Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2011:BU3285

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
04-08-2011
Datum publicatie
03-11-2011
Zaaknummer
07/663452-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

poging doodslag (shaken baby syndroom), verminderd toerekeningsvatbaar; bewijs- en strafmaatmotivering

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE - LELYSTAD

Sector Strafrecht - Meervoudige Strafkamer

Parketnr. : 07.663452-10

Uitspraak: 4 augustus 2011

Vonnis in de zaak van:

het openbaar ministerie

tegen

(Verdachte),

geboren op (Geboortedatum) te (Geboorteplaats),

wonende te (Adres),

ten tijde van de terechtzitting verblijvende in de (Verblijfplaats).

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 31 mei 2011 en 21 juli 2011. De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. J. Kooijmans namens mr. U. Yildirim, advocaat te Zwolle.

De officier van justitie, mr. A.E. Postma, heeft ter terechtzitting gevorderd de veroordeling van verdachte tot een gevangenisstraf van 30 maanden waarvan 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren met de bijzondere voorwaarde dat verdachte zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen te geven door of namens de Reclassering Nederland, een meldingsgebod en een ambulante behandeling bij de Tender te Deventer of een soortgelijke instelling.

TENLASTELEGGING

De verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 15 november 2010 te Wijhe, gemeente Olst-Wijhe, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk (Slachtoffer) (geboren (Geboortedatum Slachtoffer)) van het leven te beroven, met dat opzet die (Slachtoffer) meermalen, althans éénmaal (met kracht) vast te pakken en/of (vervolgens) (met kracht) heen en weer te schudden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks de periode 15 november 2010 te Wijhe, gemeente Olst-Wijhe, aan zijn kind, althans aan een persoon ((Slachtoffer), geboren (Geboortedatum Slachtoffer)), opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (een ribfractuur en/of subdurale hematomen en/of retinabloeding(en) en/of hersenletsel en/of vochtophopingen en/of bloedingen in de hersenen), heeft toegebracht, door deze opzettelijk (met kracht) vast te pakken en/of (vervolgens) meermalen, althans éénmaal (met kracht) heen en weer te schudden.

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 15 november 2010 te Wijhe, gemeente Olst-Wijhe, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan zijn kind, althans aan een persoon genaamd (Slachtoffer) (geboren (Geboortedatum Slachtoffer)), opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet die (Slachtoffer) (met kracht) vast te pakken en/of (vervolgens) meermalen, althans éénmaal (met kracht) heen en weer te schudden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Ten gevolge van een kennelijke vergissing staat in de tenlastelegging in de vierde regel van het primair ten laste gelegde “(met kracht) vast te pakken en/of (vervolgens (met kracht) heen en weer te schudden” in plaats van “(met kracht) heeft vastgepakt en/of (vervolgens (met kracht) heen en weer geschud. De rechtbank herstelt deze vergissing door het laatste te lezen voor het eerste. Blijkens het onderzoek ter terechtzitting wordt de verdachte daardoor in de verdediging niet geschaad.

BEWIJS

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte primair ten laste is gelegd, met dien verstande dat:

hij op 15 november 2010 te Wijhe, gemeente Olst-Wijhe, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk (Slachtoffer) (geboren (Geboortedatum Slachtoffer)) van het leven te beroven, met dat opzet die (Slachtoffer) meermalen (met kracht) heeft vastgepakt en vervolgens, met kracht heen en weer geschud, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Opzet

De rechtbank verwerpt het gevoerde verweer dat verdachte op geen enkele wijze opzet heeft gehad om (Slachtoffer) van het leven te beroven dan wel zwaar lichamelijk letsel toe te brengen of een poging daartoe heeft gedaan.

De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij in de ochtend van 15 november 2010 de controle over zichzelf heeft verloren door (onder meer) het langdurig blijven jengelen/huilen van (Slachtoffer). Verdachte heeft naar zijn zeggen (Slachtoffer) dientengevolge onder zijn okseltjes vastgepakt met het gezicht van (Slachtoffer) naar zich toe, waarbij hij zijn duimen op de borstkas van (Slachtoffer) hield en de vingers op de rug en aldus het nekje van (Slachtoffer) niet heeft ondersteund. Verdachte heeft op deze wijze het kind heen en weer geschud (van zich af en naar zich toe). Hij heeft (Slachtoffer) - voor zover hij het zich kan herinneren - in zijn beleving twee à drie keer hard geschud en schat dat dit schudden ongeveer vier seconden heeft geduurd. Verdachte zag dat het hoofdje van (Slachtoffer) één maal naar voren, waarbij het kinnetje van (Slachtoffer) op zijn borst kwam, en één maal naar achteren sloeg, waarbij het neusje van (Slachtoffer) in de richting van het plafond wees. Betrekkelijk kort na dit schudincident verloor (Slachtoffer) volgens verdachte het bewustzijn. Verdachte heeft voorts verklaard dat hem vanaf het begin door de kraamverzorgster is verteld dat (Slachtoffer) vrij slappe nekspieren heeft en dat het hoofdje altijd goed moest worden ondersteund omdat het anders met zijn nekje mis kon gaan. Dat verdachte zich hiervan bewust was blijkt ook uit het feit dat hij het nekje van (Slachtoffer) bij een gelegenheid waarbij (Slachtoffer) niet lekker werd op 13 november 2010 wel goed heeft ondersteund.

De rechtbank acht het een feit van algemene bekendheid dat een baby kwetsbaar is en dat de kwetsbaarheid groter is naarmate de baby jonger is. Het is algemeen bekend dat bij een jonge baby botten, spieren en weefsels nog zo weinig ontwikkeld en draagkrachtig zijn, dat bij het oppakken en in de omgang met een baby uiterste voorzichtigheid is geboden. Een babylichaam, en in het bijzonder het relatief grote en zware hoofd, dient zoveel mogelijk te worden ondersteund. Dit geldt ook voor een baby van 13 weken oud, waarbij, zoals in het geval van (Slachtoffer), extra voorzichtigheid was geboden nu (Slachtoffer) blijkens het dossier behept was met slappere nekspieren dan in het algemeen bij een baby, hetgeen verdachte wist.

Indien niet met de hiervoor genoemde behoedzaamheid wordt gehandeld bij het oppakken en vasthouden van een baby, dan kan dit aan de nek of in de hersenen letsel veroorzaken of zelfs leiden tot de dood van een baby.

De rechtbank is van oordeel dat de kans dat, waar het onvoorzichtig oppakken van een jonge baby al letsel kan veroorzaken, de kans dat een baby van drie maanden oud komt te overlijden aan de gevolgen van het hevig door elkaar schudden naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten en dat dit een feit is van algemene bekendheid.

Uit het door de Forensische Polikliniek Kindermishandeling uitgebrachte rapport d.d. 12 juli 2011 blijkt dat bij (Slachtoffer) op 15 november 2010 gedurende zijn opname in zowel de Isala Klinieken te Zwolle als in het UMC Groningen een bloeding onder het harde hersenvlies, een puntbloeding in de hersenen, vochtophoping in de hersenen, uitgebreide netvliesbloedingen in beide ogen, een ribbreuk, huidletsel op de borst, bil, knieën en op het achterhoofd is geconstateerd. Naar het oordeel van de deskundige duidt de combinatie van letsels bij (Slachtoffer) specifiek op het doorgemaakt hebben van een acceleratie-decelaratietrauma (schudincident). Gebruikelijke verzorgingshandelingen zullen niet tot het beschreven letsel bij (Slachtoffer) leiden, ook niet bij ongelukkige uitvoering van die verzorgingshandeling. Ook kan dit letsel niet ontstaan zijn door eigen toedoen of gedragingen van het kind. Naar het oordeel van de deskundige zal er om het letsel bij (Slachtoffer) te veroorzaken, vaker of langer moeten zijn geschud dan de twee à drie keer zoals verdachte, volgens zijn verklaring, zich heeft herinnerd te hebben geschud. Voor het ontstaan van bloedingen onder het harde hersenvlies is een aanmerkelijke kracht (door een puber/volwassene) frequentie ((circa 2 - 5 Hz) gelijk aan de kracht die vrijkomt bij een auto-ongeval)) en duur (vanaf circa 5 seconden) vereist.

Uit het onderzoek is niet gebleken dat het letsel van (Slachtoffer) door andere oorzaken, zoals een geboortetrauma, stollingsstoornissen, aangeboren vaatstoornissen e.d. kan zijn veroorzaakt.

De rechtbank is van oordeel dat - gelet op het vorenstaande en mede gelet op de uitkomsten van het deskundigenonderzoek - verdachte langer dan de door hem gestelde vier seconden substantieel geweld op (Slachtoffer) moet hebben uitgeoefend. Daarbij heeft de rechtbank eveneens betrokken de verklaring van verdachte, zoals hij die ten overstaan van de politie heeft afgelegd, dat hij (Slachtoffer) toch wel wat harder heeft behandeld dan normaal en dat hij de kracht van zijn eigen vingers niet kent.

Naar het oordeel van de rechtbank kan het met kracht en snel door elkaar schudden van (Slachtoffer), op de wijze en de duur, in het bijzonder gelet op de aard van de gedraging, naar zijn uiterlijke verschijningsvorm worden beschouwd als zo zeer te zijn gericht op het toebrengen van dodelijk letsel aan (Slachtoffer) dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte de aanmerkelijke kans op dit gevolg ook heeft aanvaard. Uit het onderzoek ter terechtzitting zijn geen contra-indicaties naar voren gekomen die tot een ander oordeel zouden moeten leiden.

Mitsdien acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte opzettelijk (in voorwaardelijke zin) heeft gepoogd (Slachtoffer) van het leven te beroven, zoals in de bewezenverklaring is omschreven.

Van het primair meer of anders ten laste gelegde zal de verdachte worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet wettig en overtuigend bewezen acht.

STRAFBAARHEID

Het bewezene levert op:

Poging tot doodslag, strafbaar gesteld bij artikel 287 juncto artikel 45 van het Wetboek van Strafrecht.

De verdachte is deswege strafbaar, nu geen feiten of omstandigheden gebleken zijn die die strafbaarheid zouden opheffen of uitsluiten.

OPLEGGING VAN STRAF OF MAATREGEL

Gelet op de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden waaronder verdachte zich daaraan heeft schuldig gemaakt en op de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht de rechtbank de na te noemen beslissing passend.

Bij haar beslissing heeft de rechtbank rekening gehouden met:

- een de verdachte betreffend uittreksel justitiële documentatie d.d. 24 juni 2011;

- een de verdachte betreffend reclasseringsadvies d.d. 10 juni 2011, uitgebracht door Reclassering Nederland;

- een de verdachte betreffend (beknopt) reclasseringsadvies d.d. 1 juli 2011, uitgebracht door Reclassering Nederland;

- een psychologisch rapport betreffende verdachte d.d. 7 juni 2011, uitgebracht door drs. M. van Heteren, GZ-psycholoog te Arnhem;

- een psychiatrisch rapport betreffende verdachte d.d. 7 juni 2011, uitgebracht door dr. T.W.D.P. van Os, psychiater te Groningen.

De twee vermelde gedragskundige rapporten houden als conclusie onder meer in dat bij betrokkene ten tijde van het plegen van het primair ten laste gelegde feit - indien bewezen - sprake is van een ziekelijke stoornis van de geestvermogens, te weten een post traumatische stress stoornis tot uiting komend in herbelevingen, nachtmerries, schrikachtigheid, vermijding en lichamelijke klachten zoals migraine. Er is geen aanwijzing voor een gebrekkige ontwikkeling doch wel van een persoonlijkheidsproblematiek, te weten: trekken van een afhankelijke en ontwijkende persoonlijkheidsstoornis. Betrokkene had weliswaar voldoende inzicht in het ongeoorloofde van het hem ten laste gelegde, maar was onvoldoende in staat om zijn wil in overeenstemming met zijn inzicht te bepalen. Om die reden achten de deskundigen betrokkene verminderd toerekeningsvatbaar voor het hem ten laste gelegde.

De deskundigen schatten het risico op herhaling op korte termijn niet groot. Zij achten echter een behandeling in een forensische polikliniek en begeleiding noodzakelijk om de kans op herhaling van een agressief delict op langere termijn binnen aanvaardbare grenzen te krijgen.

Zij adviseren een gedeeltelijk voorwaardelijke vrijheidsstraf met als voorwaarden dat betrokkene zich onder toezicht stelt van de reclassering en zich houdt aan de aanwijzingen van deze instantie en een ambulante behandeling aangaat gericht op het verwerken van de post traumatische stressstoornis.

De rechtbank neemt de conclusie op de in de rapportages aangedragen gronden over en maakt het oordeel van de deskundigen tot het hare.

De rechtbank is in dit geval van oordeel dat een gedeeltelijk onvoorwaardelijke vrijheidsstraf noodzakelijk is, omdat de aard en ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde door een lichtere strafrechtelijke afdoening van de zaak miskend zouden worden. Bijzondere omstandigheden die tot een ander oordeel zouden moeten voeren, acht de rechtbank niet aanwezig.

De rechtbank houdt er evenwel in het bijzonder ook rekening mee dat verdachte, gelet op de uit de hierboven vermelde Pro Justitia rapportages blijkende persoonlijkheidsproblematiek, naar alle waarschijnlijkheid heeft gehandeld uit machteloosheid. Voorts achten de deskundigen aannemelijk dat stressoren in de periode vlak voor het delict (het onverwerkt overlijden van zijn moeder) en een controlevermindering door een door medicijnen onderdrukte migraineaanval, het weerstandsvermogen van de verdachte hebben ondermijnd. Verdachte heeft verklaard zich te schamen voor en zich schuldig te voelen over wat hij zijn zoontje heeft aangedaan en dat hij er alles aan zal doen om te voorkomen dat het in de toekomst ooit weer zal escaleren. Verdachte komt daarbij oprecht schuldbewust over. De rechtbank zal met deze omstandigheden in het kader van de straftoemeting rekening houden. Als strafverminderende factoren wegen voorts mee dat verdachte blijkens een de verdachte betreffend uittreksel justitiële documentatie niet eerder voor geweldsmisdrijven in aanraking is geweest met justitie en dat hij reeds in forse mate de gevolgen van zijn handelen heeft ondervonden en blijvend zal ondervinden.

Immers, verdachte is als rechtstreeks gevolg van zijn voorlopige hechtenis door zijn werkgever geschorst in zijn functie bij het Ministerie van Defensie. Voorts is thans de relatie met de moeder van zijn kind ernstig verstoord, waardoor verdachte (voorlopig) niet kan terugkeren in het gezin en het nog zeer de vraag is of de gezinsband in de toekomst hersteld zal kunnen worden. Bovendien zal verdachte moeten leren leven met het gegeven dat hij schuldig is geacht aan een poging zijn eigen kind te doden, hetgeen op zich al een zware last is. Daarbij komt dat nog onzeker is of (Slachtoffer) in zijn verdere ontwikkeling blijvend gevolgen zal ondervinden van het handelen van verdachte en wat deze gevolgen precies behelzen.

Gelet op de hierboven genoemde omstandigheden en het feit dat verdachte ter terechtzitting nadrukkelijk kenbaar heeft gemaakt dat hij een behandeling wil ondergaan om de traumatische gebeurtenissen in zijn eigen verleden te verwerken, zodat hij in de toekomst beter om kan gaan met stressvolle situaties en om herhaling van wat hij zijn zoontje heeft aangedaan te voorkomen, zal de rechtbank bepalen dat een fors gedeelte van de vrijheidsstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, mits de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van twee jaren niet aan een strafbaar feit schuldig maakt en hij zich gedurende die proeftijd zal gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen, te geven door of namens de Reclassering Nederland, ook met betrekking tot het ondergaan van een behandeling.

De oplegging van de straf is, behalve op de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften, gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 14d en 27 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het primair ten laste gelegde is bewezen zoals hiervoor aangegeven en levert het strafbare feit op, zoals hiervoor vermeld. De verdachte is deswege strafbaar.

Het primair meer of anders ten laste gelegde is niet bewezen en de verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van

20 (twintig) maanden.

De tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, zal bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering worden gebracht.

Van de gevangenisstraf zal een gedeelte, groot 15 (vijftien) maanden, niet worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond van het feit dat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van twee jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of gedurende die proeftijd de hierna te melden bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd.

Als bijzondere voorwaarde wordt gesteld dat de verdachte zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen, te geven door of namens de Reclassering Nederland, ook als die een meldingsgebod en een ambulante behandeling bij de Tender te Deventer of een soortgelijke instelling inhouden, zulks zolang deze instelling of een door haar aan te wijzen andere reclasseringsinstelling dat gedurende de proeftijd nodig oordeelt, met opdracht aan die instelling als bedoeld in artikel 14d van het Wetboek van Strafrecht.

Aldus gewezen door mr. G.A. Versteeg, voorzitter, mr. F. van der Maden en

mr. A.P.W. Esmeijer, rechters, in tegenwoordigheid van W.F. Grotenhuis als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 4 augustus 2011.

Mr. Versteeg voornoemd was buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.