Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2011:BU4289

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
12-10-2011
Datum publicatie
14-11-2011
Zaaknummer
Awb 11/1803 en 11/1804
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Intrekking PGB op grond van artikel 2.6.12, eerste lid, van de Rsa; besluit van verweerder dient te worden gezien als een intrekking van een reeds toegekend recht en niet als van een weigering van het verstrekken van een PGB; belangenafweging valt verder in voordeel verzoekster uit; beroep gegrond en herroeping primair besluit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Sector Bestuursrecht

Registratienummer: Awb 11/1803 en 11/1804

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

( A te B)

verzoekster,

gemachtigde: mr. T.A.M. Drubbel,

en

Zorgkantoor,

gevestigd te Amersfoort, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 7 juni 2011 heeft verweerder aan verzoekster meegedeeld dat het persoonsgebonden budget (PGB), dat zij ontvangt ten behoeve van haar minderjarige zoon (..), per 1 augustus 2011 wordt beëindigd.

Het daartegen gemaakte bezwaar is bij besluit van 25 juli 2011 ongegrond verklaard.

Verzoekster heeft daartegen beroep ingesteld. Dat beroep is geregistreerd onder

Awb 11/1804. Op 30 augustus 2011 heeft verzoekster verzocht de voorlopige voorziening te treffen dat het PGB wordt verstrekt totdat op het beroepschrift is beslist. Dat verzoek is geregistreerd onder nummer Awb 11/1803.

Het verzoek is ter zitting van 5 oktober 2011 behandeld. Verzoekster heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door C.C.J. Splint.

Overwegingen

1.Op grond van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Bij de vereiste belangenafweging gaat het om een afweging van enerzijds het belang van de verzoeker dat een onverwijlde voorziening wordt getroffen en anderzijds het door de onmiddellijke uitvoering van het besluit te dienen belang.

Op grond van artikel 8:86 van de Awb is de voorzieningenrechter bevoegd onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak, indien het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen wordt gedaan indien beroep bij de rechtbank is ingesteld en de voorzieningenrechter van oordeel is dat na de zitting bedoeld in artikel 8:83, eerste lid van de Awb, nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat de feiten en omstandigheden in de hoofdzaak geen nader onderzoek vergen. De voorzieningenrechter zal dan ook onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak.

2.De voorzieningenrechter gaat bij de beoordeling uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Verzoeksters zoon, (…) (verder: M), is op 19 december 1997 prematuur en dysmatuur geboren. Hij is onder meer bekend met een verstandelijke handicap en een psychiatrische aandoening. Bovendien lijdt M aan bronchopulmonale dysplasie. Gelet hierop is voor hem zorg in de vorm van verblijf tijdelijk (klasse twee etmalen), begeleiding individueel (klasse 3) en begeleiding in groepsverband (klasse twee dagdelen) geïndiceerd. Die zorg werd (onder meer) ingekocht bij AuMaZorg te Almere door middel van een PGB dat door verweerder werd verstrekt.

Sinds februari 2009 zit verzoekster in het traject voor de Wet schuldsanering natuurlijke personen (Wsnp). Dat traject zal eindigen in februari 2012.

In verband met een ontvangen herindicatie heeft verweerder een controle uitgevoerd op de verstrekking van het PGB. Bij die gelegenheid heeft verweerder geconstateerd dat het

Wsnp-traject van verzoekster verdere verstrekking van het PGB in de weg staat. Om die reden is het PGB ingetrokken. Verzoekster is erop gewezen dat zij wel zorg in natura (ZIN) mag blijven afnemen ten behoeve van M.

3.Verzoekster voert aan dat verweerder ten onrechte de intrekking van het PGB heeft gebaseerd op artikel 2.6.4, tweede lid, sub f, van de Regeling subsidies AWBZ (Rsa). Het vierde lid van dat artikel bepaalt namelijk dat eerstgenoemd artikellid niet van toepassing is op degenen die al voor 1 januari 2011 een PGB ontvingen. Verweerder had evenmin tot intrekking kunnen overgaan op grond van artikel 2.6.12, tweede lid onder d, van de Rsa zonder een belangenafweging te maken. Die afweging dient in het voordeel van verzoekster uit te vallen, nu het Wsnp-traject nog maar tot februari 2012 zal duren.

