Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2011:BU2057

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
17-10-2011
Datum publicatie
27-10-2011
Zaaknummer
07.996564-08 en 08.750208-08 (tul)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank overweegt ten aanzien van haar bevoegdheid als volgt.

Artikel 39, tweede lid, van de Wet op de economische delicten bepaalt dat berechting door een andere dan de economische kamer mogelijk is indien economische delicten zijn begaan in samenhang met een of meer strafbare feiten, niet zijnde economische delicten waarvan de rechtbank bevoegd is kennis te nemen en die economische delicten ten laste zijn gelegd samen met een of meer van die andere strafbare feiten.

Het in genoemd artikellid bedoelde situatie doet zich hier voor: naast de ten laste gelegde economische delicten is ook het delict als genoemd in artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht ten laste gelegd.

Daarnaast verwerpt de rechtbank het verweer dat de officier van justitie niet-ontvankelijk is. Er is geen sprake van onherstelbare vormverzuimen.

Veroordeling wegens onder meer invoer van illegaal vuurwerk en criminele organisatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE – LELYSTAD

Sector Strafrecht - Meervoudige Strafkamer

Parketnummers: 07.996564-08 en 08.750208-08 (tul) [P]

Uitspraak: 17 oktober 2011

VONNIS IN DE STRAFZAAK VAN:

het openbaar ministerie

tegen

[verdachte 4]

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats]

wonende [woonplaats]

1. HET ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

De inhoudelijke behandeling heeft op 29 september, 30 september en 3 oktober 2011 plaatsgevonden te Utrecht. Verdachte is telkens verschenen, telkens bijgestaan door mr. W.J. Vroegindeweij, advocaat te Katwijk.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officieren van justitie mr. A.L.A.H. de Muij en mr. M.H.E. Groeneboer en van de standpunten door de raadsman van verdachte naar voren gebracht.

2. DE TENLASTELEGGING

De verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij, in of omstreeks de periode van 1 augustus 2009 tot en met 31 oktober 2009 te [plaats 1], gemeente [gemeente 1], en/of [plaats 2], gemeent[adres]ente 2], in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een (of meer) ander(en), althans alleen, opzettelijk, (ongeveer 30.000 kilogram) consumentenvuurwerk, te weten (onder andere)

- 849, in ieder geval een of meer, Chinese rollen en/of

- 5.740, in ieder geval een of meer, flowerbeds en/of

- 76.141, in ieder geval een of meer, nitraatklappers,

binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht en/of voorhanden heeft gehad ten aanzien waarvan niet werd voldaan aan de bij het Vuurwerkbesluit gestelde eisen of ter uitwerking van dit besluit krachtens artikel 9.2.2.1 Wet milieubeheer gestelde regels, immers,

• waren genoemde Chinese rollen en/of flowerbeds en/of nitraatklappers (telkens) niet voorzien van een in de Nederlandse taal gestelde gebruiksaanwijzing met zodanige aanwijzingen en waarschuwingen dat bij het dienovereenkomstig handelen geen letsel of schade bij de gebruiker en/of omstanders kon ontstaan (als bedoeld in artikel 2.1.3 Vuurwerkbesluit) en/of

• waren genoemde Chinese rollen en/of nitraatklappers (telkens) in strijd met het bepaalde in Bijlage III (A2) van de Regeling nadere eisen aan vuurwerk 2004 voorzien van een lading (voor knaleffect) welke niet uitsluitend bestond uit zwart buskruit en/of

• waren een of meer van genoemde flowerbeds (telkens) in strijd met het bepaalde in Bijlage III (C2) behorende bij de Regeling nadere eisen aan vuurwerk 2004 voorzien van een lading met een groter gezamenlijk gewicht dan 500 gram en/of

• bedroeg het brutogewicht van genoemde Chinese rollen en/of van een of meer van genoemde flowerbeds (telkens) in strijd met artikel 6 lid 5 van de Regeling nadere eisen aan vuurwerk 2004 meer dan 10 kilogram en/of

• waren een of meer van genoemde flowerbeds (telkens) in strijd met het bepaalde in artikel 5 lid 1 van de Regeling naderen eisen aan vuurwerk 2004 voorzien van meer dan één lont;

2.

hij, in of omstreeks de periode van 1 augustus 2009 tot en met 31 oktober 2009 te [plaats 2], gemeente [gemeente 2], in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een (of meer) ander(en), althans alleen, opzettelijk, (ongeveer) 30.000 kilogram, in ieder geval meer dan 10 kilogram, (consumenten)vuurwerk, te weten (onder andere)

- 849, in ieder geval een of meer, Chinese rollen en/of

- 5.621, in ieder geval een of meer, flowerbeds en/of

- 76.141, in ieder geval een of meer, nitraatklappers,

buiten een inrichting als bedoeld in artikel 1.1.4, 2.2.1, 2.2.2 of 3.2.1 van het Vuurwerkbesluit, voorhanden heeft gehad, immers had hij, verdachte en/of een of meer van zijn mededader(s) dit (consumenten)vuurwerk, voorhanden in een loods gelegen aan de [adres 1] aldaar;

3.

hij, op één of meer tijdstippen in de periode van 1 juli 2006 tot en met 17 november 2009 in Nederland en/of Duitsland en/of Polen heeft deelgenomen aan een organisatie die werd gevormd door verdachte en [verdachte 2] en/of [verdachte 1] en/of [verdachte 3] en/of [verdachte 5] en anderen, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten het:

- opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen van een (grote) hoeveelheid consumentenvuurwerk ten aanzien waarvan niet werd voldaan aan de bij het Vuurwerkbesluit gestelde eisen of ter uitwerking van dit besluit krachtens artikel 9.2.2.1 Wet milieubeheer gestelde regels (artikel 1.2.2 Vwb) en/of

- plegen van handelingen gericht op het opzettelijk (verder) vervoeren en/of opslaan en/of aan een of meer ander(en) (te weten particulieren) ter beschikking stellen van die (binnen het grondgebied van Nederland gebrachte) hoeveelheid/hoeveelheden consumentenvuurwerk (artikel 1.2.2 Vwb);

4.

hij op verschillende tijdstippen in of omstreeks de periode van 22 juli 2008 tot en met 18 november 2008, te [plaats 3] en/of andere plaatsen in Nederland, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een (of meer) ander(en), althans alleen, opzettelijk, (ongeveer 34.900 kilogram) consumentenvuurwerk, te weten (onder andere) verschillende (grote) hoeveelheden

Chinese rollen en/of flowerbeds en/of mortierbommen en/of lawinepijlen,

binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht en/of voorhanden heeft gehad ten aanzien waarvan niet werd voldaan aan de bij het Vuurwerkbesluit gestelde eisen of ter uitwerking van dit besluit krachtens artikel 9.2.2.1 Wet milieubeheer gestelde regels, immers,

• waren genoemde Chinese rollen en/of flowerbeds en/of nitraatklappers (telkens) niet voorzien van een gebruiksaanwijzing met zodanige aanwijzingen en waarschuwingen dat bij het dienovereenkomstig handelen geen letsel of schade bij de gebruiker en/of omstanders kon ontstaan (als bedoeld in artikel 2.1.3 Vuurwerkbesluit) en/of

• waren een of meer van genoemde Chinese rollen (telkens) in strijd met het bepaalde in Bijlage III (A2) behorende bij de Regeling nadere eisen aan vuurwerk 2004 voorzien van zwart buskruit tot een gewicht van ten hoogste 2500 gram, waarbij één of meer compartimenten meer zwart buskruit bevatten dan 0,5 gram.

• waren een of meer van genoemde flowerbeds (telkens) in strijd met het bepaalde in Bijlage III (C2) behorende bij de Regeling nadere eisen aan vuurwerk 2004 voorzien van een lading met een groter gezamenlijk gewicht dan 500 gram en/of

• bedroeg het brutogewicht van genoemde Chinese rol(len) en/of van een of meer van genoemde flowerbed(s) (telkens) in strijd met artikel 6 lid 5 van de Regeling nadere eisen aan vuurwerk 2004 meer dan 10 kilogram en/of

• waren een of meer genoemde mortierbommen herlaadbaar (artikel 8 Regeling nadere eisen vuurwerk 2004);

3. DE VOORVRAGEN

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is.

Bevoegdheid van de rechtbank

Door de verdediging is als verweer aangevoerd dat niet deze strafkamer bevoegd is van de ten laste gelegde feiten kennis te nemen, maar de economische kamer van de rechtbank. Dat het commuun delict als bedoeld in artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht mede ten laste is gelegd doet daar niet aan af, nu dat commuun delict zeer nauw samenhangt met de mede ten laste gelegde economische delicten.

De rechtbank overweegt ten aanzien van haar bevoegdheid als volgt.

Artikel 39, tweede lid, van de Wet op de economische delicten bepaalt dat berechting door een andere dan de economische kamer mogelijk is indien economische delicten zijn begaan in samenhang met een of meer strafbare feiten, niet zijnde economische delicten waarvan de rechtbank bevoegd is kennis te nemen en die economische delicten ten laste zijn gelegd samen met een of meer van die andere strafbare feiten.

Het in genoemd artikellid bedoelde situatie doet zich hier voor: naast de ten laste gelegde economische delicten is ook het delict als genoemd in artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht ten laste gelegd.

De in artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht strafbaar gestelde gedraging levert een commuun delict op; dit wordt niet anders, wanneer het oogmerk van de betreffende organisatie volgens de tenlastelegging mede was gericht op het begaan van economische delicten. De rechtbank wijst in dit verband op het arrest van het Gerechtshof `s-Hertogenbosch van 23 maart 2004, gepubliceerd in LJN: AO6597 en NJ 2004,299.

De ontvankelijkheid van de officieren van justitie in hun vervolging

Door de verdediging is aangevoerd dat de officieren van justitie niet-ontvankelijk zijn in hun vervolging. De raadsman heeft aangevoerd dat het dossier chaotisch, onduidelijk en onoverzichtelijk is, waardoor de belangen van de verdediging zijn geschaad. Tevens ontbreken een aantal machtigingen van de rechter-commissaris voor het opnemen van telecommunicatie dan wel is niet voldaan aan de wettelijke eisen voor het verlenen van een machtiging. Ten slotte is er sprake van onrechtmatige rechtshulpverzoeken.

De rechtbank overweegt als volgt.

De rechtbank is met de verdediging van oordeel dat het dossier niet uitblinkt in overzichtelijkheid. Na gehele lezing van het dossier, komt de rechtbank echter tot de conclusie dat het dossier – ook ongenummerd – niet zodanig onoverzichtelijk is dat hierdoor sprake is van grove veronachtzaming van de rechten van de verdachte. De rechtbank verwerpt derhalve het verweer van de verdediging ten aanzien van de niet-ontvankelijkheid van de officieren van justitie op grond van artikel 6 van het EVRM.

De rechtbank heeft geconstateerd dat de door de verdediging genoemde stukken inderdaad niet in het dossier aanwezig zijn. Derhalve is er sprake van een onherstelbaar vormverzuim ex. artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering. De rechtbank acht het ontbreken van deze stukken echter van dusdanig ondergeschikt belang dat zij aan deze vormverzuimen geen consequenties verbinden.

Ten aanzien van de aanwijzing Handhaving vuurwerkregelgeving en de handhavingsafspraken vuurwerk 2005 is niet gebleken dat het openbaar ministerie zich niet heeft gehouden aan deze richtlijnen. Derhalve verwerpt de rechtbank ook dit verweer van de verdediging.

Ten aanzien van overtreding van de artikelen van de SUO overweegt de rechtbank het volgende. De rechtbank stelt allereerst vast dat observatie geen dwangmiddel is als bedoeld in artikel 39 van de SUO. Voorts is er sprake van een dubbele strafbaarheid aangezien deelname aan een criminele organisatie genoemd wordt in artikel 40, lid 7, van de SUO, zoals deze luidde in de periode als in de tenlastelegging genoemd. De rechtbank overweegt voorts dat de schriftelijke bevestiging van de bevoegde autoriteit in Duitsland niet ten spoedigste is opgesteld, immers deze is pas na anderhalf jaar opgesteld. De schriftelijke bevestiging is derhalve niet ten spoedigste opgesteld, hetgeen een verzuim is. De rechtbank zal echter aan dit verzuim geen gevolgen verbinden, aangezien niet is gebleken dat de schriftelijke bevestiging niet overeenstemt met de eerder gegeven mondelinge toestemming. Derhalve is er geen sprake van grove veronachtzaming van de rechten van de verdachte.

Ten aanzien van het rechtshulpverzoek van 31 oktober 2011 overweegt de rechtbank als volgt. Het rechtshulpverzoek van 31 oktober 2011 ziet op de inbeslagname van vuurwerk in [plaats 4]. Nu geen van de ten laste gelegde feiten ziet op dit rechtshulpverzoek laat de rechtbank dit door de verdediging aangevoerde verweer buiten beschouwing.

Gelet op voorgaande overwegingen is de rechtbank derhalve van oordeel dat de officieren van justitie ontvankelijk zijn in hun vervolging.

De rechtbank stelt voorts vast dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4. DE BEWIJSMIDDELEN EN DE BEOORDELING DAARVAN

Inleiding

In 2006 startte het VROM-IOD een onderzoek naar invoer van en handel in illegaal vuurwerk. Uit ingekomen informatie bij de Criminele Inlichtingen Eenheid rees het vermoeden dat [ve[verdachte 2] en [verdachte 2] zich bezig zouden houden met illegaal vuurwerk. Naar aanleiding van verkregen informatie is een aantal verschillende strafrechtelijke onderzoeken gestart, waaronder [onderzoek 1] (betrekking hebbende op [verdachte 2]) en [onderzoek 2] (betrekking hebbende op [verdachte 1].). De beschikbare informatie uit deze onderzoeken werd ter beschikking gesteld aan het onderzoek met de naam [onderzoek 3], welke zich eveneens richtte op de mogelijke betrokkenheid van [verdachte 2]. Het onderzoek met de naam [onderzoek 4] richtte zich op de mogelijke betrokkenheid van [verdachte 1]. en [verdachte 5] bij de invoer in Nederland, de opslag en de handel in illegaal vuurwerk. De onderzoeken [onderzoek 3] en [onderzoek 4] zijn in 2009 samengevoegd wat leidde tot een drietal zaaksdossiers, te weten “[plaats 2]-[plaats 4]”, “De partij van een kwart miljoen” en “De criminele organisatie”. Het vermoeden rees dat niet voor consumenten geschikt vuurwerk vanuit China door de beweerdelijke criminele organisatie – bestaande uit onder meer [verdachte 1]., [verdachte 2], [verdachte 3]., [verdachte 5] en [verdachte 4] – in samenwerking met de bedrijven [bedrijf 1] (op naam van [verdachte 1].) en [bedrijf 2] (op naam van [getuige 1]) naar Nederland werd vervoerd en verkocht aan particulieren.

Het standpunt van het openbaar ministerie

Feit 1 en 2.

De officieren van justitie achten de feiten 1 en 2 wettig en overtuigend bewezen.

Drie zeecontainers met vuurwerk vanuit China kwamen via de haven van [plaats 5] (Duitsland) en Polen aan in bunker [bunker] te [plaats 4] (Duitsland). Bunker [bunker] werd door [verdachte 1]. gehuurd. Een groot deel van het vuurwerk afkomstig van de zeecontainers wordt op 30 oktober 2009 in [bunker] opgeslagen en een deel wordt met een vrachtwagen vervoerd naar een loods aan de [adres 1] te [plaats 2] (Nederland). Het vuurwerk in de loods in [plaats 2] wordt diezelfde dag in beslag genomen en blijkt niet te voldoen aan de eisen van het Vuurwerkbesluit en de Regeling nadere eisen aan vuurwerk 2004. Tevens blijkt uit de processen-verbaal van 23 augustus 2010 en 28 september 2011 dat geen melding is gemaakt dan wel een vergunning is aangevraagd voor het opslaan van vuurwerk in [plaats 2]. Derhalve was het vuurwerk buiten een inrichting in de zin van het Vuurwerkbesluit voorhanden. De betrokkenheid van verdachte bij deze feiten blijkt uit de observaties van de politie die zien dat verdachte met anderen vuurwerk vanuit [plaats 4] (Duitsland) naar [plaats 2] vervoert en verdachte vanaf 28 oktober 20009 diverse handelingen verricht voor het transport hetgeen blijkt uit telefoongesprekken tussen [verdachte 2], [verdachte 1]. en [verdachte 5].

Feit 4.

De officieren van justitie achten het feit wettig en overtuigend bewezen.

[verdachte 1]. kocht (op naam van [bedrijf 1]) op 22 juli 2008 van [verdachte 6] voor € 250.000,00 een partij niet voor consumenten geschikt vuurwerk (met het opschrift ‘[X]’). Dit vuurwerk bevond zich in een bunker in Duitsland.

Er is een onmiskenbaar verband tussen het vuurwerk dat door [verdachte 6] is verkocht en het illegale vuurwerk dat in Nederland is aangetroffen bij onder meer [betrokkene 3], [betrokkene 4], [betrokkene 5] en het aantreffen van 656 kilogram illegaal vuurwerk in [plaats 3]. Daarbij komt dat bij de doorzoeking in [plaats 3] ([adres 2]) op 17 december 2008 restanten van vuurwerk zijn aangetroffen met daarop het opschrift ‘[X]’. Volgens informatie van VROM zijn er sinds begin 2007 geen registraties meer geweest van import door de firma [X]. Het vuurwerk dat bij de afnemers is terecht gekomen is derhalve afkomstig uit de partij vuurwerk die [verdachte 6] heeft verkocht.

In de periode van 22 juli 2008 tot en met 18 november 2008 heeft [verdachte 6] zes maal vuurwerk geleverd aan verschillende personen die het vuurwerk ophaalden namens [verdachte 1].. Verdachte heeft verklaard dat hij meerdere malen heeft geholpen met het transport van in Duitsland. Daarbij komt de verklaring van [verdachte 5] dat verdachte heeft geholpen met het vervoer van Duitsland naar [plaats 3].

Feit 3.

De officieren van justitie achten ook dit feit wettig en overtuigend bewezen.

[verdachte 2], [verdachte 1]., [verdachte 3], [verdachte 4] en verdachte hebben gedurende de periode van 2008 tot en met 2009 samengewerkt met als doel het importeren van illegaal vuurwerk in Nederland en het verkopen van het illegale vuurwerk aan particulieren, mede gelet op de betrokkenheid van voornoemde personen bij de feiten 1, 2 en 4. Enkele personen hielden zich bezig met de import, anderen droegen zorg voor de distributie en anderen zochten contact met afnemers van het illegale vuurwerk. Bij deze samenwerking was sprake van versluierd taalgebruik, werd gebruikt gemaakt van een versluierd e-mailadres en trachtte men opsporing te frustreren door onder meer het gebruik van een jammer tijdens transport. Ook het door de politie geplaatste peilbaken is van een auto verwijderd. Tevens zijn chicanes met betrekking tot het vervoer van het vuurwerk uitgevoerd. Het bestaan van de criminele organisatie blijkt ten slotte eveneens uit de telefonische contacten tussen de geledingen en het gebruik van contant geld. Verdachte was mede-eigenaar van [bedrijf 1] en gebruikte zijn contacten voor de import en de distributie van illegaal vuurwerk.

Het standpunt van de verdediging

Algemeen.

De raadsman heeft zoals reeds hiervoor is aangegeven gesteld dat er sprake is van een aantal vormverzuimen, waarvoor (subsidiair) is bepleit dat bewijsuitsluiting dient te volgen. Ook het bewijs wat vervolgens op grond van het onrechtmatig verkregen bewijs is verkregen dient uitgesloten te worden voor het bewijs.

Feit 1 en 2.

De raadsman heeft vrijspraak bepleit van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten. Uit verdachtes verklaring blijkt niet dat hij zich heeft bezig gehouden met het transport van illegaal vuurwerk naar Nederland. Door observanten is niet waargenomen dat verdachte heeft gelost in [plaats 2]. Verdachte was niet bij het lossen in [plaats 2] aanwezig. Er is tevens geen sprake van medeplegen aan de ten laste gelegde feiten. Er is geen vuurwerk bij verdachte aangetroffen, uit niets blijkt dat verdachte vuurwerk heeft vervoerd, er zijn geen aanwijzingen dat het vuurwerk eigendom is van verdachte en verdachte is geen huurder van de loods. Het vuurwerk is door de afzender geclassificeerd als 1.4. Daar dit in het buitenland legaal vuurwerk is, is er derhalve geen sprake van een dubbele strafbaarstelling.

Feit 4.

De raadsman heeft vrijspraak bepleit van het ten laste gelegde. Verdachte ontkent het ten laste gelegde feit. Er is tevens geen sprake van medeplegen aan de ten laste gelegde feiten. Er is geen vuurwerk bij verdachte aangetroffen, uit niets blijkt dat verdachte vuurwerk heeft vervoerd, er zijn geen aanwijzingen dat het vuurwerk eigendom is van verdachte en verdachte is geen huurder van de loods. Het vuurwerk met het opschrift ‘[X]’ kan ook op andere wijze op de Nederlandse markt zijn gebracht dan via de medeverdachten en verdachte. Het vuurwerk is door de afzender geclassificeerd als 1.4. Daar dit in het buitenland legaal vuurwerk is, is er derhalve geen sprake van een dubbele strafbaarstelling.

Feit 3.

De raadsman heeft vrijspraak bepleit van het ten laste gelegde, aangezien vrijspraak dient te volgen van de overige feiten. Subsidiair bepleit de raadsman eveneens vrijspraak vanwege gebrek aan wettig en overtuigend bewijs, omdat er geen sprake is van een criminele organisatie, dan wel dat verdachte daar geen deel van uitmaakte. Bij verdachte ontbrak het oogmerk op het plegen van strafbare feiten en er is geen gestructureerd samenwerkingsverband.

Het oordeel van de rechtbank

Feit 1 en 2.

Uit afgeluisterde telefoongesprekken werd opgemaakt dat op 29 oktober 2009 mogelijk een hoeveelheid illegaal vuurwerk via het bedrijf [bedrijf 2] ter beschikking zou komen van de organisatie. Op leden van de organisatie werd een observatie gestart, waarbij werd gezien dat vier personen in twee personenauto’s naar een bunkercomplex in [plaats 4] (Duitsland) reden. Er werd aldaar gestopt bij bunker [bunker]. Vervolgens werd gezien dat er een vrachtwagen, kenteken [kenteken], met drie personen aan kwam rijden waaruit lege pallets werden geladen in bunker [bunker] .

Op 30 oktober 2009 werd door de observanten waargenomen dat bij bunker [bunker] vier personen uit een Toyota personenauto stapten. Dezen werden herkend als [verdachte 4], [verdachte 3]., [betrokkene 1] en [betrokkene 2]. Tien minuten later kwam een tweede personenauto, waaruit twee personen stapten, onder wie [verdachte 5].

Voorts werd waargenomen dat een vrachtwagen, kenteken [kenteken], met oplegger, kenteken [kenteken], met daar op een container, voorzien van het nummer [nummer], ter hoogte van bunker [bunker] stopt, waarna de genoemde container door de aanwezige mannen werd leeggehaald. Nadat de vrachtwagen was weggereden, arriveerde er een tweede, voorzien van het kenteken [kenteken], met oplegger met kenteken [kenteken], waar op een container voorzien van het nummer [nummer]. In de container bevonden zich dozen. Ook deze container werd leeggehaald.

Verder werd waargenomen dat een derde vrachtwagen, kenteken [kenteken], met oplegger, kenteken [kenteken], bij de bunker stopte, waarna ook die werd leeggehaald. De vrachtwagen met kenteken [kenteken], met oplegger met kenteken [kenteken], werd vervolgens met pallets met daarop dozen volgeladen. Waargenomen werd vervolgens dat deze met [verdachte 5] achter het stuur wegreed, om 13.24 uur de Duits/Nederlandse grens passeerde en om 13.40 uur over de A73 reed ter hoogte van [plaats 5].

Het observatieteam van de politie Haaglanden nam de observatie over en nam waar dat genoemde personenauto’s en de vrachtwagen met kenteken [kenteken], met oplegger met kenteken [kenteken], over de A73 ter hoogte van [plaats 5] reed. Dat team heeft de auto’s en vrachtwagen tot aan [plaats 2] gevolgd. Aldaar kwamen uit perceel [adres 1] [verdachte 3]. en [betrokkene 2], die de roldeur van de loods openden. Waargenomen werd vervolgens dat de vrachtwagen de loods binnen reed, waarna de loods werd gesloten. Na ongeveer anderhalf uur werd de roldeur weer geopend, waarna de vrachtwagen wegreed .

Op 30 oktober 2009 werd binnengetreden in perceel [adres 1]. Daar werd een partij vuurwerk aangetroffen en in beslag genomen. Bij een eerste telling werden 66 pallets met verschillende soorten vuurwerk aangetroffen. Het vuurwerk is vervoerd naar de Dienst der Domeinen te Ulicoten .

Het in beslag genomen vuurwerk is bij de Dienst der Domeinen onderzocht op uiterlijke kenmerken en gewicht. Het bleek te gaan om 849 Chinese rollen, 5621 flowerbeds en in ieder geval 76.000 nitraatklappers.

Vervolgens heeft het Nederlands Forensisch Instituut (verder te noemen: NFI) onderzoek verricht naar de in [plaats 2] in beslag genomen partij vuurwerk. Het NFI heeft daarover op 24 november 2009 gerapporteerd.

Uit de rapportage is gebleken dat de samenstelling van de onderzochte nitraatklappers (Colour Salute en La Bomba) niet voldeed aan de definitie van zwart buskruit, zodat niet is voldaan aan het gestelde in Bijlage III onder A2 van de Regeling nadere eisen aan vuurwerk 2004. Uit de rapportage van het NFI van 9 december 2009 blijkt hetzelfde ten aanzien van de in [plaats 2] in beslag genomen Chinese rollen.

Uit het rapport van het NFI van 9 december 2009 blijkt tevens dat van de Chinese rollen het brutogewicht meer dan 10 kilogram was, hetgeen in strijd is met artikel 6 lid 5 van de Regeling. Uit het hiervoor genoemde proces-verbaal van verbalisant [verbalisant] blijkt dat van de flowerbeds het brutogewicht meer dan 10 kilogram was, hetgeen eveneens in strijd is met artikel 6 lid 5 van de Regeling.

Verbalisant [verbalisant] heeft in meergenoemd proces-verbaal vastgesteld dat het onderzochte flowerbed niet voorzien was van een in de Nederlandse taal gestelde gebruiksaanwijzing, was voorzien van twee lonten en dat het gewicht daarvan meer bedroeg dan 10 kilogram, namelijk 14 kilogram, hetgeen in strijd is met het bepaalde in de Regeling dan wel met het bepaalde in artikel 2.1.3. van het Vuurwerkbesluit. Uit dat proces-verbaal valt, door middel van zijn gewicht, tevens af te leiden dat de lading van het flowerbed hoger moet zijn geweest dan 500 gram.

Uit het hiervoor weergegevene concludeert de rechtbank, dat het in [plaats 2] aangetroffen en in beslag genomen vuurwerk door toedoen van [verdachte 4], [verdachte 3]., [verdachte 5] en anderen vanuit Duitsland in Nederland terecht is gekomen en dat genoemd vuurwerk niet aan de daaraan gestelde eisen van consumentenvuurwerk voldeed.

In zijn verhoor van 18 november 2009 heeft [verdachte 3]. verklaard dat hij de sleutel van de loods in [plaats 2] van zijn vader had gekregen, dat hij daar het vuurwerk uit [plaats 4] had gelost en dat hij wist dat het om illegaal vuurwerk ging.

[verdachte 5] heeft in zijn verhoor van 19 januari 2010 verklaard dat hij op 29 oktober 2009 met een vrachtwagen naar [plaats 4] gereden is naar een bunkercomplex. Hij had een vrachtwagen gehuurd, waarin hij pallets had, besteld door [verdachte 1]..

Het doel was om containers vuurwerk te lossen in de bunker en een deel in de vrachtauto mee te nemen naar [plaats 2]. De huur voor de vrachtauto had hij van [verdachte 1]. gekregen op 30 oktober in de namiddag.

Op 20 januari 2010 heeft [verdachte 5] verklaard dat hij op 29 oktober 2009 in opdracht van [verdachte 1]. tussen 150-170 pallets mee moest nemen naar [plaats 4].

[verdachte 1]. heeft tegenover de rechter-commissaris op 20 november 2009 verklaard dat het vuurwerk dat in Duitsland was opgeslagen van hem was en dat hij het wilde doorverkopen aan een ander. Tegenover de politie verklaarde hij dat hij dat hij sinds anderhalf jaar opslagruimte in [plaats 4] huurde.

[getuige 1] heeft bij haar verhoor op 6 december 2010 te Polen verklaard dat zij

voorzitter is van het bedrijf [bedrijf 2] Sp.z o.o. dat handelt in vuurwerk. De kopers waren mensen uit Nederland. De personen die naar Polen kwamen waren [verdachte 1]. en [verdachte 2]. Zij zochten vuurwerk uit uit het magazijn, alsmede vuurwerk dat rechtstreeks in China werd besteld. Na een handelsdiscussie stelden [getuige 1], [verdachte 1]. en [verdachte 2] vast hoeveel zij wilden kopen.

Voor vuurwerk uit China trad zij op als agent die de levering organiseert. De goederen en de hoeveelheden en de technische specificatie besprak [verdachte 2] rechtstreeks met de Chinezen.

De leveringen werden betaald door [verdachte 2] en [verdachte 1]..

De goederen die door [verdachte 2] en [verdachte 1]. gekocht werden waren beschikbaar in haar winkel.

Het vuurwerk dat verkocht werd aan [verdachte 2] en [verdachte 1]. was afkomstig uit China. Als het op betalen aankwam haalden beiden geld uit hun zakken. Het contact liep via [verdachte 2].

Uit genoemde verklaringen van [verdachte 3]., [verdachte 5], [getuige 1] en [verdachte 1]. concludeert de rechtbank dat ook [verdachte 2] verweten kan worden dat hij samen met [verdachte 4], [verdachte 5] en [verdachte 3]. het vuurwerk binnen Nederland bracht en dat ook verdachte [verdachte 2] daarbij betrokken was. [verdachte 2] bestelde en betaalde samen met [verdachte 1]. vuurwerk in Polen. Hij was nauw betrokken bij het transport naar [plaats 4]. Uit de opgenomen telefoongesprekken tussen [verdachte 2] en [verdachte 1]. blijkt tevens dat er zowel op 29 als op 30 oktober 2009 telefonisch contact tussen beiden is geweest, waarin wordt gesproken over de aankomst van het vuurwerk in [plaats 4] en het transport daarvan naar Nederland.

Op 30 oktober 2009 vindt het volgende op initiatief van [verdachte 2] gevoerde telefoongesprek tussen beiden plaats:

[.] ([verdachte 2]): voor de rest alles goed?

J ([verdachte 1].): ik weet het niet ik heb nog niks gehoord van de jongens.

[.]: nou vooruit toe maar, ze zouden er al lang moeten zijn.

J: het moet ontzettend druk zijn op de weg.

Hieruit leidt de rechtbank af dat [verdachte 2] niet zozeer een adviserende rol speelde met betrekking tot het transport voor zover dat het buitenland betrof, maar dat hij ook op de hoogte was van het transport van het vuurwerk naar Nederland. [verdachte 2] was, gelet op zijn handelscontacten met [getuige 1] bij wie het vuurwerk betrokken werd en op zijn rol bij het transport daarvan een onmisbare schakel in het gehele traject. Er kan dan ook naar het oordeel van de rechtbank gesproken worden van een nauwe en bewuste samenwerking tussen [verdachte 1]., [verdachte 3]. [verdachte 4], [verdachte 5] en [verdachte 2], welke samenwerking erop gericht was om het vuurwerk binnen Nederlands grondgebied te brengen en het daar aanwezig te hebben.

Naar het oordeel van de rechtbank valt de hoeveelheid van het ten laste gelegde vuurwerk slechts vast te stellen op 27 pallets. Weliswaar zijn 66 pallets in de loods te [plaats 2] aangetroffen, maar de betrokkenheid van verdachte bij de herkomst van meer dan 27 pallets kan niet wettig en overtuigend bewezen worden. Om dezelfde reden zal de rechtbank de ten laste gelegde periode beperken tot die waarin het transport van die 27 pallets heeft plaatsgevonden, te weten 29 oktober tot en met 31 oktober 2009.

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde dienen de hiervoor genoemde bewijsmiddelen, alsmede het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant] d.d. 28 september 2011 .

Uit dat proces-verbaal blijkt dat bij navraag bij de gemeente [gemeente 2] ten aanzien van het pand [adres 1] te [plaats 2] door geen van de betrokkenen een melding volgens artikel 8.40 van de Wet milieubeheer was gedaan of een dergelijke vergunning was aangevraagd. Eveneens blijkt uit genoemd proces-verbaal dat voor dat pand geen vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer voor de opslag van consumenten- of professioneel vuurwerk was afgegeven.

Reeds hieruit volgt dat de opslagruimte in [plaats 2] geenszins voldeed aan de eisen die daaraan gesteld worden in de bijlage als genoemd in artikel 2.2.2. van het Vuurwerkbesluit.

De rechtbank is, gelet op het bovenstaande, van oordeel dat het onder 1 en 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard zoals hierna onder 5 zal worden weergegeven.

Feit 4.

Op 22 juli 2008 heeft [verdachte 6], eigenaar van [bedrijf 3] en [bedrijf 4], een partij vuurwerk verkocht aan [verdachte 1]., eigenaar van [bedrijf 1]. [verdachte 6] heeft tegenover de politie verklaard dat hij het aan [verdachte 1]. verkochte vuurwerk in 2004 had gekocht van Henk [X] en dat hij dat vuurwerk in bunkers in [plaats] in Duitsland opsloeg. Op al het vuurwerk was de naam [X] aangebracht. Het vuurwerk mocht alleen door gediplomeerde pyrotechnici gebruikt worden en niet door particulieren in Duitsland of Nederland. Vuurwerk wat hij aan [verdachte 1]. verkocht was 1.3 en 1.4G. Hij wist dat dit niet aan Nederlandse of Duitse particulieren mocht worden verkocht. Alle vuurwerk wat [verdachte 6] aan [verdachte 1]. had verkocht was door de BAM voor grootvuurwerk gecertificeerd; dit vuurwerk is grootvuurwerk en mag alleen door professionelen worden afgestoken. [verdachte 3]. en [verdachte 4] deden om de pallets zwarte folie. Het vuurwerk bestond onder meer uit Chinese rollen, flowerbeds, nitraatklappers en mortierbommen.

[verdachte 1]., [verdachte 3]. en die dikke chauffeur, met wie [verdachte 4] bedoeld wordt, haalden het vuurwerk op. Het vuurwerk is in zes deelleveringen geleverd, laatstelijk op 18 november 2008 .

Uit door [verdachte 6] verstrekte documenten blijkt dat het volgende door [bedrijf 3] geleverd en verkocht werd aan [bedrijf 1]:

29.08.2008 7.000kg [1e levering]

08.09.2008 8.000kg [2e levering]

07.10.2008 8.000kg [3e levering]

16.10.2008 6.500kg [4e levering]

05.11.2008 40m3 [5e levering]

18.11.2008 5400kg [6e levering]

Hieruit volgt dat [verdachte 1]. in de periode van 22 juli 2008 tot en met 18 november 2008 minimaal 34.900 kg vuurwerk, waarop de naam [X] was vermeld in Duitsland heeft gekocht en dat hij dat vuurwerk samen met zijn zoon [verdachte 3]. en [verdachte 4] in Duitsland heeft opgehaald.

[verdachte 6] heeft de kentekens genoteerd van voertuigen die vuurwerk kwamen halen :

Op 8 september 2008 de kentekens [kentekens]

op 29 augustus 2008 het kenteken [kenteken],

op 7 oktober 2008 het kenteken [kenteken],

op 17 oktober 2008 het kenteken [kenteken],

op 5 november 2008 de kentekens [kentekens] en

op 18 november 2008 het kenteken [kenteken].

Uit onderzoek is gebleken dat [verdachte 1]. bij [bedrijf 6] autoverhuur te Amsterdam een auto heeft gehuurd in perioden waarin de eerste vier hierboven genoemde leveringen plaatsvonden en dat [verdachte 3]. de bestuurder van die auto’s was .

[verdachte 5] heeft bij zijn verhoor op 20 januari 2010 verklaard dat hij in 2008 een keer vuurwerk vanuit [plaats] naar een loods in [plaats 3] heeft gebracht, dat het de loods betrof naast die van [verdachte 4] en dat óf [verdachte 3]. óf [verdachte 4] óf beiden in de loods aanwezig waren. [verdachte 5] denkt drie keer in [plaats 3] te zijn geweest. [verdachte 3]. en [verdachte 1]. reden wel in gehuurde [bedrijf 6]-auto’s om het vuurwerk op te halen.

Bij zijn verhoor van 21 december 2009 heeft [verdachte 4] verklaard dat hij in [plaats]/[plaats] is geweest om vuurwerk te lossen en/of te laden.

Hij kreeg van te voren van [verdachte 1]. te horen dat er naar [plaats] gereden moest worden. De vrachtauto die gebruikt werd was altijd een huurvrachtauto van [bedrijf 6]. Als hij daar het vuurwerk van [verdachte 6] laadde op [plaats] was hij met onder anderen [verdachte 3]. en [verdachte 1].. Hij is vier keer in [plaats] geweest om vuurwerk dat van [verdachte 6] was en door [verdachte 1]. gekocht was te laden. Voordat de dozen werden geladen werden de pallets geseald met plastic. Hij dacht dat het vuurwerk naar Nederland ging, omdat hij zoiets had opgevangen.

[getuige 2] heeft bij zijn verhoor op 12 maart 2010 verklaard dat hij loodsen verhuurt aan de [adres] te [plaats 3] en dat hij vanaf 2007 een loods heeft verhuurd aan [verdachte 1]..

[verdachte 1]. had een vuurwerkbedrijf en als hij, [getuige 2], in de loods kwam dan stond alles onder zeil en ingesealed.

Navraag bij het Landelijk Meld en Informatiepunt van VROM bleek dat sinds begin 2007 geen vuurwerk meer is geïmporteerd of geëxporteerd door de firma [X] uit Appingedam.

Uit de verklaringen van [verdachte 5], [verdachte 4] en [getuige 2] leidt de rechtbank af dat [verdachte 1]., [verdachte 3]., [verdachte 5] en [verdachte 4] gezamenlijk vuurwerk, afkomstig uit Duitsland, in [plaats 3] voorhanden hebben gehad. Deze constatering, in samenhang met de mededeling van VROM, leidt de rechtbank tot de conclusie dat het in Nederland aangetroffen vuurwerk met het opschrift ‘[X]’ door [verdachte 1]., [verdachte 3]., [verdachte 4] en [verdachte 5] binnen Nederland is gebracht en aldaar op voorraad is gehouden.

Zoals hiervoor is overwogen was het vuurwerk dat in [plaats], Duitsland, door [verdachte 1]. van [verdachte 6] werd gekocht, voorzien van de naam ‘[X]’. Vuurwerk voorzien van de naam [X] is op diverse plaatsen in Nederland aangetroffen:

Op 8 december 2008 werd een partij vuurwerk met het opschrift [X] onder [betrokkene] in beslag genomen in [adres] .

Op 8 december 2008 werd een partij vuurwerk met het opschrift [X] onder [betrokkene 4] in beslag genomen in [adres] .

Op 8 december 2008 werd een partij vuurwerk met het opschrift [X] onder [betrokkene 5] in beslag genomen in [adres] .

Omstreeks 15 december 2008 werd een flowerbed met het opschrift [X] onder [betrokkene] in beslag genomen in [adres] .

Op 10 december 2008 werd een partij vuurwerk met het opschrift [X] onder [betrokkene] in beslag genomen in [adres] .

Het in beslag genomen vuurwerk bestond onder meer uit lawinepijlen Salute Rockets, Chinese rollen T809, flowerbeds, mortierbommen en nitraatklappers .

Blijkens onderzoek van het NFI worden mortierbommen afgeschoten uit een mortier die opnieuw gebruikt kan worden en betreft dit derhalve herlaadbaar vuurwerk zoals bedoeld in artikel 8 van de RNEV 2004, en kan om deze reden geen toegestaan consumentenvuurwerk betreffen.

Naar het oordeel van de rechtbank kan wettig en overtuigend bewezen worden dat verdachte samen met anderen te [plaats 3] opzettelijk consumentenvuurwerk binnen Nederland heeft gebracht en voorhanden heeft gehad, te weten mortierbommen die herlaadbaar waren.

Van het overig ten laste gelegde moet verdachte worden vrijgesproken, nu uit het dossier en hetgeen ter terechtzitting is behandeld dat ten aanzien van het overige vuurwerk niet onomstotelijk vast is komen te staan dat het in strijd was met het krachtens artikel 9.2.2.1. van de Wet milieubeheer gestelde regels.

Feit 3.

Naar vaste rechtspraak is een criminele organisatie in de zin van artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht een gestructureerd en duurzaam samenwerkingsverband van twee of meer personen met een zekere organisatiegraad. Daarvan is sprake als binnen dit samenwerkingsverband gemeenschappelijke regels en een gemeenschappelijke doelstelling bestaan. Voor een veroordeling voor deelneming aan een criminele organisatie is het voldoende dat verdachte in zijn algemeenheid weet dat de organisatie tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven. Niet vereist is dat verdachte enige vorm van opzet heeft gehad op de door de criminele organisatie beoogde concrete misdrijven.

Aan deelneming worden twee algemene eisen gesteld. In de eerste plaats moet een verdachte behoren tot de organisatie. In de tweede plaats moet een verdachte een aandeel hebben in dan wel ondersteunende gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie.

Zoals hiervoor reeds is overwogen ten aanzien van de onder 1, 2 en 4 ten laste gelegde feiten heeft verdachte zich in een samenwerkingsverband met de medeverdachten [verdachte 2] (met uitzondering van feit 4), [verdachte 1]., [verdachte 5] en [verdachte 3]. schuldig gemaakt aan het plegen van misdrijven (het binnen het grondgebied brengen van Nederland en aanwezig hebben van illegaal vuurwerk en de verkoop van illegaal vuurwerk aan particulieren). Uit voorgaande overwegingen van de rechtbank blijkt dat vuurwerk – dat niet voldoet aan de in het Vuurwerkbesluit gestelde eisen – uit verschillende locaties in Duitsland feitelijk door [verdachte 3]., [verdachte 4] en [verdachte 5] (en anderen) naar verschillende locaties in Nederland is gebracht. Uit voorgaande overwegingen blijkt tevens een zekere mate van rolverdeling tussen de verdachte en de medeverdachten. Enkele personen hielden zich bezig met de import, anderen droegen zorg voor de distributie en anderen zochten contact met afnemers van het illegale vuurwerk.

Uit de verklaringen van [verdachte 5] blijkt dat hij – aangestuurd door [verdachte 2] en [verdachte 1]. – meerdere malen vuurwerk transporteerde vanuit Duitsland naar Nederland. [verdachte 1]. stuurde tevens [verdachte 3]. en [verdachte 4] aan. Uit de verklaring van [verdachte 5] blijkt tevens dat er sprake was van versluierd taalgebruik ten aanzien van het te vervoeren van het vuurwerk.

Uit de verklaringen van [verdachte 3]. blijkt dat hij zich – aangestuurd door [verdachte 1]. – schuldig heeft gemaakt aan het transporteren van illegaal vuurwerk vanuit Duitsland naar Nederland tezamen met [verdachte 4] en [verdachte 5]. Bij het transport heeft [verdachte 3]. gebruik gemaakt van een jammer en heeft hij zijn telefoon uitgezet om spoorloos te blijven. [verdachte 3] tevens meermalen het vuurwerk gedistribueerd naar particulieren.

Uit de verklaringen van [verdachte 4] blijkt dat hij – aangestuurd door [verdachte 1]. – vuurwerk heeft getransporteerd vanuit Duitsland naar Nederland tezamen met [verdachte 3]. en [verdachte 5]. [verdachte 4] had de beschikking over de sleutels van de bunker in [plaats 4] (Duitsland). Uit de verklaring van [verdachte 4] blijkt tevens dat [verdachte 2] en/of [verdachte 1]. een loods zochten en hij een van beiden over de loods in [plaats 2] heeft verteld.

Uit voornoemde verklaringen en hetgeen hiervoor onder 1 en 2 is overwogen blijkt dat [verdachte 2] wetenschap en kennis heeft omtrent vuurwerk en een faciliterende rol speelde in de verkrijging van illegaal vuurwerk in Nederland. [verdachte 2] heeft immers contacten met fabrikanten en [getuige 1] onderhouden en bestellingen verricht, waardoor hij ([verdachte 2]) een onmisbare schakel in de gehele criminele organisatie is geweest.

Tevens blijkt dat [verdachte 1]. de nodige wetenschap en kennis heeft omtrent vuurwerk. Hij maakte gebruik van de connecties van [verdachte 2] om illegaal vuurwerk naar Duitsland te krijgen en zorgde voor de huur van loodsen en vervoersmiddelen. Ook regelde hij ([verdachte 1].) het transport naar Nederland en onderhield contacten voor de verkoop aan particulieren.

[verdachte 2] en [verdachte 1]. stuurden beiden andere personen in het samenwerkingsverband aan en betaalden het vuurwerk .

Op grond van de hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat het samenwerkingsverband tussen [verdachte 2], [verdachte 1]., [verdachte 3]., [verdachte 4] en [verdachte 5] een gestructureerd en duurzaam karakter had. Binnen het samenwerkingsverband bestond een duidelijke taakverdeling waarvan iedere deelnemer op de hoogte was. Ook van het doel van het samenwerkingsverband, het illegaal invoeren van consumentenvuurwerk, waren de deelnemers op de hoogte. Op deze wijze heeft het samenwerkingsverband gedurende een langere periode illegaal vuurwerk in Nederland ingevoerd en op de Nederlandse markt gebracht.

De rechtbank stelt vast dat deelname aan de criminele organisatie voor [verdachte 1]., [verdachte 3]., [verdachte 4] en [verdachte 5] de periode vanaf 22 juli 2008 en 17 november 2009 betreft.

De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de inhoud van de hiervoor aangehaalde bewijsmiddelen en deze in onderlinge samenhang bezien, wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte heeft deelgenomen aan de criminele organisatie. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het onder 3 ten laste gelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen.

5. DE BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 1, 2, 3 en 4 ten laste is gelegd, met dien verstande dat:

1.

hij in de periode van 29 oktober 2009 tot en met 31 oktober 2009 te [plaats 2], gemeente [gemeente 2], in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk vuurwerk, te weten (onder andere)

- Chinese rollen en/of

- flowerbeds en/of

- nitraatklappers,

binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht en voorhanden heeft gehad ten aanzien waarvan niet werd voldaan aan de bij het Vuurwerkbesluit gestelde eisen of ter uitwerking van dit besluit krachtens artikel 9.2.2.1 Wet milieubeheer gestelde regels, immers,

• waren genoemde flowerbeds en nitraatklappers niet voorzien van een in de Nederlandse taal gestelde gebruiksaanwijzing met zodanige aanwijzingen en waarschuwingen dat bij het dienovereenkomstig handelen geen letsel of schade bij de gebruiker en/of omstanders kon ontstaan (als bedoeld in artikel 2.1.3 Vuurwerkbesluit) en

• waren genoemde Chinese rollen en nitraatklappers in strijd met het bepaalde in Bijlage III (A2) van de Regeling nadere eisen aan vuurwerk 2004 voorzien van een lading (voor knaleffect) welke niet uitsluitend bestond uit zwart buskruit en

• waren een of meer van genoemde flowerbeds in strijd met het bepaalde in Bijlage III (C2) behorende bij de Regeling nadere eisen aan vuurwerk 2004 voorzien van een lading met een groter gezamenlijk gewicht dan 500 gram en

• bedroeg het brutogewicht van genoemde Chinese rollen en van een of meer van genoemde flowerbeds in strijd met artikel 6 lid 5 van de Regeling nadere eisen aan vuurwerk 2004 meer dan 10 kilogram en

• waren een of meer van genoemde flowerbeds in strijd met het bepaalde in artikel 5 lid 1 van de Regeling naderen eisen aan vuurwerk 2004 voorzien van meer dan één lont.

2.

hij op 30 oktober 2009 te [plaats 2], gemeente [gemeente 2], tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk meer dan 10 kilogram, vuurwerk, te weten (onder andere)

- Chinese rollen en/of

- flowerbeds en/of

- nitraatklappers,

buiten een inrichting als bedoeld in artikel 1.1.4, 2.2.1, 2.2.2 of 3.2.1 van het Vuurwerkbesluit, voorhanden heeft gehad, immers had hij, verdachte en een of meer van zijn mededaders dit vuurwerk, voorhanden in een loods gelegen aan de [adres 1] aldaar.

3.

hij, op tijdstippen in de periode van 22 juli 2008 tot en met 17 november 2009 in Nederland en/of Duitsland en/of Polen heeft deelgenomen aan een organisatie die werd gevormd door verdachte en [verdachte 2] en [verdachte 1] en [verdachte 3] en [verdachte 5] en anderen, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten het:

- opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen van een (grote) hoeveelheid vuurwerk ten aanzien waarvan niet werd voldaan aan de bij het Vuurwerkbesluit gestelde eisen of ter uitwerking van dit besluit krachtens artikel 9.2.2.1 Wet milieubeheer gestelde regels (artikel 1.2.2 Vwb) en

- plegen van handelingen gericht op het opzettelijk (verder) vervoeren en/of opslaan en/of aan een of meer ander(en) (te weten particulieren) ter beschikking stellen van die (binnen het grondgebied van Nederland gebrachte) hoeveelheid/hoeveelheden vuurwerk (artikel 1.2.2 Vwb).

4.

hij in de periode van 22 juli 2008 tot en met 18 november 2008, te [plaats 3], tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk, (ongeveer 34.900 kilogram) vuurwerk, te weten mortierbommen, binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht en voorhanden heeft gehad ten aanzien waarvan niet werd voldaan aan de bij het Vuurwerkbesluit gestelde eisen of ter uitwerking van dit besluit krachtens artikel 9.2.2.1 Wet milieubeheer gestelde regels, immers,

• waren een of meer genoemde mortierbommen herlaadbaar (artikel 8 Regeling nadere eisen vuurwerk 2004).

Van het onder 1, 2, 3 en 4 meer of anders ten laste gelegde zal de verdachte worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet wettig en overtuigend bewezen acht.

6. DE STRAFBAARHEID VAN HET BEWEZENVERKLAARDE

Er zijn geen feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde feit uitsluiten.

7. DE STRAFBAARHEID

Het bewezene levert op:

Feit 1, 2 en 4, telkens.

Medeplegen van opzettelijke overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 9.2.2.1. van de Wet milieubeheer.

Feit 3.

Deelneming aan een criminele organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.

8. DE STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE

Er zijn geen feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is derhalve strafbaar.

9. DE STRAFOPLEGGING

De eis van de officier van justitie

De officieren van justitie hebben gevorderd dat verdachte ter zake van de door hen bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie jaar, met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht, waarvan een gedeelte van een jaar voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit – indien de rechtbank tot een strafoplegging komt – rekening te houden met de beperkte rol van verdachte en de samenloop van feit 1 met feit 2. De raadsman heeft bepleit bij de oplegging van een gevangenisstraf de duur van het onvoorwaardelijke deel de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht niet te boven te gaan. Subsidiair heeft de raadsman bepleit tot oplegging van een taakstraf.

Het oordeel van de rechtbank

Gelet op de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden waaronder verdachte zich daaraan heeft schuldig gemaakt en op de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht de rechtbank de na te noemen beslissing passend.

Bij de strafoplegging zal de rechtbank in het bijzonder rekening houden met het de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals tot uitdrukking komt in het wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarbij houdt de rechtbank rekening met de grote hoeveelheid illegaal vuurwerk die de criminele organisatie, waarvan verdachte deel uitmaakte, in Nederland heeft gebracht. Verdachte heeft puur uit winstbejag gehandeld en heeft zich niets aangetrokken van het gevaar dat het door hem geleverde vuurwerk in de handen van niet-deskundigen kan veroorzaken. Wat er ook zij van de classificaties van het vuurwerk, vuurwerk is en blijft gevaarlijk, indien dit niet met de nodige voorzorgmaatregelen wordt getransporteerd, opgeslagen en afgestoken.

De rechtbank zal een lichtere straf opleggen dan de door de officieren van justitie gevorderde straf, nu de rechtbank van oordeel is dat de hierna te noemen straf de ernst van het bewezen verklaarde voldoende tot uitdrukking brengt. Enerzijds acht de rechtbank het in verband met een juiste normhandhaving geboden verdachte een langdurige onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, maar anderzijds wil de rechtbank via de op te leggen straf invloed uitoefenen op het gedrag van de verdachte om zo tegen te gaan dat verdachte opnieuw (soortgelijke) strafbare feiten zal plegen. Daarom zal de rechtbank bepalen dat een deel van de op te leggen gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, mits verdachte zich tot het einde van de hierna vast te stellen proeftijd aan de voorwaarde houdt dat hij zich niet aan een strafbaar feit zal schuldig maken.

Bij haar beslissing heeft de rechtbank rekening gehouden met:

- een de verdachte betreffend uittreksel justitiële documentatie d.d. 30 juni 2011;

- een de verdachte betreffend reclasseringsrapport d.d. 2 maart 2010, uitgebracht door S. Timmer, reclasseringswerker van de Reclassering Nederland.

10. VORDERING TENUITVOERLEGGING VOORWAARDELIJKE VEROORDELING

De eis van de officier van justitie

De officieren van justitie hebben ter terechtzitting gevorderd de vordering tot tenuitvoerlegging met parketnummer 08.750208-08 toe te wijzen.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft – gezien de door hem bepleite vrijspraken van het ten laste gelegde – bepleit de vordering tot tenuitvoerlegging af te wijzen. Subsidiair heeft de raadsman bepleit het door verdachte in de onderhavige strafzaak reeds ondergane voorarrest in mindering te brengen bij de tenuitvoerlegging. Meer subsidiair heeft de raadsman bepleit de proeftijd te verlengen.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt vast dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig heeft gemaakt aan nieuwe strafbare feiten en daarmee de algemene voorwaarde heeft overtreden. Gelet hierop kan de vordering tot tenuitvoerlegging worden toegewezen.

Gelet op het voorgaande en op het bepaalde in artikel 14g van het Wetboek van Strafrecht acht de rechtbank termen aanwezig alsnog de tenuitvoerleggingen te gelasten van de in de zaak met parketnummer 08.750208-08 door de politierechter te Almelo d.d. 12 maart 2009 voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 1 week.

11. TOEPASSELIJKHEID WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op

de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 14g, 14h, 14i, 14j, 22c, 22d, 27, 57, 91 en 140 van het Wetboek van Strafrecht,

de artikelen 1a, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten,

artikel 9.2.2.1. van de Wet milieubeheer,

de artikelen 1.1.4., 2.1.3., 2.2.1., 2.2.2. en 3.2.1. van het Vuurwerkbesluit en

de artikelen 6 en 8 van de Regeling nadere eisen aan vuurwerk 2004,

zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

12. BESLISSING

De rechtbank:

Ten aanzien van de tenlastelegging

verklaart, zoals hiervoor overwogen, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte het onder 1, 2, 3 en 4 laste gelegde heeft begaan en verklaart verdachte derhalve strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 177 dagen;

bepaalt dat de tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

beveelt dat van de gevangenisstraf een gedeelte, groot 90 dagen, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond van het feit dat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 jaar aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;

veroordeelt de verdachte voorts tot een taakstraf, te weten de werkstraf het verrichten van onbetaalde arbeid gedurende 240 uren;

beveelt dat voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet of niet naar behoren verricht de taakstraf wordt vervangen door 120 dagen hechtenis, althans een aantal dagen hechtenis dat evenredig is aan het niet verrichte aantal uren taakstraf;

Ten aanzien van de vordering tenuitvoerlegging

wijst de vordering toe;

gelast de tenuitvoerlegging van de in de zaak met parketnummer 08.750208-08 door de politierechter te Almelo d.d. 12 maart 2009 voorwaardelijk aan verdachte opgelegde straf, te weten een gevangenisstraf voor de duur van 1 week.

Aldus gewezen door mr. E.W. Akkerman, voorzitter, mr. R.M. van Vuure en mr. G. Neppelenbroek, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E.H. Ruitenbeek en mr. R.G. Dees als griffiers en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 17 oktober 2011.

Mr. G. Neppelenbroek en mr. E.H. Ruitenbeek voornoemd waren buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.