Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2011:BU4263

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
14-09-2011
Datum publicatie
14-11-2011
Zaaknummer
660142-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 45 dagen voor het openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen en goederen en het medeplegen van opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen. Daarnaast moet verdachte een bedrag betalen aan de benadeelde partijen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Sector strafrecht

Parketnummer: 660142-10

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 30 september 2011

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1984 te [geboorteplaats],

wonende te [adres].

1 HET ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

De behandeling van deze zaak heeft plaatsgevonden ter openbare terechtzitting van 23 augustus 2011 en 16 september 2011, waarbij de verdachte niet is verschenen. Ter laatstgenoemde terechtzitting is verschenen mr. R.P.A. Kint, die heeft verklaard door de verdachte uitdrukkelijk te zijn gemachtigd om deze ter terechtzitting te verdedigen.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. C.J.W.M. Jansen en van de standpunten door de raadsman van verdachte naar voren gebracht.

2 DE TENLASTELEGGING

De verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 7 mei 2010 in de gemeente Urk met een ander of anderen, op of aan de openbare weg, het Westgat, in elk geval op of aan een openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen personen en goederen, te weten tegen [slachtoffer] (werkzaam als gemeenteambtenaar bij de gemeente Urk) en tegen de bromfiets welke die [slachtoffer] bij zich had, welk geweld bestond uit

- duwen en trekken tegen/aan het lichaam van die [slachtoffer];

- stompen/slaan in het gezicht van die [slachtoffer];

- schoppen/slaan tegen de ribbenkast en de rug van die [slachtoffer], waardoor die [slachtoffer] ten val kwam;

- schoppen/slaan tegen de nek van die [slachtoffer], waardoor die [slachtoffer] wederom ten val kwam;

- schoppen tegen de bromfiets van die [slachtoffer];

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 7 mei 2010 in de gemeente Urk, opzettelijk mishandelend een ambtenaar, te weten [slachtoffer], gedurende en/of terzake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening,

- tegen de ribbenkast en tegen de rug heeft geschopt/geslagen, waardoor die [slachtoffer] ten val is gekomen en

- tegen de nek heeft geschopt/geslagen, waardoor die [slachtoffer] wederom ten val is gekomen,

waardoor voornoemde ambtenaar letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

2.

hij op of omstreeks 7 mei 2010 in de gemeente Urk tezamen en in vereniging met een ander telkens opzettelijk en wederrechtelijk een fotocamera, toebehorende aan de gemeente Urk en een bromfiets toebehorende aan [slachtoffer], heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt.

3 DE VOORVRAGEN

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 DE BEWIJSMIDDELEN EN DE BEOORDELING DAARVAN

4.1 Inleidingi

Op 7 mei 2010 deed W.A. van [slachtoffer] (verder: aangever) aangifte van mishandeling tijdens de uitvoering van zijn toezichthoudende werkzaamheden als ambtenaar van de gemeente Urk op 7 mei 2010 omstreeks 16:00 uur te Urk. Aangever verklaarde dat hij op een bedrijventerrein aan het Westgat was om de netheid van het terrein te controleren, toen er een woordenwisseling ontstond met een persoon die uit een daar gevestigd bedrijfspand kwam lopen, die uitmondde in een handgemeen. Volgens aangever kwam er ook een tweede persoon bij, die hem een trap of slag gaf. Aangever verklaarde dat hierbij zijn brommer en een fotocamera van de gemeente Urk vernield werden en dat de twee personen, die hem hadden mishandeld, wegreden in een grijze Mercedes met kenteken [kenteken].ii Betreffende aangever werd op 28 mei 2010 een geneeskundige verklaring opgesteld.iii

Op 7 mei 2010 werd verdachte aangehouden. Hij verklaarde dat er op 7 mei 2010 een incident tussen hem en een ambtenaar van de gemeente Urk plaatsvondiv en op 10 mei 2010 verklaarde verdachte bij de rechter-commissaris dat hij aangever met de vlakke hand raakte en aangever hem daarop terugsloeg.v

Op 8 mei 2010 werd [getuige A] als getuige gehoordvi en op 10 mei 2010 werd [getuige B] als getuige gehoordvii.

