met oplichting geen goedgelovigen heeft willen beschermen.

Door de raadsvrouw is, onder verwijzing naar de verklaring van [aangever 20], aangevoerd dat een aantal aangevers (de zogeheten [groep]) onderling contact heeft gehad, voorafgaand aan het doen van aangifte, en dat zij ook daadwerkelijk afspraken heeft gemaakt over het doen van aangifte en de inhoud van die aangifte, meer in het bijzonder te liegen over ernstige bedreigingen die zouden zijn uitgegaan van verdachte.

Gelet daarop dient de rechtbank volgens de raadsvrouw niet af te gaan op de inhoud van de aangiften van de aangevers die uit [groep] komen.

In de tweede plaats heeft de raadsvrouw, onder verwijzing naar een aantal arresten van de Hoge Raad, gewezen op het adagium “één getuige, geen getuige”. Zij heeft aangevoerd dat de aangiften voor wat betreft de kern van het ten laste gelegde feit (de oorzaak van de door de aangevers gepleegde handelingen) niet worden ondersteund door enig ander bewijsmiddel. Aan deze aangiftes zitten bovendien de nodige haken en ogen, aldus de raadsvrouw.

In de derde plaats heeft de raadsvrouw, onder verwijzing naar een aantal arresten van de Hoge Raad, aangevoerd dat voor een bewezenverklaring gebaseerd op een constructie van schakel-/ketenbewijs geen ruimte is.

De aangiftes ontberen overtuigingskracht en/of zijn onbetrouwbaar, zodat noch voor schakelen in de vorm van gebruik van de ene bewezenverklaring voor een ten laste gelegd tweede feit noch van gebruik van bewijsmiddel betrekking hebbend op een ten laste gelegd feit voor bewijs van een tweede ten laste gelegd feit ruimte is.

In de vierde plaats is door de raadsvrouw aangevoerd dat niet had mogen worden overgegaan tot toepassing van een enkelvoudige fotoconfrontatie en dat de uitkomst van deze confrontaties niet tot het bewijs mag worden gebezigd.

De confrontaties voldoen niet aan de regels, zoals deze gelden voor bewijsconfrontaties, terwijl deze regels juist zijn opgesteld om de betrouwbaarheid en bruikbaarheid van de uitkomst te waarborgen.

Ten slotte heeft de raadsvrouw aangevoerd dat de verklaringen van [medeverdachte 3] niet voor het bewijs kunnen worden gebezigd. Bij de behandeling ter terechtzitting heeft hij verklaard gevoeld te hebben dat hem woorden in de mond zijn gelegd. De raadsvrouw heeft aangegeven dat de verdediging zich niet aan de indruk kan onttrekken dat [medeverdachte 3] de vermoorde onschuld speelt en zijn eigen rol bagatelliseert. De wijze waarop de verklaringen van de medeverdachte tot stand zijn gekomen, roept vragen op over de waarde van de antwoorden die de medeverdachte geeft. Hij gebruikt vaak de toevoeging “volgens mij” en is onduidelijk in zijn antwoorden of geeft nietszeggende antwoorden. Volgens de verdediging liggen diverse motieven aan de verklaringen van de medeverdachte ten grondslag.

Door de raadsvrouw is aangevoerd dat, gelet op de bepleite vrijspraak voor de onder 2 en 3 ten laste gelegde feiten, van een bewezenverklaring van gewoontewitwassen (feit 4) geen sprake kan zijn.

Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde feit heeft zij aangevoerd dat de verdachte ontkent feitelijk leidinggever van een criminele organisatie te zijn geweest.

Gezien de lange periode in tijd en het in verhouding lage aantal incidenten waarin dan vervolgens niemand kan worden aangewezen met wie vanuit het perspectief van de verdachte structureel werd samengewerkt, kan niet van een criminele organisatie worden gesproken. Door veel aangevers worden persoonlijke, maar niet nader door objectieve gegevens onderbouwde uitspraken gedaan, over de rol die verdachte zou hebben gehad.

Concluderend heeft de raadsvrouw verzocht de verdachte integraal vrij te spreken.

Het oordeel van de rechtbank

De “[groep]”

Door de raadsvrouw is in zijn algemeenheid aangevoerd dat de verklaringen van de aangevers, afkomstig uit [plaatsnaam], onbetrouwbaar zijn en niet voor het bewijs kunnen worden gebezigd, aangezien zij met elkaar hebben gesproken over het doen van aangifte en over de inhoud van de aangifte, meer in het bijzonder over ernstige bedreigingen die zouden zijn geuit. De rechtbank overweegt hierover het volgende.

De rechtbank heeft geconstateerd dat slechts in een enkele aangifte wordt verklaard over bedreigingen die zouden zijn geuit, dan wel dat gebruik zou zijn gemaakt van bedreiging met een mes. Slechts in één geval wordt in de aangifte gesproken over het gebruik van een vuurwapen. Hieruit kan dan ook niet worden afgeleid dat er vergaande afspraken zijn gemaakt over de inhoud van de aangiftes.

De rechtbank overweegt voorts dat zich in het gehele dossier meerdere aangiften bevinden, ook van aangevers die uit andere delen van het land (en dus niet uit [plaatsnaam]) afkomstig zijn.

In (vrijwel) alle aangiften komt een op hoofdlijnen gelijkluidend verhaal naar voren met betrekking tot het afsluiten van onder meer telefoonabonnementen. De aangiften van de personen uit [plaatsnaam] staan mitsdien niet op zichzelf.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank dan ook van oordeel dat de verklaringen van de aangevers uit [plaatsnaam] in beginsel voor het bewijs kunnen worden gebezigd. Om diezelfde reden is de rechtbank van oordeel dat een mogelijk ander belang van een aangever, in beginsel geen afbreuk doet aan de betrouwbaarheid van de aangifte.

Enkelvoudige fotoconfrontaties

Door de raadsvrouw is aangevoerd dat de resultaten van de enkelvoudige fotoconfrontaties niet voor het bewijs kunnen worden gebezigd, nu daartoe niet had mogen worden overgegaan. De rechtbank overweegt hierover het volgende.

De rechtbank zal dit verweer telkens specifiek per zaaksdossier bespreken, maar stelt in zijn algemeenheid voorop dat het confronteren van aangevers met de foto’s veelal is geschied in het kader van een opsporingsconfrontatie en niet in het kader van een bewijsconfrontatie, hetgeen impliceert dat het Besluit toepassing maatregelen in het belang van het onderzoek niet van toepassing is. Dit geldt te meer in situaties waarin reeds in de aangifte de naam van de verdachte(n) is genoemd.

De rechtbank ziet niet in op grond waarvan een aantal herkenningen (in het kader van een opsporingsconfrontatie) in het onderzoek van een aantal personen niet zouden kunnen worden gebezigd voor het bewijs, juist omdat de rechter vrij is in de keuze van het bewijs, uiteraard binnen de kaders daartoe gegeven in het Wetboek van Strafvordering.

De rechtbank is daarbij wel van oordeel dat die herkenning alsdan steun moet vinden in ander bewijsmateriaal ter toetsing van de betrouwbaarheid van die herkenning.

Samenweefsel van verdichtsels

Door de raadsvrouw is aangevoerd dat één enkele leugen geen samenweefsel van verdichtsels oplevert. De rechtbank overweegt hierover in zijn algemeenheid het volgende. Voor het antwoord op de vraag of uit door een verdachte gebezigde leugenachtige mededelingen kan worden afgeleid dat het slachtoffer door een samenweefsel van verdichtsels werd bewogen tot afgifte van een goed, tot het verlenen van een dienst, tot het ter beschikking stellen van gegevens, tot het aangaan van een schuld of tot het teniet doen van een inschuld als bedoeld in artikel 326 van het Wetboek van Strafrecht, komt het aan op alle omstandigheden van het geval. Tot die omstandigheden behoren de vertrouwenwekkende aard, het aantal en de indringendheid van de (geheel of gedeeltelijk) onware mededelingen in hun onderlinge samenhang, de mate waarin de in het algemeen in het maatschappelijk verkeer vereiste omzichtigheid degene tot wie de mededelingen zijn gericht aanleiding had moeten geven de onwaarheid te onderkennen of zich daardoor niet te laten bedriegen en de persoonlijkheid van het slachtoffer.

De rechtbank overweegt dat in veel gevallen geen geld is betaald aan de aangevers voor het afsluiten van de abonnementen, zodat in die gevallen kan worden vastgesteld dat de mededeling, dat een aangever geld zou kunnen krijgen/verdienen, een onware mededeling was. In die gevallen waarin de aangever wel een bedrag heeft ontvangen, betreft dit een aanzienlijk lager bedrag dan was voorgehouden, zodat ook in die gevallen de mededeling een in ieder geval deels onware mededeling betrof.

Schakelbewijs

Door de raadsvrouw is aangevoerd dat voor het gebruik van schakelbewijs geen ruimte is.

De rechtbank overweegt dat voor het gebruik van schakelbewijs eerst moet kunnen worden vastgesteld dat bepaalde gedragspatronen kenmerkend zijn voor de verdachte en (dus) niet dan wel in mindere mate voor andere individuen. Daartoe dient het vergelijkingsmateriaal. Dat betreft doorgaans getuigenverklaringen (verklaringen van aangevers) over andere delicten dan het te beoordelen delict. Vervolgens moet worden beoordeeld of het gedragspatroon en eventueel signalement (zoals die blijken uit die verklaringen) ook is gezien bij het te beoordelen misdrijf. Afhankelijk van het specifieke karakter van het waargenomen patroon kan hieraan betekenis worden toegekend voor de vraag of de verdachte het te beoordelen misdrijf heeft begaan.

De rechtbank zal per zaaksdossier, indien nodig, aangeven of schakelbewijs al dan niet kan worden toegelaten.

Verklaringen [medeverdachte 3]

Door de raadsvrouw is aangevoerd dat de verklaringen, afgelegd door [medeverdachte 3], niet voor het bewijs kunnen worden gebezigd.

De rechtbank overweegt dat de verklaringen die door [medeverdachte 3] zijn afgelegd consistent zijn en overweegt dat hij ook over zijn eigen rol in het geheel heeft verklaard.

De rechtbank heeft geen enkele reden te twijfelen aan de juistheid en de geloofwaardigheid van de door [medeverdachte 3] afgelegde verklaring.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de verklaring voor het bewijs kan worden gebezigd.

Medeverdachte [medeverdachte 3] heeft bij zijn verhoor bij de politie [medeverdachte 1 en [X], [Y] en [Z] waar hij over heeft verklaard herkend.

Feit 2

Zaaksdossier 1 (ten laste gelegd als oplichting)

De rechtbank overweegt dat [aangever 16] heeft verklaard dat hij een licht verstandelijke handicap heeft en een laag IQ en daardoor begeleid woont. Hij heeft voorts verklaard dat hij via MSN in contact kwam met [Z] (die hij aanvankelijk had leren kennen in Lemmer) en uiteindelijk met [X]. Aangever heeft verklaard dat [Z] schreef dat hij € 1.000,00 zou krijgen en dat [X] schreef dat er al € 500,00 voor hem was voorgeschoten. Hij heeft verder verklaard dat hij op 15 november 2010 stond te wachten bij de bushalte en dat [Z] voorbij kwam rijden en dat aangever uiteindelijk bij hem in de auto is gestapt. Aangever heeft verklaard dat [X] ook in de auto zat en dat die tegen hem zei: “Je moet telefoonabonnementen afsluiten. Je hoeft niet bang te zijn dat er elke maand geld van je rekening wordt afgeschreven. Dat wordt geregeld. Er wordt iets uit het systeem gehaald. Ik ken iemand die bij de abonnementen werkt. Hij haalt je uit het systeem.” Aangever heeft verder verklaard dat hij uiteindelijk een aantal telefoonabonnementen heeft afgesloten, waarbij hij telkens € 0,01 moest pinnen en de telefoons vervolgens aan [X] dan wel aan [Z] heeft gegeven. Hij heeft verklaard geen geld te hebben ontvangen .

De rechtbank overweegt voorts dat door aangever signalementen zijn gegeven van [X] en [Z] en dat hij de politie uit eigen beweging een foto heeft doen toekomen van [X] en [Z], afkomstig van de Hyves pagina van [Z] . Deze personen zijn door de wijkagent [verbalisant] herkend als verdachte en [medeverdachte 1] .

Aan aangever zijn later een tweetal foto’s getoond van verdachte en [medeverdachte 1] en op de vraag van de verbalisanten wie dat waren, heeft aangever de namen [X] en [Z] onder de betreffende foto’s gezet .

De rechtbank overweegt dat aangever bij de rechter-commissaris een verklaring heeft afgelegd, waarbij hij kort gezegd blijft bij zijn verklaring, zoals afgelegd bij de politie.

De rechtbank overweegt dat zij geen enkele reden heeft te twijfelen aan de juistheid en de betrouwbaarheid van de door aangever afgelegde verklaringen. Deze aangifte wordt bovendien ondersteund door andere bewijsmiddelen.

Zo blijkt uit een bankafschrift van de aangever dat op 15 en 16 november 2010 zes keer een bedrag van € 0,01 is afgeschreven.

Voorts is onderzoek gedaan naar de mobiele telefoons, behorende bij de abonnementen die door aangever zijn afgesloten en via een huidige gebruiker van één van deze telefoons ([getuige 2]), is [medeverdachte 4] in beeld gekomen. Deze heeft bevestigd dat hij een telefoon aan [getuige 2] had verkocht . Voorts heeft hij verklaard dat hij één vast adres had in Almere Buiten, namelijk aan de [adres], en dat hij daar meer dan één telefoon heeft gekocht. Hij heeft verklaard dat hij aanvankelijk contact had met [X], die hem belde wanneer hij telefoons had en dat hij later ook contact had met een Nederlandse jongen, genaamd [Z] en een Surinaamse jongen, genaamd [Y].

[Medeverdachte 4] heeft verklaard dat hij de telefoons meestal kocht van [X], maar soms ook van [Y]. [Z] was er wel altijd bij, maar van hem heeft hij nooit telefoons gekocht. Voor wat betreft de koop van de telefoons hield hij meestal een notitieboekje bij .

Aan [medeverdachte 4] zijn foto’s getoond van verdachte en [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] en hij heeft de personen op de foto’s herkend als de [X], [Y] en [Z] waarover hij verklaarde .

Voor wat betreft het bestanddeel samenweefsel van verdichtsels verwijst de rechtbank naar hetgeen zij hierboven daarover reeds heeft overwogen en wordt voorts gewezen op de verklaring van aangever, waaruit volgt welke mededelingen aan hem zijn gedaan.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de oplichting door verdachte en [medeverdachte 1], zoals omschreven onder feit 2, zaaksdossier 1, wettig en overtuigend kan worden bewezen. Dat sprake was van een bewuste en nauwe samenwerking tussen verdachte en [medeverdachte 1] blijkt naar het oordeel van de rechtbank uit de aangifte in combinatie met de verklaring van [medeverdachte 4].

Zaaksdossier 3 (ten laste gelegd als afpersing en/of oplichting)

De rechtbank overweegt dat [aangever] heeft verklaard dat aan haar geld was beloofd en dat haar was medegedeeld dat oom [naam] ervoor zou zorgen dat haar naam uit de systemen gehaald zou worden en dat zij geen rekeningen van de telefoonabonnementen thuis zou krijgen. Uit voornoemde mededelingen zou volgens de tenlastelegging de onderhavige oplichting hebben bestaan. De rechtbank overweegt dat aangeefster heeft verklaard dat zij zich door bedreigingen heeft laten verleiden tot het afsluiten van een zestal telefoonabonnementen. Ook bij de rechter-commissaris heeft zij verklaard dat zij er niets van geloofde. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat aangeefster, als gevolg van de aan haar gedane mededelingen, is overgegaan tot het afsluiten van de abonnementen. Het causale verband ontbreekt mitsdien, zodat reeds op die grond vrijspraak dient te volgen van de ten laste gelegde oplichting.

Zoals reeds overwogen heeft aangeefster verklaard te hebben gehandeld als gevolg van de bedreigingen. Zij heeft verklaard dat deze bedreigingen zijn geuit door een jongen die zij kent als [Z], zijn neef [X] en een neger die zij kent als [Y]. De bedreiging bestond er aldus aangeefster uit dat tegen haar werd gezegd dat zij anders niet weg mocht en dat als zij geen abonnementen zou afsluiten, zij haar niet zouden laten weg gaan uit het huis en dat zij haar iets aan zouden doen.

Vervolgens heeft zij meerdere telefoonabonnementen afgesloten en de dag erna nog een paar .

De rechtbank overweegt dat het niet onaannemelijk is dat de gang van zaken is geweest, zoals aangeefster heeft verklaard, de rechtbank is er echter onvoldoende van overtuigd dat er sprake is geweest van zodanige dwang als door aangeefster is omschreven en aldus de dwang oplevert die voor een bewezenverklaring van afpersing wordt vereist. De rechtbank overweegt daartoe dat aangeefster abonnementen heeft afgesloten en daarna naar huis is gegaan. In de tijd dat zij thuis was heeft zij niemand op de hoogte gesteld van hetgeen zou zijn gebeurd en evenmin heeft zij bijvoorbeeld de politie gewaarschuwd.

De rechtbank kan voorts het feit dat aangeefster met de personen in een uitgaansgelegenheid heeft gezeten en na de tweede dag ook nog de nacht met hen in Amsterdam heeft doorgebracht niet rijmen met haar verklaring dat zij zou zijn bedreigd.

Gelet op het voorgaande zal de rechtbank verdachte tevens vrijspreken van de ten laste gelegde afpersing.

Zaaksdossier 4 (ten laste gelegd als afpersing en/of oplichting)

De rechtbank overweegt dat [aangever 2] heeft verklaard dat zij via een vriendin ([naam]) in contact kwam twee jongens, [X] en [Z]. Aangeefster heeft verklaard dat de jongens tegen haar zeiden dat zij, als zij telefoonabonnementen zou afsluiten, telefoons, simkaarten en facturen zou meekrijgen. Deze facturen hadden zij nodig om door te spelen naar een oom die er dan voor zou kunnen zorgen dat die abonnementen zouden worden ingetrokken. De telefoons konden ze dan verkopen. De jongens beloofden haar dat zij er wel € 1.000,00 voor kon krijgen. Ook werd haar verteld dat ze al € 500,00 aan die oom hadden betaald om de abonnementen te annuleren. De jongens en [vriendin] overtuigden haar ervan dat het wel goed zat en dat zij dit gerust kon doen.

Aangeefster heeft verder verklaard dat zij uiteindelijk een aantal telefoonabonnementen heeft afgesloten en de telefoons vervolgens aan [X] en [Z] heeft gegeven.

Verder is zij met [X] en [Z] op 10 januari 2011 naar de Mediamarkt in Amsterdam geweest, waar [X] al haar gegevens invoerde in een computer en zij later van [X] hoorde dat haar aanvraag niet was geaccepteerd. Zij heeft verklaard geen geld te hebben ontvangen voor het afsluiten van de abonnementen . Wel is er een bedrag van € 100,00 op haar rekening gestort, omdat zij anders bij het afsluiten van de abonnementen niet de vereiste € 0,01 kon pinnen .

De rechtbank overweegt voorts dat door aangeefster signalementen zijn gegeven van [X] en [Z], waarbij zij onder meer heeft aangegeven dat [X] woonachtig was aan de [adres] in Almere en dat [Z] een zilveren voortand heeft en een tatoeage op zijn arm. Verder heeft zij een mobiel telefoonnummer van [Z] gegeven.

Aan aangeefster is later een foto getoond van medeverdachte [medeverdachte 1] en zij herkende daarin de door haar genoemde [Z] .

De rechtbank overweegt dat aangeefster bij de rechter-commissaris een verklaring heeft afgelegd, waarbij zij kort gezegd is gebleven bij haar verklaring, zoals afgelegd bij de politie.

De rechtbank overweegt dat zij geen enkele reden heeft te twijfelen aan de juistheid en de betrouwbaarheid van de door aangeefster afgelegde verklaringen.

Deze aangifte wordt bovendien ondersteund door andere bewijsmiddelen.

Zo wordt de aangifte voor zover het betreft het bezoek aan de Mediamarkt ondersteund door zich in het dossier bevindende prints van camerabeelden . Voor zover de aangifte ziet op het storten van een bedrag van € 100,00 op de rekening, wordt deze ondersteund door een zich in het dossier bevindend bankafschrift . Eveneens blijkt uit voornoemd bankafschrift dat er zes keer een bedrag van € 0,01 is afgeschreven.

Voorts wordt de verklaring van aangeefster ondersteund door de verklaring van [vriendin] .

De rechtbank overweegt verder dat uit het betreffende bankafschrift blijkt dat het bedrag van € 100,00 is gestort door een bedrijf genaamd “[bedrijfsnaam]” en blijkens onderzoek staat dit bedrijf op naam van [naam] . Deze [naam] is gehoord als getuige en hij heeft verklaard dat hij het bedrag op verzoek van zijn dochter, [naam dochter], heeft overgemaakt . [naam dochter] heeft (op 11 april 2011) verklaard dat zij de vriendin was van [medeverdachte 2], wiens bijnaam [Y] is. Zij heeft verklaard dat [medeverdachte 2] samen met (verdachte) en [Z] in de woning aan de [adres] verblijft en dat deze personen een tatoeage hebben op hun onderarm met de tekst “[tekst 1]” en “[tekst 2]”, waarbij zij heeft verklaard niet te weten wie welke tekst op zijn arm heeft. Zij heeft verklaard dat op zondag 9 januari 2011 [medeverdachte 2] en verdachte bij haar kwamen en dat medeverdachte [medeverdachte 2] haar vroeg een bedrag van € 100,00 over te maken op een rekeningnummer.

Vervolgens is zij met [medeverdachte 2] en verdachte naar de woning van haar vader gereden en heeft zij haar vader verzocht het bedrag over te maken. Verder heeft zij verklaard dat op de vraag van wie die rekening was, ze van [medeverdachte 2] als antwoord de naam [aangever 2] kreeg .

De rechtbank overweegt voorts dat bij de fouillering van verdachte een mobiele telefoon is aangetroffen en dat deze is uitgelezen. In de opgeslagen contacten stond onder meer het telefoonnummer dat door aangeefster in haar aangifte is genoemd als het telefoonnummer van [Z]. Daarbij stond de naam [Z] . Uit diverse zich in het dossier bevindende verklaringen blijkt dat [Z] de bijnaam/artiestennaam is van [medeverdachte 1].

Voor wat betreft het bestanddeel samenweefsel van verdichtsels verwijst de rechtbank naar hetgeen zij hierboven daarover reeds heeft overwogen en wordt voorts gewezen op de verklaring van aangeefster, waaruit volgt welke mededelingen aan haar zijn gedaan.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de oplichting door verdachte en [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1], zoals omschreven onder feit 2, zaaksdossier 4, wettig en overtuigend kan worden bewezen. Dat sprake was van een bewuste en nauwe samenwerking tussen verdachte en [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] blijkt naar het oordeel van de rechtbank uit de aangifte in combinatie met de verklaringen van [vriendin] en [naam dochter], zoals hierboven weergegeven.

Zaaksdossier 5 (ten laste gelegd als afpersing en/of oplichting)

De rechtbank overweegt dat [aangever 3] heeft verklaard dat hij (in verband met een niet aangeboren hersenafwijking) begeleid woont bij [naam] in Almere. Hij heeft verklaard dat er op 26 februari 2011 aldaar een onbekende jongen op hem af kwam lopen, die zich voorstelde als [Z] en tegen hem zei dat hij samen met aangever geld wilde verdienen. Via [Z] kwam hij in contact met [X].

Aangever heeft verklaard dat hij met de jongens naar Amsterdam is gegaan en dat [Z] tegen hem zei dat hij telefoonabonnementen moest afsluiten en de mobiele telefoons die daarbij hoorden moest meenemen. De abonnementen zouden door een oom van [Z] uit het systeem van de providers worden gehaald. Aangever zou hiervoor een bedrag van

€ 500,00 krijgen.

Aangever heeft verder verklaard dat hij uiteindelijk een aantal telefoonabonnementen heeft afgesloten, waarbij hij telkens

€ 0,01 moest pinnen en de telefoons vervolgens aan [X] en [Z] heeft gegeven. Hij heeft verklaard een bedrag van € 90,00 te hebben ontvangen van [Z]. Aangever heeft verder verklaard dat [X] en [Z] op een gegeven moment een bedrag van € 1.000,00 van hem wilden hebben en dat hij kort daarna in de bibliotheek in Almere via een sms zijn moeder heeft gewaarschuwd en dat de politie hem toen heeft gebeld .

De rechtbank overweegt voorts dat door aangever signalementen zijn gegeven van [X] en [Z], waarbij hij onder meer heeft aangegeven dat [Z] een zilveren voortand heeft en een tatoeage op één van zijn onderarmen.

Verder heeft hij een tweetal mobiele telefoonnummers van [Z] gegeven . In een aanvullende aangifte heeft aangever verklaard dat de tatoeage van [Z] de tekst “[tekst 1]” betrof .

De rechtbank overweegt dat aangever bij de rechter-commissaris een verklaring heeft afgelegd, waarbij hij kort gezegd is gebleven bij zijn verklaring, zoals afgelegd bij de politie.

De rechtbank overweegt dat zij geen enkele reden heeft te twijfelen aan de juistheid en de betrouwbaarheid van de door aangever afgelegde verklaringen. Deze aangifte wordt bovendien ondersteund door andere bewijsmiddelen.

Zo wordt de aangifte voor zover het betreft het versturen van de sms-berichten ondersteund door de resultaten van een onderzoek naar de mobiele telefoon van aangever . Voor zover de aangifte ziet op een telefoongesprek met de politie, wordt de aangifte ondersteund door een proces-verbaal van bevindingen voicelogging meldkamer, waaruit blijkt dat voornoemd telefoongesprek heeft plaatsgevonden . Voorts wordt de aangifte ondersteund door zich in het dossier bevindende prints van camerabeelden van Cameratoezicht Almere Stad, waarop aangever te zien is, samen met verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] . Verdachte heeft hierover ook verklaard zichzelf te herkennen op voornoemde beelden .

In de woning waar (onder meer) verdachte en [medeverdachte 1] verbleven (aan de [adres] in Almere) heeft een doorzoeking plaatsgevonden, waarbij onder meer een simkaarthouder gevonden werd met daarop onder meer het telefoonnummer behorend bij één van de telefoons waarvoor aangever een abonnement heeft afgesloten. Voorts heeft aangever vanaf dit telefoonnummer een sms-bericht ontvangen van [Z] .

De rechtbank overweegt voorts dat bij de fouillering van verdachte een mobiele telefoon is aangetroffen en dat deze is uitgelezen. In de opgeslagen contacten stond onder meer het telefoonnummer dat door aangever in zijn aangifte is genoemd als het telefoonnummer van [Z]. Daarbij stond de naam [Z] . Uit diverse zich in het dossier bevindende verklaringen blijkt dat [Z] de bijnaam/artiestennaam is van [medeverdachte 1].

Voorts is bij de doorzoeking van de woning aan de [adres] een jas aangetroffen die volgens de [getuige 3] toebehoorde aan [medeverdachte 1]. Hierin werd een mobiele telefoon aangetroffen. Deze is uitgelezen en in de opgeslagen contacten stond onder meer het telefoonnummer dat door aangever in zijn aangifte is genoemd als het telefoonnummer dat is gebruikt

door [Z] .

Voor wat betreft het bestanddeel samenweefsel van verdichtsels verwijst de rechtbank naar hetgeen zij hierboven daarover reeds heeft overwogen en wordt voorts gewezen op de verklaring van aangever, waaruit volgt welke mededelingen aan hem zijn gedaan.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de oplichting door verdachte en [medeverdachte 1], zoals omschreven onder feit 2, zaaksdossier 5, wettig en overtuigend kan worden bewezen. Dat sprake was van een bewuste en nauwe samenwerking tussen verdachte en [medeverdachte 1] blijkt naar het oordeel van de rechtbank uit de aangifte in combinatie met de prints van de camerabeelden (waarop aangever met verdachte en [medeverdachte 1] te zien is), zoals hierboven weergegeven.

Zaaksdossier 6 (ten laste gelegd als afpersing)

Met de officier van justitie en de raadsvrouw is de rechtbank van oordeel dat de verdachte van dit feit dient te worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt daartoe dat zij de aangifte onvoldoende overtuigend acht, nu de rechtbank het onaannemelijk acht dat aan aangeefster op klaarlichte dag midden in het drukke centrum van Almere een mes is getoond. De aangifte vindt op dat punt ook geen enkele steun in enig ander bewijsmiddel.

Zaaksdossier 7 (ten laste gelegd als oplichting)

De rechtbank overweegt dat [aangever 18] heeft verklaard dat zij via een vriendin ([naam vriendin]) bij het voetbalveld in contact kwam een jongen, die zich voorstelde als [Z]. Aangeefster heeft verklaard dat [Z] tegen haar zei dat hij een oom [naam] had, die werkte op het hoofdkantoor van een telefoonbedrijf en dat zij op haar naam telefoonabonnementen moest afsluiten en dat die oom [naam] haar daarna uit de systemen kon halen. De telefoons en contracten moest zij afgeven aan [Z].

[Z] beloofde haar een bedrag van € 600,00 à € 700,00 en er was al € 500,00 gestort naar oom [naam], voor als er iets mis zou gaan.

Zij heeft verklaard dat [Z] professioneel overkwam en dat zij hem vertrouwde. Via [Z] heeft aangeefster ook [X] leren kennen.

Aangeefster heeft verder verklaard dat zij uiteindelijk een aantal telefoonabonnementen heeft afgesloten en de telefoons vervolgens aan [Z] heeft gegeven. Twee keer zat [Z] bij het afgeven van de telefoon in een auto (Audi TT met [kenteken]) met [X]. Zij heeft verklaard geen geld te hebben ontvangen voor het afsluiten van de abonnementen .

De rechtbank overweegt dat aangeefster bij de rechter-commissaris een verklaring heeft afgelegd, waarbij zij kort gezegd is gebleven bij haar verklaring, zoals afgelegd bij de politie.

De rechtbank overweegt dat zij geen enkele reden heeft te twijfelen aan de juistheid en de betrouwbaarheid van de door aangeefster afgelegde verklaringen. Deze aangifte wordt bovendien ondersteund door andere bewijsmiddelen.

Zo heeft de [getuige 4] verklaard dat zij heeft gezien dat aangeefster telefoonabonnementen heeft afgesloten in Lelystad. Via een vriendin genaamd [naam vriendin] zou aangeefster in contact zijn gebracht met een jongen genaamd “[Z]” of “[Z]” en van hem had zij uitleg gekregen over het afsluiten van de abonnementen. Later is daar nog een man genaamd [X] bijgekomen. De getuige heeft verder verklaard te hebben gezien dat de telefoons door aangeefster werden afgegeven aan genoemde “[Z]” of “[Z]”, die samen met [X] en een negroïde man gebruik maakte van een auto van het merk Audi TT .

Aan de getuige zijn foto’s getoond van verdachte en [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] en de getuige herkende deze personen als de [X], “[Z]” of “[Z]” en de negroïde man waarover zij had verklaard .

De door aangeefster en de [getuige 4] genoemde auto bleek op naam te staan van de vriendin van [medeverdachte 2] en het kentekenbewijs is aangetroffen in een tas in de woning aan de [adres] in Almere, zijnde de verblijfplaats van verdachte en [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1].

Voorts is onderzoek gedaan naar de mobiele telefoons, behorende bij de abonnementen die door aangeefster zijn afgesloten. De imei-nummers van twee telefoons zijn teruggevonden in het notitieboekje van [medeverdachte 4]. Blijkens het notitieboekje zouden deze telefoons op 21 maart 2011 zijn gekocht en stond daarbij genoteerd het adres “[adres] te Almere ([X] en [medeverdachte 2])” . Voor de door [medeverdachte 4] afgelegde verklaring, verwijst de rechtbank naar hetgeen zij daarover heeft overwogen in zaaksdossier 1.

De rechtbank overweegt verder dat verdachte heeft verklaard dat hij bij het voetbalveld aanwezig was en dat hij in een Audi TT heeft gereden . [Medeverdachte 2] heeft verklaard dat zijn vriendin in het bezit is van een Audi TT .

Voor wat betreft het bestanddeel samenweefsel van verdichtsels verwijst de rechtbank naar hetgeen zij hierboven daarover reeds heeft overwogen en wordt voorts gewezen op de verklaring van aangeefster, waaruit volgt welke mededelingen aan haar zijn gedaan.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de oplichting door verdachte en [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1], zoals omschreven onder feit 2, zaaksdossier 7, wettig en overtuigend kan worden bewezen.

Dat sprake was van een bewuste en nauwe samenwerking tussen verdachte en [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] blijkt naar het oordeel van de rechtbank uit de aangifte in combinatie met de verklaringen van de [getuige 4] en [medeverdachte 4], zoals hierboven weergegeven.

Zaaksdossier 8 (ten laste gelegd als afpersing)

De rechtbank overweegt dat [aangever 5] bij de politie kort samengevat heeft verklaard dat hij onder bedreiging van een mes (dat aan hem werd getoond) en een mogelijk echt vuurwapen (waarbij door [X] werd gezegd dat hij hem zou neerschieten als hij het niet zou doen) is overgegaan tot het afsluiten van telefoonabonnementen.

De rechtbank heeft geconstateerd dat aangever bij de rechter-commissaris op deze verklaring is teruggekomen en heeft verklaard dat van bedreiging met een mes en een mogelijk echt vuurwapen geen sprake is geweest.

De rechtbank is van oordeel dat, nu aangever op een essentieel onderdeel bij de politie kennelijk heeft gelogen, dit dermate afbreuk doet aan de geloofwaardigheid van de door hem afgelegde verklaring ter zake van bedreiging, dat deze naar het oordeel van de rechtbank niet voor het bewijs kan worden gebezigd.

Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de verdachte vrijspreken van het onder 2, zaaksdossier 8, ten laste gelegde.

Zaaksdossier 9 (ten laste gelegd als afpersing en/of oplichting)

De rechtbank overweegt dat [aangever 6] heeft verklaard dat hij na het uitgaan op 23 mei 2010 [aangever 20] tegen kwam en dat die aan hem en [aangever 7] ([nummer zaaksdossier ]) vroeg of zij op een gemakkelijke manier geld wilden verdienen. Ze moesten dan telefoonabonnementen afsluiten en daar zouden ze geld voor krijgen en iemand die zij kenden zou de abonnementen dan weer kunnen verwijderen. Aangever heeft verklaard dat hij hier niet zo veel van geloofde, maar dat [aangever 7] er wel oren naar had.

Aangever heeft verklaard dat hij bij [getuige 5] is blijven slapen en dat de volgende ochtend [aangever 20] door [broertje getuige 5] is binnengelaten en naast zijn bed kwam staan. Hij heeft verklaard dat [W] tegen hem zei dat hij mee moest gaan om telefoonabonnementen af te sluiten en dat er al € 750,00 was betaald aan de persoon die de abonnementen kon verwijderen. Toen aangever aangaf dit niet te willen zei [W] tegen hem dat het echt geen fijne jongens waren en dat aangever niet wilde dat zij zijn huis gingen verbouwen en dat ze aangever zouden gaan opzoeken. Daardoor is hij meegegaan en toen kwam ook [medeverdachte 3] erbij en heeft hij ook [Y] gezien. Aangever heeft verklaard dat hij uiteindelijk een aantal telefoonabonnementen heeft afgesloten en dat de telefoons zijn afgegeven aan dan wel afgepakt door [medeverdachte 3]. Door [aangever 20] is daartoe nog een bedrag van € 5,00 op zijn rekening gestort. Aangever heeft verklaard dat [X] en [Y] er later ook bij kwamen en dat hij zag dat [aangever 20] € 400,00 van [X] kreeg. [aangever 20] gaf geld aan [aangever 7] en wilde ook geld aan aangever geven, maar aangever heeft dit niet geaccepteerd .

Aan aangever zijn foto’s getoond van onder meer verdachte en [medeverdachte 3] en hij herkende de [X] waarover hij verklaarde en [medeverdachte 3] .

De rechtbank overweegt dat aangever bij de rechter-commissaris een verklaring heeft afgelegd, waarbij hij kort gezegd is gebleven bij zijn verklaring, zoals afgelegd bij de politie.

De rechtbank overweegt dat zij geen enkele reden heeft te twijfelen aan de juistheid en de betrouwbaarheid van de door aangever afgelegde verklaringen. Deze aangifte wordt bovendien ondersteund door andere bewijsmiddelen.

Zo blijkt uit een bankafschrift van de aangever dat op 24 mei 2010 drie keer een bedrag van € 0,01 is afgeschreven en dat een bedrag van € 5,00 is bijgeschreven . [aangever 20] heeft ook bekend dat dit bedrag door zijn vader is overgemaakt op de rekening van aangever .

Verder wordt de verklaring van aangever, voor wat betreft hetgeen zou zijn gebeurd in de woning waar hij verbleef, ondersteund door de verklaring van de [getuige 5 ] .

Voorts vindt de verklaring van aangever steun in de verklaring van [aangever 7] (zie ook [nummer zaaksdossier ]).

De rechtbank wijst voorts op de verklaring van [medeverdachte 3]. Hij heeft onder meer verklaard dat er die dag drie of vier abonnementen zijn afgesloten, dat het [X] zijn idee was om telefoonabonnementen af te sluiten en dat hij de telefoons aan [X] heeft gegeven .

Ten slotte wijst de rechtbank op de verklaring van [aangever 20] die heeft verklaard dat hij, samen met zijn vriend [[naam]] aangever [aangever 6] en zijn vriend [aangever 7] heeft benaderd om telefoonabonnementen af te sluiten .

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de afpersing door verdachte en [medeverdachte 3], zoals omschreven onder feit 2, zaaksdossier 9, wettig en overtuigend kan worden bewezen.

Dat sprake was van een bewuste en nauwe samenwerking tussen verdachte en [medeverdachte 3] blijkt naar het oordeel van de rechtbank uit de aangifte in combinatie met de verklaring van [medeverdachte 3], zoals hierboven weergegeven.

Zaaksdossier 10 (ten laste gelegd als afpersing en/of oplichting)

De rechtbank overweegt dat [aangever 7] heeft verklaard dat hij en [aangever 6] bij het uitgaan op 23 mei 2010 [aangever 20] tegen kwamen. Aangever heeft verklaard dat [W] vroeg of zij geld wilden verdienen. Hij wilde dat zij telefoonabonnementen gingen afsluiten en dan zou hij ervoor zorgen dat zij daar niet voor hoefden te betalen. De telefoons moesten ze dan afgeven en dan zouden ze daar een kleine vergoeding voor krijgen. Een mannetje zou het abonnement dan weghalen en zij zouden niets voor het abonnement hoeven te betalen.

Aangever heeft verklaard dat de volgende ochtend [naam] door zijn moeder is binnengelaten en naast zijn bed kwam staan. Hij heeft verklaard dat [naam] tegen hem zei dat hij mee moest gaan en toen aangever aangaf dit niet te willen zei [naam] tegen hem dat hij wel mee moest omdat ze wisten waar hij woonde. Buiten zei hij tegen [W] dat hij niet mee wilde en hij werd vervolgens gebeld door een gozer (die door [W] [Y] werd genoemd) die hem bedreigde (er was al geld in hem geïnvesteerd en anders zou hij wel naar het huis van aangever komen). Daardoor is hij overstag gegaan en toen kwam ook [medeverdachte 3] erbij en heeft hij ook een neger gezien, waarvan hij denkt dat het [Y] was. Aangever heeft verklaard dat hij uiteindelijk een aantal telefoonabonnementen heeft afgesloten en dat de telefoons zijn afgegeven aan [medeverdachte 3].

Aangever heeft verklaard dat [aangever 20] nog wel aan hem heeft gevraagd of hij er geld voor wilde hebben, maar dat hij dat niet wilde.

Later kwamen ze in een hal met eettentjes waar ook een man zat met een kind bij zich en die gaf geld aan [aangever 20]. [aangever 20] heeft hem en [aangever 6] toen wel geld aangeboden .

Aan aangever zijn foto’s getoond van onder meer verdachte en [medeverdachte 3] en bij de foto van verdachte gaf hij aan dat dit volgens hem die man met dat kind was en hij herkende [medeverdachte 3] .

De rechtbank overweegt dat aangever bij de rechter-commissaris een verklaring heeft afgelegd, waarbij hij kort gezegd is gebleven bij zijn verklaring, zoals afgelegd bij de politie.

De rechtbank overweegt dat zij geen enkele reden heeft te twijfelen aan de juistheid en de betrouwbaarheid van de door aangever afgelegde verklaringen. Deze aangifte wordt bovendien ondersteund door andere bewijsmiddelen.

Zo blijkt uit een bankafschrift van de aangever dat op 23 mei 2010 zes keer een bedrag van

€ 0,01 is afgeschreven .

Voorts vindt de verklaring van aangever steun in de verklaring van [aangever 6].

De rechtbank wijst voorts op de verklaring van [medeverdachte 3]. Hij heeft onder meer verklaard dat er die dag drie of vier abonnementen zijn afgesloten, dat het [X] zijn idee was om telefoonabonnementen af te sluiten en dat hij de telefoons aan [X] heeft gegeven .

Ten slotte wijst de rechtbank op de verklaring van [aangever 20] die heeft verklaard dat hij, samen met zijn vriend [[naam]] aangever [aangever 6] en zijn vriend [aangever 7] heeft benaderd om telefoonabonnementen af te sluiten .

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de afpersing door verdachte en [medeverdachte 3], zoals omschreven onder feit 2, [nummer zaaksdossier ], wettig en overtuigend kan worden bewezen.

Dat sprake was van een bewuste en nauwe samenwerking tussen verdachte en [medeverdachte 3] blijkt naar het oordeel van de rechtbank uit de aangifte in combinatie met de verklaring van [medeverdachte 3] en de verklaring van [aangever 6], zoals hierboven weergegeven.

Zaaksdossier 12 (ten laste gelegd als afpersing en/of oplichting)

De rechtbank overweegt dat aangever [aangever 8] heeft verklaard dat hij op 30 april 2010 samen met een aantal jongens naar Amsterdam is gegaan. Eén van die jongens was [W], die volgens aangever van zijn achternaam [W] heet en ook wel [bijnamen W] wordt genoemd. In de loop van de dag kwamen vrienden van [W], genaamd [X] en [naam vriendin] erbij. [X] had een hotel geregeld waar zij konden blijven slapen. De volgende dag was de stemming opeens anders.

Aangever heeft verklaard dat [X] zei dat hij veel kosten had moeten maken voor de extra hotelkamer en dat aangever wat moest doen om het geld van de hotelkamer terug te verdienen. Hij moest telefoonabonnementen afsluiten, waarbij je een gratis telefoon kreeg. Na het afsluiten kon [W] bellen naar zijn oom, genaamd [naam], die de abonnementen kon wissen. Daarna zei [X] tegen hem dat hij niet meer terug kon omdat hij wist hoe ze werkten en [naam] niet in gevaar mocht komen. Vervolgens zei [X] dat hij echt een probleem zou hebben als hij ruzie met hen zou krijgen. Aangever heeft verklaard dat hij door het voorgaande bang was geworden en hij is daarna samen met [W] naar meerdere telefoonwinkels geweest en hij heeft daar meerdere telefoonabonnementen afgesloten, waarbij je een gratis telefoon kreeg. Elke keer als hij de winkel uit kwam, moest hij de tasjes met de telefoons aan [X] geven. Later kwam er een jongen bij die [Y] werd genoemd en die zich later aan iemand anders voorstelde met de naam [bijnaam Y]. Met hen is hij naar de woning van [Y] aan de [adres] gegaan. Twee dagen later heeft hij een televisie op afbetaling moeten kopen bij de It’s. Ook daar zou [naam] de gegevens achteraf kunnen wissen. Tussendoor zijn ze nog in een cafetaria geweest aan de overkant van de winkel, waar onder meer [X] en [Y] zaten. De televisie werd uiteindelijk in de auto van [Y] geladen. Een aantal dagen later heeft hij ook nog geld over moeten maken naar [X], dit moest hij storten op de rekening van [getuige 3], en heeft hij in opdracht van [X] nog iemand anders moeten regelen die telefoonabonnementen kon afsluiten. Via [getuige] heeft hij [aangever 19] geregeld en samen met haar is hij op haar naam telefoonabonnementen gaan afsluiten. Zij werden toen opgehaald door [W] en [Y] en [Y] stelde zich aan [aangever 19] voor als [bijnaam Y]. [aangever 19] heeft er € 250,00 voor gekregen en daarna hebben ze ook [X] en [naam vriendin] weer ontmoet. Aangever heeft ten slotte verklaard nooit geld te hebben gekregen .

De rechtbank overweegt dat aangever bij de rechter-commissaris een verklaring heeft afgelegd, waarbij hij kort gezegd is gebleven bij zijn verklaring, zoals afgelegd bij de politie.

De rechtbank overweegt dat zij geen enkele reden heeft te twijfelen aan de juistheid en de betrouwbaarheid van de door aangever afgelegde verklaringen. Deze aangifte wordt bovendien ondersteund door andere bewijsmiddelen.

Zo blijkt uit een bankafschrift van de aangever dat op 3 mei 2010 meerdere keren een bedrag van € 0,01 is afgeschreven . Voorts blijkt uit het bankafschrift dat een bedrag van € 600,00 is overgeschreven op de rekening van [getuige 3 ] .

Voorts vindt de verklaring van aangever steun in een zich in het dossier bevindend proces-verbaal van bevindingen, waaruit blijkt dat verdachte een hotelkamer heeft betaald bij [hotel] in Amsterdam voor de nacht van 30 april 2010 op 1 mei 2010 .

Voorts vindt de verklaring van aangever steun in de verklaring van [aangever 19] (zie [nummer zaaksdossier]) en de verklaring van [getuige 6 ] .

De rechtbank wijst voorts op de verklaring van [medeverdachte 3]. Deze verklaring ondersteunt de aangifte voor wat betreft het bezoek aan Amsterdam en het verblijf aldaar in een hotel.

Hij heeft verklaard dat aangever de volgende dag in Amsterdam de telefoons is gaan halen en dat [X] hem had gevraagd om met aangever mee te gaan. Hij heeft aan aangever uitgelegd welke telefoon hij moest halen bij welk abonnement. Hij heeft verder verklaard tegen aangever te hebben gezegd dat hij iemand kende die de abonnementen van zijn naam zou halen en dat [X] hem dit had verteld. De telefoons die aangever kreeg, die gaf hij aan [X]. Daarna gingen [X] en [Y] weg om de telefoons te verkopen. [Medeverdachte 3] bevestigt tevens het verhaal van aangever voor zover deze ziet op het moeten regelen van nieuwe mensen die telefoonabonnementen konden afsluiten en over hetgeen is gebeurd bij de It’s en dat de televisie is meegenomen door [X] en [Y] .

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de afpersing door verdachte en [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3], zoals omschreven onder feit 2, zaaksdossier 12, wettig en overtuigend kan worden bewezen.

Dat sprake was van een bewuste en nauwe samenwerking tussen verdachte en [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] blijkt naar het oordeel van de rechtbank uit de aangifte in combinatie met de verklaringen van [aangever 19] en [medeverdachte 3], zoals hierboven weergegeven.

Zaaksdossier 13 (ten laste gelegd als oplichting)

[aangever 19] heeft verklaard dat zij werd gebeld door een vriendin, [getuige 6 ], die haar vertelde dat [aangever 8] erg in de problemen zat en dat zij hem kon helpen door een telefoonabonnement af te sluiten. De volgende dag kwam zij in contact met [aangever 8] en die vertelde haar dat wanneer je telefoonabonnementen zou afsluiten, die gasten het weer ongedaan konden maken door jouw naam van de abonnementen af te halen. De telefoons moest je aan hen geven. Hij beloofde haar dat zij € 500,00 zou krijgen als zij een abonnement af zou sluiten. [X] zou de baas zijn. Via [aangever 8] komt zij in contact met [medeverdachte 3] en met een jongen die zich voorstelde als [bijnaam Y] die ook wel [Y] werd genoemd. Zij heeft verder verklaard dat zij meerdere abonnementen heeft afgesloten, ook in opdracht van [X], en dat zij elke keer als zij een telefoon met abonnement had terug ging naar [X], [W] en [bijnaam Y] en de hele doos met telefoon en toebehoren aan hen gaf. Zij heeft verklaard de abonnementen te hebben afgesloten door de mooie praatjes van [aangever 8], [X], [W] en [bijnaam Y]. Zij heeft verklaard € 250,00 te hebben gekregen van [X] .

Aangeefster heeft in haar aangifte signalementen gegeven en het telefoonnummer van [X] en [W]. In een aanvullende verklaring heeft zij verklaard dat zij via een vriendin had gehoord dat de [X] waarover zij verklaarde [verdachte] heet . Aan aangeefster zijn tijdens een tweede aanvullend verhoor foto’s getoond van verdachte en van [medeverdachte 2] en zij herkende de personen op de foto’s als de [X] en [bijnaam Y] waarover zij had verklaard .

De rechtbank overweegt dat aangeefster bij de rechter-commissaris een verklaring heeft afgelegd, waarbij zij kort gezegd is gebleven bij haar verklaring, zoals afgelegd bij de politie.

De rechtbank overweegt dat zij geen enkele reden heeft te twijfelen aan de juistheid en de betrouwbaarheid van de door aangeefster afgelegde verklaringen.

Deze aangifte wordt bovendien ondersteund door andere bewijsmiddelen.

Zo vindt de verklaring van aangeefster steun in de verklaring van [aangever 8] (zie [nummer zaaksdossier]) en de verklaring van [getuige 6 ] .

De rechtbank wijst voorts op de verklaringen van [medeverdachte 3].

Hij heeft verklaard dat [aangever 8] als klant [aangever 19] had geregeld . Hij heeft verder verklaard dat [aangever 19] telefoonabonnementen heeft afgesloten en dat [aangever 8], [Y] en hijzelf erbij waren en dat [X] in de stad was. De telefoons heeft [aangever 19] overgedragen aan [X] en hij was daar wel bij . Hij heeft verder nog verklaard dat ook [X] aan [aangever 19] heeft uitgelegd wat ze moest doen . Hij bevestigt voorts dat [X] samen met [Y] in een cafetaria zat. Hij heeft verder verklaard dat [X] en [Y] later weg gingen om de telefoons te verkopen .

Voor wat betreft het bestanddeel samenweefsel van verdichtsels verwijst de rechtbank naar hetgeen zij hierboven daarover reeds heeft overwogen en wordt voorts gewezen op de verklaring van aangeefster, waaruit volgt welke mededelingen aan haar zijn gedaan.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de oplichting door verdachte en [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] en [aangever 8], zoals omschreven onder feit 2, zaaksdossier 13, wettig en overtuigend kan worden bewezen.

Dat sprake was van een bewuste en nauwe samenwerking tussen verdachte en [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] blijkt naar het oordeel van de rechtbank uit de aangifte in combinatie met de verklaringen van [aangever 8] en [medeverdachte 3], zoals hierboven weergegeven.

Zaaksdossier 14 (ten laste gelegd als afpersing en/of oplichting)

De rechtbank overweegt dat [aangever 9] heeft verklaard dat hij begin mei 2010 werd gebeld door [aangever 8] die hem vroeg of hij snel geld wilde verdienen. [aangever 8] vertelde dat aangever dan telefoonabonnementen moest afsluiten, dat de telefoons werden verkocht en de abonnementen vervolgens van je naam zouden worden gehaald door ene [naam]. Aangever zou voor het afsluiten van 6 abonnementen een bedrag van € 500,00 krijgen. Daarna is hij ook nog gebeld door [medeverdachte 3]. Die zei tegen hem dat hij een probleem had omdat zijn naam al was genoemd en dat als hij het niet zou doen hij € 500,00 moest betalen. Voorts heeft [W] gedreigd hem te bewerken met een mes.

Op 20 mei 2010 is hij samen met [vriend] naar Almere gegaan, alwaar hij had afgesproken met [medeverdachte 3]. De taxikosten zijn later door [X] betaald. [W] was samen met [bijnaam Y ] [Y] en [X]. Hij is met [vriend] in de auto gestapt en onderweg vertelde [W] hoe een en ander in zijn werk ging. In Amsterdam heeft aangever meerdere telefoonabonnementen afgesloten en heeft hij telefoons afgeleverd aan [X] die in een café zat. [X] gaf later geld aan [W], zodat ze met de trein naar de Bijlmer konden. Aangever heeft verklaard € 270,00 van [X] te hebben gekregen. Aangever heeft verklaard de abonnementen te hebben afgesloten, omdat hij zich bedreigd voelde .

De rechtbank overweegt dat aangever bij de rechter-commissaris een verklaring heeft afgelegd, waarbij hij kort gezegd is gebleven bij zijn verklaring, zoals afgelegd bij de politie.

De rechtbank overweegt dat zij geen enkele reden heeft te twijfelen aan de juistheid en de betrouwbaarheid van de door aangeefster afgelegde verklaringen. Deze aangifte wordt bovendien ondersteund door de verklaring van medeverdachte [medeverdachte 3].

[Medeverdachte 3] heeft verklaard dat hij aangever heeft benaderd en dat aangever abonnementen heeft afgesloten in Amsterdam. Hij heeft verder verklaard dat [X] heeft bedacht om telefoonabonnementen te laten afsluiten door anderen. Hij heeft verklaard dat aangever met [vriend] met een taxi naar Almere is gekomen en dat hij daar in een auto met [X] en [Y] en [vriendin] naartoe is gekomen. Hij had van [X] geld gekregen om de taxi te betalen. Vervolgens zijn ze naar Amsterdam gegaan en daar heeft aangever abonnementen afgesloten. [medeverdachte 3] kreeg van [X] doorgebeld welke telefoon er genomen moest worden. De telefoons werden aan [X] gegeven. Hij heeft verder verklaard dat ze van [X] geld hadden gekregen om met de trein naar de Bijlmer te gaan. Voorts heeft hij verklaard dat aangever geld heeft gekregen van [X]. [medeverdachte 3] heeft ontkend aangever te hebben bedreigd.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de afpersing door verdachte en medeverdachte en [medeverdachte 3], zoals omschreven onder feit 2, zaaksdossier 14, wettig en overtuigend kan worden bewezen.

Dat sprake was van een bewuste en nauwe samenwerking tussen verdachte en medeverdachte en [medeverdachte 3] blijkt naar het oordeel van de rechtbank uit de aangifte in combinatie met de verklaring van [medeverdachte 3], zoals hierboven weergegeven.

Zaaksdossier 16 (ten laste gelegd als oplichting)

De rechtbank overweegt dat uit de verklaringen van aangever [aangever 20] blijkt dat hij kort gezegd, ten gevolge van de geuite bedreigingen, is overgegaan tot het afsluiten van telefoonabonnementen.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat aangever, als gevolg van de aan hem gedane mededelingen, is overgegaan tot het afsluiten van de abonnementen. Het causale verband ontbreekt mitsdien, zodat reeds op die grond vrijspraak dient te volgen van de ten laste gelegde oplichting.

Zaaksdossier 19 (ten laste gelegd als afpersing)

De rechtbank overweegt dat [aangever 10] heeft verklaard dat hij op 29 mei 2009 samen met [X], [A, B en C] de vriendin van [X] naar Amsterdam is gereden. [X] kent hij via [vriend] en hij heeft [X] gezien bij [X] thuis aan de [adres], omdat [A] daar tijdelijk woonde. Toen ze naar Amsterdam gingen dacht aangever dat iedereen voor zichzelf een abonnement zou gaan afsluiten. [X] zei daar echter welke telefoon met abonnement aangever moest aanschaffen en zei daarbij “Je moet echt een abonnement afsluiten anders krijg je problemen met mij!” Aangever heeft verklaard dat hij zich geïntimideerd voelde door [X] en een beetje bang was. [X] heeft vervolgens nog drie keer herhaald dat aangever een abonnement moest afsluiten en dat als hij dit niet deed hij problemen zou krijgen.

Aanvankelijk heeft aangever alleen een abonnement voor zichzelf afgesloten, maar uiteindelijk voelt hij zich zo geïntimideerd en bang, dat hij een abonnement afsluit voor [X]. Later in de auto heeft hij [X] gevraagd langs de woning van aangever te rijden, zodat aangever een lader voor zijn oude mobiele telefoon op kon halen. Aangever is uit de auto gestapt en toen hij weer terug kwam, zag hij dat de auto van [X] was verdwenen. In die auto lagen nog de mobiele telefoons, behorende bij de twee abonnementen die hij had afgesloten.

De rechtbank overweegt dat aangever bij de rechter-commissaris een verklaring heeft afgelegd, waarbij hij heeft verklaard dat hij bij de politie de waarheid heeft gesproken.

De rechtbank overweegt dat zij geen enkele reden heeft te twijfelen aan de juistheid en de betrouwbaarheid van de door aangever afgelegde verklaringen. Deze aangifte wordt bovendien ondersteund door andere bewijsmiddelen.

Zo vindt de verklaring steun in de verklaring van de [getuige 7]. Hij heeft verklaard dat aangever hem had verteld dat hij in de problemen zat en dat deze waren veroorzaakt do[verdachte], aangezien hij voor [X] telefoonabonnementen heeft moeten afsluiten .

Voorts wijst de rechtbank op de verklaring van de verdachte zelf, zoals afgelegd bij de politie. Verdachte heeft bij de politie verklaard dat ze naar Amsterdam zijn geweest om twee telefoonabonnementen af te sluiten.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de afpersing door verdachte, zoals omschreven onder feit 2, zaaksdossier 19, wettig en overtuigend kan worden bewezen.

Zaaksdossier 20 (ten laste gelegd als afpersing en/of oplichting)

De rechtbank overweegt dat [aangever 11] heeft verklaard dat hij [X] kent uit de kroeg en van het uitgaan. Hij werd door [X] en zijn vrienden aanvankelijk benaderd om mee te spelen in een videoclip en later zeiden ze tegen hem dat hij gemakkelijk veel geld kon verdienen. Hij zou dan telefoonabonnementen moeten afsluiten en vervolgens zou een oom van hen de abonnementen weer van zijn naam afhalen en dan zou hij geld krijgen. Hij heeft verklaard leningen en abonnementen te hebben afgesloten, maar nooit geld te hebben gekregen. Hij is ook wel eens bij [X] thuis geweest aan de [adres] in Lelystad. Hij heeft verklaard dat hij door [X] en zijn vrienden redelijk onder druk is gezet (ze zouden hem in elkaar slaan als hij het niet zou doen) en dat ze hem vertelden dat ze het allemaal deden en dat hij hen op hun woord geloofde .

De rechtbank overweegt dat aangever bij de rechter-commissaris een verklaring heeft afgelegd, waarbij hij heeft verklaard dat hij bij de politie de waarheid heeft gesproken.

De rechtbank overweegt dat zij geen enkele reden heeft te twijfelen aan de juistheid en de betrouwbaarheid van de door aangever afgelegde verklaringen. Deze aangifte wordt bovendien ondersteund door andere bewijsmiddelen.

Zo vindt de verklaring steun in de verklaring van de [getuige 8], werkzaam bij de [winkel] in Lelystad. Hij heeft verklaard [verdachte] meerdere malen bij hem in winkel is geweest samen met [aangever 11] en een donkere getinte jongen en dat [X] een televisie wilde, die door [aangever 11] is gekocht. Verder heeft hij verklaard dat [X] later ook nog een keer is geweest met een andere jongen en dat die jongen ook een laptop op lening wilde kopen. Hij heeft verklaard dat hij denkt dat de spullen die door anderen zijn gekocht, in aanwezigheid van [X], een waarde van rond de € 4.500,00 hebben . In een aanvullende verklaring heeft hij nog verklaard dat [aangever 11] bang uit zijn ogen keek. Verder heeft hij verklaard dat [X] meerdere keren in de winkel is geweest en elke keer werd vergezeld door een ander jong persoon .

Voorts wijst de rechtbank op de verklaring van de verdachte zelf, zoals afgelegd bij de politie. Verdachte heeft bij de politie verklaard dat aangever de spullen heeft gekocht om een muziekstudio in te richten en dat ze uiteindelijk met z’n allen de spullen hebben gekocht. Hij heeft verklaard dat hij het kwajongens werk vond. Verder heeft hij verklaard dat als hij niets zou hebben gedaan er overvallen waren gepleegd. Hij heeft verklaard dat iedereen het met zijn volle verstand heeft gedaan en dat het allemaal niet zo erg is. Voorts heeft hij verklaard “als iemand graag geld wil verdienen en je zet hem met een leugentje op het goede spoor, het is maar net waar je voor kiest”.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de oplichting door verdachte, zoals omschreven onder feit 2, zaaksdossier 20, wettig en overtuigend kan worden bewezen.

Zaaksdossier 22 (ten laste gelegd als oplichting)

De rechtbank overweegt dat [aangever 24] heeft verklaard dat [verdachte] hem heeft gevraagd of hij geld wilde verdienen. Hij heeft diverse telefoonabonnementen afgesloten en goederen op afbetaling gekocht. Hij heeft verklaard dat [X] misbruik heeft gemaakt van zijn gemoedstoestand en dat hij zich niet kan herinneren te zijn bedreigd door [X]. De rechtbank overweegt dat dit door aangever op geen enkele wijze nader wordt gespecificeerd.

De rechtbank is van oordeel dat voormelde aangifte reeds om die reden niet kan leiden tot een bewezenverklaring van oplichting, zodat de rechtbank de verdachte van dit feit zal vrijspreken.

Zaaksdossier 23 (ten laste gelegd als afpersing en/of oplichting)

De rechtbank overweegt dat [aangever 12], in tegenstelling tot de andere aangevers, slechts heeft verklaard over het feit dat zij geld kon verdienen.

Gelet op het feit dat één leugen niet kan leiden tot een bewezenverklaring van het bestanddeel samenweefsel van verdichtsels, zal de rechtbank de verdachte om die reden vrijspreken van de ten laste gelegde oplichting.

De rechtbank overweegt dat aangeefster heeft verklaard een bedrag van € 1.000,00 aan [X] te hebben gegeven, aangezien hij erop stond dat zij geld van haar rekening zou halen, omdat hij anders haar vader wat aan zou doen.

De rechtbank overweegt echter tevens dat de verklaring van aangeefster geen steun vindt in enig ander bewijsmiddel, zodat de rechtbank verdachte, bij gebrek aan wettig bewijs, tevens zal vrijspreken van de ten laste gelegde afpersing.

Zaaksdossier 26 (ten laste gelegd als afpersing)

De rechtbank overweegt dat [aangever 13] heeft verklaard dat zijn moeder in 2002 is overleden (en zijn vader al toen aangever 11 jaar was) en dat hij sinds 2003 op zichzelf woont. Hij heeft verklaard dat hij in 2003 weer in contact kwam [verdachte] en dat [verdachte] ook wist dat zijn ouders waren overleden en dat hij een erfenis had gehad.

[verdachte] vroeg hem of hij belangstelling had om geld te verdienen door te investeren. [verdachte] wilde goederen kopen bij een groothandel en deze dan weer doorverkopen. Aangever heeft verklaard dat hij [verdachte] gedurende de periode van februari tot en met maart 2004 meerdere keren geldbedragen heeft gegeven (met een totaal van ruim € 30.000,00). Aangever heeft verklaard dat [verdachte] hem na de eerste keer begon lastig te vallen en te bedreigen. [verdachte] kwam midden in de nacht bij aangever thuis en dreigde hem in elkaar te slaan. Verder was [verdachte] vaak in het gezelschap van vrienden, ook als hij bij aangever aan de deur kwam, hetgeen bedreigend overkwam .

De rechtbank overweegt dat aangever bij de rechter-commissaris een verklaring heeft afgelegd, waarbij hij heeft verklaard dat hij bij de politie de waarheid heeft gesproken.

De rechtbank overweegt dat zij geen enkele reden heeft te twijfelen aan de juistheid en de betrouwbaarheid van de door aangever afgelegde verklaringen. Deze aangifte wordt bovendien ondersteund door de verklaring van verdachte.

Verdachte heeft verklaard dat [aangever 13] en hij samen hebben geïnvesteerd in mini brommertjes en dat ze van het geld dat dit heeft opgebracht hebben gefeest .

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de afpersing door verdachte, zoals omschreven onder feit 2, zaaksdossier 26, wettig en overtuigend kan worden bewezen.

Zaaksdossier 28 (ten laste gelegd als oplichting)

De rechtbank overweegt dat [aangever 28] heeft verklaard dat hij op 3 december 20 [verdachte] tegen kwam in het centrum van Amsterdam. [X] vertelde dat hij een manier wist om aan geld te komen. Aangever moest een laptop op afbetaling kopen bij de Mediamarkt en die laptop zouden ze direct meekrijgen. Deze laptop zou [X] dan verkopen aan ene [naam] en de winst zouden zij samen delen. [X] wist een kennis bij de Mediamarkt (zijnde voornoemde [naam]) en die zou ervoor zorgen dat de afbetalingsregeling uit het systeem werd gehaald. De volgende dag heeft aangever op die manier een laptop aangeschaft bij de Mediamarkt in Amsterdam en de laptop is door [X] meegenomen. [X] vertelde hem toen ook dat die truc mogelijk was met mobiele telefoons door het afsluiten van telefoonabonnementen. Een kennis van [X], genaamd [naam], zou dan de abonnementen uit het systeem halen. Aangever heeft 7 abonnementen afgesloten en de telefoons heeft hij aan [X] gegeven. aangever heeft verder via een lening geld moeten opnemen en afgeven aan [X], omdat [naam] ook moest profiteren in de constructie .

De rechtbank overweegt dat aangever bij de rechter-commissaris een verklaring heeft afgelegd, waarbij hij heeft verklaard dat hij bij de politie de waarheid heeft gesproken.

De rechtbank overweegt dat zij geen enkele reden heeft te twijfelen aan de juistheid en de betrouwbaarheid van de door aangever afgelegde verklaringen. Deze aangifte wordt bovendien ondersteund door andere bewijsmiddelen.

Zo vindt de verklaring steun in het feit dat op 21 en 22 januari 2008 respectievelijk bedragen van € 800,00 en € 1.500,00 zijn overgemaakt naar de rekening van verdachte. Deze bedragen bleken te zijn overgemaakt vanaf een bankrekeningnummer dat op naam staat van [aangever 28], [adres en woonplaats] .

De rechtbank constateert dat voornoemde gegevens overeenkomen met de gegevens van aangever, zoals opgegeven bij zijn aangifte .

Voorts wijst de rechtbank op de verklaring van verdachte zelf. Verdachte heeft verklaard dat hij iemand kent uit Purmerend waar hij samen een laptop mee heeft gekocht. Dat is een DJ en deze heeft verdachte een bedrag van € 1.500 gegeven, omdat hij dit van verdachte had geleend.

Voor wat betreft het bestanddeel samenweefsel van verdichtsels verwijst de rechtbank naar hetgeen zij hierboven daarover reeds heeft overwogen en wordt voorts gewezen op de verklaring van aangever, waaruit volgt welke mededelingen aan hem zijn gedaan.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de oplichting door verdachte, zoals omschreven onder feit 2, zaaksdossier 28, wettig en overtuigend kan worden bewezen.

Zaaksdossier 29 (ten laste gelegd als afpersing en/of oplichting)

Met de officier van justitie en de raadsvrouw is de rechtbank van oordeel dat verdachte van dit feit dient te worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt daartoe dat zich in het dossier geen stukken bevinden waaruit blijkt dat het daadwerkelijk is gelukt telefoonabonnementen af te sluiten. Mitsdien kan niet wettig en overtuigend worden bewezen dat sprake is geweest van een voltooid delict. Verdachte zal van dit feit worden vrijgesproken.

Zaaksdossier 32 (ten laste gelegd als oplichting)

De rechtbank overweegt dat [aangever 30] heeft verklaard dat hij op 5 februari 2011 [Z] sprak en dat hij [Z] kent vanuit de Rentray. Op 7 februari 2011 zat hij in de auto met [Z], [X] en een meisje. Tijdens de autorit vroeg [Z] aan hem of hij geld wilde maken. [Z] had een oom die werkzaam was bij de BKR en die kon ervoor zorgen dat alles weggehaald werd. [Z] zei dat als aangever een telefoonabonnement zou afsluiten, de telefoon verkocht kon worden en alles weggehaald kon worden. Verder zou er iemand garant staan en zou aangever geld krijgen. Toen aangever zei dat hij het toch niet wilde doen, zeiden [Z] en [X] dat hij het gewoon ging doen. Uiteindelijk heeft aangever een aantal abonnementen afgesloten, waarbij hij telkens € 0,01 moest pinnen. Elke keer als hij een abonnement had afgesloten, bracht hij de telefoon naar een café waar [X] zat. Op 9 februari 2011 heeft hij in Amsterdam nog een abonnement afgesloten en de spullen aan [X] gegeven. Aangever heeft onder meer een mobiel telefoonnummer van [Z] genoemd .

In een aanvullend verhoor heeft aangever verklaard dat hij bij de BCC in Amsterdam een laptop voor € 600,00 of € 700,00 heeft moeten aanschaffen. Dit zou op dezelfde manier gaan als bij het afsluiten van telefoonabonnementen. De laptop is bij [X] en [Z] achtergebleven.

Aan aangever zijn tijdens dit aanvullende verhoor foto’s getoond van verdachte en [medeverdachte 1] en hij herkende op deze foto’s de [X] en [Z] waarover hij in zijn aangifte had verklaard .

De rechtbank overweegt dat aangever bij de rechter-commissaris een verklaring heeft afgelegd, waarbij hij kort gezegd blijft bij zijn verklaring, zoals afgelegd bij de politie.

De rechtbank overweegt dat zij geen enkele reden heeft te twijfelen aan de juistheid en de betrouwbaarheid van de door aangever afgelegde verklaringen. Deze aangifte wordt bovendien ondersteund door andere bewijsmiddelen.

Zo blijkt uit een proces-verbaal van bevindingen dat tijdens de doorzoeking in de woning aan de [adres], zijnde de verblijfplaats van onder meer verdachte en [medeverdachte 1], een kladblok is aangetroffen met een aantal bescheiden daarin. Daaronder bevond zich een overeenkomst van een doorlopend krediet, met uitgestelde betaling op naam van aangever en een aankoopbedrag van € 669,00. Tevens werd een gebruiksaanwijzing van een laptop met een aankoopbon ter waarde van € 669,00 aangetroffen. Deze aankoopbon is gedateerd op 10 februari 2011 en is afkomstig van de BCC te Amsterdam .

Voorts overweegt de rechtbank dat het telefoonnummer dat door aangever werd genoemd als één van de telefoonnummers van [Z], door [aangever 3] (zie [nummer zaaksdossier]) werd genoemd als het telefoonnummer dat werd gebruikt door [X] .

Verder vindt de verklaring van aangever steun in de verklaring van verdachte. Verdachte heeft verklaard dat aangever met [Z] (artiestennaam/bijnaam van [medeverdachte 1]) vast zat in de Rentray. Verder heeft hij verklaard dat ze tegen aangever hebben gezegd dat hij beter geld kon gaan lenen of abonnementen af kon gaan sluiten en dan de telefoons verkopen. Voorts heeft verdachte verklaard dat aangever in Amsterdam een laptop heeft gehaald en daarmee ook bij de verdachte thuis is geweest .

Voor wat betreft het bestanddeel samenweefsel van verdichtsels verwijst de rechtbank naar hetgeen zij hierboven daarover reeds heeft overwogen en wordt voorts gewezen op de verklaring van aangever, waaruit volgt welke mededelingen aan hem zijn gedaan.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de oplichting door verdachte en [medeverdachte 1], zoals omschreven onder feit 2, zaaksdossier 32, wettig en overtuigend kan worden bewezen. Dat sprake was van een bewuste en nauwe samenwerking tussen verdachte en [medeverdachte 1] blijkt naar het oordeel van de rechtbank uit de aangifte in combinatie met de bevindingen omtrent de telefoonnummers en met hetgeen is aangetroffen in de woning waar verdachte en [medeverdachte 1] verbleven.

Zaaksdossiers 18 en 27 (ten laste gelegd als oplichting)

De rechtbank overweegt dat in beide voornoemde zaaksdossier slechts de aangifte voorhanden is.

De rechtbank ziet zich derhalve in deze zaken geplaatst voor de vraag of door middel van het gebruik van schakelbewijs tot een bewezenverklaring kan worden gekomen.

De rechtbank zal daarbij moeten kunnen vaststellen dat bepaalde gedragspatronen kenmerkend zijn voor de verdachte en (dus) niet of in mindere mate voor andere individuen. Daartoe zal de rechtbank kijken naar de hiervoor aangehaalde zaken, die naar het oordeel van de rechtbank wettig en overtuigend kunnen worden bewezen.

De rechtbank overweegt dat in die zaken telkens de naam [X] werd genoemd in combinatie met de (bij)namen van de [medeverdachte 2], [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1], telkens in wisselende samenstellingen en soms in combinatie met andere personen. De rechtbank overweegt voorts dat in alle zaken sprake was van eenzelfde verhaal dat werd verteld. Aan aangevers werd medegedeeld dat zij geld konden verdienen door het afsluiten van telefoonabonnementen en dat deze telefoonabonnementen daarna door een oom (oom [naam]/[naam]) uit het systeem zouden worden verwijderd. De rechtbank is van oordeel dat het hiervoor omschreven gedragspatroon als kenmerkend kan worden omschreven, voornamelijk vanwege de specifieke omschrijving van een oom (meestal genaamd [naam] dan wel [naam]).

De rechtbank zal vervolgens moeten beoordelen of voornoemd gedragspatroon ook is terug te zien in de aangiftes in de zaaksdossier 18 en 27.

[aangever 22] ([nummer zaaksdossier]) heeft verklaard dat hij via een vriend in contact kwam met [verdachte]. Op 2 januari 2009 werd aangever met een auto opgehaald door [X]. In die auto zat ook [D], de beste vriend van [X]. Ze zijn naar Almere gegaan en aangever heeft daar meerdere telefoonabonnementen afgesloten. [X] had hem verteld dat aangever telefoonabonnementen kon afsluiten en [naam] zou het contract vervolgens uit het systeem halen, zodat aangever er financieel geen nadeel van zou ondervinden. [X] vertelde aangever dat die er financieel veel aan over zou houden. De telefoons zouden namelijk verkocht worden en aangever zou een deel van de opbrengst krijgen. Er zou voor aangever geen enkel risico aan zitten. Aangever heeft verklaard op voornoemde manier ook een lening bij de Postbank te hebben afgesloten .

[aangever 27] (zaaksdossier 27) heeft verklaard dat zij in contact is gekomen met [D]. Op 10 januari 2008 heeft zij [D], die in gezelschap was van twee vrienden ([X] en [medeverdachte 2]), ontmoet in Amsterdam. In de auto vertelde [D] haar dat ze regelingen gingen treffen en dat deze regelingen betroffen het geld krijgen voor aangeefster. Ze zijn naar de Mediamarkt gegaan en daar heeft zij twee telefoonabonnementen afgesloten. [D] vertelde haar dat zij de abonnementen kon afsluiten en dat hij kon regelen dat zij niets hoefde te betalen. Daarna zijn ze teruggereden naar het Centraal Station en [D] en [X] zijn uitgestapt met de twee telefoons en contracten. Even later kwamen zij terug, zonder de telefoons. [medeverdachte 2] bestuurde telkens de auto en is ook een aantal keer met haar mee naar binnen geweest in de telefoonswinkels. Op een certificaat had zij gezien dat de volledige naam van [medeverdachte 2], [naam medeverdachte 2 ] was.

De volgende dag heeft zij nog 2 abonnementen afgesloten. [D] heeft later nog een aantal keren gebeld en hij wilde dat zij opnieuw telefoonabonnementen zou afsluiten, omdat hij aan [naam] vijf telefoons had beloofd .

Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit de inhoud van de hiervoor aangehaalde aangiftes dat de modus operandi in de gevallen van aangevers [aangever 22] en [aangever 27] in essentie dezelfde is als de modus operandi zoals gehanteerd in de overige gevallen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de bewezenverklaring van die feiten als bewijs kan dienen in zaaksdossiers 18 en 27.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de zaaksdossiers 18 en 27, zoals ten laste gelegd onder 2, wettig en overtuigend kunnen worden bewezen.

Zaaksdossiers 2, 17, 21, 24, 25, 27, 30 en 31

De rechtbank overweegt dat in voornoemde zaaksdossiers slechts de aangifte voorhanden is.

De rechtbank is van oordeel dat niet kan worden gesteld dat de modus operandi in die gevallen in essentie dezelfde is als de modus operandi zoals gehanteerd in de overige gevallen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat voor het gebruik van schakelbewijs in voornoemde zaaksdossiers geen ruimte is.

Gelet op het feit dat aldus telkens slechts de aangifte als bewijs voorhanden is, zal de rechtbank verdachte, vanwege gebrek aan wettig bewijs, van de zaaksdossiers 2, 17, 21, 24, 25, 27, 30 en 31, zoals ten laste gelegd onder 2, vrijspreken.

Feit 3

Zaaksdossier 11

De rechtbank overweegt dat [aangever 31] kort gezegd heeft verklaard dat hij is overgegaan tot het afsluiten van telefoonabonnementen en het afgeven van de bijbehorende mobiele telefoons onder bedreiging en dwang (ze zouden naar zijn tennisleraar gaan als hij geen abonnementen af zou sluiten en deze vertellen dat aangever wiet gebruikte en verkocht en ze zouden hem anders in elkaar beuken) .

De rechtbank overweegt dat de verklaring van aangever op geen enkele wijze steun vindt in enig ander bewijsmiddel. Daartoe overweegt de rechtbank dat over dit feit slechts is verklaard door [aangever 20]. De verklaring van aangever vindt echter naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende steun in de verklaring van [aangever 20]. De rechtbank zal verdachte dan ook vrijspreken van het onder 3 ten laste gelegde.

Feit 4

De rechtbank overweegt dat, gelet op het feit dat zij wettig en overtuigend bewezen acht dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een groot aantal afpersingen en oplichtingen, onder verwijzing naar de onder 2 genoemde bewijsmiddelen, tevens wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte de voorwerpen heeft verworven en voorhanden heeft gehad.

Onder verwijzing naar de reeds aangehaalde verklaringen van [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] kan eveneens naar het oordeel van de rechtbank wettig en overtuigend worden bewezen dat de verdachte deze voorwerpen heeft overgedragen en omgezet. Verdachte heeft de telefoons immers verkocht aan de [medeverdachte 4].

De rechtbank is van oordeel dat gelet op de duur van de periode en de frequentie van de gepleegde handelingen, eveneens wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte een gewoonte heeft gemaakt van het witwassen.

Feit 1

Naar vaste rechtspraak is een criminele organisatie in de zin van artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht een gestructureerd en duurzaam samenwerkingsverband van twee of meer personen met een zekere organisatiegraad. Daarvan is sprake als binnen dit samenwerkingsverband gemeenschappelijke regels en een gemeenschappelijke doelstelling bestaan.

Voor een veroordeling voor deelneming aan een criminele organisatie is het voldoende dat verdachte in zijn algemeenheid weet dat de organisatie tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven. Niet vereist is dat verdachte enige vorm van opzet heeft gehad op de door de criminele organisatie beoogde concrete misdrijven.

Aan deelneming worden twee algemene eisen gesteld. In de eerste plaats moet een verdachte behoren tot de organisatie. In de tweede plaats moet een verdachte een aandeel hebben gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie, dan wel deze gedragingen ondersteunen.

De rechtbank is van oordeel dat uit het dossier blijkt dat sprake was van een gestructureerd en duurzaam samenwerkingsverband tussen meerdere personen met een gemeenschappelijke doelstelling, te weten het laten afsluiten van (dure) telefoonabonnementen (met bijbehorende mobiele telefoons) en leningen door personen, door middel van het plegen van misdrijven, te weten afpersing en oplichting.

De rechtbank overweegt dat uit de inhoud van alle hierboven aangehaalde aangiftes telkens een bepaald patroon kan worden afgeleid. In alle aangiftes was sprake van de naam van verdachte ([X]) in combinatie met (één van) de medeverdachten [medeverdachte 2], [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] en soms in combinatie met andere personen.

Telkens werd hetzelfde verhaal verteld aan aangevers. Aan hen werd kort gezegd verteld dat ze geld konden verdienen door het afsluiten van telefoonabonnementen en/of leningen en dat deze abonnementen en leningen vervolgens uit het systeem konden worden verwijderd. Vaak werd er ook bij verteld dat ze geen rekeningen zouden krijgen dan wel dat zij niet voor de abonnementen hoefden te betalen. Wanneer aangevers dan te kennen gaven dat zij geen abonnementen wilden afsluiten, werden er bedreigingen geuit, waardoor aangevers alsnog overgingen tot het afsluiten van abonnementen.

In de meeste gevallen werden de telefoons afgegeven aan verdachte en/of medeverdachte [medeverdachte 2] en in een enkel geval aan medeverdachte [medeverdachte 3] die de telefoon direct doorgaf aan verdachte.

Uit de verklaring van [medeverdachte 4] blijkt ook dat hij vele malen mobiele telefoons heeft gekocht van verdachte en medeverdachte [medeverdachte 2] en medeverdachte [medeverdachte 1] was daar vaak bij.

De verklaring van [medeverdachte 4] vindt steun in het notitieboekje dat hij bij de politie heeft laten zien en waarin hij noteerde wanneer en van wie hij welke telefoons kocht.

De rechtbank overweegt dat ook medeverdachte [medeverdachte 3] heeft verklaard dat de telefoons door verdachte en medeverdachte [medeverdachte 2] werden verkocht.

Uit de verklaringen van de aangevers blijkt voorts dat een groot aantal van hen door medeverdachte [medeverdachte 1] dan wel door medeverdachte [medeverdachte 3] werden benaderd voor het afsluiten van telefoonabonnementen en meestal bleven zij ook bij de aangevers op het moment dat de abonnementen daadwerkelijk werden afgesloten.

Voorgaande blijkt tevens uit de verklaring van medeverdachte [medeverdachte 2] die kort gezegd heeft verklaard dat [X] altijd wel een jongen bij zich had, (onder andere) [Z] en daarvoor [W]. Hij heeft voorts verklaard dat [X] ook wel eens wat kocht voor die jongens.

Medeverdachte [medeverdachte 2] heeft verklaard dat hij wel met [X] in Almere en Amsterdam is geweest en dan met [X] wat ging drinken. Hij heeft verklaard dat hij wel zag dat [X] aan het bellen was en ook wel eens wat heeft gezien met telefoons. Voorts heeft hij [X] en [Z] wel eens met tasjes van telefoonwinkels gezien. Hij heeft verklaard dat de jongens onderlinge afspraken maakten en wat geld verdienden en dat het om telefoontjes ging. Mensen gingen telefoonabonnementen aan en de jongens verkochten die telefoons.

Medeverdachte [medeverdachte 3] heeft verklaard dat hij mee ging met de personen die abonnementen gingen afsluiten naar binnen. Medeverdachte [medeverdachte 2] bleef meestal buiten en hij en verdachte brachten de telefoons weg. De telefoons werden aan verdachte of medeverdachte [medeverdachte 2] gegeven. Zij zeiden dan dat ze de telefoons gingen verkopen. Medeverdachte [medeverdachte 1] ging meestal ook mee naar binnen in de winkels. Medeverdachte [medeverdachte 3] heeft voorts verklaard dat hij contact legde met de aangevers en dat hij dat deed omdat verdachte en medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] vroegen of hij iemand wist. Hij kreeg dan zelf onderdak en eten. Medeverdachte [medeverdachte 1] kreeg ook kleding en eten. Hij moest ook mensen regelen.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het onder 1 ten laste gelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen en kan tevens wettig en overtuigend worden bewezen (onder verwijzing naar de hiervoor aangehaalde verklaringen) dat verdachte als leider van de criminele organisatie kan worden aangemerkt.

5 BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat:

1.

hij in de periode van 1 juni 2003 tot en met 22 maart 2011 in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, te weten een duurzaam samenwerkingsverband dat werd gevormd door hem, verdachte en/of [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] en/of andere personen, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk

- met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld, dwingen van personen tot de afgifte van mobiele telefoons en/of geld en/of andere goederen en/of tot het afsluiten van mobiele telefoonabonnementen en/of het aangaan van leningen (strafbaar gesteld in artikel 317 van het Wetboek van Strafrecht)

- met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van valse namen en van valse hoedanigheden en door listige kunstgrepen en door een samenweefsel van verdichtsels, bewegen van personen tot de afgifte van telefoons en/of geld en/of andere goederen en/of tot het afsluiten van mobiele telefoonabonnementen en/of tot het aangaan van leningen (strafbaar gesteld in artikel 326 van het Wetboek van Strafrecht)

- een gewoonte maken van het plegen van witwassen (strafbaar gesteld in artikel 420bis juncto 420ter van het Wetboek van Strafrecht)

zulks terwijl hij, verdachte, leider van die organisatie was;

2.

hij in de periode van 1 juni 2003 tot en met 22 maart 2011, in de gemeente Almere en/of Lelystad en/of Amsterdam en/of Zeewolde en/of Heerenveen en/of Arnhem en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld

6. (zaak 9)

[aangever 6] heeft gedwongen tot de afgifte van mobiele telefoons, toebehorende aan die [aangever 6], en het aangaan van schulden (bij telefoonwinkels en/of telecomproviders)

7. (zaak 10)

[aangever 7] heeft gedwongen tot de afgifte van mobiele telefoons, toebehorende aan die [aangever 7], en het aangaan van schulden (bij telefoonwinkels en/of telecomproviders)

8. (zaak 12)

[aangever 8] heeft gedwongen tot de afgifte van mobiele telefoons, toebehorende aan die [aangever 8], en het aangaan van schulden (bij telefoonwinkels en/of telecomproviders en/of Primeline en/of It’s)

9. (zaak 14)

[aangever 9] heeft gedwongen tot de afgifte van mobiele telefoons, toebehorende aan die [aangever 9], en het aangaan van schulden (bij telefoonwinkels en/of telecomproviders)

10. (zaak 19)

[aangever 10] heeft gedwongen tot het aangaan van schulden (bij telefoonwinkels en/of telecomproviders)

13. (zaak 26)

[aangever 13] heeft gedwongen tot de afgifte van geldbedragen en mobiele telefoons, toebehorende aan die [aangever 13] en het aangaan van schulden (bij telefoonwinkels en/of telecomproviders en/of Comfort Card en/of Primeline)

welke bedreiging met geweld hierin bestond dat verdachte en/of zijn mededader(s)

6. (zaak 9)

de woning waar die [aangever 6] verbleef is/zijn binnengegaan en terwijl die [aangever 6] nog in zijn bed lag tegen die [aangever 6] heeft/hebben gezegd dat hij telefoonabonnementen moest afsluiten en dat hij de telefoons moest afgeven en (daarbij) dreigend tegen die [aangever 6] gezegd dat al in hem was geïnvesteerd en dat het geen fijne jongens waren en dat ze zijn huis zouden verbouwen en hem zouden opzoeken als hij niet mee zou werken, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking, en (aldus) een voor die [aangever 6] bedreigende situatie heeft/hebben geschapen

7. (zaak 10)

de woning waar die [aangever 7] verbleef is/zijn binnengegaan en terwijl die [aangever 7] nog in zijn bed lag tegen die [aangever 7] heeft/hebben gezegd dat hij telefoonabonnementen moest afsluiten en dat hij de telefoons moest afgeven en (daarbij) dreigend tegen die [aangever 7] gezegd dat al in hem was geïnvesteerd en dat ze wisten waar hij woonde en dat ze naar zijn huis zouden komen, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking, en (aldus) een voor die [aangever 7] bedreigende situatie heeft/hebben geschapen

8. (zaak 12)

tegen die [aangever 8] heeft/hebben gezegd dat hij telefoonabonnementen moest afsluiten en dat hij de telefoons moest afgeven en (daarbij) dreigend tegen die [aangever 8] gezegd dat hij niet meer terug kon en dat hij echt een probleem zou hebben als hij ruzie met verdachte en/of zijn mededader(s) zou krijgen, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking, en (aldus) een voor die [aangever 8] bedreigende situatie heeft/hebben geschapen

9. (zaak 14)

tegen die [aangever 9] heeft/hebben gezegd dat hij telefoonabonnementen moest afsluiten en dat hij de telefoons moest afgeven en (daarbij) dreigend tegen die [aangever 9] gezegd dat al in hem was geïnvesteerd en/of dat als hij niet mee zou werken hij een probleem had, omdat zijn naam al was genoemd en/of als hij niet mee zou werken hij zou worden bewerkt met een mes, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking, en (aldus) een voor die [aangever 9] bedreigende situatie heeft/hebben geschapen

10. (zaak 19)

tegen die [aangever 10] heeft/hebben gezegd dat hij telefoonabonnementen moest afsluiten en dat hij de telefoons moest afgeven en (daarbij) dreigend tegen die [aangever 10] gezegd dat hij anders problemen zou krijgen en in elkaar zou worden getrapt, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking, en (aldus) een voor die [aangever 10] bedreigende situatie heeft/hebben geschapen

13. (zaak 26)

tegen die [aangever 13] heeft/hebben gezegd dat hij geld moest afgeven en midden in de nacht bij hem thuis is gekomen en met vrienden aan de deur is gekomen en dreigend tegen die [aangever 13] gezegd dat hij in elkaar zou worden geslagen als hij niet zou meewerken, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking, en bij het afsluiten van de telefoonabonnementen voor in de winkel bleef wachten en (aldus) een voor die [aangever 13] bedreigende situatie heeft/hebben geschapen

en

hij in de periode van 1 juni 2003 tot en met 22 maart 2011, in de gemeente Almere en/of Lelystad en/of Emmeloord en/of Amsterdam en/of Zeewolde en/of Heerenveen en/of Arnhem en/of Harderwijk en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door een samenweefsel van verdichtsels,

1. (zaak 1)

[aangever 16] heeft bewogen tot de afgifte van mobiele telefoons en het aangaan van schulden (bij telefoonwinkels en/of telecomproviders)

4. (zaak 4)

[aangever 2] heeft bewogen tot de afgifte van mobiele telefoons en het aangaan van schulden (bij telefoonwinkels en/of telecomproviders)

5. (zaak 5)

[aangever 3] heeft bewogen tot de afgifte van mobiele telefoons en het aangaan van (bij telefoonwinkels en/of telecomproviders)

6. (zaak 7)

[aangever 18] heeft bewogen tot de afgifte van mobiele telefoons en het aangaan van schulden (bij telefoonwinkels en/of telecomproviders)

10. (zaak 13)

[aangever 19] heeft bewogen tot de afgifte van mobiele telefoons en het aangaan van schulden (bij telefoonwinkels en/of telecomproviders)

14. (zaak 18)

[aangever 22] heeft bewogen tot de afgifte van mobiele telefoons en het aangaan van schulden (bij telefoonwinkels en/of telecomproviders)

15. (zaak 20)

[aangever 11] heeft bewogen tot de afgifte van mobiele telefoons en/of (een) laptop(s), (een) televisie(s) en het aangaan van schulden (bij telefoonwinkels en/of telecomproviders en/of elektronicawinkels en/of Primeline)

21. (zaak 27)

[aangever 27] heeft bewogen tot de afgifte van mobiele telefoons en het aangaan van schulden (bij telefoonwinkels en/of telecomproviders)

22. (zaak 28)

[aangever 28] heeft bewogen tot de afgifte van mobiele telefoons en een laptop en geldbedragen en het aangaan van schulden (bij telefoonwinkels en/of telecomproviders en/of Primeline)

26. (zaak 32)

[aangever 30] heeft bewogen tot de afgifte van mobiele telefoons en het aangaan van schulden (bij telefoonwinkels en/of telecomproviders)

hebbende verdachte en/of zijn mededader(s) met vorenomschreven oogmerk – zakelijk weergegeven – valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid

1. (zaak 1)

aan voornoemde [aangever 16] verteld, terwijl [aangever 16] een laag IQ en PDD-NOS heeft:

- dat hij geld zou/kon krijgen/verdienen voor/met het afsluiten van telefoonabonnementen

- dat er al geld in hem was geïnvesteerd

- dat hij niet bang hoefde te zijn dat er elke maand geld van zijn rekening zou worden afgeschreven

- dat zijn naam door iemand uit de systemen van de telecomprovider(s) zou worden verwijderd

4. (zaak 4)

aan voornoemde [aangever 2] verteld:

- dat zij geld zou/kon krijgen/verdienen voor/met het afsluiten van telefoonabonnementen

- dat er al geld in haar was geïnvesteerd

- dat haar naam door een oom uit de systemen van de telecomprovider(s) zou worden verwijderd

- dat zij geen rekeningen van de telefoonabonnementen thuis zou krijgen

5. (zaak 5)

aan voornoemde [aangever 3] verteld, terwijl [aangever 3] (een) verstandelijke beperking(en) heeft:

- dat hij geld zou/kon krijgen/verdienen voor/met het afsluiten van telefoonabonnementen

- dat er al geld in hem was geïnvesteerd

- dat zijn naam door een oom uit de systemen van de telecomprovider(s) zou worden verwijderd

- dat hij geen rekeningen van telefoonabonnementen thuis zou krijgen

6. (zaak 7)

aan voornoemde [aangever 18] verteld:

- dat zij geld zou/kon krijgen/verdienen voor/met het afsluiten van telefoonabonnementen

- dat haar naam door een oom uit de systemen van de telecomprovider(s) zou worden verwijderd

10. (zaak 13)

aan voornoemde [aangever 19] verteld:

- dat zij geld zou/kon krijgen/verdienen voor/met het afsluiten van telefoonabonnementen

- dat haar naam door iemand uit de systemen van de telecomprovider(s) zou worden verwijderd

14. (zaak 18)

aan voornoemde [aangever 22] verteld:

- dat hij geld zou/kon krijgen/verdienen voor/met het afsluiten van telefoonabonnementen

- dat zijn naam door iemand genaamd [naam] uit de systemen van de telecomprovider(s) zou worden verwijderd

- dat er voor [aangever 22] geen enkel risico aan zou zitten

- dat [naam] de papieren van de lening bij de Postbank zou laten verdwijnen

15. (zaak 20)

aan voornoemde [aangever 11] verteld:

- dat hij geld zou/kon krijgen/verdienen voor/met het afsluiten van telefoonabonnementen

- dat zijn naam door een oom uit de systemen van de telecomprovider(s) zou worden verwijderd

21. (zaak 27)

aan voornoemde [aangever 27] verteld:

- dat zij geld zou/kon krijgen/verdienen voor/met het afsluiten van telefoonabonnementen

- dat haar naam door iemand uit de systemen van de telecomprovider(s) zou worden verwijderd

-dat zij niet voor de abonnementen zou hoeven te betalen

22. (zaak 28)

aan voornoemde [aangever 28] verteld:

- dat hij geld zou/kon krijgen/verdienen voor/met het afsluiten van telefoonabonnementen en/of leningen

- dat zijn naam door iemand uit de systemen van de telecomprovider(s) en van Primeline zou worden verwijderd en/of

- dat hij met de creditcard van Primeline geld moest opnemen omdat degene die de abonnementen uit de systemen verwijdert ook mee moest profiteren van de constructie

26. (zaak 32)

aan voornoemde [aangever 30] verteld:

- dat hij geld zou/kon krijgen/verdienen voor/met het afsluiten van telefoonabonnementen

- dat zijn naam door iemand uit de systemen van de BKR en/of telecomprovider(s) zou worden verwijderd

- dat als het fout zou gaan er iemand garant zou staan

- dat hij geen keus had en het gewoon moest doen

waardoor die [aangever 16] en [aangever 2] en [aangever 3] en [aangever 18] en [aangever 19] en [aangever 22] en [aangever 11] en [aangever 27] en [aangever 28] en [aangever 30] werden bewogen tot bovenomschreven afgifte en tot het aangaan van bovenomschreven schuld;

4.

hij in de periode van 1 juni 2003 tot en met 22 maart 2011 in Nederland, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers heeft hij, verdachte, voorwerpen, te weten (onder andere) telefoons en andere (luxe) goederen en geldbedragen verworven, voorhanden gehad, overgedragen en/of omgezet, terwijl hij wist dat bovenomschreven goederen en geldbedrag(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf.

Van het onder 1, 2 en 4 meer of anders ten laste gelegde zal verdachte worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet wettig en overtuigend bewezen acht.

6 KWALIFICATIE

Het bewezene levert op:

Feit 1:

Als leider deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.

Feit 2:

Afpersing, meermalen gepleegd.

En

Oplichting, meermalen gepleegd.

Feit 4:

Gewoontewitwassen.

7 STRAFBAARHEID

De feiten en verdachte zijn strafbaar, nu geen feiten of omstandigheden zijn gebleken die die strafbaarheid zouden opheffen of uitsluiten.

8 STRAFOPLEGGING

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van de door hem bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaar, met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft ten aanzien van een eventueel op te leggen straf verzocht rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals die blijken uit hetgeen ter zitting is besproken en uit het dossier. Zij heeft opgemerkt dat de verdachte direct als hij vrij komt aan het werk kan als verkoopadviseur (een email dienaangaande is overgelegd ter terechtzitting van 3 augustus 2011). Voorts heeft zij aangevoerd dat de verdachte graag zo spoedig mogelijk de zorgtaken voor zijn zoontje weer op zich wil nemen.

Het oordeel van de rechtbank

Gelet op de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden waaronder verdachte zich daaraan heeft schuldig gemaakt en op de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht de rechtbank de na te noemen beslissing passend.

De rechtbank overweegt dat, ten aanzien van de ten laste gelegde artikelen uit het Wetboek van Strafrecht, geen oriëntatiepunten zijn opgenomen. Bij het bepalen van de duur van de straf voor de bewezen verklaarde feiten, heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de bewezen verklaarde feiten in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten plegen te worden opgelegd. De rechtbank heeft vastgesteld dat uit uitspraken van andere rechtbanken voor een oplichting/afpersing als uitgangspunt wordt genomen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden.

De rechtbank overweegt in het bijzonder het volgende.

Verdachte heeft gedurende een lange periode deelgenomen aan een criminele organisatie die mensen (dure) telefoonabonnementen heeft laten afsluiten, door ze af te persen dan wel op te lichten. De slachtoffers bleven ten gevolge daarvan achter met vaak enorme schulden.

De mobiele telefoons moesten worden afgegeven en werden door verdachte en diens medeverdachte verkocht. Verdachte heeft binnen de organisatie een belangrijke rol vervuld, te weten die van leider.

Verdachte en diens medeverdachten hebben met grote regelmaat kwetsbare personen uitgekozen, al dan niet met een (geestelijke) beperking.

Naast de slachtoffers die in de financiële problemen zijn geraakt hebben ook de telecomproviders nadelige gevolgen ondervonden van het handelen van verdachte (en zijn medeverdachten) omdat hun rekeningen veelal onbetaald zullen blijven.

Verdachte is op een geraffineerde en berekenende wijze te werk gegaan en heeft zich niet bekommerd om de financiële en emotionele schade die de slachtoffers hebben geleden. Verdachte was slechts uit op financieel gewin om zodoende zijn directe (financiële) behoefte te bevredigen.

De rechtbank overweegt dat de verdachte er, noch tijdens zijn verhoren bij de politie, noch ter terechtzitting, blijk van heeft gegeven het laakbare van zijn handelen in te zien. Uit voorgaande leidt de rechtbank af dat de verdachte gewetenloos heeft gehandeld. De rechtbank neemt dit de verdachte kwalijk.

In het nadeel van de verdachte heeft de rechtbank voorts rekening gehouden met een hem betreffend uittreksel justitiële documentatie waaruit blijkt dat verdachte diverse keren is veroordeeld ter zake van strafbare feiten, waaronder ook vermogensdelicten. Eerdere veroordelingen hebben hem er kennelijk niet van weten te weerhouden wederom strafbare feiten te plegen.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel slechts een onvoorwaardelijke vrijheidsbenemende straf op zijn plaats is.

9 BESLAG

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd de op de “Lijst van inbeslaggenomen voorwerpen” d.d. 1 december 2011 vermelde voorwerpen verbeurd te verklaren, aangezien deze zijn verkregen door middel van het witwassen dan wel het elektronica betreft.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft verzocht te bepalen dat de in beslag genomen voorwerpen aan de verdachte dienen te worden geretourneerd, nu de vordering van de officier van justitie tot verbeurdverklaring van deze voorwerpen niet, dan wel onvoldoende, is onderbouwd.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank zal zich in het kader van de onderhavige strafrechtelijke procedure onthouden van een beslissing inzake de op de “Lijst van inbeslaggenomen voorwerpen” d.d. 1 december 2011 vermelde voorwerpen, aangezien blijkens mededeling van de officier van justitie ter terechtzitting van 6 december 2011 op voornoemde lijst zowel de onder verdachte als onder de medeverdachten in beslag genomen voorwerpen zijn opgenomen en derhalve naar het oordeel van de rechtbank uit deze lijst niet eenduidig kan worden opgemaakt welke voorwerpen onder verdachte in beslag zijn genomen.

10 DE BENADEELDE PARTIJEN

Voor aanvang van de terechtzitting hebben [aangever], [aangever 2], [aangever 3], [aangever 4], [aangever 6], [aangever 8], [aangever 19], [aangever 9], [aangever 20], [aangever 15], [aangever 16], [aangever 18], [aangever 5], [aangever 22], [aan[aangever 25], [aangever 27], [aangever 28], [aangever 29] en [aangever 31] zich als benadeelde partijen in dit geding gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van schade ten gevolge van de aan verdachte onder respectievelijk 2 en 3 ten laste gelegde feiten. De hoogte van die schade wordt door de benadeelde partijen begroot op bedragen van respectievelijk € 4.801,72, € 10.996,22, € 1.715,06, € 3.445,02, € 2.369,28, € 8.706,33,

€ 6.566,14, € 6.713,57, € 6.634,70, € 6.391,81, € 4.229,87, € 1.107,45, € 8.976,29,

€ 26.292,62, € 15.795,26, € 2.799,87, € 10.736,79, € 7.850,43 en € 4.305,23.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd de vorderingen van de benadeelde partijen [aangever 16], [aangever], [aangever 18], [aangever 6], [aangever 31 ], [aangever 27], [aangever 28], [aangever 15] en [aangever 29] toe te wijzen.

De officier van justitie heeft voorts gevorderd de vorderingen van de benadeelde partijen [aangever 2] (behoudens de immateriële schade en minus een bedrag van € 100,00 dat door aangever is ontvangen), [aangever 3] (met aftrek van de extra schadepost), [aangever 5] (tot € 8.200,00), [aangever 8] (met aftrek immateriële schade), [aangever 19] (minus € 250,00 dat door aangeefster is ontvangen), [aangever 9] (minus € 270,00 dat door aangever is ontvangen), [aangever 22] (minus € 400,00, betreffende het bedrag dat hij mocht houden) en [aangever 25] (minus de auto) gedeeltelijk toe te wijzen.

De officier van justitie heeft gevorderd de benadeelde partijen [aangever 4] en [aangever 20] niet ontvankelijk te verklaren in hun vorderingen.

De officier van justitie heeft gevorderd om de vorderingen, daar waar deze geheel of gedeeltelijk worden toegewezen, niet hoofdelijk toe te wijzen. Hij heeft gevorderd de toegewezen bedragen te verdelen over het aantal verdachten waarin de vorderingen worden toegewezen. Voorts heeft hij gevorderd de maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft primair verzocht de benadeelde partijen niet ontvankelijk te verklaren in hun vorderingen, in verband met de bepleite vrijspraken.

Subsidiair heeft zij opgemerkt dat sprake is van eigen schuld aan de zijde van de benadeelde partijen, waardoor tot een matiging van de bedragen dient te worden overgegaan. Dat geldt in het bijzonder voor de incassokosten en de verhogingen bij het uitblijven van betaling, aangezien deze kosten geen rechtstreeks gevolg zijn van het ten laste gelegde.

De raadsvrouw heeft verzocht de vorderingen, voor zover zij zien op immateriële schade, af te wijzen.

Voor wat betreft de specifieke vorderingen heeft de raadsvrouw nog het navolgende naar voren gebracht.

Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [aangever 8] heeft zij opgemerkt dat de onverschuldigde betaling aan [getuige 3] niet op de tenlastelegging staat, zodat dit bedrag dient te worden afgewezen.

Bij de vordering van de benadeelde partij [aangever 16] ontbreken de stukken ter onderbouwing, zodat deze vordering dient te worden afgewezen.

De vordering van [aangever 32 ] betreft een feit dat niet aan de verdachte ten laste is gelegd, zodat deze vordering dient te worden afgewezen.

Bij de vordering van [aangever 3] worden de extra schadeposten niet toegelicht noch onderbouwd door middel van stukken, zodat deze dient te worden afgewezen.

Bij de vordering van [aangever 25] komen de kosten voor de auto en de kosten familie voorgeschoten niet voor vergoeding in aanmerking.

De benadeelde partij [aangever 20] dient volgens de raadsvrouw in de vordering niet ontvankelijk te worden verklaard.

Het oordeel van de rechtbank

Benadeelde partijen [aangever], [aangever 4], [aangever 20], [aangever 15], [aangever 5], [aangever 25], [aangever 29] en [aangever 31]

De benadeelde partijen [aangever], [aangever 4], [aangever 20], [aangever 15], [aangever 5], [aangever 25], [aangever 29] en [aangever 31] dienen in hun vordering niet-ontvankelijk te worden verklaard nu de verdachte van de hem onder 2 (partieel, te weten van de zaaksdossiers 3, 6, 16, 30, 8, 24, 31) en 3 ten laste gelegde feiten zal worden vrijgesproken.

Benadeelde partijen [aangever 2], [aangever 3], [aangever 6], [aangever 8],

[aangever 19], [aangever 9], [aangever 16], [aangever 18], [aangever 22], [aangever 27] en

[aangever 28]

De rechtbank overweegt dat bij voornoemde benadeelde partijen, civielrechtelijk gezien, mogelijk sprake is van (een bepaalde mate van) eigen schuld, ten gevolge waarvan het gevorderde bedrag zou moeten worden gematigd.

Aldus kan de rechtbank thans niet zonder meer vaststellen welke schade door de verdachte, zijnde een direct gevolg van de door hem begane bewezen verklaarde feiten, aan de benadeelde partijen zou moeten worden vergoed.

Beoordeling van de vorderingen, in het licht van het voorgaande bezien, brengt naar het oordeel van de rechtbank een onevenredige belasting van het strafgeding met zich mee.

De vorderingen van de benadeelde partijen leveren, gelet op het voorgaande, naar het oordeel van de rechtbank een onevenredige belasting van het strafgeding op. De rechtbank zal derhalve bepalen dat de benadeelde partijen in die vorderingen niet-ontvankelijk zijn en dat de vorderingen slechts bij de burgerlijke rechter kunnen worden aangebracht.

11 TOEPASSELIJKHEID WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op de artikelen 10, 27, 57, 140, 312, 317, 326 en 420 ter van het Wetboek van Strafrecht, zoals de artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

12 BESLISSING

De rechtbank:

Vrijspraak

- verklaart niet bewezen hetgeen onder 3 aan verdachte is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

Bewezenverklaring

- verklaart het onder 1, 2 en 4 ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 5 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat onder 1, 2 en 4 meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart de bewezen verklaarde feiten strafbaar;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaar;

- bepaalt dat de tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

Beslag

- onthoudt zich van een beslissing ter zake van de op de “Lijst van inbeslaggenomen voorwerpen” d.d. 1 december 2011 vermelde voorwerpen;

Benadeelde partijen [aangever], [aangever 4], [aangever 20], [aangever 15], [aangever 5], [aangever 25], [aangever 29], [aangever 31], [aangever 2], [aangever 3], [aangever 6], [aangever 8], [aangever 19], [aangever 9], [aangever 16],

[aangever 18], [aangever 22], [aangever 27] en [aangever 28]

- bepaalt dat voornoemde benadeelde partijen in hun vorderingen niet-ontvankelijk zijn en dat zij hun vorderingen slechts bij de burgerlijke rechter kunnen aanbrengen.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.H. Meijer, voorzitter, mrs. G. Blomsma en M. Iedema, rechters, in tegenwoordigheid van mr. N. van Olst-van Esch, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 21 december 2011.

Mr. Iedema is buiten staan dit vonnis mede te ondertekenen.