Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2011:BU3295

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
04-10-2011
Datum publicatie
03-11-2011
Zaaknummer
07/650065-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

promis, partiele vrijspraak seksueel binnendringen, ontucht en bewijs- en strafmotivering

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE - LELYSTAD

Sector Strafrecht - Meervoudige Strafkamer

Parketnummer: 07.650065-11 (P)

Uitspraak: 4 oktober 2011

Vonnis in de zaak van:

het openbaar ministerie

tegen

(Verdachte),

geboren op (Geboortedatum) te ’(Geboorteplaats),

verblijvende in (Verblijfsplaats).

1. HET ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van de onderzoeken ter terechtzitting van 10 mei 2011, 17 mei 2011 en 20 september 2011.

De verdachte is op 20 september 2011 verschenen, bijgestaan door mr. I.E. Leenhouwers, advocaat te Alkmaar. Als officier van justitie was aanwezig mr. C.C.S. Bordenga-Koppes.

2. DE TENLASTELEGGING

De verdachte is, na een wijziging tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

1.

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2000 tot en met 31 december 2003 te Hardenberg en/of Zwolle, in ieder geval in Nederland, met (Slachtoffer) (geboren 5 juni 1988), die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, (telkens) een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, bestaande uit het meermalen, althans éénmaal,

- masseren van de rug en/of het lichaam van die (Slachtoffer) en/of

- het vastpakken en/of betasten van de (ontblote) borst(en) van die (Slachtoffer) en/of

- het betasten van/over de (onderbroek) de vagina en/of de vaginastreek en/of de binnenzijde van de benen ter hoogte van de vagina van die (Slachtoffer) en/of

- het (daarbij) zeggen tegen die (Slachtoffer) “Je hebt een lekkere dikke kont” en/of “Je hebt lekkere dikke tieten”, althans woorden van gelijke aard en/of strekking;

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling mocht leiden:

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2000 tot en met 31 december 2003 te Hardenberg en/of in Zwolle, in ieder geval in Nederland, telkens ontucht heeft gepleegd met zijn minderjarig pleeg/stiefkind, (Slachtoffer), geboren 5 juni 1988, bestaande die ontucht (telkens) hierin dat hij verdachte, toen, aldaar, meermalen, althans éénmaal

- de rug en/of het lichaam van die (Slachtoffer) heeft gemasseerd en/of

- de (ontblote) borst(en) van die (Slachtoffer) heeft vastgepakt en/of betast en/of

- over de (onderbroek) de vagina en/of de vaginastreek en/of de binnenzijde van de benen ter hoogte van de vagina van die (Slachtoffer) heeft betast en/of

- (daarbij) tegen die (Slachtoffer) heeft gezegd: “Je hebt een lekkere dikke kont” en/of “Je hebt lekkere dikke tieten”, althans woorden van gelijke aard en/of strekking;

2.

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 1996 tot en met 22 september 2003 te Hardenberg en/of Zwolle, althans in Nederland, met (Slachtoffer)(geboren op 23 september 1991), die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, een of meer handeling(en) heeft gepleegd, die (telkens) bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die (Slachtoffer),, hebbende verdachte meermalen, althans éénmaal zijn, verdachtes, vinger(s) in de vagina van die (Slachtoffer)geduwd/gebracht en/of hebbende verdachte meermalen, althans éénmaal de (ontblote) borst(en) van die (Slachtoffer)betast;

3.

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 23 september 2003 tot en met 22 maart 2006 en/of in of omstreeks de periode van 26 januari 2007 tot en met 22 september 2007 te Hardenberg en/of Zwolle, althans in Nederland, met (Slachtoffer)(geboren op 23 september 1991), die toen de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, een of meer handeling(en) heeft gepleegd, die (telkens) bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die (Slachtoffer),, hebbende verdachte meermalen, althans éénmaal zijn, verdachtes, vinger(s) in de vagina van die (Slachtoffer)geduwd/gebracht en/of hebbende verdachte meermalen, althans éénmaal de (ontblote) borst(en) van die (Slachtoffer)betast;

4.

