Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2011:BU4005

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
10-11-2011
Datum publicatie
10-11-2011
Zaaknummer
440273-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank veroordeelt een man tot een taakstraf van 120 uur voor overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE - LELYSTAD

Sector Strafrecht - Meervoudige Strafkamer

Parketnummer: 440273-09 (P)

Uitspraak: 10 november 2011

VONNIS IN DE STRAFZAAK VAN:

het openbaar ministerie

tegen

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1974 te [plaats],

wonende te [adres].

ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 27 oktober 2011.

De verdachte is verschenen, bijgestaan door zijn raadsvrouw mr. J. Kuiper, advocaat te Amsterdam.

Als officier van justitie was aanwezig mr. R.H. den Haan.

TENLASTELEGGING

De verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 07 april 2009 in de gemeente Deventer als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, daarmede rijdende over de weg, Nico Bolkensteinlaan zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, heeft gereden over een in de Nico Bolkensteinlaan gelegen rotonde en/of (vervolgens) bij het rechts afslaan op die rotonde geen voorrang verleend aan een op die zelfde rotonde rijdende fietsster en/of (vervolgens) daarbij geen, althans onvoldoende, door middel van de rechterrichtingaanwijzer richting heeft aangegeven en/of (vervolgens) daarbij het motorrijtuig niet tot stilstand heeft gebracht en/of (vervolgens) op/tegen die fietsster is gebotst en/of is gereden, waardoor een ander (genaamd [slachtoffer]) zwaar lichamelijk

letsel, te weten een gebroken lendewervelen/of twee gebroken ribben, of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 07 april 2009 in de gemeente Deventer als bestuurder van een voertuig (vrachtwagen), daarmee rijdende op de in de Nico Bolkensteinlaan gelegen rotonde, bij het rechts afslaan op die rotonde geen voorrang verleend aan een op die zelfde rotonde rijdende fietsster en/of (vervolgens) daarbij geen, althans onvoldoende, door middel van de rechterrichtingaanwijzer richting heeft aangegeven en/of (vervolgens) daarbij het motorrijtuig niet tot stilstand heeft gebracht en/of (vervolgens) op/tegen die fietsster is gebotst en/of is gereden, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg

werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg

werd gehinderd, althans kon worden gehinderd.

De rechtbank verbetert in de tenlastelegging een aantal kennelijke schrijffouten. De verdachte wordt blijkens het onderzoek ter terechtzitting daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

VOORVRAGEN

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

BEWIJSMOTIVERING

Het standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft veroordeling van verdachte gevorderd wegens overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals primair ten laste is gelegd.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw van verdachte heeft geconcludeerd dat verdachte ter zake het primair ten laste gelegde vrijgesproken dient te worden, omdat geen sprake is geweest van roekeloos rijden dan wel aanmerkelijk onvoorzichtig en/of oplettend rijden. Ter zake het subsidiair ten laste gelegde heeft zij zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank overweegt, op grond van de hierna in voetnoten vermelde bewijsmiddelen1, het volgende.

Op 07 april 2009 heeft het in de tenlastelegging bedoelde ongeval plaatsgevonden, Door betrokkene, mevrouw [slachtoffer], is over de feitelijke toedracht onder meer het volgende verklaard:

"Toen ik op het fietspad fietste zag ik een vrachtwagen op de rotonde. (...) Ik hield die vrachtwagen goed in de gaten en zag dat hij geen richting aangaf. Ik dacht daardoor dat hij de rotonde zou volgen en niet af zou slaan. (...) Op het moment dat ik de weg op reed zag ik dat de vrachtwagen plotseling en snel in mijn richting kwam. Ik heb direct hard geremd, maar werd toen door de voorzijde van de vrachtwagen geraakt. (...)"2

Door verbalisanten is onderzoek verricht naar de feitelijke toedracht van het ongeval en de technische staat van de daarbij betrokken voertuigen, als relaas van verbalisanten, onder meer inhoudende:

"(...) De bestuurder van de trekker van het merk Iveco met oplegger had gereden over de Nico Bolkesteinlaan. (...) De bestuurder van de trekker met oplegger zou de rotonde geheel hebben genomen om vervolgens - over de Nico Bolkesteinlaan - deze te verlaten in de richting van opnieuw de wijk De Vijfhoek / Weg door Zuid Salland. Bij het verlaten van de rotonde kruiste hij het enige fietspad dat deel uitmaakt van deze rotonde en waarvoor, door middel van aangebrachte verkeerstekens, was bepaald dat aan bestuurders op dit fietspad voorrang moest worden verleend. (...) Tijdens het kruisen van dit fietspad merkte de bestuurder van de trekker met oplegger een fietsster niet op. De rechterzijde van de trekker, ter hoogte van het rechtervoorwiel, botste tegen de fietsster. (...) Als gevolg van het ongeval ontstond aan zowel de trekker als de fiets schade. (...) De fietsster werd kennelijk over een afstand van ongeveer 8 meter door de trekker met oplegger meegevoerd en kwam in de berm tot stilstand. De fietsster raakte bij dit ongeval gewond. De rechteraanwijzer, gemonteerd aan de rechterzijde, aan de voorzijde van de trekker, was defect. Indien de bestuurder van de trekker zijn richtingaanwijzer naar rechts had ingeschakeld, kan het defect van deze richtingaanwijzer van grote nadelige invloed zijn geweest op de zichtbaarheid daarvan door de fietsster. (...)" 3

Voorts blijkt uit het onderzoek, als relaas van verbalisanten, onder meer inhoudende:

"(...) Het oranjekleurige contourlampje, bevestigd aan de achterzijde van het spatbord van het rechtervoorwiel, was stuk geraakt. Op de rijbaan, nabij de botsplaats, zijn 'glasdeeltjes' aangetroffen die qua vorm, hoeveelheid, reliëf en kleur ogenschijnlijk overeenkomen met het missende materiaal op de foto nummers 11 en 12 4. (...) De kap van de rechterrichtingaanwijzer was niet meer aanwezig. Uit onderzoek naar de richtingaanwijzer aan de linkerzijde van het voertuig, werd duidelijk dat de eerder genoemde, op de rijbaan aangetroffen deeltjes niet van deze richtingaanwijzer afkomstig konden zijn geweest. Qua vorm, hoeveelheid en reliëf kwamen de deeltjes niet overeen."5

Verder hebben de verbalisanten het volgende geconcludeerd:

"Er werd door ons, verbalisanten, een statisch en een dynamisch onderzoek uitgevoerd naar het zicht in de spiegels en door de voor- en rechterzijruiten van de trekker met oplegger. Bij het statische onderzoek bleek ons dat er een klein gebied rechts naast de trekker was waarin de fietsster niet zichtbaar was voor de bestuurder van de trekker met oplegger. De mogelijkheid bestaat dat de fietsster - in een dynamische situatie - voor langere tijd zich in dit gebied heeft bevonden. Bij het - door de bestuurder van de trekker met oplegger - inbouwen van een kort rustmoment (stilstaan) had dit niet-zichtbaar-zijn kunnen worden opgeheven."6

De verdachte heeft op 27 oktober 2011 ter terechtzitting onder meer het volgende verklaard:

"Het klopt dat ik op 7 april 2009 over een rotonde aan de Nico Bolkesteinlaan te Deventer heb gereden. Ik reed daar in een vrachtauto met een oplegger.(...) Ik ben met de vrachtauto tegen de vrouw aangebotst. Op het moment dat ik haar zag heb ik meteen geremd. Mijn vrachtwagen was zwaar geladen - ongeveer 20 ton - dus ik kwam pas 2 à 3 meter verderop tot stilstand. (...) Ik heb de richtingaanwijzer aangedaan op het moment dat ik afsloeg. (...) Ik heb eerst naar rechts gekeken, maar ik zag niemand en toen heb ik de richtingaanwijzer aangedaan. Ik heb naar links en rechts gekeken omdat ik wist dat het een weg was waar anderen voorrang hebben. Ik heb geleerd dat je fietsers voorrang moet verlenen op een weg waar zij rijden. (...) Ik heb de haaientanden op de weg gezien. U toont mij het gele verkeersbord op pagina 7 uit het proces-verbaal. Ik ken dat bord en dat betekent dat je fietsers voorrang moet verlenen. (...) Het achterste knipperlicht van de truck - niet van de oplegger - was kapot. Ik wist dat niet voordat ik ging rijden. (...) Ik controleer de auto altijd voordat ik ga rijden en dit heb ik niet gezien. (...) Als het klopt dat het lichtje al kapot was, dan is het moeilijk om te zien dat ik rechts af ga slaan. (...) Ik weet dat de truckspiegels een dode hoek hebben. Het komt voor dat je mensen niet kan zien in de spiegel in verband met die dode hoek. (...) Ik ben langzaam gaan rijden toen ik van de rotonde af wilde slaan, omdat ik de weg niet goed ken. (...) Voordat ik afsloeg ben ik niet gestopt, omdat er niemand was."7

De rechtbank overweegt met betrekking tot het primair ten laste gelegde het volgende.

Op grond van jurisprudentie van de Hoge Raad (HR 1 juni 2004, LJN AO5822) is niet in algemene zin aan te geven of n verkeersovertreding voldoende is voor de bewezenverklaring van schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994. Daarvoor zijn verschillende factoren van belang, zoals de aard en de concrete ernst van de overtreding en de omstandigheden waaronder die is begaan. Er kan niet reeds uit de ernst van de gevolgen van de verkeersovertreding worden afgeleid dat sprake is van schuld.

Op grond van de hiervoor vermelde bewijsmiddelen concludeert de rechtbank dat verdachte de fietsster ten onrechte geen voorrang heeft verleend.

De rechtbank concludeert dat verdachte een beroepschauffeur is, die zich bewust was van het feit dat via de spiegels van de trekker niet alles zichtbaar was en dat het zich kon voordoen dat een andere verkeersdeelnemer, zoals een fietser, zich in de 'dode hoek' bevond. Verdachte is voorafgaand aan het rechtsaf slaan op de rotonde niet gestopt om te verifiëren of zich een fietser in zijn dode hoek bevond. Blijkens de VerkeersOngevalAnalyse had het niet-zichtbaar-zijn van de fietsster in de dode hoek door stilstaan kunnen worden opgeheven. Niet gebleken is dat hij op een andere manier een toereikende poging heeft gedaan om zich daarvan te vergewissen. De rechtbank is van oordeel dat, mede gelet op de omstandigheden ter plaatse, deze zorgplicht wel op hem rustte.

Verdachte heeft, blijkens de VerkeersOngevalAnalyse, met een defecte rechterrichtingaanwijzer gereden. Naar het oordeel van de rechtbank doet niet ter zake of verdachte daadwerkelijk wist dat de richtingaanwijzer defect was. Op hem rustte de zorgplicht om de vrachtwagen op dergelijke (zichtbare) gebreken te controleren en daarmee niet de weg op te gaan. Daarbij komt dat uit de verklaring van verdachte volgt dat hij zich ervan bewust is dat het vanwege de defecte rechterrichtingaanwijzer voor de fietsster moeilijk te zien moet zijn geweest dat hij rechtsaf ging slaan. Dit wordt in de VerkeersOngevalAnalyse bevestigd. Betrokkene, mevrouw [slachtoffer], heeft verklaard dat zij de vrachtwagen goed in de gaten hield en zag dat geen richting werd aangegeven, waardoor zij dacht dat de vrachtwagen de rotonde zou volgen.

Niet alleen heeft verdachte aldus onvoldoende pogingen gedaan om zich ervan te vergewissen of zich een fietster in de dode hoek bevond, bovendien is de fietster, vanwege de defecte richtingaanwijzer, ernstig belemmerd in haar mogelijkheid om (tijdig) te kunnen constateren dat de vrachtwagen de rotonde ging verlaten en om daarop te anticiperen.

Alles overwegende acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat sprake is van aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend rijgedrag van verdachte, zoals primair ten laste is gelegd.

Uit de letselrapportage van de GGD IJsselland blijkt dat het slachtoffer een lendenwervel heeft gebroken door het ongeval zoals ten laste is gelegd: "(...) De 5e lendenwervel is gebroken en heeft geleid tot instabiliteit van de rug. (...)" 8 en de verklaring van het slachtoffer: "(...) De dokter in het ziekenhuis heeft vastgesteld dat mijn rug gebroken was"9

Naar het oordeel van de rechtbank is dit aan te merken als zwaar lichamelijk letsel, dat het rechtstreekse gevolg is van het ongeval, veroorzaakt door verdachte.

BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht derhalve wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte primair ten laste is gelegd, met dien verstande dat

hij op 07 april 2009 in de gemeente Deventer als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, daarmede rijdende over de weg, Nico Bolkesteinlaan, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, doordat hij aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend heeft gereden over een in de Nico Bolkesteinlaan gelegen rotonde en vervolgens bij het rechts afslaan op die rotonde geen voorrang heeft verleend aan een op die zelfde rotonde rijdende fietsster en vervolgens daarbij onvoldoende, door middel van de rechterrichtingaanwijzer, richting heeft aangegeven en vervolgens daarbij het motorrijtuig niet tot stilstand heeft gebracht en vervolgens tegen die fietsster is gereden, waardoor een ander (genaamd [slachtoffer]) zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken lendenwervel, werd toegebracht.

Van het meer of anders ten laste gelegde zal de verdachte worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet wettig en overtuigend bewezen acht.

DE STRAFBAARHEID VAN HET FEIT

Het bewezene levert op:

Overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht, strafbaar gesteld bij artikel 175 van de Wegenverkeerswet 1994.

Er zijn geen feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. Dit levert het genoemde strafbare feit op.

DE STRAFBAARHEID VAN DE VERDACHTE

Er zijn ook geen feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is derhalve strafbaar.

OPLEGGING VAN STRAF EN/OF MAATREGEL

Het standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht gevorderd:

- Een geldboete van € 1.500,-, subsidiair 30 dagen hechtenis;

- Een gevangenisstraf voor de duur van één maand voorwaardelijk met een proeftijd voor de duur van twee jaren;

- Een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van één jaar.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat bij een oplegging van een straf rekening gehouden dient te worden met het tijdsverloop van de zaak en de persoonlijke omstandigheden van verdachte en hem geen gevangenisstraf op te leggen, maar een werkstraf die in Duitsland geëxecuteerd kan worden via Bureau Buitenland van de reclassering.

Het oordeel van de rechtbank

Gelet op de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden

waaronder verdachte zich daaraan heeft schuldig gemaakt en op de persoon van verdachte en de draagkracht van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht de rechtbank de na te noemen beslissing passend.

De verdachte is van beroep internationaal vrachtwagenchauffeur in verband waarmee de rechtbank hem enerzijds het ongeval zwaar aanrekent omdat van hem verwacht mag worden dat hij extra alert is in het verkeer en hij zich bewust is van de gevaren die het besturen van een vrachtwagen met zich meebrengt. Anderzijds houdt de rechtbank er rekening mee dat verdachte blijkens het uittreksel justitiële documentatie d.d. 08 april 2011 niet eerder met politie en justitie in aanraking is gekomen. Daarbij heeft de verdachte ter terechtzitting verklaard dat hij niet eerder een ongeval heeft veroorzaakt. Voorts heeft de verdachte, gelet op zijn baan als beroepschauffeur, een groot belang bij het behoud van zijn rijbewijs.

De rechtbank heeft verder ten voordele van verdachte rekening gehouden met het tijdsverloop van de afdoening van de zaak, te weten dat het bewezenverklaarde feit ruim twee jaar geleden heeft plaatsgevonden.

De oplegging van straf of maatregel is, behalve op de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften, gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 91 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

BESLISSING

Het primair ten laste gelegde is bewezen zoals hiervoor aangegeven en levert de strafbare feiten op, zoals hiervoor vermeld. De verdachte is deswege strafbaar.

Het meer of anders ten laste gelegde is niet bewezen en de verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

De rechtbank legt aan verdachte op een taakstraf, te weten de werkstraf het verrichten van onbetaalde arbeid gedurende 120 uren.

De rechtbank beveelt dat voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet of niet naar behoren verricht, de taakstraf wordt vervangen door 60 dagen hechtenis, althans een aantal dagen hechtenis dat evenredig is aan het niet verrichte aantal uren taakstraf.

De rechtbank ontzegt verdachte de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de tijd van één jaar.

De ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen zal niet worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van twee jaar aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Aldus gewezen door mr. S.M. Milani, voorzitter, mrs. G.P. Nieuwenhuis en A. Esmeijer, rechters, in tegenwoordigheid van W. van Goor als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 november 2011.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar met paginanummering aangeduide processen-verbaal en andere stukken, betreft dit op ambtseed/ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal dan wel andere bescheiden, als bijlagen opgenomen bij het proces-verbaal van het opsporingsonderzoek van de Regiopolitie IJsselland, onder dossiernummer [nummer], opgemaakt op (d.d. 20 juni 2009).

2 Proces-verbaal van verhoor betrokkene [slachtoffer], d.d. 4 juni 2009, pag. 2, eerste en tweede alinea.

3 Het ambtsedig proces-verbaal VerkeersOngevalsAnalyse d.d. 1 december 2009, in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant A] en [verbalisant B], brigadier van politie (pagina's 23 en 24).

4 In het ambtsedig proces-verbaal VerkeersOngevalAnalyse d.d. 1 december 2009 opgenomen foto's met relaas op pagina 43.

5 In het ambtsedig proces-verbaal VerkeersOngevalAnalyse d.d. 1 december 2009 opgenomen foto's met relaas op pagina 44.

6 In het ambtsedig proces-verbaal VerkeersOngevalAnalyse d.d. 1 december 2009, pagina 4, laatste alinea.

7 Het in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal ter terechtzitting d.d. 27 oktober 2011.

8 Het letselrapportage d.d. 30 juni 2009 van [naam arts], forensisch arts GGD IJsselland

(pagina 13)

9 Het ambtsedig proces-verbaal verhoor van [slachtoffer] d.d. 4 juni 2009, in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant C], brigadier van politie (pagina 16).