Op 25 mei 2010 verklaarde verbalisant [verbalisant A] dat een grijze Mercedes met kenteken [kenteken] op naam staat van de vader van verdachte.viii De vader van verdachte verklaarde op 26 mei 2010 dat zijn zoon [medeverdachte], de broer van verdachte, voornamelijk in deze auto rijdt, naast meerdere mensen die werkzaam bij hem zijn.ix

Op 6 juli 2010 verklaarde [verbalisant B], als hoofdagent werkzaam bij politie Flevoland, dat hij zich in het bijzijn van aangever bevond bij het bedrijf [naam bedrijf] in verband met een controle inzake de Wet Milieubeheer en daarbij inzage vroeg in de personeelsadministratie. Hierop wees aangever de persoon op een foto op een kopie van een identiteitsbewijs in de personeelsadministratie aan als de persoon die hem had mishandeld. Het bleek hier om een foto van [medeverdachte] (verder: medeverdachte) te gaan.x

Getuige [Getuige B] werd geconfronteerd met een foto van medeverdachte, waarbij hij verklaarde dat hij niet zeker wist of dit de tweede persoon was die aangever geschopt of geslagen had.xi

Medeverdachte werd op 27 december 2010 aangehouden en verhoord, waarbij hij ontkende bij het handgemeen op 7 mei 2010 aanwezig te zijn geweest.xii

4.2 Het standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft aangevoerd dat er voldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is voor een bewezenverklaring van het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde. Hij heeft hiervoor ondermeer verwezen naar de aangifte en de verklaring van getuige [Getuige B].

4.3 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat van het onder 1 primair ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken, nu verdachte er niet om heeft gevraagd dat de voor hem onbekende tweede persoon zich met het conflict bemoeide, zodat geen sprake is geweest van het in vereniging plegen van het geweld.

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde heeft de raadsman aangevoerd dat er geen schade is vastgesteld door de politie, zodat vrijspraak moet volgen.

4.4 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft kennisgenomen van de inhoud van de stukken van het onderliggende strafdossier en van hetgeen bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gebracht.

De rechtbank overweegt het volgende.

Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde

Aangever heeft verklaard dat hij op 7 mei 2010 in de uitoefening van zijn functie als ambtenaar van de gemeente Urk op het Westgat te Urk was, toen hij werd aangesproken door een man die vervolgens tegen hem aan begon te duwen en te trekken, hem bij zijn overjas pakte en hem met tot vuist gebalde handen sloeg. Aangever voelde dat hij door de man werd geraakt op zijn gezicht. Aangever heeft voorts verklaard dat hij opeens een harde trap of slag tegen zijn ribbenkast voelde, waardoor hij op de grond viel, welke trap of slag door een andere persoon werd gegeven. Aangever stond hierna op en na een woordenwisseling voelde aangever een harde trap of slag in zijn nek, wederom door een andere persoon toegebracht. Vervolgens zag aangever dat de man die hem als eerste geraakt had tegen zijn brommer schopte, waardoor deze omviel. De man die hem als eerste geraakt had en de man die hem getrapt of geslagen had liepen hierna naar een grijze Mercedes met kenteken [kenteken].xiii

Verdachte heeft verklaard dat er op voornoemde datum een incident met aangever plaats heeft gevonden, waarbij hij aangever geslagen heeftxiv en tegen de brommer van aangever heeft getrapt. Ook heeft hij verklaard dat er tijdens het incident een jongen aan kwam lopen, die aangever een trap gaf.xv

Blijkens de verklaring van getuige [Getuige B] is dit voorval voor meerdere personen waarneembaar geweest.xvi

De rechtbank stelt vast dat verdachte geweldshandelingen heeft gepleegd door het slaan van aangever en zich voorts niet gedistantieerd heeft toen de derde persoon geweldshandelingen tegen aangever verrichtte, maar juist zijn geweldshandelingen voortzette door tegen de brommer van aangever te trappen. Gelet hierop verwerpt de rechtbank het verweer van de raadsman en acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte schuldig is aan de openlijke geweldpleging, zoals onder 5 bewezen is verklaard.

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde

Aangever heeft verklaard dat bij het voorval op 7 mei 2010 op Urk, waarbij hij door twee mannen werd mishandeld, zijn brommer en een fototoestel, dat toebehoorde aan de gemeente Urk, beschadigd zijn geraakt.xvii Verdachte heeft verklaard dat hij een trap tegen de brommer van aangever gegeven heeft, waardoor de brommer omviel.xviii

Nu verdachte heeft verklaard dat hij een trap tegen de brommer van aangever heeft gegeven, waardoor deze omviel en verdachte heeft verklaard dat zijn brommer hierdoor schade heeft opgelopen, ziet de rechtbank, anders dan het door de raadsman gestelde verweer, geen aanleiding om te twijfelen aan de verklaring van aangever dat zijn brommer beschadigd is geraakt door het onderhavige voorval. Dit temeer omdat het ontstaan van schade naar het oordeel van de rechtbank passend is als gevolg van het omtrappen van een brommer.

Ten aanzien van de schade aan het fototoestel overweegt de rechtbank, anders dan door de raadsman betoogd, als volgt. Uit de aangifte van verdachte blijkt weliswaar niet expliciet dat het fototoestel op de grond is gevallen, maar aangezien aangever heeft verklaard dat hij het fototoestel in zijn handen had tijdens de worsteling en het fototoestel na de worsteling beschadigd bleek te zijnxix, moet de aangifte zo gelezen worden dat het fototoestel tijdens de worsteling beschadigd is geraakt doordat aangever met het fototoestel in zijn handen viel. Voorts is het ontstaan van schade aan een fototoestel naar het oordeel van de rechtbank passend bij het vallen van een fototoestel. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om te twijfelen aan de verklaring van aangever dat het fototoestel beschadigd is geraakt door het onderhavige voorval.

Nu de vernielingen onderdeel waren van, dan wel voortkwamen uit de openlijke geweldpleging, zoals bewezen verklaard onder 5, staat daarmee naar het oordeel van de rechtbank vast dat ook de vernielingen tezamen en in vereniging zijn gepleegd. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat verdachte door de gezamenlijk gepleegde geweldshandelingen jegens aangever en het omschoppen van de bromfiets bewust de aanmerkelijke kans voor lief heeft genomen dat er schade aan het fototoestel en de bromfiets zou ontstaan.

Aldus acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte schuldig is het medeplegen van vernieling, zoals onder 5 bewezen is verklaard.

5 BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

1.

hij op 7 mei 2010 in de gemeente Urk met een ander, op of aan de openbare weg, het Westgat, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen personen en goederen, te weten tegen [slachtoffer] (werkzaam als gemeenteambtenaar bij de gemeente Urk) en tegen de bromfiets welke die [slachtoffer] bij zich had, welk geweld bestond uit

- duwen en trekken aan die [slachtoffer];

- slaan in het gezicht van die [slachtoffer];

- schoppen/slaan tegen de ribbenkast van die [slachtoffer], waardoor die [slachtoffer] ten val kwam;

- schoppen/slaan tegen de nek van die [slachtoffer];

- schoppen tegen de bromfiets van die [slachtoffer];

2.

hij op 7 mei 2010 in de gemeente Urk tezamen en in vereniging met een ander telkens opzettelijk en wederrechtelijk een fotocamera, toebehorende aan de gemeente Urk en een bromfiets toebehorende aan [slachtoffer], heeft beschadigd.

Van het meer of anders ten laste gelegde zal verdachte worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet wettig en overtuigend bewezen acht.

6 KWALIFICATIE

Het bewezene levert op:

feit 1: openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen en goederen;

feit 2: medeplegen van opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.

7 STRAFBAARHEID

De feiten en verdachte zijn strafbaar, nu geen feiten of omstandigheden zijn gebleken die die strafbaarheid zouden opheffen of uitsluiten.

8 STRAFOPLEGGING

8.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van de door hem bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 45 dagen met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht. De officier van justitie heeft hiertoe overwogen dat verdachte al meerdere malen en voor soortgelijke delicten is veroordeeld en daarbij eerder een gevangenisstraf heeft opgelegd gekregen.

8.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft gesteld dat de door de officier van justitie gevorderde strafoplegging te fors is en heeft daarbij verwezen naar de strafrechtelijke documentatie van verdachte, waaruit blijkt dat het laatste strafbare feit van 2006 dateert. De raadsman heeft verzocht een geheel voorwaardelijke straf op te leggen en dan bij voorkeur een werkstraf.

8.3 Het oordeel van de rechtbank

Gelet op de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden waaronder verdachte zich daaraan heeft schuldig gemaakt en op de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht de rechtbank de na te noemen beslissing passend, waarbij het volgende wordt overwogen.

Verdachte heeft openlijk geweld gepleegd jegens aangever en heeft hierdoor een ernstige inbreuk op de lichamelijke en psychische integriteit van het slachtoffer gemaakt. Daarbij heeft hij bezittingen van een ander vernield. Dit klemt temeer aangezien het slachtoffer als ambtenaar slechts zijn toezichthoudende werkzaamheden uitvoerde. Dergelijke feiten hebben in het algemeen een grote impact op (het leven van) een slachtoffer en veroorzaken bij omstanders gevoelens van angst en onveiligheid.

De rechtbank is in dit geval van oordeel dat een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf noodzakelijk is, omdat aard en ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde door een lichtere strafrechtelijke afdoening van de zaak miskend zouden worden. De rechtbank houdt hierbij rekening met het strafrechtelijk verleden van de verdachte blijkend uit een de verdachte betreffend uittreksel justitiële documentatie d.d. 18 juli 2011, waaruit ondermeer naar voren komt dat verdachte meerdere malen is veroordeeld voor openlijke geweldplegingen en mishandelingen. Bijzondere omstandigheden die tot een ander oordeel zouden moeten voeren, acht de rechtbank niet aanwezig.

De rechtbank acht de door de officier van justitie gevorderde strafoplegging dan ook passend.

9 DE BENADEELDE PARTIJ

Voor aanvang van de terechtzitting heeft W.A. van [slachtoffer] zich als benadeelde partij in dit geding gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van schade ten gevolge van het aan verdachte onder 1 en 2 ten laste gelegde feit. De schade wordt door de benadeelde partij begroot op een bedrag van € 1.289,97.

Voor aanvang van de terechtzitting heeft de Gemeente Urk zich tevens als benadeelde partij in dit geding gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van schade ten gevolge van het aan verdachte onder 1 en 2 ten laste gelegde feit. De schade wordt door de benadeelde partij begroot op een bedrag van € 2.879,50.

9.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd de vordering van W.A. van [slachtoffer] toe te wijzen, met oplegging aan verdachte van de maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht.

Ten aanzien van de vordering van de gemeente Urk heeft de officier van justitie gevorderd de vordering voor wat betreft de schade aan het fototoestel toe te wijzen, met oplegging aan verdachte van de maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht.

Voor wat betreft de gevorderde "loonkostenderving" heeft de officier van justitie aangevoerd dat uit jurisprudentie valt af te leiden dat de vordering voor wat de loonkosten betreft niet toewijsbaar is.

9.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft primair verzocht de vordering niet ontvankelijk te verklaren, subsidiair de vordering af te wijzen en uiterst subsidiair de vordering te matigen.

De raadsman heeft dit niet onderbouwd.

9.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat de benadeelde partij W.A. van [slachtoffer] rechtstreeks schade heeft geleden ten gevolge van de onder 1 en 2 bewezen verklaarde feiten. De hoogte van die schade is genoegzaam komen vast te staan tot een bedrag van € 1.289,97, vermeerderd met de kosten die - tot op heden - worden begroot op nihil.

De vordering van de benadeelde partij W.A. van [slachtoffer], die in die vordering ontvankelijk is, is in dier voege hoofdelijk toewijsbaar.

De rechtbank zal voorts aan de verdachte op de voet van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een geldsom van

€ 1.289,97 ten behoeve van het slachtoffer W.A. van [slachtoffer].

Ten aanzien van de door de Gemeente Urk gevorderde "loonkostenderving" leest de rechtbank de vordering aldus, dat hiermee kennelijk zijn bedoeld de kosten die de Gemeente Urk heeft gemaakt door tijdens de afwezigheid van aangever in verband met zijn ziekteverlof en behandeling, diens loon door te betalen. De rechtbank is van oordeel dat Gemeente Urk deze schade niet rechtstreeks heeft geleden door de onder 1 en 2 bewezen verklaarde feiten, zodat geen sprake is van schade die op grond van artikel 361 lid 2 onder b van het Wetboek van Strafvordering voor vergoeding in aanmerking komt. De Gemeente Urk is derhalve in dit deel van de vordering niet-ontvankelijk.xx

Ten aanzien van de gevorderde schadevergoeding inzake de fotocamera geldt dat er sprake is van rechtstreeks geleden schade, waardoor Gemeente Urk in die vordering ontvankelijk is en in dier voege de vordering hoofdelijk toewijsbaar is. De rechtbank stelt deze schade na aftrek van BTW vast op een bedrag van € 163,78 en zal aan de verdachte op de voet van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een geldsom van € 163,78 ten behoeve van het slachtoffer Gemeente Urk.

10 TOEPASSELIJKHEID WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op de artikelen 10, 27, 36f, 47, 57, 141 en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals de artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

11 BESLISSING

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het onder 1 en 2 ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 5 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van het meer of anders ten laste gelegde;

Strafbaarheid

- verklaart de bewezen verklaarde feiten strafbaar;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 45 dagen;

- bepaalt dat de tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

Benadeelde partij

- veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij W.A. van [slachtoffer], wonende te Urk, van een bedrag van € 1.289,97 (zegge: twaalfhonderdnegenen-tachtig euro en zevenennegentig cent), hoofdelijk met dien verstande dat, indien en voor zover verdachtes mededader betaalt, verdachte in zoverre van deze verplichting zal zijn bevrijd, met veroordeling tevens van verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

- legt op aan verdachte de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 1289,97 ten behoeve van het slachtoffer W.A. van [slachtoffer], bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 22 dagen hechtenis;

- bepaalt dat, indien verdachte en/of zijn mededader heeft/hebben voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat, daarmee verdachtes verplichting tot betaling aan de benadeelde partij voornoemd in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien verdachte en/of zijn mededader heeft/hebben voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij voornoemd, daarmee verdachtes verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen;

- veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij de Gemeente Urk van een bedrag van € 163,78 (zegge: honderddrieenzestig euro en achtenzeventig cent), hoofdelijk met dien verstande dat, indien en voor zover verdachtes mededader betaalt, verdachte in zoverre van deze verplichting zal zijn bevrijd, met veroordeling tevens van verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

- legt op aan verdachte de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 163,78 ten behoeve van het slachtoffer de Gemeente Urk, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 3 dagen hechtenis;

- bepaalt dat, indien verdachte en/of zijn mededader heeft/hebben voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat, daarmee verdachtes verplichting tot betaling aan de benadeelde partij voornoemd in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien verdachte en/of zijn mededader heeft/hebben voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij voornoemd, daarmee verdachtes verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen;

- bepaalt dat de benadeelde partij de Gemeente Urk voor wat het meer gevorderde betreft in haar vordering niet ontvankelijk is en dat zij haar vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.J. van Dijk, voorzitter, mrs. A.I. van der Kris en H.H.J. Harmeijer, rechters, in tegenwoordigheid van mr. B. Nitrauw, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 30 september 2011.

mr. H.H.J. Harmeijer is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1

i Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

ii Proces-verbaal aangifte d.d. 7 mei 2010 met nummer [dossiernummer].

iii Geneeskundige verklaring d.d. 28 mei 2010, opgesteld door [naam], huisarts.

iv Proces-verbaal verhoor verdachte d.d. 8 mei 2010 met nummer [dossiernummer].

v Verhoor van verdachte bij de rechter-commissaris van de rechtbank Zwolle-Lelystad d.d. 10 mei 2010.

vi Proces-verbaal van bevindingen d.d. 8 mei 2010 met nummer [dossiernummer].

vii Proces-verbaal verhoor getuige d.d. 10 mei 2010 met nummer [dossiernummer].

viii Proces-verbaal van bevindingen d.d. 25 mei 2010 met nummer [dossiernummer].

ix Proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 mei 2010 met nummer [dossiernummer].

x Proces-verbaal van bevindingen d.d. 14 juli 2010 met nummer [dossiernummer].

xi Proces-verbaal van bevindingen d.d. 21 mei 2010 met nummer [dossiernummer].

xii Proces-verbaal verhoor verdachte d.d. 27 december 2010 met nummer [dossiernummer].

xiii Proces-verbaal aangifte d.d. 7 mei 2010 met nummer [dossiernummer], blad 1, onderste 2 alinea's, blad 2 en blad 3.

xiv Verhoor van verdachte bij de rechter-commissaris van de rechtbank Zwolle-Lelystad d.d. 10 mei 2010.

xv Proces-verbaal verhoor verdachte d.d. 8 mei 2010 met nummer [dossiernummer], blad 4, 1e, 2e en 4e alinea.

xvi Proces-verbaal verhoor getuige d.d. 10 mei 2010 met nummer [dossiernummer], blad 3, 2e alinea.

xvii Proces-verbaal aangifte d.d. 7 mei 2010 met nummer [dossiernummer], blad 1, onderste 2 alinea's en blad 4, 5e alinea.

xviii Proces-verbaal verhoor verdachte d.d. 8 mei 2010 met nummer [dossiernummer], blad 4, 4e alinea.

xix Proces-verbaal aangifte d.d. 7 mei 2010 met nummer [dossiernummer], blad 2, onderste gedeelte, en blad 4, 5e alinea.

xx Zie ook Hoge Raad, 23 december 2008, LJN: BG3449