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 1996 tot en met 22 maart 2006 en in de periode van 26 januari 2007 tot en met 22 september 2009 te Hardenberg en/of Zwolle, althans in Nederland, ontucht heeft gepleegd met zijn minderjarig kind, (Slachtoffer), geboren op 23 september 1991, bestaande die ontucht hierin dat hij verdachte meermalen, althans éénmaal zijn, verdachtes, vinger(s) in de vagina van die (Slachtoffer)heeft geduwd/gebracht en/of meermalen, althans éénmaal de (ontblote) borst(en) en/of de vagina van die (Slachtoffer)heeft bekeken en/of betast.

3. DE VOORVRAGEN

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in haar vordering worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor een schorsing van de vervolging.

4. DE BEWIJSMIDDELEN EN DE BEOORDELING DAARVAN

Inleiding

Op 16 september 2010 vindt (Naam)een brief op de kamer van (Slachtoffer).

In deze brief spreekt zij over haar vader (Verdachte)(verdachte) die met ‘zijn poten van haar

af moet blijven’. Naar aanleiding van deze brief gaat (Naam) met (Slachtoffer) praten en vertelt zij

hem dat verdachte met zijn vingers aan haar en in haar had gezeten. (Naam) vertelt (Slachtoffer)

tijdens dit gesprek dat verdachte zijn stiefdochter (Naam2) in het verleden ook seksueel heeft betast maar dat zij dit nooit met iemand heeft gedeeld. Wanneer de moeder van (Naam2) en (Slachtoffer), (Naam3), op de hoogte raakt van de verhalen van haar dochters, adviseert zij hen contact op te nemen met de politie.

Op 29 september 2010 melden (Naam2) en (Slachtoffer) in een informatief gesprek met de

politie dat zij seksueel zijn misbruikt door verdachte. Vervolgens doen (Naam2) en

(Slachtoffer) op 20 oktober 2010 aangifte. Naar aanleiding van de aangiften zijn (Naam3) en (Naam) op 14 december 2010 als getuigen gehoord.

Nadat verdachte zich op 8 februari 2011 vrijwillig had gemeld op het politiebureau te Zwolle, is hij aangehouden.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat door (Naam2) en (Slachtoffer) gedane aangiften betrouwbaar zijn, nu deze verklaringen consistent zijn en ook voor een groot deel met elkaar overeenkomen. Zo heeft verdachte (Slachtoffer) gemasseerd bij de benen, haar borsten betast en zijn vingers in haar vagina gestopt en heeft verdachte bij (Naam2) de rug gemasseerd, waarbij hij is uitgeschoten met zijn handen richting haar vagina en heeft hij ook haar borsten betast.

Ten aanzien van feit 1

De officier van justitie acht het onder 1 primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen. De (betrouwbare) verklaring van (Naam2) wordt ondersteund door de verklaring van (Slachtoffer), de verklaring van (Naam3) die heeft gezien dat verdachte (Naam2) masseerde in de woonkamer, en door de verklaring van (Naam)aan wie (Naam2) over het misbruik heeft verteld. De officier van justitie concludeert op basis van de door (Naam2) afgelegde verklaringen bij de politie en de rechter-commissaris dat de door verdachte gepleegde ontuchtige handelingen hebben plaatsgevonden in de periode nadat (Naam2) naar ‘De Gouwe’ ging in 2000 en tot het moment dat (Naam2) een relatie kreeg met (Naam4)in oktober 2003.

Ten aanzien van feit 2 en 3

De officier van justitie heeft vrijspraak gevorderd van de onder 2 en 3 ten laste gelegde feiten nu de ontuchtige handelingen niet kunnen worden gekoppeld aan een periode in de tenlastelegging.

