Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2011:BT8825

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
17-10-2011
Datum publicatie
21-10-2011
Zaaknummer
07.996557-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling van verdachte in verband met het in Nederland brengen en voorhanden hebben van vuurwerk dat niet voldoet aan de bij het Vuurwerkbesluit gestelde eisen of ter uitwerking van dit besluit krachtens artikel 9.2.2.1 Wet milieubeheer gestelde regels en deelname aan een criminele organisatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE – LELYSTAD

Sector Strafrecht - Meervoudige Strafkamer

Parketnummer: 07.996557-08 (P)

Uitspraak: 17 oktober 2011

VONNIS IN DE STRAFZAAK VAN:

het openbaar ministerie

tegen

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

wonende [adres].

1. HET ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

De inhoudelijke behandeling heeft op 29 september, 30 september en 3 oktober 2011 plaatsgevonden te Utrecht. Verdachte is telkens verschenen, bijgestaan op 29 en 30 september 2011 door mr. R.A. Kaarls, advocaat te ’s-Gravenhage.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officieren van justitie mr. A.L.A.H. de Muij en mr. M.H.E. Groeneboer en van de standpunten door de raadsman van verdachte naar voren gebracht.

2. DE TENLASTELEGGING

De verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij, in of omstreeks de periode van 1 augustus 2009 tot en met 31 oktober 2009 te [plaats 1], gemeente [gemeente 1], en/of [plaats 2], gemeente [gemeente 2], in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een (of meer) ander(en), althans alleen, opzettelijk, (ongeveer 30.000 kilogram) consumentenvuurwerk, te weten (onder andere)

- 849, in ieder geval een of meer, Chinese rollen en/of

- 5.740, in ieder geval een of meer, flowerbeds en/of

- 76.141, in ieder geval een of meer, nitraatklappers,

binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht en/of voorhanden heeft gehad ten aanzien waarvan niet werd voldaan aan de bij het Vuurwerkbesluit gestelde eisen of ter uitwerking van dit besluit krachtens artikel 9.2.2.1 Wet milieubeheer gestelde regels, immers,

• waren genoemde Chinese rollen en/of flowerbeds en/of nitraatklappers (telkens) niet voorzien van een in de Nederlandse taal gestelde gebruiksaanwijzing met zodanige aanwijzingen en waarschuwingen dat bij het dienovereenkomstig handelen geen letsel of schade bij de gebruiker en/of omstanders kon ontstaan (als bedoeld in artikel 2.1.3 Vuurwerkbesluit) en/of

• waren genoemde Chinese rollen en/of nitraatklappers (telkens) in strijd met het bepaalde in Bijlage III (A2) van de Regeling nadere eisen aan vuurwerk 2004 voorzien van een lading (voor knaleffect) welke niet uitsluitend bestond uit zwart buskruit en/of

• waren een of meer van genoemde flowerbeds (telkens) in strijd met het bepaalde in Bijlage III (C2) behorende bij de Regeling nadere eisen aan vuurwerk 2004 voorzien van een lading met een groter gezamenlijk gewicht dan 500 gram en/of

• bedroeg het brutogewicht van genoemde Chinese rollen en/of van een of meer van genoemde flowerbeds (telkens) in strijd met artikel 6 lid 5 van de Regeling nadere eisen aan vuurwerk 2004 meer dan 10 kilogram en/of

• waren een of meer van genoemde flowerbeds (telkens) in strijd met het bepaalde in artikel 5 lid 1 van de Regeling naderen eisen aan vuurwerk 2004 voorzien van meer dan één lont;

2.

hij, in of omstreeks de periode van 1 augustus 2009 tot en met 31 oktober 2009 te [plaats 2], gemeente [gemeente 2], in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een (of meer) ander(en), althans alleen, opzettelijk, (ongeveer) 30.000 kilogram, in ieder geval meer dan 10 kilogram, (consumenten)vuurwerk, te weten (onder andere)

- 849, in ieder geval een of meer, Chinese rollen en/of

- 5.621, in ieder geval een of meer, flowerbeds en/of

- 76.141, in ieder geval een of meer, nitraatklappers,

buiten een inrichting als bedoeld in artikel 1.1.4, 2.2.1, 2.2.2 of 3.2.1 van het Vuurwerkbesluit, voorhanden heeft gehad, immers had hij, verdachte en/of een of meer van zijn mededader(s) dit (consumenten)vuurwerk, voorhanden in een loods gelegen aan de [adres 1] aldaar;

3.

hij, op één of meer tijdstippen in de periode van 1 juli 2006 tot en met 17 november 2009 in Nederland en/of Duitsland en/of Polen heeft deelgenomen aan een organisatie die werd gevormd door verdachte en [verdachte 4] en/of [verdachte 1] en/of [verdachte 3] en/of [verdachte 5] en anderen, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten het:

- opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen van een (grote) hoeveelheid consumentenvuurwerk ten aanzien waarvan niet werd voldaan aan de bij het Vuurwerkbesluit gestelde eisen of ter uitwerking van dit besluit krachtens artikel 9.2.2.1 Wet milieubeheer gestelde regels (artikel 1.2.2 Vwb) en/of

- plegen van handelingen gericht op het opzettelijk (verder) vervoeren en/of opslaan en/of aan een of meer ander(en) (te weten particulieren) ter beschikking stellen van die (binnen het grondgebied van Nederland gebrachte) hoeveelheid/hoeveelheden consumentenvuurwerk (artikel 1.2.2 Vwb) zulks terwijl hij, verdachte, oprichter en/of leider en/of bestuurder van

voormelde organisatie was;

4.

hij op verschillende tijdstippen in of omstreeks de periode van 22 juli 2008 tot en met 18 november 2008, te [plaats 3] en/of andere plaatsen in Nederland, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een (of meer) ander(en), althans alleen, opzettelijk, (ongeveer 34.900 kilogram) consumentenvuurwerk, te weten (onder andere) verschillende (grote) hoeveelheden

Chinese rollen en/of flowerbeds en/of mortierbommen en/of lawinepijlen,

binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht en/of voorhanden heeft gehad ten aanzien waarvan niet werd voldaan aan de bij het Vuurwerkbesluit gestelde eisen of ter uitwerking van dit besluit krachtens artikel 9.2.2.1 Wet milieubeheer gestelde regels, immers,

• waren genoemde Chinese rollen en/of flowerbeds en/of nitraatklappers (telkens) niet voorzien van een gebruiksaanwijzing met zodanige aanwijzingen en waarschuwingen dat bij het dienovereenkomstig handelen geen letsel of schade bij de gebruiker en/of omstanders kon ontstaan (als bedoeld in artikel 2.1.3 Vuurwerkbesluit) en/of

• waren een of meer van genoemde Chinese rollen (telkens) in strijd met het bepaalde in Bijlage III (A2) behorende bij de Regeling nadere eisen aan vuurwerk 2004 voorzien van zwart buskruit tot een gewicht van ten hoogste 2500 gram, waarbij één of meer compartimenten meer zwart buskruit bevatten dan 0,5 gram.

• waren een of meer van genoemde flowerbeds (telkens) in strijd met het bepaalde in Bijlage III (C2) behorende bij de Regeling nadere eisen aan vuurwerk 2004 voorzien van een lading met een groter gezamenlijk gewicht dan 500 gram en/of

• bedroeg het brutogewicht van genoemde Chinese rol(len) en/of van een of meer van genoemde flowerbed(s) (telkens) in strijd met artikel 6 lid 5 van de Regeling nadere eisen aan vuurwerk 2004 meer dan 10 kilogram en/of

• waren een of meer genoemde mortierbommen herlaadbaar (artikel 8 Regeling nadere eisen vuurwerk 2004);

3. DE VOORVRAGEN

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is.

De bevoegdheid van de rechtbank

Door de verdediging is als verweer aangevoerd dat niet deze strafkamer bevoegd is van de feiten kennis te nemen, maar de economische kamer van de rechtbank. Dat het commuun delict als bedoeld in artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht mede ten laste is gelegd doet daar niet aan af, nu dat commuun delict zeer nauw samenhangt met de mede ten laste gelegde economische delicten.

De rechtbank overweegt ten aanzien van haar bevoegdheid als volgt.

Artikel 39, tweede lid, van de Wet op de economische delicten bepaalt dat berechting door een andere dan de economische kamer mogelijk is indien economische delicten zijn begaan in samenhang met een of meer strafbare feiten, niet zijnde economische delicten waarvan de rechtbank bevoegd is kennis te nemen en die economische delicten ten laste zijn gelegd samen met een of meer van die andere strafbare feiten.

Het in genoemd artikellid bedoelde situatie doet zich hier voor: naast de ten laste gelegde economische delicten is ook het delict als genoemd in artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht ten laste gelegd.

De in artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht strafbaar gestelde gedraging levert een commuun delict op; dit wordt niet anders, wanneer het oogmerk van de betreffende organisatie volgens de tenlastelegging mede was gericht op het begaan van economische delicten. De rechtbank wijst in dit verband op het arrest van het Gerechtshof `s-Hertogenbosch van 23 maart 2004, gepubliceerd in LJN: AO6597 en NJ 2004, 299.

De ontvankelijkheid van de officieren van justitie in hun vervolging

Door de verdediging is voorts als verweer aangevoerd dat de officieren van justitie niet-ontvankelijk zijn in hun vervolging.

In het voorbereidend onderzoek is er sprake van een opeenstapeling van diverse vormverzuimen die ieder op zich, dan wel tezamen, een ernstige inbreuk vormen op de beginselen van een behoorlijke procesorde en het recht op een eerlijk proces (ex. artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden: verder te noemen EVRM).

Het vertrouwensbeginsel is geschonden doordat de aanwijzing Handhaving vuurwerkregelgeving en de handhavingsafspraken vuurwerk 2005 niet zijn gevolgd. Er ontbreken processen-verbaal en er zijn onregelmatigheden geconstateerd. Observatie in het buitenland is enkel toegestaan na toestemming van de bevoegde buitenlandse autoriteit. Artikel 39 en 40 van de Schengen Uitvoeringsovereenkomst (verder te noemen: SUO) zijn niet nageleefd, daar er geen sprake is van een tevoren ingediend rechtshulpverzoek dan wel in het kader van het spoedeisende karakter de schriftelijke bevestiging niet zo spoedig mogelijk, maar eerst na anderhalf jaar, is opgesteld. Gelet op artikel 40, zevende lid, SUO kon er geen sprake zijn van een spoedeisend karakter daar in casu geen sprake is van een in het (zevende) lid omschreven geval. Tevens ontbreekt het artikel 40 formulier. Door de onrechtmatige toepassing van het dwangmiddel stelselmatige observatie zijn de belangen van verdachte geschonden. Het rechtshulpverzoek van 31 oktober 2009 is opzettelijk onjuist opgesteld waardoor de Duitse autoriteiten welbewust zijn misleid.

Ten slotte is de doorzoeking van de loods in [plaats 2] onrechtmatig. Het proces-verbaal van bevindingen met betrekking tot het binnentreden is onvolledig. De politie was enkel bevoegd tot het zoekend rondkijken. Nu de politie meer heeft gedaan dan zoekend rondkijken is er sprake van een onrechtmatige doorzoeking.

De rechtbank overweegt als volgt.

De rechtbank is met de verdediging van oordeel dat het dossier niet uitblinkt in overzichtelijkheid. Na gehele lezing van het dossier, komt de rechtbank echter tot de conclusie dat het dossier – ook ongenummerd – niet zodanig onoverzichtelijk is dat hierdoor sprake is van grove veronachtzaming van de rechten van de verdachte. De rechtbank verwerpt derhalve het verweer van de verdediging ten aanzien van de niet-ontvankelijkheid van de officieren van justitie op grond van artikel 6 van het EVRM.

De rechtbank heeft geconstateerd dat de door de verdediging genoemde stukken inderdaad niet in het dossier aanwezig zijn. Derhalve is er sprake van een onherstelbaar vormverzuim ex. artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering. De rechtbank acht het ontbreken van deze stukken echter van dusdanig ondergeschikt belang dat zij aan deze vormverzuimen geen consequenties verbindt.

Ten aanzien van de aanwijzing Handhaving vuurwerkregelgeving en de handhavingsafspraken vuurwerk 2005 is niet gebleken dat het openbaar ministerie zich niet heeft gehouden aan deze richtlijnen. Derhalve verwerpt de rechtbank ook dit verweer van de verdediging.

Ten aanzien van overtreding van de artikelen van de SUO overweegt de rechtbank het volgende. De rechtbank stelt allereerst vast dat observatie geen dwangmiddel is als bedoeld in artikel 39 van de SUO. Voorts is er sprake van een dubbele strafbaarheid aangezien deelname aan een criminele organisatie genoemd wordt in artikel 40, lid 7, van de SUO, zoals deze luidde in de periode als in de tenlastelegging genoemd. De rechtbank overweegt voorts dat de schriftelijke bevestiging van de bevoegde autoriteit in Duitsland niet ten spoedigste is opgesteld, immers deze is pas na anderhalf jaar opgesteld. De schriftelijke bevestiging is derhalve niet ten spoedigste opgesteld, hetgeen een verzuim is. De rechtbank zal echter aan dit verzuim geen gevolgen verbinden, aangezien niet is gebleken dat de schriftelijke bevestiging niet overeenstemt met de eerder gegeven mondelinge toestemming. Derhalve is er geen sprake van grove veronachtzaming van de rechten van de verdachte.

Ten aanzien van het rechtshulpverzoek van 31 oktober 2011 overweegt de rechtbank als volgt. Het rechtshulpverzoek van 31 oktober 2011 ziet op de inbeslagname van vuurwerk in [plaats 4]. Nu geen van de ten laste gelegde feiten ziet op dit rechtshulpverzoek laat de rechtbank dit door de verdediging aangevoerde verweer buiten beschouwing.

Artikel 96 van het Wetboek van Strafvordering geeft elke opsporingsambtenaar een zelfstandige inbeslagnemingsbevoegdheid. In dit geval beschikten de opsporingsambtenaren over een machtiging van de officier van justitie tot inbeslagneming. Verbalisanten treden de loods in [plaats 2] binnen en treffen daar naar verwachting de gesealde pallets aan welke in beslag genomen worden. Er mag onderzoek gedaan worden naar de in beslag genomen voorwerpen. Het verbreken van de ingesealde pallets en het openmaken van de dozen is naar het oordeel van de rechtbank onderzoek aan het in beslag genomen voorwerp. Derhalve is er geen sprake van een doorzoeking, doch van binnentreding ter inbeslagneming. Van een onrechtmatige doorzoeking kan dan ook geen sprake zijn.

Gelet op voorgaande overwegingen is de rechtbank derhalve van oordeel dat de officieren van justitie ontvankelijk zijn in hun vervolging.

Tenslotte stelt de rechtbank vast dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4. DE BEWIJSMIDDELEN EN DE BEOORDELING DAARVAN

Inleiding

In 2006 startte het VROM-IOD een onderzoek naar invoer van en handel in illegaal vuurwerk. Uit ingekomen informatie bij de Criminele Inlichtingen Eenheid rees het vermoeden dat [verdachte 1]. en [verdachte] zich bezig zouden houden met illegaal vuurwerk. Naar aanleiding van verkregen informatie is een aantal verschillende strafrechtelijke onderzoeken gestart, waaronder [onderzoek 1] (betrekking hebbende op [verdachte]) en [onderzoek 2] (betrekking hebbende op [verdachte 1].). De beschikbare informatie uit deze onderzoeken werd ter beschikking gesteld aan het onderzoek met de naam [onderzoek 3], welk onderzoek zich eveneens richtte op de mogelijke betrokkenheid van [verdachte]. Het onderzoek met de naam [onderzoek 4] richtte zich op de mogelijke betrokkenheid van [verdachte 1]. en [verdachte 5] bij de invoer in Nederland, de opslag en de handel in illegaal vuurwerk. De onderzoeken [onderzoek 3] en [onderzoek 4] zijn in 2009 samengevoegd wat leidde tot een drietal zaaksdossiers, te weten “[dossiernaam]”, “De partij van een kwart miljoen” en “De criminele organisatie”. Het vermoeden rees dat niet voor consumenten geschikt vuurwerk vanuit China door de beweerdelijke criminele organisatie – bestaande uit onder meer [verdachte 1]., [verdachte], [verdachte 3]., [verdachte 5] en [verdachte 4] – in samenwerking met de bedrijven [bedrijf 1] (op naam van [verdachte 1].) en [bedrijf 2] (op naam van [getuige 1]) naar Nederland werd vervoerd en verkocht aan particulieren.

Het standpunt van het openbaar ministerie

Feit 1 en 2.

De officieren van justitie achten de feiten 1 en 2 wettig en overtuigend bewezen.

Drie zeecontainers met vuurwerk vanuit China kwamen via de haven van [plaats 5] (Duitsland) en Polen aan in bunker [bunker] te [plaats 4] (Duitsland). Bunker [bunker] werd door [verdachte 1]. gehuurd. Een groot deel van het vuurwerk afkomstig van de zeecontainers wordt op 30 oktober 2009 in bunker [bunker] opgeslagen en een deel wordt met een vrachtwagen vervoerd naar een loods aan de [adres 1] te [plaats 2] (Nederland). Het vuurwerk in de loods in [plaats 2] wordt diezelfde dag in beslag genomen en blijkt niet te voldoen aan de eisen van het Vuurwerkbesluit en de Regeling nadere eisen aan vuurwerk 2004. Tevens blijkt uit de processen-verbaal van 23 augustus 2010 en 28 september 2011 dat geen melding is gemaakt dan wel een vergunning is aangevraagd voor het opslaan van vuurwerk in [plaats 2]. Derhalve was het vuurwerk buiten een inrichting in de zin van het Vuurwerkbesluit voorhanden. De betrokkenheid van verdachte bij deze feiten blijkt uit diverse OVC-gesprekken, telefoongesprekken tussen verdachte, [verdachte 1], [verdachte 4] en [verdachte 5], het proces-verbaal van bevindingen opgesteld door politiële infiltranten, administratieve bescheiden van het bedrijf [bedrijf 2] en de diverse handelingen die verdachte vanaf 28 oktober 2009 verrichtte voor het transport van het vuurwerk in Duitsland.

Feit 4.

De officieren van justitie hebben zich op het standpunt gesteld dat verdachte vrijgesproken dient te worden van het ten laste gelegde, aangezien onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is voor de betrokkenheid van verdachte bij het ten laste gelegde.

Feit 3.

De officieren van justitie achten ook dit feit wettig en overtuigend bewezen.

[verdachte], [verdachte 1]., [verdachte 3], [verdachte 4] en verdachte hebben gedurende de periode van 2006 tot en met 2009 samengewerkt met als doel het importeren van illegaal vuurwerk in Nederland en het verkopen van het illegale vuurwerk aan particulieren, mede gelet op de betrokkenheid van voornoemde personen bij de feiten 1, 2 en 4. Enkele personen hielden zich bezig met de import, anderen droegen zorg voor de distributie en anderen zochten contact met afnemers van het illegale vuurwerk. Bij deze samenwerking was sprake van versluierd taalgebruik, werd gebruikt gemaakt van een versluierd e-mailadres en trachtte men opsporing te frustreren door onder meer het gebruik van een jammer tijdens transport. Ook het door de politie geplaatste peilbaken is van een auto verwijderd. Tevens zijn chicanes met betrekking tot het vervoer van het vuurwerk uitgevoerd. Het bestaan van de criminele organisatie blijkt ten slotte eveneens uit de telefonische contacten tussen de geledingen en het gebruik van contant geld. Verdachte had de know how met betrekking tot het vuurwerk en onderhield contacten met importeurs en fabrikanten van vuurwerk.

Het standpunt van de verdediging

Feit 1 en 2.

De raadsman heeft vrijspraak bepleit van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten.

Verdachte heeft [verdachte 1]. geadviseerd omtrent de aankoop van vuurwerk in het buitenland. Verdachte kent de leveranciers en de producten en speelt een faciliterende rol. Verdachte is geen financierder of eigenaar van vuurwerk. Verdachte is door [verdachte 1]. betrokken bij de aankoop van vuurwerk en het vervoer naar Duitsland. Verdachte wist niets van de loods in [plaats 2] en wist niet dat vuurwerk naar Nederland zou worden vervoerd. Wetenschap betreffende [plaats 2] na de inbeslagname geldt niet als wetenschap voorafgaand. Er is derhalve geen sprake van medeplegen.

Feit 4.

De raadsman heeft vrijspraak bepleit van het ten laste gelegde, aangezien wettig en overtuigend bewijs voor de betrokkenheid van verdachte bij het ten laste gelegde ontbreekt.

Feit 3.

De raadsman heeft vrijspraak bepleit van het ten laste gelegde. Handelen van verdachte in Polen en/of Duitsland kan niet verweten worden daar de rechtsmacht van de Nederlandse rechter ontbreekt, aangezien dubbele strafbaarheid ontbreekt. Uit geen enkel bewijsmiddel blijkt van enige betrokkenheid van verdachte met de invoer van vuurwerk in Nederland. Van het vuurwerk waarin verdachte handelde als eigenaar van [bedrijf 1] staat niet vast dat het vuurwerk niet zou voldoen aan de regels. Daarbij komt er geen sprake is van een gestructureerd samenwerkingsverband tussen verdachte en de medeverdachten.

Het oordeel van de rechtbank

Feit 1 en 2.

Uit afgeluisterde telefoongesprekken werd opgemaakt dat op 29 oktober 2009 mogelijk een hoeveelheid illegaal vuurwerk via het bedrijf [bedrijf 2] ter beschikking zou komen van de organisatie. Op leden van de organisatie werd een observatie gestart, waarbij werd gezien dat vier personen in twee personenauto’s naar een bunkercomplex in [plaats 4] (Duitsland) reden. Er werd aldaar gestopt bij bunker [bunker]. Vervolgens werd gezien dat er een vrachtwagen, kenteken [kenteken 1], met drie personen aan kwam rijden waaruit lege pallets werden geladen in bunker [bunker] .

Op 30 oktober 2009 werd door de observanten waargenomen dat bij bunker [bunker] vier personen uit een Toyota personenauto stapten. Dezen werden herkend als [verdachte 4], [verdachte 3]., [betrokkene 1] en [betrokkene 2]. Tien minuten later kwam een tweede personenauto, waaruit twee personen stapten, onder wie [verdachte 5].

Voorts werd waargenomen dat een vrachtwagen, kenteken [kenteken 2], met oplegger, kenteken [kenteken 3], met daar op een container, voorzien van het nummer [containernummer 1], ter hoogte van bunker [bunker] stopt, waarna de genoemde container door de aanwezige mannen werd leeggehaald. Nadat de vrachtwagen was weggereden, arriveerde er een tweede, voorzien van het kenteken [kenteken 4], met oplegger met kenteken [kenteken 5], waar op een container voorzien van het nummer [containernummer 2]. In de container bevonden zich dozen. Ook deze container werd leeggehaald.

Verder werd waargenomen dat een derde vrachtwagen, kenteken [kenteken 6], met oplegger, kenteken [kenteken 7], bij de bunker stopte, waarna ook die werd leeggehaald. De vrachtwagen met kenteken [kenteken 8], met oplegger met kenteken [kenteken 1], werd vervolgens met pallets met daarop dozen volgeladen. Waargenomen werd vervolgens dat deze met [verdachte 5] achter het stuur wegreed, om 13.24 uur de Duits/Nederlandse grens passeerde en om 13.40 uur over de A73 reed ter hoogte van Boxmeer.

Het observatieteam van de politie Haaglanden nam de observatie over en nam waar dat genoemde personenauto’s en de vrachtwagen met kenteken [kenteken 8], met oplegger met kenteken [kenteken 1], over de A73 ter hoogte van Boxmeer reed. Dat team heeft de auto’s en vrachtwagen tot aan [plaats 2] gevolgd. Aldaar kwamen uit perceel [adres 1] [verdachte 3]. en [betrokkene 2], die de roldeur van de loods openden. Waargenomen werd vervolgens dat de vrachtwagen de loods binnen reed, waarna de loods werd gesloten. Na ongeveer anderhalf uur werd de roldeur weer geopend, waarna de vrachtwagen wegreed .

Op 30 oktober 2009 werd binnengetreden in perceel [adres 1]. Daar werd een partij vuurwerk aangetroffen en in beslag genomen. Bij een eerste telling werden 66 pallets met verschillende soorten vuurwerk aangetroffen. Het vuurwerk is vervoerd naar de Dienst der Domeinen te Ulicoten .

Het in beslag genomen vuurwerk is bij de Dienst der Domeinen onderzocht op uiterlijke kenmerken en gewicht. Het bleek te gaan om 849 Chinese rollen, 5621 flowerbeds en in ieder geval 76.000 nitraatklappers.

Vervolgens heeft het Nederlands Forensisch Instituut (verder te noemen: NFI) onderzoek verricht naar de in [plaats 2] in beslag genomen partij vuurwerk. Het NFI heeft daarover op 24 november 2009 gerapporteerd.

Uit de rapportage is gebleken dat de samenstelling van de onderzochte nitraatklappers (Colour Salute en La Bomba) niet voldeed aan de definitie van zwart buskruit, zodat niet is voldaan aan het gestelde in Bijlage III onder A2 van de Regeling nadere eisen aan vuurwerk 2004. Uit de rapportage van het NFI van 9 december 2009 blijkt hetzelfde ten aanzien van de in [plaats 2] in beslag genomen Chinese rollen.

Uit het rapport van het NFI van 9 december 2009 blijkt tevens dat van de Chinese rollen het brutogewicht meer dan 10 kilogram was, hetgeen in strijd is met artikel 6 lid 5 van de Regeling. Uit het hiervoor genoemde proces-verbaal van verbalisant [verbalisant 1] blijkt dat van de flowerbeds het brutogewicht meer dan 10 kilogram was, hetgeen eveneens in strijd is met artikel 6 lid 5 van de Regeling.

Verbalisant [verbalisant 1] heeft in meergenoemd proces-verbaal vastgesteld dat het onderzochte flowerbed niet voorzien was van een in de Nederlandse taal gestelde gebruiksaanwijzing, was voorzien van twee lonten en dat het gewicht daarvan meer bedroeg dan 10 kilogram, namelijk 14 kilogram, hetgeen in strijd is met het bepaalde in de Regeling dan wel met het bepaalde in artikel 2.1.3. van het Vuurwerkbesluit. Uit dat proces-verbaal valt, door middel van zijn gewicht, tevens af te leiden dat de lading van het flowerbed hoger moet zijn geweest dan 500 gram.

Uit het hiervoor weergegevene concludeert de rechtbank, dat het in [plaats 2] aangetroffen en in beslag genomen vuurwerk door toedoen van [verdachte 4], [verdachte 3]., [verdachte 5] en anderen vanuit Duitsland in Nederland terecht is gekomen en dat genoemd vuurwerk niet aan de daaraan gestelde eisen van consumentenvuurwerk voldeed.

In zijn verhoor van 18 november 2009 heeft [verdachte 3]. verklaard dat hij de sleutel van de loods in [plaats 2] van zijn vader had gekregen, dat hij daar het vuurwerk uit [plaats 4] had gelost en dat hij wist dat het om illegaal vuurwerk ging.

[verdachte 5] heeft in zijn verhoor van 19 januari 2010 verklaard dat hij op 29 oktober 2009 met een vrachtwagen naar [plaats 4] gereden is naar een bunkercomplex. Hij had een vrachtwagen gehuurd, waarin hij pallets had, besteld door [verdachte 1]..

Het doel was om containers vuurwerk te lossen in de bunker en een deel in de vrachtauto mee te nemen naar [plaats 2]. De huur voor de vrachtauto had hij van [verdachte 1]. gekregen op 30 oktober in de namiddag.

Op 20 januari 2010 heeft [verdachte 5] verklaard dat hij op 29 oktober 2009 in opdracht van [verdachte 1]. tussen 150-170 pallets mee moest nemen naar [plaats 4].

[verdachte 1]. heeft tegenover de rechter-commissaris op 20 november 2009 verklaard dat het vuurwerk dat in Duitsland was opgeslagen van hem was en dat hij het wilde doorverkopen aan een ander. Tegenover de politie verklaarde hij dat hij dat hij sinds anderhalf jaar opslagruimte in [plaats 4] huurde.

[getuige 1] heeft bij haar verhoor op 6 december 2010 te Polen verklaard dat zij

voorzitter is van het bedrijf [bedrijf 2]. dat handelt in vuurwerk. De kopers waren mensen uit Nederland. De personen die naar Polen kwamen waren [verdachte 1]. en [verdachte]. Zij zochten vuurwerk uit uit het magazijn, alsmede vuurwerk dat rechtstreeks in China werd besteld. Na een handelsdiscussie stelden [getuige 1], [verdachte 1]. en [verdachte], vast hoeveel zij wilden kopen.

Voor vuurwerk uit China trad zij op als agent die de levering organiseert. De goederen en de hoeveelheden en de technische specificatie besprak [verdachte] rechtstreeks met de Chinezen.

De leveringen werden betaald door [verdachte] en [verdachte 1]..

De goederen die door [verdachte] en [verdachte 1]. gekocht werden waren beschikbaar in haar winkel.

Het vuurwerk dat verkocht werd aan [verdachte] en [verdachte 1]. was afkomstig uit China. Als het op betalen aankwam haalden beiden geld uit hun zakken. Het contact liep via [verdachte].

Uit genoemde verklaringen van [verdachte 3]., [verdachte 5], [getuige 1] en [verdachte 1]. concludeert de rechtbank dat ook [verdachte 1] verweten kan worden dat hij samen met [verdachte 4], [verdachte 5] en [verdachte 3]. het vuurwerk binnen Nederland bracht en dat ook verdachte [verdachte] daarbij betrokken was. [verdachte] bestelde en betaalde samen met [verdachte 1]. vuurwerk in Polen. Hij was nauw betrokken bij het transport naar [plaats 4]. Uit de opgenomen telefoongesprekken tussen [verdachte] en [verdachte 1]. blijkt tevens dat er zowel op 29 als op 30 oktober 2009 telefonisch contact tussen beiden is geweest, waarin wordt gesproken over de aankomst van het vuurwerk in [plaats 4] en het transport daarvan naar Nederland.

Op 30 oktober 2009 vindt het volgende op initiatief van [verdachte] gevoerde telefoongesprek tussen beiden plaats:

[verdachte]: voor de rest alles goed?

[verdachte 1]: ik weet het niet ik heb nog niks gehoord van de jongens.

[verdachte]: nou vooruit toe maar, ze zouden er al lang moeten zijn.

[verdachte 1]: het moet ontzettend druk zijn op de weg.

Hieruit leidt de rechtbank af dat verdachte niet zozeer een adviserende rol speelde met betrekking tot het transport voor zover dat het buitenland betrof, maar dat hij ook op de hoogte was van het transport van het vuurwerk naar Nederland. Verdachte was, gelet op zijn handelscontacten met [getuige 1] bij wie het vuurwerk betrokken werd en op zijn rol bij het transport daarvan een onmisbare schakel in het gehele traject. Er kan dan ook naar het oordeel van de rechtbank gesproken worden van een nauwe en bewuste samenwerking tussen [verdachte 1]., [verdachte 3]. [verdachte 4], [verdachte 5] en [verdachte], welke samenwerking erop gericht was om het vuurwerk binnen Nederlands grondgebied te brengen en het daar aanwezig te hebben.

Naar het oordeel van de rechtbank valt de hoeveelheid van het ten laste gelegde vuurwerk slechts vast te stellen op 27 pallets. Weliswaar zijn 66 pallets in de loods te [plaats 2] aangetroffen, maar de betrokkenheid van verdachte bij de herkomst van meer dan 27 pallets kan niet wettig en overtuigend bewezen worden. Om dezelfde reden zal de rechtbank de ten laste gelegde periode beperken tot die waarin het transport van die 27 pallets heeft plaatsgevonden, te weten 29 oktober tot en met 31 oktober 2009.

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde dienen de hiervoor genoemde bewijsmiddelen, alsmede het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 1] d.d. 28 september 2011 .

Uit dat proces-verbaal blijkt dat bij navraag bij de gemeente [gemeente 2] ten aanzien van het pand [adres 1] te [plaats 2] door geen van de betrokkenen een melding volgens artikel 8.40 van de Wet milieubeheer was gedaan of een dergelijke vergunning was aangevraagd. Eveneens blijkt uit genoemd proces-verbaal dat voor dat pand geen vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer voor de opslag van consumenten- of professioneel vuurwerk was afgegeven.

Reeds hieruit volgt dat de opslagruimte in [plaats 2] geenszins voldeed aan de eisen die daaraan gesteld worden in de bijlage als genoemd in artikel 2.2.2. van het Vuurwerkbesluit.

De rechtbank is, gelet op het bovenstaande, van oordeel dat het onder 1 en 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard zoals hierna onder 5 zal worden weergegeven.

Feit 4.

De verdachte moet, nu geen wettig en overtuigend bewijs voorhanden is om tot een veroordeling van verdachte te komen, van dit feit worden vrijgesproken.

Feit 3.

Naar vaste rechtspraak is een criminele organisatie in de zin van artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht een gestructureerd en duurzaam samenwerkingsverband van twee of meer personen met een zekere organisatiegraad. Daarvan is sprake als binnen dit samenwerkingsverband gemeenschappelijke regels en een gemeenschappelijke doelstelling bestaan. Voor een veroordeling voor deelneming aan een criminele organisatie is het voldoende dat verdachte in zijn algemeenheid weet dat de organisatie tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven. Niet vereist is dat verdachte enige vorm van opzet heeft gehad op de door de criminele organisatie beoogde concrete misdrijven.

Aan deelneming worden twee algemene eisen gesteld. In de eerste plaats moet een verdachte behoren tot de organisatie. In de tweede plaats moet een verdachte een aandeel hebben in dan wel ondersteunende gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie.

Zoals hiervoor reeds is overwogen ten aanzien van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft verdachte zich in een samenwerkingsverband met de medeverdachten [verdachte 1]., [verdachte 4], [verdachte 5] en [verdachte 3]. schuldig gemaakt aan het plegen van misdrijven (het binnen het grondgebied brengen van Nederland en aanwezig hebben van illegaal vuurwerk en de verkoop van illegaal vuurwerk aan particulieren). Uit voorgaande overwegingen van de rechtbank blijkt dat vuurwerk – dat niet voldoet aan de in het Vuurwerkbesluit gestelde eisen – uit Duitsland feitelijk door [verdachte 3]., [verdachte 4] en [verdachte 5] (en anderen) in Nederland is gebracht. Uit voorgaande overwegingen blijkt tevens een zekere mate van rolverdeling tussen de verdachte en de medeverdachten. Enkele personen hielden zich bezig met de import, anderen droegen zorg voor de distributie en anderen zochten contact met afnemers van het illegale vuurwerk.

Uit de verklaringen van [verdachte 5] blijkt dat hij – aangestuurd door [verdachte] en [verdachte 1]. – meerdere malen vuurwerk transporteerde vanuit Duitsland naar Nederland. [verdachte 1]. stuurde tevens [verdachte 3]. en [verdachte 4] aan. Uit de verklaring van [verdachte 5] blijkt tevens dat er sprake was van versluierd taalgebruik ten aanzien van het te vervoeren van het vuurwerk.

Uit de verklaringen van [verdachte 3]. blijkt dat hij zich – aangestuurd door [verdachte 1]. – schuldig heeft gemaakt aan het transporteren van illegaal vuurwerk vanuit Duitsland naar Nederland tezamen met [verdachte 4] en [verdachte 5]. Bij het transport heeft [verdachte 3]. gebruik gemaakt van een jammer en heeft hij zijn telefoon uitgezet om spoorloos te blijven. [verdachte 3] heeft tevens meermalen het vuurwerk gedistribueerd naar particulieren.

Uit de verklaringen van [verdachte 4] blijkt dat hij – aangestuurd door [verdachte 1]. – vuurwerk heeft getransporteerd vanuit Duitsland naar Nederland tezamen met [verdachte 3]. en [verdachte 5]. [verdachte 4] had de beschikking over de sleutels van de bunker in [plaats 4] (Duitsland). Uit de verklaring van [verdachte 4] blijkt tevens dat [verdachte] en/of [verdachte 1]. een loods zochten en hij een van beiden over de loods in [plaats 2] heeft verteld.

Uit voornoemde verklaringen en hetgeen hiervoor onder 1 en 2 is overwogen blijkt dat [verdachte] wetenschap en kennis heeft omtrent vuurwerk en een faciliterende rol speelde in de verkrijging van illegaal vuurwerk in Nederland. [verdachte] heeft immers contacten met fabrikanten en [getuige 1] onderhouden en bestellingen verricht, waardoor hij ([verdachte]) een onmisbare schakel in de gehele criminele organisatie is geweest.

Tevens blijkt dat [verdachte 1]. de nodige wetenschap en kennis heeft omtrent vuurwerk. Hij maakte gebruik van de connecties van [verdachte] om illegaal vuurwerk naar Duitsland te krijgen en zorgde voor de huur van loodsen en vervoersmiddelen. Ook regelde hij ([verdachte 1].) het transport naar Nederland en onderhield contacten voor de verkoop aan particulieren.

[verdachte] en [verdachte 1]. stuurden beiden andere personen in het samenwerkingsverband aan en betaalden het vuurwerk .

Op grond van de hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat het samenwerkingsverband tussen [verdachte], [verdachte 1]., [verdachte 3]., [verdachte 4] en [verdachte 5] een gestructureerd en duurzaam karakter had. Binnen het samenwerkingsverband bestond een duidelijke taakverdeling waarvan iedere deelnemer op de hoogte was. Ook van het doel van het samenwerkingsverband, het illegaal invoeren van consumentenvuurwerk, waren de deelnemers op de hoogte. Op deze wijze heeft het samenwerkingsverband gedurende een langere periode illegaal vuurwerk in Nederland ingevoerd en op de Nederlandse markt gebracht.

De rechtbank stelt vast dat deelname aan de criminele organisatie voor [verdachte 1]., [verdachte 3]., [verdachte 4] en [verdachte 5] de periode vanaf 22 juli 2008 en 17 november 2009 betreft.

Voor [verdachte] stelt de rechtbank vast dat de criminele organisatie de periode vanaf 16 september 2009 tot en met het moment van zijn aanhouding op 17 november 2009 betreft.

De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de inhoud van de hiervoor aangehaalde bewijsmiddelen en deze in onderlinge samenhang bezien, wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte heeft deelgenomen aan de criminele organisatie. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het onder 3 ten laste gelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen.

5. DE BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht, zoals hiervoor is overwogen, wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 1, 2 en 3 ten laste is gelegd, met dien verstande dat:

1.

hij, in de periode van 29 oktober 2009 tot en met 31 oktober 2009 te [plaats 2], gemeente [gemeente 2], in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk vuurwerk, te weten (onder andere)

- Chinese rollen en/of

- flowerbeds en/of

- nitraatklappers,

binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht en voorhanden heeft gehad ten aanzien waarvan niet werd voldaan aan de bij het Vuurwerkbesluit gestelde eisen of ter uitwerking van dit besluit krachtens artikel 9.2.2.1 Wet milieubeheer gestelde regels, immers,

• waren genoemde flowerbeds en nitraatklappers niet voorzien van een in de Nederlandse taal gestelde gebruiksaanwijzing met zodanige aanwijzingen en waarschuwingen dat bij het dienovereenkomstig handelen geen letsel of schade bij de gebruiker en/of omstanders kon ontstaan (als bedoeld in artikel 2.1.3 Vuurwerkbesluit) en

• waren genoemde Chinese rollen en nitraatklappers in strijd met het bepaalde in Bijlage III (A2) van de Regeling nadere eisen aan vuurwerk 2004 voorzien van een lading (voor knaleffect) welke niet uitsluitend bestond uit zwart buskruit en

• waren een of meer van genoemde flowerbeds in strijd met het bepaalde in Bijlage III (C2) behorende bij de Regeling nadere eisen aan vuurwerk 2004 voorzien van een lading met een groter gezamenlijk gewicht dan 500 gram en

• bedroeg het brutogewicht van genoemde Chinese rollen en van een of meer van genoemde flowerbeds in strijd met artikel 6 lid 5 van de Regeling nadere eisen aan vuurwerk 2004 meer dan 10 kilogram en

• waren een of meer van genoemde flowerbeds in strijd met het bepaalde in artikel 5 lid 1 van de Regeling naderen eisen aan vuurwerk 2004 voorzien van meer dan één lont.

2.

hij, op 30 oktober 2009 te [plaats 2], gemeente [gemeente 2], tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk, meer dan 10 kilogram, vuurwerk, te weten (onder andere)

- Chinese rollen en/of

- flowerbeds en/of

- nitraatklappers,

buiten een inrichting als bedoeld in artikel 1.1.4, 2.2.1, 2.2.2 of 3.2.1 van het Vuurwerkbesluit, voorhanden heeft gehad, immers had hij, verdachte en een of meer van zijn mededaders dit vuurwerk, voorhanden in een loods gelegen aan de [adres 1] aldaar.

3.

hij, op tijdstippen in de periode van 16 september 2009 tot en met 17 november 2009 in Nederland en/of Duitsland en/of Polen heeft deelgenomen aan een organisatie die werd gevormd door verdachte en [verdachte 4] en [verdachte 1] en [verdachte 3] en [verdachte 5] en anderen, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten het:

- opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen van een (grote) hoeveelheid vuurwerk ten aanzien waarvan niet werd voldaan aan de bij het Vuurwerkbesluit gestelde eisen of ter uitwerking van dit besluit krachtens artikel 9.2.2.1 Wet milieubeheer gestelde regels en

- plegen van handelingen gericht op het opzettelijk (verder) vervoeren en/of opslaan en/of aan een of meer ander(en) (te weten particulieren) ter beschikking stellen van die (binnen het grondgebied van Nederland gebrachte) hoeveelheid/hoeveelheden vuurwerk, zulks terwijl hij, verdachte, bestuurder van voormelde organisatie was.

Van het onder 1, 2 en 3 meer of anders ten laste gelegde zal de verdachte worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet wettig en overtuigend bewezen acht.

6. DE STRAFBAARHEID VAN HET BEWEZENVERKLAARDE

Er zijn geen feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van de bewezen verklaarde feiten uitsluiten.

7. DE STRAFBAARHEID

Het bewezene levert op:

Feit 1 en 2, telkens:

Medeplegen van opzettelijke overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 9.2.2.1. van de Wet milieubeheer.

Feit 3:

Deelneming aan een criminele organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven, terwijl hij bestuurder was van die criminele organisatie.

8. DE STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE

Er zijn geen feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is derhalve strafbaar.

9. DE STRAFOPLEGGING

De eis van de officier van justitie

De officieren van justitie hebben gevorderd dat verdachte zal worden vrijgesproken van het onder 4 ten laste gelegde en dat hij ter zake van de door hen bewezen geachte feiten 1, 2 en 3 zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaar, met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat verdachte integraal vrijgesproken dient te worden van de ten laste gelegde feiten. Subsidiair heeft de raadsman bepleit te komen tot strafvermindering, aangezien er sprake is van onherstelbare vormverzuimen ex. artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering. Daarnaast heeft de raadsman voorwaardelijk verzocht de Chinese, Tsjechische, Duitse en Poolse autoriteiten te horen omtrent de classificatie van aldaar gepasseerd vuurwerk. Niet is vastgesteld welke classificatie het vuurwerk heeft. Classificatie is van belang voor het bepalen van de hoogte van de eventuele straf, aangezien classificatie de gevaarzetting weergeeft.

Het oordeel van de rechtbank

Gelet op de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden waaronder verdachte zich daaraan heeft schuldig gemaakt en op de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht de rechtbank de na te noemen beslissing passend.

Bij de strafoplegging zal de rechtbank in het bijzonder rekening houden met het de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals tot uitdrukking komt in het wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarbij houdt de rechtbank rekening met de grote hoeveelheid illegaal vuurwerk die de criminele organisatie, waarvan verdachte deel uitmaakte, in Nederland heeft gebracht. Verdachte heeft puur uit winstbejag gehandeld en heeft zich niets aangetrokken van het gevaar dat het door hem geleverde vuurwerk in de handen van niet-deskundigen kan veroorzaken. Wat er ook zij van de classificaties van het vuurwerk, vuurwerk is en blijft gevaarlijk, indien dit niet met de nodige voorzorgmaatregelen wordt getransporteerd, opgeslagen en afgestoken. Verdachte kende, als gerenommeerd deskundige op dit gebied, als geen ander deze gevaren. Dat verdachte, ondanks deze kennis van de gevaren, toch heeft meegewerkt aan het binnen het grondgebied van Nederland brengen en het vervolgens in strijd met de regels opslaan van illegaal vuurwerk, rekent de rechtbank hem zwaar aan.

De rechtbank zal toch een lichtere straf opleggen dan de door de officieren van justitie gevorderde straf, nu de rechtbank van oordeel is dat de hierna te noemen straf de ernst van het bewezen verklaarde voldoende tot uitdrukking brengt. Enerzijds acht de rechtbank het in verband met een juiste normhandhaving geboden verdachte een langdurige onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, maar anderzijds wil de rechtbank via de op te leggen straf invloed uitoefenen op het gedrag van de verdachte om zo tegen te gaan dat verdachte opnieuw (soortgelijke) strafbare feiten zal plegen. De rechtbank houdt rekening met de omstandigheid dat verdachte, naar eigen zeggen, niet meer actief is in de vuurwerkbranche – en handel, maar is in dit geval toch van oordeel dat een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf noodzakelijk is, omdat aard en ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, door een lichtere strafrechtelijke afdoening van de zaak miskend zouden worden. Bijzondere omstandigheden die tot een ander oordeel zouden moeten voeren, acht de rechtbank niet aanwezig.

Bij haar beslissing heeft de rechtbank rekening gehouden met:

- een de verdachte betreffend uittreksel justitiële documentatie d.d. 30 juni 2011, waaruit blijkt dat verdachte een blanco strafblad heeft.

10. TOEPASSELIJKHEID WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op

de artikelen 10, 27, 47, 57, 91 en 140 van het Wetboek van Strafrecht,

de artikelen 1a, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten,

artikel 9.2.2.1. van de Wet milieubeheer,

de artikelen 1.1.4., 2.1.3., 2.2.1., 2.2.2. en 3.2.1. van het Vuurwerkbesluit en

de artikelen 6 en 8 van de Regeling nadere eisen aan vuurwerk 2004,

zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

11. BESLISSING

De rechtbank:

verklaart niet bewezen dat verdachte het onder 4 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij;

verklaart, zoals hiervoor overwogen, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte het onder 1, 2 en 3 laste gelegde heeft begaan en verklaart verdachte derhalve strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden;

bepaalt dat de tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht.

Aldus gewezen door mr. E.W. Akkerman, voorzitter, mr. R.M. van Vuure en mr. G. Neppelenbroek, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E.H. Ruitenbeek en mr. R.G. Dees als griffiers en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 17 oktober 2011.

Mr. G. Neppelenbroek en mr. E.H. Ruitenbeek voornoemd waren buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.