Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2011:BU3294

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
04-10-2011
Datum publicatie
03-11-2011
Zaaknummer
07/651091-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

promis, poging moord, bewijs- en strafmaatoverweging

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE - LELYSTAD

Sector Strafrecht - Meervoudige Strafkamer

Parketnummer: 07.651091-10 (P)

Uitspraak: 4 oktober 2011

Vonnis in de zaak van:

het openbaar ministerie

tegen

(Verdachte),

geboren op (Geboortedatum) te (Geboorteplaats),

verblijvende in het (Verblijfsplaats).

1. HET ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van de onderzoeken ter terechtzitting van 3 november 2010, 2 december 2010, 28 februari 2011, 24 mei 2011, 17 augustus 2011 en 20 september 2011.

De verdachte is op 20 september 2011 verschenen, bijgestaan door mr. K. Kok, advocaat te Zwolle. Als officier van justitie was aanwezig mr. M. Zwartjes.

2. DE TENLASTELEGGING

De verdachte is, na een wijziging tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 11 augustus 2010 in de gemeente Kampen ter uitvoering van

het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een

ander of anderen, althans alleen, opzettelijk – al dan niet – met voorbedachten rade (Slachtoffer) van het leven te beroven, met dat opzet en – al dan niet – na kalm beraad en rustig overleg die (Slachtoffer)één of meermalen met een (scherp) slagvoorwerp op/tegen het achterhoofd heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:

hij op of omstreeks 11 augustus 2010 in de gemeente Kampen tezamen en in

vereniging met anderen of een ander, althans alleen, aan een persoon genaamd

(Slachtoffer), opzettelijk en – al dan niet – met voorbedachten rade zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht, door deze opzettelijk en – al dan niet – na kalm beraad en rustig overleg één of meermalen met een (scherp) slagvoorwerp op/tegen het achterhoofd te slaan;

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:

hij op of omstreeks 11 augustus 2010 in de gemeente Kampen opzettelijk en – al dan niet – met voorbedachte rade mishandelend een persoon (te weten (Slachtoffer)), één of meermalen en – al dan niet – na kalm beraad en rustig overleg met een (scherp) slagvoorwerp op/tegen het achterhoofd heeft geslagen, tengevolge waarvan deze zwaar lichamelijk letsel, althans enig lichamelijk letsel, heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden.

3. DE VOORVRAGEN

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in haar vordering worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor een schorsing van de vervolging.

4. DE BEWIJSMIDDELEN EN DE BEOORDELING DAARVAN

Inleiding

Op woensdag 11 augustus 2010 werd de surveillance-eenheid van de Regiopolitie IJsselland verzocht te gaan naar (Delictsplaats). Aldaar zou een persoon met een bijl op het hoofd geslagen zijn. Ter plaatse bleek (Slachtoffer) gewond te zijn aan zijn achterhoofd. Het slachtoffer verklaarde dat de verwondingen waren toegebracht door verdachte, vermoedelijk met een bijl.

Op donderdag 12 augustus 2010 meldde (Getuige1)zich op het politiebureau en hij verklaarde dat verdachte en (Naam1) bij hem aan de deur waren geweest en dat verdachte hem had verteld dat hij (Slachtoffer) twee keer met een bijl tegen het hoofd had geslagen.

Op basis van de aangifte en de verklaring van (Getuige1)is verdachte op 12 augustus 2010 om 17.20 uur aangehouden.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.

Zij heeft daartoe aangevoerd dat uit de verklaring van aangever, de letselverklaring en de verklaring van verdachte volgt dat verdachte het slachtoffer met volle kracht tweemaal met een bijl op het achterhoofd heeft geslagen. De voorbedachte rade is af te leiden uit het feit dat verdachte, voordat hij naar het slachtoffer toe ging, een bijl en een andere broek heeft meegenomen en dat hij voor de slag met de bijl tegen het slachtoffer heeft gezegd: “Geef de sleutel, anders hak ik met de bijl.”. Dat er wellicht sprake is van een sterk verminderd toerekeningsvatbare verdachte staat hieraan niet aan de weg.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit ten aanzien van de ten laste gelegde poging tot moord nu er geen sprake is van voorbedachten rade, aangezien verdachte ten tijde van het plegen van het feit paranoïde en psychotisch was.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft kennisgenomen van de inhoud van de stukken van het onderliggende strafdossier en van hetgeen bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gebracht.