4.De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

4.1Wettelijk kader.

Ingevolge artikel 2.6.4, eerste lid, van de Rsa verleent een zorgkantoor een verzekerde een netto PGB voorzover:

a. de verzekerde beschikt over een indicatiebesluit waaruit blijkt dat hij is aangewezen op een of meer van de vormen van zorg als bedoeld in artikel 2.6.1., onderdeel b of d; en

b. de verzekerde voor die vorm of die vormen van zorg een netto persoonsgebonden budget heeft aangevraagd.

Op grond van het tweede lid, aanhef en onderdeel f, van voornoemd artikel weigert het zorgkantoor in afwijking van het eerste lid toekenning van een netto PGB indien ten aanzien van de verzekerde of, indien de verzekerde jonger is dan 18 jaar, ten aanzien van één van diens ouders of voogden, de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is verklaard, dan wel een verzoek daartoe bij de rechtbank is ingediend.

Op grond van artikel 2.6.12, tweede lid, onderdeel d, van de Rsa kan de verleningsbeschikking worden ingetrokken of gewijzigd met ingang van de dag waarop ten aanzien van de verzekerde of, indien de verzekerde jonger is dan achttien jaar, ten aanzien van één van diens ouders of voogden, de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is verklaard, dan wel een verzoek daartoe bij de rechtbank is ingediend.

4.2Verweerder heeft bij besluit van 7 juni 2011 het PGB ingetrokken op grond van artikel 2.6.12, eerste lid, van de Rsa. Naar aanleiding van daartegen gemaakt bezwaar heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is van een intrekking van een reeds toegekend PGB, maar van de weigering om een PGB te verstrekken op grond van artikel 2.6.4 van de Rsa.

Ter zitting heeft verweerder toegelicht dat een PGB wordt verstrekt voor een heel kalenderjaar, van 1 januari tot en met 31 december. Dat is slechts anders als het indicatiebesluit, dat toegang geeft tot PGB-verstrekking, afloopt in dat jaar en geen nieuw indicatiebesluit is genomen. In het geval van verzoekster, zo stelt verweerder, is een nieuw indicatiebesluit genomen op 17 mei 2011. Om die reden dient te worden gesproken van een nieuwe aanvraag om toekenning van een PGB als bedoeld in artikel 2.6.4, eerste lid, van de Rsa. Gelet op de omstandigheid dat ten aanzien van één van de ouders van de verzekerde de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is verklaard, staat artikel 2.6.4, tweede lid onder f, van de Rsa aan toekenning van een PGB in de weg.

De voorzieningenrechter volgt verweerder daarin niet. Vaststaat dat verzoekster ten behoeve van M sinds 2007 een PGB ontvangt. Verweerder heeft ter zitting verklaard dat aanvankelijk aan verzoekster een PGB ten behoeve van M was verstrekt van 1 januari 2011 tot en met 31 december 2011. Er is een herindicatie geweest, maar die herindicatie heeft niet geleid tot een wijziging van de reeds toegekende zorg op grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten.

De voorzieningenrechter constateert dat de werking van het door verweerder genomen besluit ertoe strekt de PGB-verstrekking te beëindigen in een periode waarover reeds een recht op PGB was toegekend. Om die reden dient het besluit van verweerder te worden gezien als een intrekking van een reeds toegekend recht en niet als van een weigering van het verstrekken van een PGB. Het bestreden besluit berust dan ook op een onjuiste wettelijke grondslag en dient reeds om die reden te worden vernietigd.

4.3De rechtbank ziet in dit geval aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid onder c, van de Awb zelf in de zaak te voorzien en overweegt daartoe het volgende.

Gelet op het bepaalde in artikel 2.6.12, tweede lid onder deel d, van de Rsa kan verweerder, gelet op het feit dat op verzoekster de schuldsaneringsregeling van toepassing is verklaard, besluiten de verleningsbeschikking in te trekken. Om gebruik te maken van die bevoegdheid dient een kenbare belangenafweging aan dat besluit ten grondslag te liggen.