Ten aanzien van feit 4

De officier van justitie acht het onder 4 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen. De (betrouwbare) verklaring van (Slachtoffer) wordt ondersteund door de verklaring van (Naam2), de verklaring van (Naam3) (moeder) dat (Slachtoffer) angstig en afwerend was in het contact met verdachte en de verklaring van (Oma)(oma) dat (Slachtoffer) in het verleden bij haar is blijven slapen en dat verdachte lang bij (Slachtoffer) bleef als ze in haar bed lag.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouwe heeft integrale vrijspraak bepleit. Zij heeft kort gezegd aangevoerd dat de verklaringen van (Naam2) en (Slachtoffer) als onbetrouwbaar moet worden aangemerkt, nu belangrijke onderdelen van hun verklaringen feitelijk onjuist zijn, zij niet duidelijk verklaren over welke periode zij zouden zijn misbruikt en de verklaringen verder onvoldoende gedetailleerd en consistent zijn. De verklaringen kunnen elkaar om deze reden ook niet ondersteunen. Bovendien vinden de verklaringen van aangeefsters geen ondersteuning in ander, objectief bewijsmateriaal.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft kennis genomen van de inhoud van de stukken van het onderliggende strafdossier en van hetgeen bij het onderzoek op voornoemde zitting naar voren is gebracht.

De rechtbank stelt voorop dat zij – evenals de officier van justitie en de raadsvrouwe – van oordeel is dat onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is om te komen tot een bewezenverklaring van de onder 2 en 3 ten laste gelegde feiten. De rechtbank zal verdachte derhalve vrijspreken van het onder 2 en 3 ten laste gelegde.

Ter beantwoording van de vraag of aan verdachte kan worden verweten dat hij in de periode van 1 januari 2000 tot en met 31 december 2003 met (Naam2), die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd (feit 1) en of hem kan worden verweten dat hij in de periode van 1 januari 1996 tot en met 22 maart 2006 en in de periode van 26 januari 2007 tot en met 22 september 2009 met zijn (destijds minderjarige) dochter (Slachtoffer) ontucht heeft gepleegd (feit 4), overweegt de rechtbank als volgt.

Betrouwbaarheid verklaringen (Naam2) en (Slachtoffer).

(Naam2), geboren op 5 juni 1988, verklaart bij de politie dat verdachte haar peetvader is en dat hij meerdere malen haar borsten, benen, rug en vagina heeft aangeraakt en dat hij regelmatig seksuele opmerkingen maakte. De eerste keer dat dit gebeurde was in haar slaapkamer in Hardenberg toen zij 12 of 13 jaar oud was. (Naam2) verklaart dat zij haar

t-shirt en BH uitdeed omdat verdachte haar een massage wilde geven. Tijdens het masseren zei hij: ‘Je hebt een lekkere dikke kont en lekkere dikke tieten’. Vaak ging hij met zijn handen richting haar borsten en billen waarbij hij regelmatig uitschoot richting haar vagina. Ook is het voorgekomen dat verdachte haar ontblote borsten heeft betast en met zijn handen langs haar vaginastreek is gegaan.

Bij de rechter-commissaris verklaart (Naam2) dat zij heeft besloten om aangifte te doen op het moment dat zij hoorde dat (Slachtoffer) eveneens was misbruikt door verdachte.

Verdachte masseerde haar vanaf een jaar of 11 meerdere malen, dit gebeurde altijd op haar slaapkamer in Hardenberg. De eerste keer heeft hij alleen haar rug gemasseerd en de tweede en derde keer ging hij langszij richting haar borsten. De latere keren masseerde hij haar billen en benen waarbij hij meerdere malen uitschoot met zijn hand tussen haar benen en billen. Ook zei hij dat zij mooie grote tieten had en dat elke vent daar blij mee zou zijn. In oktober 2003 kreeg zij een relatie met (Naam4)en zijn de massages gestopt. (Naam) van Dijk, haar partner, heeft zij in 2004 op de hoogte gebracht van de door verdachte verrichte handelingen. Nadat (Naam) de door (Slachtoffer) geschreven brief had gevonden, heeft zij ook aan (Slachtoffer) en haar moeder verteld dat zij door verdachte is misbruikt.