De rechtbank overweegt dat uit de aangifte , de geneeskundige verklaring en de verklaring van verdachte bij de politie volgt dat (Slachtoffer) op 11 augustus 2010 in de gemeente Kampen door verdachte tweemaal met een bijl op/tegen het achterhoofd is geslagen.

De rechtbank ziet zich voor de vraag geplaatst of verdachte met voorbedachten rade heeft gehandeld. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.

Voor het bewijs van de voorbedachten rade is reeds voldoende dat vaststaat dat verdachte tijd heeft gehad zich te beraden op het te nemen of genomen besluit, zodat er gelegenheid was tot nadenken over de betekenis en gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.

Uit de verklaring van verdachte bij de politie blijkt onder meer dat verdachte op de avond van 11 augustus 2010 het slachtoffer wil bezoeken. Voor vertrek stopt hij een broek en een bijl in een tas. De extra broek had hij volgens eigen zeggen in de tas gedaan omdat hij wist dat hij de broek die hij al aan had, toch weg zou gooien. Op een gegeven moment heeft verdachte zich verkleed, de bijl uit de tas gehaald en in zijn broeksband gestopt. Als verdachte het slachtoffer ziet, gaat hij achter hem zitten en vraagt hij om een sleutel. Als het slachtoffer de sleutel niet wil afgeven, gaat verdachte staan en zegt hij: “Jongen, je gaat nu de sleutel hier geven, anders hak ik die bijl in je kop.’ Het slachtoffer lacht en verdachte herhaalt nogmaals: ‘Je gaat hem nu echt geven, anders hak ik die bijl recht in je kop.’. Vervolgens slaat verdachte het slachtoffer met de bijl in het achterhoofd.

De rechtbank leidt uit dit handelen van verdachte af dat hij voorbedachten rade had. Verdachte heeft voorafgaand aan zijn bezoek aan het slachtoffer extra kleding en een bijl meegenomen en heeft bewust de confrontatie opgezocht met het slachtoffer. Op het moment dat verdachte bij het slachtoffer was en zei dat hij bij het niet afgegeven van de sleutel zijn bijl zou gebruiken, bestond naar het oordeel van de rechtbank de gelegenheid tot nadenken over de betekenis van zijn handelen en de gevolgen daarvan. De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte met voorbedachten rade heeft gehandeld.

De aanwezigheid van de hierna te bespreken psychische stoornis bij verdachte sluit naar het oordeel van de rechtbank niet uit dat er sprake is van voorbedachten rade, maar is (mede) bepalend voor de mate van toerekenbaarheid van het strafbare feit aan verdachte.

De rechtbank verwerpt derhalve het verweer van de raadsman.

De rechtbank acht hetgeen primair ten laste is gelegd wettig en overtuigend bewezen.

5. DE BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen hetgeen verdachte primair ten laste is gelegd, met dien verstande dat:

hij op 11 augustus 2010 in de gemeente Kampen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk met voorbedachte rade (Slachtoffer) van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg die (Slachtoffer)meermalen met een (scherp) slagvoorwerp tegen het achterhoofd heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Wat meer of anders ten laste is gelegd, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

6. DE STRAFBAARHEID VAN HET BEWEZENVERKLAARDE

Er zijn geen feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde feit uitsluiten.

7. DE STRAFBAARHEID

Het bewezen verklaarde levert op:

Poging tot moord, strafbaar gesteld bij artikel 289 in samenhang met artikel 45 van het Wetboek van Strafrecht

8. DE STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van de feiten of van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar.

9. DE STRAFOPLEGGING

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft een gevangenisstraf gevorderd van twee jaren, met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht, alsmede dat aan verdachte de maatregel zal worden opgelegd van TBS met voorwaarden.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht een gevangenisstraf op te leggen van 13 á 14 maanden en heeft aangegeven dat hij en verdachte zich kunnen vinden in het standpunt van de officier van justitie met betrekking de gevorderde TBS met voorwaarden.

Het oordeel van de rechtbank

Gelet op de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden waaronder verdachte zich daaraan heeft schuldig gemaakt en op de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht de rechtbank de hierna te noemen beslissing passend.

Verdachte heeft gepoogd het slachtoffer van het leven te beroven. Verdachte heeft voor het bezoek aan het slachtoffer een bijl meegenomen. Bij het treffen van het slachtoffer is verdachte achter het slachtoffer gaan zitten en heeft hij hem na een woordenwisseling tweemaal met de bijl in het achterhoofd geslagen. Als gevolg van deze slagen heeft het slachtoffer twee diepe sneden in zijn achterhoofd en een schedelbreuk opgelopen. Het is niet aan de verdachte te danken dat zijn handelen geen fatale afloop heeft gehad.

Door aldus te handelen heeft de verdachte een grove inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Mede gelet op de slachtofferverklaring van het slachtoffer valt te verwachten dat deze nog lange tijd de psychische gevolgen zal ondervinden van hetgeen de verdachte hem heeft aangedaan. De rechtbank rekent dit de verdachte zwaar aan.

De rechtbank heeft eveneens rekening gehouden met een de verdachte betreffend Pro Justitia rapport met aanvullingen, uitgebracht door C.J.M. Vredeveld (forensisch psychiater) en I.I. van der Klaauw (psycholoog).

Samenvattend komt uit de rapportage en de aanvulling daarop van psychiater Vredeveld naar voren dat verdachte thans, evenals ten tijde van het ten laste gelegde, lijdt aan zowel een ziekelijke stoornis alsook een gebrekkig ontwikkeling van zijn geestvermogens, diagnostisch te omschrijven als multipele verslavingspathologie in combinatie met persoonlijkheidgestoordheid van vooral het anti-sociale type. Daarnaast was verdachte ook rand-psychotisch met een paranoïdhallucinantoir syndroom en heeft hij een chronische aanpassingsstoornis. Uit psychiatrisch oogpunt wordt verdachte ook als sterk verminderd toerekeningsvatbaar aangemerkt.

Geadviseerd wordt een adequate, aanvankelijk klinische op te zetten ‘tripel’ diagnose behandeling (psychose geneigdheid, persoonlijkheidsstoornis en verslaving) in een gestructureerd forensisch psychiatrisch kader, bijvoorbeeld een forensische verslavingskliniek of een dubbeldiagnose psychiatrie-afdeling. Van daaruit laat zich een stevig justitieel gecontroleerde en intensief begeleide resocialisatie (verslavingszorg, forensische nazorg) projecteren in de vervolgfase van een dergelijke klinische behandeling, die waarschijnlijk langer dan één jaar gaat duren. Gelet op de mate van toerekeningsvatbaarheid, de pathologie van verdachte en gevaarstendenzen is de maatregel van een terbeschikkingstelling onder voorwaarden aangewezen.

Uit de rapportage en de aanvulling daarop van psycholoog Van der Klaauw volgt dat verdachte lijdt aan zowel een ziekelijke stoornis als aan een gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens, in de vorm van verslaving aan cannabis en misbruik van verschillende

andere middelen in combinatie met een antisociale persoonlijkheidsstoornis in ontwikkeling en (al dan niet tijdelijk onder invloed van een randpsychotische toestand) zwakbegaafd functioneren. Daarnaast was er bij betrokkene retrospectief naar alle waarschijnlijkheid ook sprake van een randpsychotisch syndroom met pathologische achterdocht.

Om recidive te voorkomen heeft betrokkene een behandeling nodig die gericht zou moeten zijn op de aanpak van zijn verslaving, het (zo nodig medicamenteus) behandelen van zijn psychose, het ontwikkelen van een prosociale leefstijl en het herstel van de familiebanden teneinde betrokkene te stabiliseren en stapsgewijs te resocialiseren, waarbij terugkeer naar Kampen vanwege de hem bekende gebruikersgroep vermeden moet worden. Een dergelijke behandeling kan alleen klinisch gedaan worden. Verdachte is aangewezen op een behandeling in een justitiële verslavingskliniek die tevens gespecialiseerd is in persoonlijkheidsproblematiek. Daar kan dan tevens bekeken worden of er onder de door drugs geïnduceerde psychose ook nog een endogeen psychotisch proces gaande is. Omdat betrokkene gemotiveerd is voor een drugsvrij bestaan, verstoorbaar en nog niet verhard is, wordt een positief behandelresultaat niet uitgesloten, mits er geen sprake is van een endogeen psychotisch proces.

De behandeling zal intensief en langdurend (langer dan een jaar) zijn en om het risico op recidive bij voortijdig staken van de behandeling uit te sluiten, wordt een behandeling in het kader van TBS met voorwaarden geadviseerd.

De rechtbank neemt de conclusies betreffende de verminderde toerekeningsvatbaarheid van de verdachte op de daarvoor in voornoemde rapportages bijeengebrachte gronden over en maakt die tot de hare.

Voorts heeft de rechtbank rekening gehouden met een de verdachte betreffend Reclasseringsadvies van Tactus d.d. 22 juli 2011 en de aanvulling daarop d.d. 19 september 2011. Uit voornoemde rapportages blijkt dat op grond van het middelengebruik, de problemen op meerdere leefgebieden en de psychiatrische en persoonlijkheidsproblematiek wordt geadviseerd om verdachte de maatregel TBS met de in het rapport genoemde voorwaarden op te leggen.

De rechtbank neemt de conclusies van deze deskundigen ten aanzien van de op te leggen strafmodaliteit over en maakt die tot de hare. De rechtbank concludeert dat op grond van deze rapporten een TBS met voorwaarden een passende en geboden straf is. Invulling van deze maatregel zal geschieden op de wijze zoals weergegeven in de rapportage van Tactus d.d. 22 juli 2011 en de aanvulling daarop d.d. 19 september 2011. Verdachte heeft zich tot naleving van de genoemde voorwaarden bereid verklaard.

Voorts acht de rechtbank in dit geval, naast het opleggen van TBS met voorwaarden, oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van de hierna te melden duur noodzakelijk, omdat de aard en ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde door een lichtere strafrechtelijke afdoening van de zaak miskend zouden worden. Bijzondere omstandigheden die tot een ander oordeel zouden moeten leiden, acht de rechtbank niet aanwezig. De rechtbank acht de door de officier van justitie gevorderde onvoorwaardelijk op te leggen gevangenisstaf voor de duur van twee jaren passend en geboden.

Bij haar beslissing heeft de rechtbank voorts, naast de reeds aangehaalde rapportages, rekening gehouden met een de verdachte betreffend uittreksel justitiële documentatie d.d. 5 juli 2011 en een de verdachte betreffende rapport, uitgebracht door Tactus van 29 oktober 2010.

10. DE BENADEELDE PARTIJ

Voor aanvang van de terechtzitting heeft (Slachtoffer) zich als benadeelde partij in dit geding gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van schade ten gevolge van het aan verdachte ten laste gelegde feit. De hoogte van die schade wordt door de benadeelde partij begroot op een bedrag van € 3.130,00.

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd de vordering van de benadeelde partij volledig toe te wijzen en aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht de gevorderde immateriële schadevergoeding te matigen omdat de vordering op dit punt onvoldoende onderbouwd is.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat de schade tot een bedrag van € 130,00 (materiële schade) een rechtstreeks gevolg is van de bewezen verklaarde feiten, en acht verdachte aansprakelijk voor die schade. Het gevorderde is tot dat bedrag voldoende aannemelijk gemaakt en de rechtbank zal de vordering tot dat bedrag toewijzen.

De rechtbank bepaalt de vergoeding voor de immateriële schade ex aequo et bono op een bedrag groot € 2.000,00. De rechtbank baseert zich daarbij op de hoogte van immateriële schadevergoedingen in vergelijkbare zaken.

De vordering van de benadeelde partij levert naar het oordeel van de rechtbank voor wat betreft het meer gevorderde een onevenredige belasting op van het strafgeding. De rechtbank zal derhalve bepalen dat de benadeelde partij voor dat deel van de vordering niet-ontvankelijk is en dat de vordering ter zake dit deel slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

De rechtbank zal voorts aan de verdachte op de voet van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een geldsom van € 2.130,00 ten behoeve van het slachtoffer (Slachtoffer).

11. TOEPASSELIJKHEID WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op de artikelen 10, 27, 36f, 38, 38a, 45 en 289 van het Wetboek van Strafrecht, zoals de artikelen luiden ten tijde van het bewezen verklaarde.

12. BESLISSING

De rechtbank:

Ten aanzien van de tenlastelegging

Bewezenverklaring

- verklaart het primair ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 5. is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van hetgeen meer of anders ten laste is gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart de bewezen verklaarde feiten strafbaar;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van twee jaren;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

- gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld en stelt daarbij de volgende voorwaarden;

Algemene voorwaarden:

• Verdachte houdt zich aan de voorwaarden en aanwijzingen die haar gesteld zijn door of namens de toezichthoudende instantie, te weten door of namens Tactus Reclassering te Zwolle;

• Verdachte zal zich niet schuldig maken aan strafbare feiten of zich in situaties begeven die voor hem risicovol zijn en/of haar resocialisatie in gevaar brengen;

• Verdachte zal zich niet buiten de Nederlandse grenzen begeven;

• Verdachte stelt zich voor Tactus Reclassering open en controleerbaar op en geeft toestemming aan de reclassering om contact te hebben met alle personen en instellingen uit zijn sociale netwerk, die in deze voorwaarden met name worden genoemd. Tevens geeft hij aan deze personen/instellingen toestemming informatie uit te wisselen met de reclassering;

Bijzondere voorwaarden:

• Verdachte laat zich klinisch behandelen binnen Forensische Psychiatrische Kliniek (FPK) de Woensele Poort, of een soortgelijke instelling voor de duur van in ieder geval één jaar en zes maanden;

• Verdachte houdt zich gedurende de opname binnen FPK de Woenselse Poort te Eindhoven of een soortgelijke instelling aan de huisregels, het vrijhedenprotocol en afspraken met behandelaren van FPK de Woenselse Poort te Eindhoven of de soortelijke instelling;

• Eventuele verloven vinden enkel plaats na instemming van de reclassering en zijn behandelaars van FPK de Woensele Poort te Eindhoven of een soortgelijke instelling;

• Verdachte zal zich onthouden van hard- en softdrugsgebruik en alcoholgebruik. Indien geïndiceerd werkt hij mee aan urineonderzoeken, blaastesten of bloedcontroles;

• Verdachte zal zich na de opname in FPK de Woenselse Poort te Eindhoven of een soortgelijke instelling houden aan de aanwijzingen te geven door de reclassering en zal daarbij een traject volgen dat de behandelaren nodig of wenselijk achten. Aanwijzingen zullen gegeven worden omtrent de behandeling, dagbesteding, het middelengebruik, de huisvestiging, financiën en medicijninname;

• Verdachte vermijdt sociale contacten die een verkeerde invloed op hem (kunnen) hebben en hem in de problemen (kunnen) brengen;

• Verdachte dient zijn medewerking te verlenen aan eventuele medicamenteuze therapie, voorgeschreven door de behandelend arts/psychiater. Deze medicatie zal zo nodig onder controle ingenomen worden;

• Verdachte onderhoudt contact met de reclassering. Gedurende de klinische behandeling heeft hij in principe eenmaal per maand een gesprek met de reclassering. Na de klinische behandeling vindt er in principe eenmaal per week een gesprek plaats.

- de rechtbank geeft opdracht aan de in de voorwaarden genoemde instelling overeenkomstig artikel 38, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht;

Ten aanzien van de benadeelde partij

- veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij (Slachtoffer) van een bedrag van € 2.130,00 met veroordeling van verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

- legt op aan verdachte de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot

€ 2.130,00 ten behoeve van het slachtoffer (Slachtoffer) voornoemd, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 31 dagen hechtenis;

- bepaalt dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat, daarmee verdachtes verplichting tot betaling aan de benadeelde partij (Slachtoffer) in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij (Slachtoffer), daarmee verdachtes verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen;

- bepaalt dat de benadeelde partij (Slachtoffer) voor wat het meer gevorderde betreft in zijn vordering niet-ontvankelijk is en dat hij zijn vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Aldus gewezen door mr. A.J. Louter, voorzitter, mrs. L.J.C. Hangx en A.P.W. Esmeijer, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S.J. Verheij-de Vries als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 4 oktober 2011.

Mr. A.J. Louter was buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen