Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2011:BU5159

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
07-10-2011
Datum publicatie
13-12-2011
Zaaknummer
190037 / KG ZA 11-419
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Koopovereenkomst onroerend goed. "Nader te noemen meester". Opheffing beslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Sector civiel recht

Locatie Zwolle

zaaknummer / rolnummer: 190037 / KG ZA 11-419

Vonnis in kort geding van 7 oktober 2011

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

advocaat mr. A.G. Smink te Zwolle,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde] B.V.,

gevestigd te [woonplaats],

gedaagde,

advocaat mr. J.H. van Meurs te Kampen.

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] worden genoemd.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de mondelinge behandeling

- de pleitnota van [eiser]

- de pleitnota van [gedaagde].

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Partijen hebben op 5 oktober 2010 een koopovereenkomst (hierna: de koopovereenkomst) gesloten ten aanzien van een perceel bedrijventerrein met bedrijfshal, gelegen aan de [adres] te ([postcode]) [woonplaats], kadastraal bekend gemeente [woonplaats], [sectie], [nummers] (groot 50.46 are) en [nummer] (groot 20.16 are) (hierna: het bedrijventerrein).

[gedaagde] is verkoper van het bedrijventerrein, terwijl [eiser], als koper, de overeenkomst heeft ondertekend namens zichzelf "of nader te noemen meesters".

2.2. In de koopovereenkomst is, voor zover van belang, opgenomen:

"KOOPSOM.

De totale koopsom van het verkochte bedraagt: EUR 1.050.000,00 (...).

De koopsom is als volgt overeengekomen:

Deel 1; kadastraal bekend onder [woonplaats], [nummer], groot: 50 a 446 ca. met bedrijfshal: EUR 800.000,00

Deel 2; kadastraal bekend onder [woonplaats], [nummer], groot: 20 a 16 ca. : EUR 250.000,00

(...)

Artikel 1.

De voor de overdracht vereiste akte van levering zal worden verleden ten overstaan van één der notarissen, verbonden aan het notariskantoor [A], gevestigd te [woonplaats] en wel voor 1e deel (...) uiterlijk op 01 januari 2011 en voor het 2e deel (...) uiterlijk op 01 januari 2012 of zoveel eerder of later als partijen nader zullen overeenkomen.

(...)"

2.3. De levering van het verkochte heeft op 1 januari 2011 niet plaatsgevonden. Op verzoek van [eiser] is de levering diverse malen uitgesteld en zijn er afspraken gemaakt op 15 februari, 28 maart, 22 juli, 3, 22 en 29 augustus 2011 voor het passeren van de akte van levering. Op 29 augustus 2011 is de levering niet doorgegaan.

2.4. [gedaagde] heeft [eiser] bij aangetekende brief van 4 mei 2011 in gebreke gesteld en hem gesommeerd binnen acht dagen de overdracht alsnog plaats te laten vinden.

2.5. Uit hoofde van een op 23 augustus 2011 verkregen verlof van de voorzieningenrechter van deze rechtbank heeft [gedaagde] op 24 en 25 augustus 2011 ten laste van [eiser] conservatoir (derden)beslag doen leggen:

- onder de Coöperatieve Rabobank IJsseldelta U.A. [woonplaats], gevestigd te [woonplaats];

- onder de Coöperatieve Rabobank IJsseldelta U.A. Zwolle, gevestigd te Zwolle;

- onder de ING Bank N.V., gevestigd te Amsterdam;

- onder Achmea Schadeverzekeringen N.V., gevestigd te Apeldoorn;

- op het kadastrale object [woonplaats], [sectie], [nummer] ([adres 1]);

- op het kadastrale object [woonplaats], [sectie], [nummer] ([adres 2]);

- op het kadastrale object [woonplaats], [sectie], [nummer] ([adres 3]);

- op het kadastrale object [woonplaats], [sectie], [nummer] ([adres 4]).

2.6. [gedaagde] heeft bij exploot van 7 september 2011 [eiser] gedagvaard voor de zitting van deze rechtbank van 21 september 2011.

2.7. Bij brief van 23 september 2011 heeft mr. Smink namens [eiser] aan [gedaagde] het volgende bericht:

"Zoals u weet, heeft de heer [eiser] deze overeenkomst ondertekend "namens nader te noemen meesters". Tot op heden heeft de heer [eiser] nog niet te kennen gegeven wie de "nader te noemen meester" is.

Bij deze deel ik u dan ook mede dat de commanditaire vennootschap MMS Infratechnologics, gevestigd te [woonplaats], als partij bij de overeenkomst zal optreden. Dat betekent ook dat uitsluitend laatstgenoemde vennootschap partij is bij de overeenkomst."

3. Het geschil

3.1. [eiser] vordert - uitvoerbaar bij voorraad:

I. opheffing van de door [gedaagde] gelegde beslagen;

II. [gedaagde] te verbieden opnieuw beslag te laten leggen in het kader van het onderhavige geschil, zulks op straffe van een dwangsom van EUR 50.000,- per overtreding;

III. [gedaagde] te gebieden om binnen twee dagen na betekening van dit vonnis op eigen kosten de gelegde beslagen door te (doen) halen en/of royeren en/of te bevestigen dat de gelegde beslagen zijn en/of kunnen worden opgeheven, zulks op straffe van een dwangsom van EUR 5.000,- per dag dat [gedaagde] daarmee in verzuim is;

IV. [gedaagde] te veroordelen in de proceskosten.

3.2. [gedaagde] voert verweer.

3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. De opheffing van een conservatoir beslag kan onder meer worden bevolen, indien op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen zijn verzuimd, summierlijk blijkt van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht of van het onnodige van het beslag, of, zo het beslag is gelegd voor een geldvordering, indien voor deze vordering voldoende zekerheid is gesteld.

4.2. De voorzieningenrechter zal allereerst op het formele verweer van [eiser] ingaan.

4.3. [eiser] heeft zich op het standpunt gesteld dat hij de dagvaarding van 7 september 2011 niet heeft ontvangen en dat deze nietig is omdat het adres dat hierin is opgenomen niet het adres van [eiser] is. Hij is ook niet verschenen in de procedure. Nu de dagvaarding nietig is, is deze ook niet tijdig uitgebracht, waardoor de gelegde beslagen nietig zijn, althans dienen deze te worden opgeheven, aldus [eiser].

4.4. De voorzieningenrechter overweegt als volgt. In het beslagverlof is bepaald dat [gedaagde] uiterlijk binnen 14 dagen na het gelegde beslag de eis in de hoofdzaak dient in te stellen. De dagvaarding waarmee [gedaagde] de eis in de hoofdzaak jegens [eiser] heeft willen instellen is betekend aan het adres [adres] te [woonplaats]. Uit de door [eiser] als productie 5 overgelegde exploten die betrekking hebben op het beslag op de onder 2.5. genoemde onroerende zaken, blijkt echter dat [eiser] woonachtig is aan de Flevoweg 85-11 te [woonplaats]. Dit wordt ondersteund door diverse andere als productie 5 overgelegde beslagexploten. Op grond van de artikelen 120 lid 1, 111 lid 2, aanhef, 45 lid 3, aanhef en onder d, Rv dient de dagvaarding, op straffe van nietigheid, de woonplaats van degene voor wie het exploot is bestemd te vermelden. De woonplaats van een natuurlijk persoon bevindt zich te zijner woonstede (artikel 1:10 lid 1 BW), waarmee een woning is bedoeld en niet een gemeente. Nu de dagvaarding niet het adres van [eiser] vermeldt is er sprake van een gebrek dat nietigheid meebrengt, terwijl deze nietigheid niet meer door [gedaagde] kan worden hersteld omdat de eerste roldatum (te weten 21 september 2011) reeds is geweest (artikel 120 lid 2 Rv). De namens [gedaagde] uitgebrachte dagvaarding van 7 september 2011 is derhalve nietig.

Het gevolg hiervan is dat de eis in de hoofdzaak niet binnen de termijn van 14 dagen is ingesteld.

Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter zijn de door [gedaagde] op 24 en 25 augustus 2011 ten laste van [eiser] gelegde beslagen op de onder 2.5. genoemde derden en onroerende zaken dan ook vanwege termijnoverschrijding vervallen, ex artikel 700 lid 3, laatste zin, Rv.

4.5. Nu de gelegde beslagen naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter zijn vervallen is er geen plaats meer voor toewijzing van de sub I gevorderde opheffing van de door [gedaagde] gelegde beslagen. De vordering sub I zal derhalve worden afgewezen. Krachtens artikel 727 Rv is [gedaagde] vanwege de termijnoverschrijding verplicht de inschrijving van de op de onroerende zaken gelegde beslagen in de registers onverwijld te doen doorhalen. De vordering sub II zal in deze zin worden toegewezen. De dwangsom zal worden gematigd en aan een maximum worden gebonden.

4.6. [eiser] heeft nog gevorderd [gedaagde] te verbieden opnieuw beslag te leggen in het kader van het onderhavige geschil. Hiertoe overweegt de voorzieningenrechter als volgt. In de koopovereenkomst is opgenomen dat de akte van levering ten aanzien van het eerste deel van het verkochte uiterlijk 1 januari 2011 diende te zijn verleden. Niet in geschil is dat de passeerdatum diverse malen op verzoek van [eiser] is opgeschoven. Bij brief van 4 mei 2011 (productie 6 van de zijde van [gedaagde]) heeft [gedaagde] [eiser] in gebreke gesteld. Ook daarna heeft [eiser] niet aan zijn verplichtingen uit de koopovereenkomst voldaan zodat [eiser] in verzuim is geraakt. De stelling dat [gedaagde] [eiser] opnieuw in gebreke had moeten stellen omdat er een nieuw stuk is getekend door partijen, dat onderdeel uitmaakt van de koopovereenkomst (productie 7 van de zijde van [eiser]), waarmee [eiser] kennelijk bedoelt dat er een nieuwe koopovereenkomst is tot stand gekomen, is door [eiser] onvoldoende aannemelijk gemaakt.

[eiser] heeft zich op het standpunt gesteld dat [gedaagde] in schuldeisersverzuim is. [eiser] heeft echter, gezien de ontkenning daarvan door [gedaagde], niet voldoende aannemelijk gemaakt dat er door de Provincie ten aanzien van het verkochte een handhavingswaarschuwing aan [gedaagde] is verzonden dan wel dat er sprake is van verontreiniging. Voor wat betreft de containers die aanwezig zijn op het verkochte heeft [gedaagde] onweersproken gesteld dat het slechts vier uur zal kosten om deze te verwijderen.

Tot slot heeft [eiser] gesteld dat hij geen partij meer bij de overeenkomst is omdat hij bij brief van 23 september 2011 heeft meegedeeld dat MMS Infratechnologics de na te noemen meester is. De voorzieningenrechter is voorshands van oordeel dat [eiser] op 23 september 2011 niet meer de mogelijkheid had om een nader te noemen meester te noemen. Immers, in artikel 67 lid 1 BW dient de naam van de nader te noemen meester, indien er geen door de wet, de overeenkomst of het gebruik bepaalde termijn is, binnen een redelijke termijn te worden genoemd. Nu in de koopovereenkomst is bepaald dat het eerste deel van het verkochte uiterlijk 1 januari 2011 diende te zijn verleden, kan het noemen van de meester op 23 september 2011 niet worden beschouwd als gedaan binnen een redelijke termijn.

Uit het vorenstaande kan voorshands niet worden geconcludeerd dat er sprake is van de ondeugdelijkheid van het door [gedaagde] ingeroepen recht. De vordering sub II zal worden afgewezen.

4.7. Aangezien de beslagen zijn vervallen door een gebrek in de door [gedaagde] uitgebrachte dagvaarding zal [gedaagde] als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiser] worden begroot op:

- dagvaarding EUR 78,81

- griffierecht 260,00

- salaris advocaat 904,00

Totaal EUR 1.242,81

4.8. De gevorderde wettelijke rente over de proces- en nakosten zal als na te melden worden toegewezen.

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1. gebiedt [gedaagde] om binnen twee dagen na betekening van dit vonnis op eigen kosten de bij exploot van 24 augustus 2011 ten laste van [eiser] gelegde beslagen op de onroerende zaken:

- het kadastrale object [woonplaats], [sectie], [nummer] ([adres 1]);

- het kadastrale object [woonplaats], [sectie], [nummer] ([adres 2]);

- het kadastrale object [woonplaats], [sectie], [nummer] ([adres 3]);

- het kadastrale object [woonplaats], [sectie], [nummer] ([adres 4]),

door te (doen) halen,

5.2. veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] een dwangsom te betalen van EUR 2.500,00 voor iedere dag dat zij niet aan de in 5.1. uitgesproken hoofdveroordeling voldoet, tot een maximum van EUR 200.000,00 is bereikt,

5.3. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op EUR 1.242,81, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de vijftiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.4. veroordeelt [gedaagde] in de nakosten, aan de zijde van [eiser] begroot op EUR 131,00 zonder dat betekening van dit vonnis heeft plaatsgehad, vermeerderd met een bedrag van EUR 68,00 indien en voor zover de veroordeelde partij niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan de veroordeling heeft voldaan en het vonnis om die reden is betekend, voorts vermeerderd met de wettelijke rente over de nakosten van EUR 131,00 vanaf de vijftiende dag na aanschrijving van gedaagde alsmede ingeval van betekening van dit vonnis te vermeerderen met de wettelijke rente over de nakosten van EUR 68,00 vanaf de vijftiende dag na betekening van dit vonnis, telkens tot de dag van volledige betaling,

5.5. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.6. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. J. van der Hulst en in het openbaar uitgesproken op 7 oktober 2011.