(Slachtoffer), geboren op 23 september 1991, verklaart bij de politie dat verdachte, haar biologische vader, vanaf de periode van 1996 tot en met september 2010 haar met enige regelmaat heeft misbruikt. Ze heeft hier nooit met iemand over gepraat totdat haar zwager (Naam)op 20 september 2010 een brief vond waarin zij had geschreven dat zij het leven zat was en er een einde aan wilde maken omdat haar vader met zijn ‘poten’ aan haar had gezeten. (Slachtoffer) verklaart dat haar vader meerdere malen haar borsten heeft betast en met zijn vingers in haar vagina heeft gezeten. Dit is volgens haar gebeurd bij oma in Zwolle, in haar flat in Hardenberg en bij haar moeder thuis in Hardenberg. De eerste keer dat verdachte haar betaste was in haar eigen slaapkamer in de periode voordat zij naar ‘De Gouwe’ ging. Als zij op bed lag, ging haar vader met een hand bij haar pyjama en onderbroek in en masseerde haar tussen de benen. Eerst zat hij met zijn handen bij haar vagina en later in haar vagina. Bij oma thuis trok haar vader haar pyjamabroek en onderbroek uit tot aan haar enkels en ging met zijn vingers in haar vagina. In oma’s computerkamer heeft hij tevens rond haar zestiende of zeventiende levensjaar haar borsten bekeken en aangeraakt. De laatste keer dat zij is betast door haar vader was in september 2010 bij oma thuis. Hij ging toen wederom met zijn vingers in haar vagina.

Bij de rechter-commissaris verklaart (Slachtoffer) dat het misbruik is begonnen toen zij ongeveer 6 of 7 jaar oud was, in ieder geval voordat zij naar ‘De Gouwe’ ging. Haar vader kwam dan ’s avonds op haar slaapkamer en streelde haar rug en vagina. Ook heeft haar vader haar misbruikt bij oma in Zwolle en in haar woning in Hardenberg.

(Naam2) en (Slachtoffer) hebben bij de politie en bij de rechter-commissaris uitvoerige en consistente verklaringen afgelegd. De rechtbank heeft geen onverklaarbare tegenstrijdigheden in de verklaringen van (Naam2) en (Slachtoffer) kunnen vaststellen, op grond waarvan zou kunnen worden geconcludeerd dat die verklaringen niet op waarheid berusten.

Voorts komen (Naam2) en (Slachtoffer) authentiek en oprecht over in hun verklaringen. Uit deze verklaringen wordt duidelijk dat beiden moeite hebben gehad om te praten over hetgeen hen zou zijn overkomen.

Zo is de zaak pas aan het licht gekomen nadat de partner van (Naam2) en de zwager van (Slachtoffer), (Naam) van Dijk, de genoemde brief van (Slachtoffer) vindt op haar kamer. Ook nadat (Naam) (Slachtoffer) aanspreekt over de inhoud van de brief en (Naam2) van het misbruik van (Slachtoffer) op de hoogte brengt, hebben (Slachtoffer) en (Naam2) moeite om over het misbruik te praten. De moeder van (Naam2) en (Slachtoffer) verklaart in dit verband dat zij (Naam2) en (Slachtoffer) heeft geadviseerd om contact op te nemen met de politie, dat (Slachtoffer) haar niet precies heeft willen vertellen wat er gebeurd was tussen haar en verdachte en dat zij de door (Slachtoffer) geschreven brief niet mocht lezen. Dat (Naam2) het verhaal eerst in eigen, intieme, kring aan (Naam)heeft verteld en dat (Slachtoffer) het heeft verwoord in een brief, alvorens aangifte te doen, is vanuit menselijk oogpunt begrijpelijk.

Ten slotte is de rechtbank niet gebleken van dusdanige contacten tussen (Naam2) en (Slachtoffer) waaruit kan worden afgeleid dat zij de inhoud van de aangiften met elkaar of met iemand anders hebben besproken. (Naam2) en (Slachtoffer) vertellen ieder hun eigen verhaal.

Gezien dit alles, in onderling verband en samenhang bezien, hecht de rechtbank wel degelijk geloof aan de verklaringen van (Naam2) en (Slachtoffer) en zijn de verklaringen om die reden ook bruikbaar voor het bewijs.

Schakelbewijs

Uit de verklaringen van (Naam2) en (Slachtoffer) blijkt voorts dat deze op essentiële punten overeenkomen. Naar het oordeel van de rechtbank is sprake van een modus operandi die bij beide aangeefsters gelijk is. (Naam2) en (Slachtoffer) verklaren immers allebei dat het seksueel misbruik aanving in de periode voordat zij naar ‘de Gouwe’ gingen en dat dit meestal plaatsvond in hun slaapkamer in Hardenberg. Verder verklaren (Naam2) en (Slachtoffer) dat zij door de verdachte eerst voorzichtig werden gemasseerd aan de rug en benen en dat zij vervolgens werden betast in de vaginastreek en aan de borsten.

De rechtbank is van oordeel dat de verklaringen van (Naam2) en (Slachtoffer) elkaar ondersteunen, nu in de wijze waarop de ontucht wordt beschreven een patroon herkenbaar is. Ten aanzien van de ten laste gelegde feiten 1 en 4 kunnen de verklaringen van (Slachtoffer) en (Naam2) daarom over en weer tot het bewijs worden gebezigd.

Overige bewijsoverwegingen

De verklaringen van (Naam2) en (Slachtoffer) worden eveneens ondersteund door de verklaringen van (Naam) , (Naam3) en (Oma).

Zo verklaart (Naam)bij de politie dat (Naam2) hem in het begin van hun relatie in 2004 al had verteld dat verdachte haar in het verleden had gemasseerd in haar eigen slaapkamer in Hardenberg en dat verdachte daarbij de binnenkant van haar benen, vaginastreek en borsten had aangeraakt. Dat verdachte eveneens (Slachtoffer) had betast heeft hij op 16 september 2010 vernomen toen een briefje vond op de slaapkamer van (Slachtoffer) waarin stond dat haar vader (verdachte) met zijn ‘poten’ aan haar had gezeten. Naar aanleiding hiervan is hij in gesprek gegaan met (Slachtoffer) en vertelde zij dat zij door verdachte was gemasseerd en betast.

De moeder van (Naam2) en (Slachtoffer) verklaart bij de politie dat (Slachtoffer) in het contact met haar vader (verdachte) meestal angstig was en dat als verdachte (Slachtoffer) wilde vastpakken of zoenen zij dit altijd afweerde. Ook verklaart zij dat toen zij nog samenwoonde met verdachte in Hardenberg, hij vaak naar boven ging als (Naam2) en (Slachtoffer) al op bed lagen en dat het dan wel voor kwam dat hij een paar uur boven bleef. Tevens heeft zij gezien dat verdachte (Naam2) haar rug en nek masseerde.

Ten slotte is van belang de verklaring van (Oma), de oma van (Slachtoffer), die bij de rechter-commissaris verklaart dat (Slachtoffer) bij haar in Zwolle heeft geslapen en dat verdachte er dan ook was.

Conclusie

Anders dan de verdediging is de rechtbank gelet op het voorgaande van oordeel dat het dossier voldoende wettig en overtuigend bewijs bevat om tot een bewezenverklaring te komen van hetgeen verdachte onder 1 primair en onder 4 ten laste is gelegd.

5. DE BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen hetgeen verdachte primair onder 1 en onder 4 ten laste is gelegd, met dien verstande dat:

1 (primair)

hij op tijdstip(pen) in de periode van 1 januari 2000 tot en met 31 december 2003 te Hardenberg en Zwolle, met (Slachtoffer) (geboren 5 juni 1988), die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, (telkens) een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, bestaande uit het meermalen,

- masseren van de rug en het lichaam van die (Slachtoffer) en

- het vastpakken en betasten van de (ontblote) borst(en) van die (Slachtoffer) en

- het betasten over de (onderbroek) de vagina en de vaginastreek en de binnenzijde van de benen ter hoogte van de vagina van die (Slachtoffer) en

- het (daarbij) zeggen tegen die (Slachtoffer) “Je hebt een lekkere dikke kont” en “Je hebt lekkere dikke tieten”, althans woorden van gelijke aard en/of strekking;

4.

hij op tijdstip(pen) in de periode van 1 januari 1996 tot en met 22 maart 2006 en in de periode van 26 januari 2007 tot en met 22 september 2009 te Hardenberg en Zwolle, ontucht heeft gepleegd met zijn minderjarig kind, (Slachtoffer), geboren op 23 september 1991, bestaande die ontucht hierin dat hij verdachte meermalen, zijn, verdachtes, vinger(s) in de vagina van die (Slachtoffer)heeft geduwd/gebracht en meermalen, de (ontblote) borst(en) en de vagina van die (Slachtoffer)heeft bekeken en betast.