Uit de brief van 30 november 2010, DLZ/SFI-U-3031834 aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal blijkt dat de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (hierna: de Staatssecretaris) aanleiding heeft gezien de regeling persoonsgebonden budget op een aantal punten te wijzigen om een solide PGB-regeling te bewerkstelligen. In dat kader heeft de Staatssecretaris overwogen dat het niet wenselijk wordt geacht om een PGB te verstrekken aan personen waarbij op basis van individuele omstandigheden al op voorhand duidelijk is dat het PGB daar niet in goede handen is, bijvoorbeeld omdat ze de verantwoordelijkheden die samenhangen met het hebben van een PGB niet aankunnen. Om die reden zullen vanaf

1 januari 2011 geen PGB’s meer worden verstrekt aan personen met schulden, aldus de Staatssecretaris.

De voorzieningenrechter overweegt dat daarmee een algemeen, financieel belang van verweerder is gegeven voor de intrekking van een PGB ten aanzien van de verzekerde, of ten aanzien van de verzekerde wiens ouder(s) onder de Wsnp valt respectievelijk vallen. Verweerder heeft echter ter zitting verklaard dat hij in het onderhavige geval aanleiding zou zien – indien wordt overgegaan tot een belangenafweging – om het belang van verzoekster zwaarder te laten wegen, nu aan verzoekster reeds sinds 2007 een PGB is toegekend en niet is gebleken dat die besteding niet verantwoord is gebeurd. Verzoekster heeft bovendien gesteld dat het van het grootste belang is dat M de zorg krijgt van mensen die hij kent. Wanneer de zorg in de vorm van ZIN wordt afgenomen, kan verzoekster, zo is onweersproken gebleven, geen invloed (meer) uitoefenen op de personen die Mark de zorg zullen leveren.

De voorzieningenrechter constateert dat de belangenafweging in het voordeel van verzoekster uitvalt. Nu verweerder, zoals hiervoor onder 4.2 is overwogen, had moeten overgaan tot een belangenafweging en deze in het voordeel van verzoekster uitvalt, ziet de voorzieningenrechter aanleiding om zelf in de zaak te voorzien door te bepalen dat het primaire besluit van 7 juni 2011 wordt herroepen. Ter voorlichting wijst de voorzieningenrechter partijen erop dat dit tot gevolg heeft dat het besluit waarbij aan verzoekster een PGB is toegekend ten behoeve van M met ingang van 1 januari 2011 zijn werking heeft behouden.

5.De voorzieningenrechter acht termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb en verweerder met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht te veroordelen in de door verzoekster gemaakte proceskosten. Het bedrag van de te vergoeden kosten van rechtsbijstand moet naar het oordeel van de voorzieningenrechter met inachtneming van de wegingsfactor gemiddeld voor het gewicht van deze zaak worden bepaald op € 874,- (1 punt voor het beroepschrift + 1 punt voor het verschijnen ter zitting x

€ 437,- x wegingsfactor 1).

6.Het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening wordt, gelet op het voorgaande, afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling ten aanzien hiervan bestaat derhalve geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

-verklaart het beroep met procedurenummer Awb 11/1804 gegrond;

-vernietigt het bestreden besluit van 25 juli 2011;

-herroept het besluit van 7 juni 2011;

-veroordeelt verweerder in de door verzoekster gemaakte proceskosten, tot op heden begroot op € 874,-;

-gelast dat verweerder aan verzoekster het door haar betaalde griffierecht ad € 41,- vergoedt;

-wijst het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen met procedurenummer Awb 11/1803 af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. H. den Haan, voorzieningenrechter, en door haar en mr. C.J.H. Terwal als griffier ondertekend. Uitgesproken in het openbaar op

Afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat voor een belanghebbende en het bestuursorgaan hoger beroep open voor zover is beslist op het beroep. Dit dient te worden ingesteld binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak door een beroepschrift en een kopie van deze uitspraak te zenden aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.