Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2011:BU6068

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
24-11-2011
Datum publicatie
28-11-2011
Zaaknummer
Awb 11/1061
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Uit coulance eenmalige uitkering toegekend in kader overheveling premieheffing en inning van sociale verzekeringen van UWV naar Belastingdienst; uitspraak CRvB 8 april 2010 geen nieuw feit in zin artikel 4:6 Awb.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Sector Bestuursrecht

Registratienummer: Awb 11/1061

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

(…)

wonende te Dronten, eiseres,

gemachtigde: mr. S. Wiersma,

en

de Staatssecretaris van Financiën,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 16 december 2010 heeft verweerder eiseres uit coulance een éénmalige uitkering van € 500,00 bruto toegekend.

Het daartegen gemaakte bezwaar is bij het besluit van 7 april 2011 ongegrond verklaard. Eiseres heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.

Het beroep is ter zitting van 13 oktober 2011 behandeld. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. V.P.H. Sijben.

Overwegingen

1. Op grond van de Wet financiering sociale verzekeringen is de bevoegdheid van premieheffing en -inning van sociale verzekeringen overgeheveld van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (Uwv) naar de Belastingdienst.

In dat kader is afgesproken dat in de periode tussen 1 juli 2005 en 1 januari 2007

800 Uwv-medewerkers overgaan naar de Belastingdienst. Op 4 februari 2005 is betreffende de overgang een convenant afgesloten tussen de bonden en de bestuurders van het Uwv en de Belastingdienst (hierna: het convenant). Eén van de uitgangspunten van het convenant is dat eventuele negatieve effecten van de inschaling op het moment van de overgang worden vergolden met een afkoopsom, waarvan de uitbetaling zou geschieden bij de eerste salarisbetaling door de Belastingdienst.

2. Bij de salarisbetaling in januari 2006 is aan eiseres een afkoopsom van € 6.799,77 bruto uitbetaald. In een begeleidende brief van 23 januari 2006 is aangegeven dat de afkoopsom nog opnieuw wordt berekend naar aanleiding van de CAO voor de sector Rijk. Naar aanleiding hiervan is bij besluit van 31 mei 2006 de afkoopsom definitief vastgesteld op een bedrag van € 5.903,86 bruto en is van eiseres een bedrag van € 895,91 bruto teruggevorderd.

Het door eiseres tegen het besluit van 31 mei 2006 gemaakte bezwaar is bij besluit van

23 februari 2007 ongegrond verklaard. Eiseres heeft tegen dit laatste besluit geen rechtsmiddelen aangewend.

3. Een aantal oud-Uwv medewerkers heeft wel rechtsmiddelen tegen de hoogte en (definitieve) berekening van de afkoopsom aangewend.

De Centrale Raad van Beroep (CRvB) heeft bij uitspraken van 8 april 2010 (LJN: BM2335 en BM2342) geoordeeld dat verweerder bij de vaststelling van de afkoopsom in de berekening van het bruto-netto traject van het salaris bij de Belastingdienst ten onrechte bij de vakantietoeslag en de eindejaarsuitkering een bijzonder tarief van 42% heeft toegepast en dat voor de vraag welk tarief moet worden toegepast op de bijzondere beloningen bij de Belastingdienst de feitelijke situatie doorslaggevend is.

4. Naar aanleiding van de uitspraken van de CRvB heeft verweerder bij besluit van

16 december 2010 aan eiseres een éénmalige uitkering van € 500,00 bruto toegekend. Daarbij is opgemerkt dat het een uitbetaling uit coulance betreft die zal worden gedaan op basis van goed werkgeverschap.

5. In het bestreden besluit van 7 april 2011 heeft verweerder overwogen dat het verzoek van eiseres om de uitspraken 8 april 2010 van de CRvB toe te passen op de eerdere berekening van de afkoopsom een verzoek is om terug te komen op het besluit van 23 februari 2007. Omdat de uitspraken van de CRvB niet gekwalificeerd kunnen worden als nieuw gebleken feiten of omstandigheden heeft verweerder besloten de berekening van de afkoopsom, zoals die verstrekt is bij besluit van 23 februari 2007 niet te herzien.

De rechtbank merkt op dat verweerder het bezwaarschrift van eiseres van 11 en 18 januari 2011 tegen de éénmalige toekenning van € 500,00 bruto heeft aangemerkt als een verzoek om terug te komen van het rechtens onaantastbare besluit van 23 februari 2007. Dit komt de rechtbank niet onaannemelijk voor, gelet op het feit dat eiseres in haar bezwaarschrift heeft verzocht alsnog uitvoering te geven aan de uitspraak van de CRvB.

Op dit verzoek - dat verweerder als een aanvraag in de zin van artikel 1:3, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft aangemerkt - is eerst bij het thans bestreden besluit beslist. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het besluit van 7 april 2011 als een primair besluit is aan te merken, waartegen eiseres overeenkomstig het bepaalde in artikel 7:1, eerste lid, aanhef, van de Awb bezwaar dient te maken. Het beroep tegen dit besluit dient dan ook op grond van artikel 6:15 van de Awb als een bezwaarschrift aan verweerder te worden doorgezonden.

Ten einde tot een finale beslechting van het geschil tussen partijen te komen, ziet de rechtbank aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb zelf in de zaak te voorzien. Partijen hebben hiermee, desgevraagd, ter zitting ingestemd.

6. Volgens vaste rechtspraak van de CRvB (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 21 april 2011, LJN: BG3902) dient een verzoek om herziening van een besluit te worden aangemerkt als een verzoek om terug te komen van dat besluit. Wat in artikel 4:6 van de Awb is bepaald voor herhaalde aanvragen, is van overeenkomstige toepassing. Dat brengt mee dat van degene die een bestuursorgaan verzoekt om terug te komen van een besluit, mag worden verlangd dat bij dit verzoek nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld die het terugkomen van een besluit kunnen rechtvaardigen.

Als geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, dan kan het bestuursorgaan het verzoek zonder nader onderzoek afwijzen met verwijzing naar het eerdere besluit. In dit kader dient de rechtbank te beoordelen of eiseres nieuwe feiten en/of veranderde omstandigheden naar voren heeft gebracht op grond waarvan verweerder het verzoek van eiseres inhoudelijk had moeten behandelen.

Als nieuw feit is door eiseres de uitspraak van de CRvB van 8 april 2010 genoemd. Volgens vaste rechtspraak vormt nieuwe jurisprudentie op zichzelf geen grond voor het doorbreken van het rechtens onaantastbare karakter van besluiten waartegen niet in rechte is opgekomen of die, gezien het resultaat van een wel gevolgde rechtsgang in rechte onaantastbaar zijn geworden. De uitspraken van de CRvB van 8 april 2010 kunnen naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet aangemerkt worden als een nieuw feit in de zin van artikel 4:6 van de Awb.

De stelling van eiseres dat niet de uitspraak op zich als nieuw feit moet worden aangemerkt, maar al hetgeen aan die uitspraak vooraf is gegaan, kan niet tot een ander oordeel leiden. Op zichzelf bezien zijn de aan de voormelde uitspraak ten grondslag liggende feiten en omstandigheden niet nieuw. Het is de uitspraak van de CRvB waaruit volgt dat de wijze van berekening door verweerder niet juist is geweest.

De stelling van eiseres dat zij niet is opgekomen tegen het besluit van 23 februari 2007 omdat zij dacht dat verweerder wel wist hoe de berekening moest worden gemaakt, komt de rechtbank begrijpelijk voor. Dit schept echter niet een juridisch afdwingbare verplichting om, nu die berekening onjuist is gebleken, ten aanzien van eiseres een herberekening te doen.

Ter zitting is nog aangevoerd dat door verweerder niet gemotiveerd is hoe tot het bedrag van € 500,00 bruto is gekomen, hetgeen in strijd is met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. De rechtbank is van oordeel dat dit punt evenmin kan slagen. Hiertoe wordt overwogen dat de toekenning van € 500,00 - welk bedrag de rechtbank niet onredelijk acht - een betaling uit coulance is. Er rustte op verweerder geen enkele verplichting om deze betaling te doen. Verweerder heeft uit oogpunt van goed werkgeverschap hiertoe besloten. Een nadere motivering van de hoogte van het bedrag is daarom niet vereist.

7. Uit het hiervoor overwogene volgt dat het bezwaar van eiseres ongegrond dient te worden verklaard.

8. De rechtbank ziet aanleiding om verweerder te veroordelen in de proceskosten van eiseres. Deze kosten worden begroot op € 874,-- voor verleende rechtsbijstand.

Beslissing

De rechtbank

?vernietigt het bestreden besluit;

?verklaart het bezwaar tegen het besluit van 7 april 2011 ongegrond;

?bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

?veroordeelt verweerder in de proceskosten, tot op heden begroot op € 874,00, te betalen aan eiseres;

?gelast dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht van € 152,00 vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van Bruggen, rechter, en door deze en

Y. van der Zaan-van Arnhem als griffier ondertekend. Uitgesproken in het openbaar op

Afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat voor een belanghebbende en het bestuursorgaan hoger beroep open. Dit dient te worden ingesteld binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak door een beroepschrift en een kopie van deze uitspraak te zenden aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.