Wat meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

6. DE STRAFBAARHEID VAN HET BEWEZENVERKLAARDE

Er zijn geen feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde feit uitsluiten.

7. DE STRAFBAARHEID

Het bewezen verklaarde levert op:

Feit 1 primair

Met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echte ontuchtige handelingen plegen, meerdere malen gepleegd, strafbaar gesteld bij artikel 249, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.

Feit 4

Ontucht plegen met zijn minderjarig kind, meerdere malen gepleegd, strafbaar gesteld bij artikel 249, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.

8. DE STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van de feiten of van de verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor wat bewezen is verklaard.

9. DE STRAFOPLEGGING

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft een gevangenisstraf gevorderd voor de duur van 18 maanden, met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouwe heeft geen standpunt ingenomen omtrent de strafoplegging nu zij integrale vrijspraak heeft bepleit.

Het oordeel van de rechtbank

Gelet op de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden waaronder verdachte zich daaraan heeft schuldig gemaakt en op de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht de rechtbank de hierna te noemen beslissing passend.

Verdachte heeft ontuchtige handelingen verricht met zijn minderjarige kind en (stief)kind. Verdachte heeft onder meer de borsten en de vagina betast van (Naam2) en (Slachtoffer) en zijn vingers in de vagina van (Slachtoffer) gebracht.

Dergelijk misbruik kan langdurige gevolgen hebben voor de slachtoffers, omdat er sprake is van ernstige schending van de integriteit van het lichaam van de slachtoffers. Bovendien is er kans op een scheefgroei in de psycho-seksuele ontwikkeling van de slachtoffers. Door het handelen van verdachte kan het vertrouwen in de medemens ernstig verstoord raken. De ervaring leert dat dit vaak het gevolg is van feiten als door verdachte begaan. De rechtbank stelt vast dat verdachte reeds eerder is veroordeeld tot een langdurige gevangenisstraf wegens misbruik van een andere dochter. Dat verdachte ook (Naam2) en (Slachtoffer) heeft misbruikt, en dat dit misbruik zich zelfs heeft voortgezet nadat verdachte zijn gevangenisstraf had uitgezeten, wordt hem door de rechtbank zeer zwaar aangerekend.

Op de voet van artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht houdt de rechtbank bij het opleggen van de hierna te melden straf rekening met de straf die de verdachte bij vonnis van de meervoudige kamer te Zwolle d.d. 24 november 2005 is opgelegd.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden passend en geboden is, omdat de aard en ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde door een lichtere strafrechtelijke afdoening van de zaak miskend zouden worden.

Bij haar beslissing heeft de rechtbank tevens rekening gehouden met:

- een de verdachte betreffend uittreksel justitiële documentatie d.d. 25 mei 2011;

- een psychologisch rapport Pro Justitia d.d. 8 maart 2011, uitgebracht door drs. R.R. Beth, forensisch gedragsdeskundige, orthopedagoog;

- een psychiatrisch rapport Pro Justitia d.d. 17 april 2011, uitgebracht door F.M.J. Bruggeman, psychiater.

10. DE BENADEELDE PARTIJEN

Voor aanvang van de terechtzitting hebben (Naam2) en (Slachtoffer) zich als benadeelde partijen in dit geding gevoegd en beiden een vordering ingediend tot vergoeding van schade ten gevolge van het aan verdachte ten laste gelegde feit. De hoogte van die schade worden door de benadeelde partijen begroot op € 18.000,00.Ter terechtzitting heeft de officier van justitie namens hen laten weten dat de vordering door een advocaat namens de benadeelde partijen was ingediend, doch dat zij hierin onvoldoende waren gekend. Benadrukt is dat het hen niet om het geld is te doen, zodat de vordering ter terechtzitting in dier voege wordt gewijzigd, dat de rechtbank wordt verzocht in goede justitie een vergoeding ex aequo et bono vast te stellen.

