Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2011:BU6204

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
29-11-2011
Datum publicatie
29-11-2011
Zaaknummer
07.662432-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De verdachte wordt veroordeeld tot een werkstraf van 100 uren voor het verwerven of het voorhanden krijgen van sieraden, terwijl verdachte, rederlijkerwijs had moeten vermoeden, dat het door misdrijf verkregen goederen betroffen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Sector strafrecht

Parketnummer: 07.662432-11

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 29 november 2011

in de strafzaak tegen

[verdachte C]

geboren op [geboortedatum] 1994 te [geboorteplaats],

wonende te [adres],

gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Overijssel.

1 HET ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg. Het onderzoek is aangevangen ter openbare terechtzitting van 9 augustus 2011. De inhoudelijke behandeling heeft ter openbare terechtzitting van 15 november 2011 plaatsgevonden te Lelystad, waarbij de verdachte is verschenen, bijgestaan door

mr. N.C.E.C. Luns, advocaat te Almere.

De zaak tegen verdachte is gelijktijdig, maar niet gevoegd in de zin der wet, behandeld met de zaken tegen medeverdachten [verdachte A] (parketnummer 07.662429-11) en

[verdachte B] (parketnummer 07.662424-11).

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. E.M. van der Burg en van de standpunten van verdachte en zijn raadsman naar voren gebracht.

2 DE TENLASTELEGGING

De verdachte is, na een wijziging tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 14 mei 2011 in de gemeente Almere tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen (uit een woning gelegen aan het [adres]1) sieraden waaronder (twee) kettingen, in elk geval diverse sieraden en/of een (blauw) sieraden bakje in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachto[slachtoffer A], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededaders, welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen voornoemde [slachtoffer A], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte en/of zijn mededader(s) - (terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) een bikvakmuts droeg/droegen en terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) in het bezit was/waren van een mes) aldaar heeft/hebben aangebeld en/of (nadat die [slachtoffer A] de voordeur had geopend) die voordeur met kracht verder heeft/hebben opengeduwd en/of - die [slachtoffer A] een duw tegen haar borst, in elk geval tegen het lichaam heeft/hebben gegeven waardoor die [slachtoffer A] ten val kwam tegen de trap en/of - terwijl die [slachtoffer A] versuft op de trap zat, bij haar is/zijn blijven staan;

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

[verdachte B] en/of [verdachte A] en/of één of meer ander(en) op of omstreeks 14 mei 2011 in de gemeente Almere tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft/hebben weggenomen (uit een woning gelegen aan het [adres]1) sieraden waaronder (twee) kettingen, in elk geval diverse sieraden en/of een (blauw) sieradenbakje, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachto[slachtoffer A], in elk geval aan een ander of anderen dan aan [verdachte B] en/of [verdachte A] en/of hun mededaders, welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen voornoemde [slachtoffer A], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestonden dat [verdachte B] en/of [verdachte A] en/of één of meer ander(en)

- (terwijl [verdachte B] en/of [verdachte A] en/of één of meer ander(en) een bivakmuts droeg/droegen en terwijl [verdachte B] en/of [verdachte A] en/of één of meer ander(en) in het bezit was/waren van een mes) aldaar heeft/hebben aangebeld en/of (nadat die [slachtoffer A] de voordeur had geopend) die voordeur met kracht verder heeft/hebben opengeduwd en/of

- die [slachtoffer A] een duw tegen haar borst, in elk geval tegen het lichaam, heeft/hebben gegeven waardoor die [slachtoffer A] versuft op de trap zat, bij haar is/zijn blijven staan;

bij het plegen van welk misdrijf verdachte op of omstreeks 14 mei 2011 in de gemeente Almere opzettelijk behulpzaam is geweest door

- in de nabijheid van de plaats van het misdrijf op de uitkijk te verblijven teneinde die [verdachte B] en/of [verdachte A] en/of één of meer ander(en) bij onraad te waarschuwen en/of

- de telefoon van [verdachte A] aan te nemen en bij zich te houden gedurende het misdrijf (zodat [verdachte A] deze niet in de woning kon verliezen)

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij in of omstreeks de periode van 14 mei 2011 tot en met 23 mei 2011 in de gemeente Almere, in elk geval in Nederland, sieraden waaronder (twee) kettingen, in elk geval diverse sieraden en/of een (blauw) sieradenbakje, heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van voornoemde sieraden wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat het door misdrijf verkregen goederen betroffen.

3 DE VOORVRAGEN

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in haar vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 DE BEWIJSMIDDELEN EN DE BEOORDELING DAARVAN

Inleiding

Op zaterdag 14 mei 2011 omstreeks 19.40 uur kreeg verbalisant [verbalisant A], hoofdagent van Politie Flevoland, de opdracht te gaan naar het [adres] alwaar een vrouw van 89 jaar oud in haar woning zou zijn overvallen. Aangeefster [slachtoffer A] verklaarde dat ze omstreeks 19.30 uur de deurbel hoorde en dat, toen zij opende, de deur gelijk verder werd opengeduwd en zij een duw tegen haar borst aan kreeg. Hierdoor viel ze met haar linkerschouder tegen de trap aan en voelde ze direct pijn. Een man, van ongeveer 1.70 tot 1.75 meter lang, bleef beneden in de gang staan. De andere man is gelijk naar boven gerend. De mannen zijn via de voordeur weer vertrokken. Aangeefster heeft verklaard erg geschrokken te zijn en een schaafwondje op haar neus te hebben.

Ter plaatse werd de verbalisant aangesproken door getuige [Getuige A], die een goudkleurige ketting in zijn handen heeft en aangeeft dat hij deze in de steeg achter zijn woning had gevonden. Hij had gezien dat de ketting door twee jongens in de steeg verloren was en dat ze vanuit de richting van het [straat] aan kwamen rennen. In de steeg trof de verbalisant vervolgens een tweede ketting aan, zwart van kleur met rode steentjes. De verbalisant wordt vervolgens aangesproken door getuige [getuige B], die verklaart dat hij rond 19.20 uur drie personen door de steeg heeft zien rennen vanuit de richting van het [straat]. Eén van die personen herkende hij als ‘Elvis’. Een vriend van hem, [getuige C], had een Blackberry-telefoon van deze Elvis gekocht. [getuige C] heeft verklaard dat zijn broer, [getuige D], de Blackberry had gekocht van [verdachte A] en wees vervolgens de woning van [verdachte A] aan de [adres] aan.

Ter plaatse sprak verbalisant [verbalisant B], brigadier bij politie Flevoland tevens met getuige [getuige E], die verklaarde dat hij omstreeks 19.00 uur in de steeg achter de woning had gestaan om te kijken of er vriendjes aan het spelen waren. Hij stond op het hoekje te wachten van de steeg waar hij zicht had op de woning (waar de overval was gepleegd). De getuige zag dat uit de woning twee jonge mannen kwamen die in zijn richting liepen. Toen de jongens ongeveer 20 meter in de steeg waren, begonnen ze te rennen. Getuige [getuige E] verklaarde dat het twee blanke jongens betroffen, de één ongeveer 1.70 tot 1.75 meter lang met blond haar tot op zijn schouders en een zwarte Nike pet op, de ander ongeveer 1.75 tot 1.80 meter lang en donkerblonde of zwarte stekels. Getuige [getuige E] is op 18 mei 2011 door de politie in een kindvriendelijke studio gehoord. De getuige verklaarde dat hij de eerste dader vaker heeft gezien bij de Albert Heijn en dat die dader eerst lang haar had. Op woensdag 26 oktober 2011 heeft er met de getuige een FOSLO-fotoconfrontatie plaatsgevonden waarbij de getuige [verdachte B] heeft herkend als één van de jongens die hij uit de woning had zien komen. Medeverdachten [verdachte A] [,] en [verdachte B] zijn vervolgens aangehouden. Naar aanleiding van de verklaring van [Verdachte A] is de telefoon van verdachte afgeluisterd. Op 25 mei 2011 is hij aangehouden. Tijdens een doorzoeking werd in de slaapkamer van verdachte een blauw bakje met verschillende sieraden aangetroffen.

Verdachte is op 25 mei 2011 in verzekering gesteld. De voorlopige hechtenis is met ingang van 9 juni 2011 geschorst.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend te bewijzen dat verdachte het subsidiair ten laste gelegde feit, medeplichtigheid aan het plegen van een overval, heeft begaan.

Het standpunt van de verdediging

De verdachte ontkent de ten laste gelegde woningoverval te hebben gepleegd. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat medeverdachten [Verdachte A] en [verdachte B] de overval op 14 mei 2011 hebben gepleegd, dat hij wist dat ze dat gingen doen maar dat hij zelf is doorgelopen. Verdachte had rond 19.00 uur afgesproken met [verdachte A] en [verdachte B] om naar het feestje van [naam] te gaan. Ze zijn in de richting van dat feestje, het [straat] te [plaats] gelopen. Toen kwamen [verdachte B] en [verdachte A] met het idee om een overval te plegen. [verdachte B] zei: ‘zullen we die overval plegen’, waarop [verdachte A] zei: ‘dat is goed’. [verdachte B] en [verdachte A] vroegen daarop aan verdachte of hij op de uitkijk wilde staan. Voordat verdachte antwoord kon geven, zei [verdachte B] echter al: ‘dat is niet nodig’. Verdachte heeft verklaard niet op de uitkijk te hebben gestaan. Tijdens het gesprek kreeg hij de telefoon van [verdachte A] in zijn handen gedrukt, zonder dat hem iets werd gevraagd. Verdachte is binnen een minuut weggegaan. Hij had de telefoon toen, zonder bedoelingen, bij zich. Terwijl [verdachte A] en [verdachte B] weg waren, heeft verdachte zeker 250 meter verderop gestaan. Daarna kwamen [verdachte A] en [verdachte B] teruglopen en zijn ze met zijn drieën naar het feestje gegaan. Verdachte heeft verklaard dat niet over verdeling van de opbrengst is gesproken. Nu verdachte de tijd heeft gehad om erover na te denken, kijkt hij er heel anders tegenaan. Destijds was zijn instelling dat hij zich er niet in wilde verdiepen, hij vond het niet zo belangrijk. Verdachte heeft verklaard dat het dom van hem is dat hij niet eerder iets heeft gezegd of iets heeft gedaan.

Ten aanzien van het doosje sieraden heeft verdachte verklaard dat hij op zijn kamer kwam om zich om te kleden en het blauwe kistje in zijn ooghoek zag staan. Hij heeft erin gekeken, zag een plastic prulletje en een stukje wc-papier en dacht: ‘het zal wel’, waarop hij het kistje in zijn kast heeft gegooid. Vervolgens heeft hij de kast dichtgedaan en is weggegaan zonder er nog aan te hebben gedacht. Verdachte heeft verklaard er niet bij stil te hebben gestaan dat het kistje in verband zou staan tot de overval. Achteraf gezien denkt verdachte dat

[verdachte B] het kistje, terwijl verdachte zich aan het omkleden was, bij verdachte moet hebben achtergelaten, op het moment dat hij bij hem was.

De raadsvrouw heeft betoogd dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is voor het primair, subsidiair en meer subsidiair ten laste gelegde en dat de verdachte hiervan derhalve dient te worden vrijgesproken.

De raadsvrouw heeft hiertoe aangevoerd dat verdachte consequent zijn verhaal heeft verteld, inhoudende dat [Verdachte A] en [verdachte B] de overvallen hebben gepleegd en dat hij er niets mee te maken had. Het enige dat verdachte valt te verwijten, is dat hij de politie niet heeft gewaarschuwd of [verdachte A] en [verdachte B] tegen heeft gehouden.

Ten aanzien van het primair ten laste gelegde heeft de raadsvrouw zich gerefereerd aan het standpunt van de officier van justitie. Aangeefster heeft verklaard door twee jongens te zijn overvallen. Alle getuigenverklaringen in het dossier bevestigen dat die twee jongens [Verdachte A] en [verdachte B] en niet verdachte, zijn geweest. De enige die heeft verklaard over actieve deelname van verdachte is [Verdachte A]. Deze verklaring is kennelijk leugenachtig. Het louter niet ingrijpen is onvoldoende om medeplegen aan te nemen, nu dit geen toereikende intensieve samenwerking oplevert.

Ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde heeft de raadsvrouw betoogd dat er onvoldoende bewijs is dat verdachte op de uitkijk heeft gestaan. Dit is enkel verklaard door [Verdachte A], terwijl de verdachte dit zelf heeft ontkend. De verdediging ziet niet in waarom de verklaring van [Verdachte A] geloofwaardiger zou zijn dan die van de verdachte. Het aannemen van de telefoon van [Verdachte A] levert geen aantoonbare bijdrage aan het begane misdrijf. Daarnaast heeft de verdachte geen opzet gehad op het behulpzaam zijn bij de overval, door het bij zich houden van de telefoon.

Ten aanzien van het meer subsidiair ten laste gelegde heeft de raadsvrouw betoogd dat verdachte zich niet schuldig heeft gemaakt aan heling, nu verdachte niet wist dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.

De verdediging heeft zich, gelet op het voorgaande, op het standpunt gesteld dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is voor het primair, subsidiair en meer subsidiair ten laste gelegde en verzoekt de rechtbank verdachte hiervan vrij te spreken.

De raadsvrouw heeft de rechtbank verzocht om, indien de rechtbank van oordeel is dat wel tot een bewezenverklaring kan worden gekomen, rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, waaronder het feit dat verdachte niet eerder met justitie in aanraking is geweest, alsmede het feit dat verdachte direct medewerking heeft verleend aan zowel de politie als de reclassering en het pro justitia onderzoek. Uit voornoemd onderzoek volgt dat ten aanzien van verdachte kan worden gesproken van enigszins verminderde toerekeningsvatbaarheid. Verdachte heeft na de schorsing van zijn voorlopige hechtenis zijn school weer opgepakt en realiseert zich dat hij anders had moeten handelen.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft kennisgenomen van de inhoud van de stukken van het onderliggende strafdossier en van hetgeen bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gebracht.

De rechtbank komt, op grond van de zich in het dossier bevindende stukken en hetgeen ter terechtzitting naar voren is gebracht, tot de conclusie dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het primair en subsidiair ten laste gelegde, reden waarom de rechtbank verdachte hiervan zal vrijspreken.

De rechtbank is van oordeel dat het meer subsidiair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard en overweegt daartoe het navolgende.

Aangeefster [slachtoffer A] heeft verklaard dat zij op zaterdag 14 mei 2011 rond 19.30 uur door twee jongens in haar woning aan het [adres] is overvallen. Wegens dementie kan aangeefster niet verklaren welke goederen er missen.

Dat er iets uit de woning van mevrouw [slachtoffer A] is weggenomen, blijkt naar het oordeel van de rechtbank echter uit het gegeven dat in de slaapkamer van verdachte een blauw ovaal doosje met deksel is aangetroffen met hierin onder meer een oorknop. Op die oorknop is

DNA-materiaal van mevrouw [slachtoffer A] aangetroffen.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat [verdachte B] tegen hem heeft gezegd dat hij samen met [Verdachte A] overvallen heeft gepleegd. Op 14 mei 2011 had verdachte met [verdachte B] en [verdachte A] rond 19.00 uur afgesproken om naar het feestje van [naam] te gaan. Onderweg, richting [naam] op het [straat], zou [verdachte B] hebben gezegd: ‘zullen we die overval plegen’, waarop [verdachte A] zou hebben geantwoord: ‘dat is goed’. [verdachte B] en [verdachte A] zouden [verdachte C] hebben gevraagd of hij op de uitkijk wilde staan, maar voordat verdachte in de gelegenheid was om antwoord te geven, had [verdachte B] gezegd: ‘dat is niet nodig’. Verdachte zelf is doorgelopen. Hij wist wat verdachte en [verdachte A] gingen doen. Verdachte en [verdachte A] kwamen daarna teruglopen en zijn toen samen met [verdachte C] naar het feestje gegaan.

[Verdachte A] heeft bij de politie verklaard dat hij tijdens het feestje van [naam], op 14 mei 2011, even met [verdachte B] naar een hofje is gelopen en dat [verdachte B] hem daar een blauw bakje heeft laten zien, waarin gouden sieraden zaten. [verdachte B] zou deze sieraden gaan verkopen en [Verdachte A] een deel van de opbrengst geven.

De rechtbank is, gelet op het voorgaande, van oordeel dat verdachte ervan op de hoogte was dat [verdachte B] en [Verdachte A] een overval hadden gepleegd op 14 mei 2011, toen hij met [verdachte B] en [verdachte A] in de buurt van de woning van mevrouw [slachtoffer A] was. Het blauwe doosje met daarin één oorbel met DNA-materiaal van mevrouw [slachtoffer A] is vervolgens in de kast in de slaapkamer van verdachte aangetroffen. Voorts heeft [Verdachte A] bij de politie verklaard dat [verdachte B] hem een blauw bakje met sieraden heeft laten zien, hetgeen aanduidt dat dit doosje met inhoud eerst in handen van [Verdachte A] en/of [verdachte B] is geweest. Verdachte heeft zelf verklaard het blauwe doosje te hebben aangetroffen in zijn kamer, erin te hebben gekeken, te hebben gezien dat er “iets van sieraden” in het doosje lagen en het doosje vervolgens in zijn kast te hebben gegooid. De rechtbank acht de verklaring van verdachte, dat hij zich niet bewust was van het feit dat dit doosje mogelijk van een van de overvallen afkomstig was, niet aannemelijk. De rechtbank is, gelet op het voorgaande, van oordeel dat verdachte een goed voorhanden heeft gehad waarvan hij wist, in elk geval in de vorm van voorwaardelijk opzet, dat dit van een misdrijf, te weten de door [verdachte B] en [Verdachte A] gepleegde overval op 14 mei 2011, afkomstig was, waarmee het meer subsidiair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard.

De rechtbank is aldus van oordeel dat het meer subsidiair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard.

5 BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat:

hij in de periode van 14 mei 2011 tot en met 23 mei 2011 in de gemeente Almere een sieraad voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van voornoemd sieraad wist dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.

Van het meer subsidiair meer of anders ten laste gelegde zal verdachte worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet wettig en overtuigend bewezen acht.

6 KWALIFICATIE

Het bewezenverklaarde levert op:

- opzetheling, strafbaar gesteld bij artikel 416 van het Wetboek van Strafrecht.

7 STRAFBAARHEID

De feiten en verdachte zijn strafbaar, nu geen feiten of omstandigheden zijn gebleken die die strafbaarheid zouden opheffen of uitsluiten.

8 STRAFOPLEGGING

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het door haar bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot jeugddetentie voor de duur van 12 maanden, met aftrek van de periode dat verdachte in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Zij heeft gevorderd dat van deze 12 maanden jeugddetentie 6 maanden voorwaardelijk zullen worden opgelegd met als bijzondere voorwaarde dat verdachte zich houdt aan de voorwaarden van de jeugdreclassering in het kader van een maatregel hulp en steun.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft in reactie op de eis van de officier van justitie betoogd dat deze eis buitenproportioneel is. Indien de rechtbank van oordeel is dat jeugddetentie geboden is, verzoekt de raadsvrouw deze straf geheel voorwaardelijk op te leggen. Wat betreft de bijzondere voorwaarde heeft de raadsvrouw zich gerefereerd aan het standpunt van de officier van justitie.

Het oordeel van de rechtbank

Gelet op de aard en ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden waaronder verdachte zich daaraan schuldig heeft gemaakt en op de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht de rechtbank de na te noemen beslissing passend.

Bij het beoordelen van de strafmaat heeft de rechtbank rekening gehouden met een de verdachte betreffend rapport van de Raad voor de Kinderbescherming d.d. 3 oktober 2011, opgemaakt door N. Hexspoor, raadsonderzoeker en A. Bredeweg, teamleider, waaruit volgt dat verdachte met de dag lijkt te leven en weinig verantwoordelijkheid neemt, met name op het gebied van school. Zijn moeder neemt de verantwoordelijkheid van hem over. Het recidiverisico wordt niet hoog ingeschat omdat de gevolgen van dit delict veel impact op verdachte hebben gehad. Geadviseerd wordt in het kader van een deels voorwaardelijke werkstraf een Maatregel Hulp en Steun op te leggen, waarin zal worden gewerkt aan de mate van beïnvloedbaarheid van verdachte, zijn verantwoordelijkheidsgevoel (zowel intern als extern), zijn vriendengroep en zijn schoolgang.

De rechtbank heeft voorts rekening gehouden met een de verdachte betreffende rapportage van de Jeugdreclassering d.d. 4 november 2011, opgesteld door G. Tempelman. Verdachte heeft sinds de schorsing van de voorlopige hechtenis hulp en steun gekregen van de Jeugdreclassering. Uit het rapport volgt dat bij verdachte als punten van zorg bestaan zijn drugsgebruik; zijn opleiding, werk en leren; zijn (deviante) vrienden, kennissen en vrijetijdsbesteding en zijn denkpatronen, gedrag en vaardigheden. Het recidiverisico wordt als laag ingeschat. Verdachte heeft veel structuur nodig. Ter terechtzitting d.d. 15 november 2011 heeft mevrouw Tempelman haar rapport toegelicht en verklaard dat verdachte goed heeft meegewerkt in de gesprekken, maar dat er gronden bestaan om de begeleiding voort te zetten. De begeleiding zal onder andere inspelen op de thuissituatie en het bewerkstelligen dat verdachte meer zijn eigen verantwoordelijkheid zal nemen.

De rechtbank heeft voorts rekening gehouden met een de verdachte betreffend psychologisch onderzoek pro justitia d.d. 10 oktober 2011, uitgevoerd door dr. I. Bok, GZ-psycholoog en tevens vast gerechtelijk deskundige. Uit voornoemd rapport blijkt dat de gewetensontwikkeling van verdachte wat onrijp en lacunair is. Verdachte heeft empathisch vermogen maar is vrij egocentrisch ingesteld. De persoonlijkheid van verdachte is onrijp in vergelijking met leeftijdsgenoten. Er zijn kenmerken van een aandachtstekortstoornis aanwezig. De gedragingen die verdachte laat zien, zijn passend binnen een gedragsstoornis NAO. Door onvoldoende innerlijke structuur van betrokkene worden normen en waarden onvoldoende geïnternaliseerd en kunnen ouders in de situatie buitenshuis onvoldoende invloed uitoefenen. Verdachte is afhankelijk van aangebrachte structuur in zijn omgeving. Ongunstige omstandigheden vergroten het recidiverisico. Verdachte kan als enigszins verminderd toerekeningsvatbaar worden geacht, mits de ten laste gelegde feiten kunnen worden bewezen. Geadviseerd wordt dat verdachte in het kader van een deels voorwaardelijke werkstraf wordt begeleid door de jeugdreclassering. Indien nodig, kan worden gedacht aan een gespecialiseerde cursus of training bij De Waag.

Ten nadele van verdachte heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het misdrijf waarvan verdachte wist dat het goed afkomstig was.

Ten voordele van verdachte heeft de rechtbank rekening gehouden met een de verdachte betreffend uittreksel justitiële documentatie d.d. 13 oktober 2011 waaruit blijkt dat verdachte niet eerder met justitie in aanraking is geweest. Tot slot heeft de rechtbank de jeugdige leeftijd van verdachte in aanmerking genomen.

De rechtbank is van oordeel dat een taakstraf in de vorm van een werkstraf geboden is, waarvan een deel voorwaardelijk zal worden opgelegd teneinde de bij verdachte benodigde begeleiding, hulpverlening en behandeling te realiseren die noodzakelijk zijn om structuur aan te brengen in zijn omgeving. De rechtbank is van oordeel dat een proeftijd van een jaar voldoende is om een dergelijke structuur bij verdachte tot stand te brengen.

9 BESLAG

Met betrekking tot de inbeslaggenomen voorwerpen, zoals opgenomen op de “Lijst van inbeslaggenomen voorwerpen” d.d. 14 oktober 2011 overweegt de rechtbank het navolgende.

De officier van justitie heeft gevorderd dat de goederen op voornoemde lijst van inbeslaggenomen voorwerpen onder 1., 2., 3,. en 4., te weten een blauw ovaal doosje met inhoud, een oorsteker met witte parel, een zilveren hanger en een bolvormige hanger worden teruggegeven aan de rechthebbende, mevrouw [slachtoffer A]. Voorts heeft de officier van justitie gevorderd dat de onder 5. vermelde zwart-witte stervormige hanger wordt teruggegeven aan verdachte.

De raadsvrouw heeft zich niet uitgelaten over het beslag.

De rechtbank is van oordeel dat de op de “Lijst van inbeslaggenomen voorwerpen” onder 1, 2, 3 en 4 vermelde voorwerpen dienen te worden teruggegeven aan de rechthebbende. Het onder 5 vermelde voorwerp zal worden teruggegeven aan verdachte.

10 DE BENADEELDE PARTIJ

Voor aanvang van de terechtzitting heeft [slachtoffer B] – daartoe ter terechtzitting vertegenwoordigd door mevrouw Holtes van Slachtofferhulp – zich als benadeelde partij in dit geding gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van schade. De hoogte van die schade wordt door de benadeelde partij begroot op een bedrag van € 699,-.

Voorts heeft zich voor aanvang van de terechtzitting [slachtoffer C]

– daartoe ter terechtzitting vertegenwoordigd door gemachtigde de heer P.M.M. de Graaf – als benadeelde partij in het geding gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van schade. De hoogte van die schade wordt door de benadeelde partij begroot op een bedrag van € 450,-.

Tot slot heeft zich voor aanvang van de terechtzitting mevrouw [slachtoffer A] als benadeelde partij in het geding gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van schade ten gevolge van het aan verdachte laste gelegde. De hoogte van die schade wordt door de benadeelde partij begroot op een bedrag van € 450,-.

De officier van justitie heeft zich ten aanzien van verdachte ter terechtzitting niet uitgelaten over de vorderingen benadeelde partij.

Tevens heeft de raadsvrouw zich niet uitgelaten over de vorderingen benadeelde partij.

De rechtbank is van oordeel dat bij het onderzoek ter terechtzitting vast is komen te staan dat de benadeelde partijen [slachtoffer B] en [slachtoffer C] niet rechtstreeks schade hebben geleden ten gevolge van het ten aanzien van verdachte bewezen verklaarde feit en verklaart de benadeelde partijen [slachtoffer B] en [slachtoffer C] dan ook

niet-ontvankelijk in hun vordering.

Voorts is naar het oordeel van de rechtbank bij het onderzoek ter terechtzitting niet vast komen te staan dat de benadeelde partij [slachtoffer A] rechtstreeks schade heeft geleden ten gevolge van het ten aanzien van verdachte meer subsidiair bewezen verklaarde feit. De rechtbank wijst de vordering van mevrouw [slachtoffer A] ten aanzien van verdachte derhalve af.

11 TOEPASSELIJKHEID WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op de artikelen 77a, 77g, 77h, 77m, 77x, 77y, 77z, 77aa, 27 en 416 van het Wetboek van Strafrecht, zoals de artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

12 BESLISSING

De rechtbank:

Vrijspraak

- Verklaart niet bewezen hetgeen primair en subsidiair aan verdachte is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Bewezenverklaring

- verklaart het meer subsidiair ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 5 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer subsidiair meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart het bewezen verklaarde feit strafbaar;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt de verdachte tot een werkstraf van 100 uren;

- bepaalt dat de tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde werkstraf in mindering zal worden gebracht, berekend naar de maatstaf van 2 uren werkstraf per dag;

- bepaalt dat van de werkstraf een gedeelte, groot 40 uren, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later of anders mocht gelasten op grond van het feit dat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 jaren aan een strafbaar feit schuldig heeft gemaakt;

- stelt als bijzondere voorwaarde dat de verdachte zich houdt aan aanwijzingen van de jeugdreclassering in het kader van een Maatregel Hulp en Steun.

Beslag

- bepaalt dat de op de “Lijst van inbeslaggenomen voorwerpen” d.d. 17 oktober 2011 onder 1, 2, 3 en 4 vermelde voorwerpen worden teruggegeven aan de rechthebbende;

- bepaalt dat het op de “Lijst van inbeslaggenomen voorwerpen” d.d. 17 oktober 2011 onder 5 vermelde voorwerp zal worden teruggegeven aan verdachte.

Benadeelde partij

- verklaart de benadeelde partij [slachtoffer B], wonende te [plaats], niet-ontvankelijk in haar vordering;

- verklaart de benadeelde partij [slachtoffer C], wonende te [plaats], niet-ontvankelijk in haar vordering;

- wijst af vordering van benadeelde partij [slachtoffer A], wonende te [plaats].

Dit vonnis is gewezen door mr. A.C. Schroten, voorzitter, tevens kinderrechter,

mrs. L.G. Wijma en R.F. van Aalst, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.J.A. Colijn, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 29 november 2011.

Mr. A.C. Schroten voornoemd was buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal, nummer PL2542 2011033828-1, opgemaakt door [verbalisant C], hoofdagent van politie Almere Oost, ondertekend op 14 mei 2011, houdende een proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer A], p. 838 en 839.

Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal, nummer 2011033838, opgemaakt door

[verbalisant D], buitengewoon opsporingsambtenaar bij Politie Flevoland, ondertekend op 25 mei 2011, houdende een proces-verbaal van doorzoeking ter inbeslagneming, p. 395.

Het rapport van het Nederlands Forensisch Instituut d.d. 22 september 2011, opgemaakt door

[verbalisant E], houdende ‘een onderzoek naar biologische sporen en DNA-onderzoek naar aanleiding van een serie overvallen gepleegd in Almere tussen 7 en 14 mei 2011’, tabel 3 (p. 8).

Proces-verbaal van de terechtzitting van de meervoudige strafkamer van deze rechtbank op

15 november 2011.

Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal, nummer 2011022828-26233, opgemaakt door [verbalisant F] en [verbalisant G], werkzaam bij Politie Flevoland en Districtsrecherche Politie Flevoland, ondertekend op 18 mei 2011, houdende een proces-verbaal van verhoor verdachte [Verdachte A], p. 129.