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft, gelet op het vorengaande, gevorderd dat aan de benadeelde partijen een vergoeding zal worden toegekend zoals de rechtbank in goede justitie mocht vermenen te behoren en de vorderingen voor het overige, voor zover aan de orde, niet-ontvankelijk te verklaren. Voor het geval een bedrag aan schadevergoeding wordt toegewezen, heeft de officier van justitie gevorderd aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouwe heeft verzocht de vorderingen van de benadeelde partijen als onvoldoende onderbouwd af te wijzen, althans een redelijke vergoeding toe te kennen.

Het oordeel van de rechtbank

Bij het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat de benadeelde partijen (Naam2) en (Slachtoffer) rechtstreeks schade hebben geleden ten gevolge van de onder 1 (primair) en 4 bewezen verklaarde feiten.

De rechtbank bepaalt de vergoeding voor de immateriële schade ex aequo et bono op een bedrag van tenminste € 3.000,00 per persoon. De rechtbank baseert zich daarbij op de hoogte van immateriële schadevergoedingen in vergelijkbare zaken.

De vordering van de benadeelde partijen leveren naar het oordeel van de rechtbank voor wat betreft het meer gevorderde een onevenredige belasting op van het strafgeding. De rechtbank zal derhalve bepalen dat de benadeelde partijen (Naam2) en (Slachtoffer) voor dat deel in hun vordering niet-ontvankelijk zijn en dat de vorderingen ter zake deze delen slechts bij de burgerlijke rechter kunnen worden aangebracht.

De rechtbank zal voorts aan de verdachte op de voet van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een geldsom van € 3.000,00 ten behoeve van het slachtoffer (Naam2) en € 3.000,00 ten behoeve van het slachtoffer (Slachtoffer).

11. TOEPASSELIJKHEID WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op de artikelen 10, 27, 36f, 57, 63, 247 en 249 van het Wetboek van Strafrecht, zoals de artikelen luidden ten tijde van de bewezenverklaring.

12. BESLISSING

De rechtbank:

Ten aanzien van de tenlastelegging

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van de onder 2 en 3 ten laste gelegde feiten;

Bewezenverklaring

- verklaart het onder 1 primair en onder 4 ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 5. is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat onder 1 primair en 4 meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart de onder 1 primair en 4 bewezen verklaarde feiten strafbaar;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

Ten aanzien van de benadeelde partijen

Benadeelde partij (Slachtoffer)

- veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij (Slachtoffer) van een bedrag van € 3.000,00 met veroordeling tevens van verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

- legt op aan verdachte de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot

€ 3.000,00 ten behoeve van het slachtoffer (Slachtoffer) voornoemd, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 40 dagen hechtenis;

- bepaalt dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat, daarmee verdachtes verplichting tot betaling aan de benadeelde partij (Slachtoffer) in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij (Slachtoffer), daarmee verdachtes verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen;

- bepaalt dat de benadeelde partij (Slachtoffer) voor wat het meer gevorderde betreft in haar vordering niet-ontvankelijk is en dat zij haar vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

Benadeelde partij (Slachtoffer)

- veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij (Slachtoffer)van een bedrag van € 3.000,00 met veroordeling tevens van verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

- legt op aan verdachte de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot

€ 3.000,00 ten behoeve van het slachtoffer (Slachtoffer)voornoemd, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 40 dagen hechtenis;

- bepaalt dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat, daarmee verdachtes verplichting tot betaling aan de benadeelde partij (Slachtoffer)in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij (Slachtoffer), daarmee verdachtes verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen;

- bepaalt dat de benadeelde partij (Slachtoffer)voor wat het meer gevorderde betreft in haar vordering niet-ontvankelijk is en dat zij haar vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Aldus gewezen door mr. A.J. Louter, voorzitter, mrs. L.J.C. Hangx en A.P.W. Esmeijer, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S.J. Verheij-de Vries als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 4 oktober 2011.

Mr. A.J. Louter was buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen